Maandag

Wonderwel slaap ik nog tot 7 uur. Ik heb vannacht veel treinen gehoord op het rangeerterrein. In je slaap komt dat op een heel aparte manier binnen. Het gepiep van een rangerende trein is, vermengd met slaaproes, wel zo droevig, dat ik het gewoon zielig vind voor die treinen. Stalen kolossen die maar weer ergens heengezeuld worden. Wanneer zijn ze eindelijk thuis?

Even internetten en dan ontbijten. We zitten nog maar met z’n drietjes in de eetzaal. De twee heren van gisteravond en ik. Ik zoek nog even