Zondag

De volgende ochtend word ik wakker en weet dat ik ontzettend veel gedroomd heb. 3 kamergenotes zijn al uit bed en weg. Bedden zijn zelfs afgehaald. Ik heb er doorheen geslapen. Tijd voor ontbijt. Ik voel me nog steeds leeg, onbestemd, maar misschien helpt een wandeling door de stad? Het is droog en zonnig zo te zien. Oké – het is nevelig en koud. Van mijn vorige bezoeken ben ik gewend dat het hier buiten altijd drukkend warm is. Maar toch -heb je ooit wel eens bergen in de nevelige kou gezien? Prachtig.

Ik wens nog altijd dat er achter mijn flat eens van die bergen opdoemden. Daar zouden wat mensen in Enschede weer niet blij mee zijn. Hoe zou het met mijn katjes gaan? Zouden ze al doorhebben dat ik op vakantie ben? Ontbijt is zoals altijd in de kelder. Ik voel me nog steeds niet veel beter. Mijn hoofd zit vol. Berichten van mensen waar ik nu niets mee wil doen. Ik denk aan mijn vorige verblijf hier, onderweg naar Cecilia. Ja, zij krijgt ook een kaartje van me deze week.

De Whatsapp-gesprekken die me dwarszitten breek ik allebei af. Komt over een week wel weer, ik ben nu op vakantie. Simon, nu nog in Enschede, katert vandaag nog even verder omdat hij steeds meer en meer beseft dat hij Nederland gaat verlaten. Ik probeer hem in de spaarzame momenten dat ik internet heb, zo goed mogelijk door zijn droefenis heen te helpen.

Ontbijt op, koffie ook. Naast me zit een clubje skaters. Voor me drentelt een Italiaans jongetje dat zo de nieuwe Michael Jackson zou kunnen zijn. Echter, hij praat wel Duits. Zijn vader hinkt ongemakkelijk met een dienblad. Het jochie wil het dienblad van hem aannemen. Wat behulpzaam. Het kindje stuitert inmiddels verder, pardoes door de keuken heen, en keert door de gang terug om zijn strompelende vader op te jagen.

Later, in de stad. Ik steek op z’n Fins over, gewoon hoppa, voor een politieauto langs. Dat moet je hier niet doen, leer ik gelijk. De carabinieri hangen loerend uit het raampje en kijken me lang na. Ik loop door het centrum, door de Laubengasse. Ik zie hoe een oud mannetje achteloos aan parfumerie Douglas voorbijloopt en in het voorbijgaan een paar pufjes gratis parfum op zijn polsen spuit. Het is damesparfum… ik moet een beetje grinniken. De hele gallerij ruikt er nu naar. Mijn Italiaans is duidelijk verre van perfectie. Ik begin een gesprek bijna met ‘minä on ritorno…’ en bedenk me dat dat echt een mengeling van Fins en Italiaans is.

Het fijne is: ik heb hier regelmatig een leeg hoofd. Dat is fijn. Nog fijner vind ik het als ik dan besef dat het eigenlijk een werkdag is. Dat is het vandaag niet, het is zondag. Maar toch. Morgen weer even bij stilstaan. Ik heb nog één kamergenote over, ze is Italiaanse en ze zegt helaas niet veel – zelfs niet haar naam. Ik ben gauw naar het onderbed verhuisd. Mijn rondje door de stad besluit ik met een aankoop van een boekje voor Cecilia, twee kaarten, en een magneet. Ik weet alleen niet wat een envelop is, dus na wat wijzen en handgebaren verwijst de Italiaanse bediende me naar de Tabacci… waarschijnlijk voor postzegels. Ik moet ergens een stevig stuk papier of een envelop tegenkomen, of gewoon het woord opzoeken.

Ik keer kort naar het hostel terug voor een vitaminepil, want ik voel me dizzy, en voor oorbellen. Ik heb die dingen niet voor niets meegenomen. Dan ga ik met de kabelbaan naar Ritten. Bakje zit vol. Halverwege zie ik mooie grafitti op een muur waar we overheen zweven. Twee ogen, met een regenpijp ertussen. Net een traanbuis. Die moet op de foto. Ik kijk hoe het pad loopt en na aankomst daal ik af erheen, al moet ik daarvoor wel een weiland doorkruisen. De koeienpoep die er ligt is oud en droog, dus ik gok dat er nu geen wilde koeien lopen die me op de hoorns kunnen nemen. Wel geiten, bij een boerderij iets lager. Ik fotografeer de ogen-grafitti en klim weer terug de heuvel op. 10 graden, zonnetje, krekels. Politie die langskomt en verkeerde, doodlopende weg naar het huis op de heuvel inslaat. Ze bellen aan, maar de poort blijft dicht. Eén carabiniero stapt uit en gebaart voor de ander opdat die achterwaarts terug kan rijden. Ik aanschouw het vol plezier. Het laatste stuk keren ze om op het gras en scheuren ze maar gewoon langs de weg op terug. Italianen en geduld, een moeilijke combinatie. Ik zwaai naar ze als ze langsrijden. Ze zwaaien niet terug. Het is lekker in het zonnetje, maar ook wel wat koud. Ik zit op mijn regenjas.

Dan kom ik op het idee om met het treintje eens Maria Himmelfahrt te bezoeken. Die kant ben ik nog nooit opgeweest. Maar dan moet ik nu wel gaan, zegt mijn hoofd. Waarom? Om op tijd te zijn. Eh, oké. Ik pak vlug in en zet koers naar het stationnetje. Inderdaad komt het treintje er nét aan! Wat een geluk, lekker warm zitten. Maar oh! We vertrekken de verkeerde kant op. Geeft ook niet.

Ik laat me meerijden langs alle stops en uitzichten die ik al ken. De winter heeft het landschap een mooie touch gegeven: sneeuwveldjes. En het stuwmeertje is bevroren, ook mooi. Ik wil er omheen lopen, maar krijg mezelf er niet toe om uit te stappen bij zo’n stationnetje in het niets. Ach, dan maar blijven zitten tot Klobenstein. Daar kijk ik even hoe laat het treintje teruggaat. In 10 minuten. Dan zie ik een bordje ‘Wolfsgraben – 1Std’ en ik ben om. Dat moet te lopen zijn.

Dus zoek ik achter de tumultueuze ijshal van Klobenstein het wandelpad op (eerst even een man de weg naar het station wijzen in het Italiaans) en ga op weg. Glippend over sneeuwveldjes heen ga ik bijna écht onderuit. Kijk, hier waren die spikes wel handig geweest. Ik wandel rustig verder door bossen en dalen. Soms kruis ik de autoweg of de trein. Ik kom voorbij een mooi landelijk gelegen huis. Hoe laat zal ik de trein terugpakken?

Hé, daar zie ik een klein stationnetje. Het heeft een naam en een wachthuisje. De trein komt over twee minuutjes. Én stopt. Mee. Word gelijk gecontroleerd op mijn kaartje (7-dagen Mobilcard). De conducteur gelooft het wel. Ik stap weer uit bij het hoofdstation en prop me met de rest in de kabelbaan naar beneden. Leuk, dat aftelscherm. Beneden loop ik naar het hostel. 16:00 ofzo. Ik loop langs de toko. Er zijn Duitsers binnen, dan durf ik ook wel. De Indiër weet me een plastic bakje met twaalf sesam-ballen te verkopen voor 3,50. Ziet er wel lekker uit als elfuurtje. Ik neem ze. ‘Dolce, dolce’ zegt hij. Ik weet niet meer of ik ooit met hem gesproken heb, en in welke taal dan. Het kan best zijn dat Karin al het praten deed, toen we destijds mango’s kochten. Misschien moet ik hem de foto laten zien. Later app ik Wilco, of hij een foto van mijn foto wil maken. Karin heeft me ooit een foto gestuurd waarop ik voor zijn toonbank sta, met hem glunderend erachter. Hij is met de jaren wel ietsje grijzer geworden.

In het hostel eet ik alvast drie van de sesamballen op en app ik met Simon, die net zijn katten heeft laten ophalen. Hartverscheurend, hij is helemaal alleen. Ik app wat met hem. Na drie bolletjes ben ik goed gevuld. Ik ga naar boven en zet even foto’s over op mijn laptop. Ik merk dat er tegenwoordig internet is boven! Wat een…verslavende luxe. Ik schrijf een vriend in Zweden een bericht en lees mijn mail. Hier moet ik geen dagelijkse gewoonte van maken. Dan ga ik beneden rijst koken. Een oud dametje kookt ook. Ze lijkt op het kanarietje dat ik in Sankt Moritz aan het ontbijt trof. Klein, krom, met kraaloogjes, eigen maniertjes. Ze kookt ook en zegt wat korte beleefdheden in het Duits. Ik zeg weinig terug, want ze lijkt niet zo spraakzaam, en ik weet ook niet of ze het Duits heel goed beheerst.

Ik heb rijst met tomatensaus en twee stuks gesneden bifiworst. Smaakt heerlijk! Morgen boodschappen doen. Tijd om naar de film te gaan nu. Ik kleed me om en loop stevig door. Ik zit met een hoop ouwe mensen bij een film over Segantini. De voorafgaande film loopt uit, er staat een houten bord in de vorm van een piccolo voor de deur van de zaal. Sommige Italianen wurmen zich er tóch langs, ‘omdat ze toch naar de wc moeten’. Slechte excuses, ze kunnen de zaal toch nog niet in. Ik sta aan een statafel naast een man die behoorlijk op Dalì lijkt. Hij wrijft over zijn snor en kijkt mij met mijn opschrijfboekje geïnteresseerd aan. Wat moet ik, mijnheer? Bent u echt een reïncarnatie van Dalì? De Italianen om ons heen drommen naderbij en willen de zaal in. Tot twee keer toe komt de suffige suppoost zich verontschuldigen dat we er nog niet bij kunnen. Wat kunnen Italianen verschrikkelijk ongeduldige figuren zijn!

Ik ga nog snel even naar het toilet, dat beneden in de kelder is. Ik ga twee trappen af, een hoekje om, en sta zomaar in een prachtig film noir-decor. Een dof glanzende groene muur met een stijlvolle wandlamp, een rode deur, een groen oud bankje met buispootjes. Na mijn toiletbezoek kniel ik rustig in het gangetje en maak een foto van de situatie. Wat een onverwachte schoonheid in zo’n loze ruimte.

In de zaal wordt het, ondanks de airco, knap bedompt en ruikt het er steeds minder fris. Nu is het bij een bioscoop altijd zo dat je wel een beetje elkaars adem ruikt, maar dit is echt erg. Het vrouwtje naast mij zegt al dat ze per definitie haar jas uitdoet, want het is hier altijd zo warm. Ik geef haar groot gelijk. Oude mensjes lijken ook gewoon te stinken. De film is goed hoor, wel wat traag, en voorzien van weinig mooie beelden. Veel beelden zijn geschoten van het hedendaagse Milaan, waar men volgens mij ook wel wat fake beelden uit een dorpje in de omgeving had kunnen nemen, met goed geklede figuranten. Nee, helaas. We moeten het doen met oude foto’s en nieuwe, moderne stadsbeelden van al Segantini’s woonplaatsen. Gelukkig komen er dan plotseling wel aereal views van de Malojapas en de Postbus voorbij. Ik zit opeens dolblij in mijn stoel en kijk hoe de bus zich ongemakkelijk de pas op slingert. Daar heb ik in gezeten, deze zomer nog! Ja! Ik besluit het niet aan het vrouwtje naast me te vertellen, ik zou het drie keer, luid, moeten herhalen, en dat verstoort toch de hele film. In stilte geniet ik van de herinnering en van het feit, dat ik zó’n reiziger ben, dat ik dit gewoon kan zeggen. Het laat de vreselijke mondgeuren rondom mij even weg-ebben.

Na de film loop ik rondom terug naar café Nadamas, maar dat zit dicht. Jammer, het was een fijn café, druk, maar toch met plek om te zitten en te schrijven – zoals Bisketti in Oulu. Een ander café wil ik nu even ook niet opzoeken, dus loop ik terug via de Laubengasse. Ik vind leuke winkeltjes voor fournituren en voor Merinospullen. Op m’n terugweg zie ik veel inwoners van Bolzano met hun huisvuil slepen. Maandagochtend komt de vuilnisophaaldienst zeker.

In de straat van het hostel zie ik dat de Indiër nog achter zijn toonbank zit. Wat een leven. Op de deur hangt wel een vel papier gekleefd met zijn telefoonnummer, en iets van een Italiaanse tekst ‘gaat alleen open wanneer u belt’. Ach, hij zit er al zeker drie jaar dus, en hij krijgt waarschijnlijk dagelijks veel aanloop van vrienden, dus wat zou het. In de jeugdherberg zit ik nog even op de bank. Ik zou wel een biertje of wijntje lusten, maar in de stad was alles dicht. Drooglegging hier zeg.

Twee mannen op de bank. De ene kijkt geïnteresseerd af en toe. Misschien ben ik leuker dan de TV. Maar ach, hij moet morgen weer naar z’n vrouw en kinderen terug. He, het sarcasme. Ga weg, Italiaan. So far nog weinig mensen gesproken hier. Ik ga naar bed. Buuf ligt er al in en doet tegelijk de lamp uit. Ik slaap onrustig in het benedenbed, omdat er continu licht van het station naar binnen schijnt. Om 4 uur ’s morgens pakt buuf in en vertrekt. Ik ben alleen. Toch wel fijn.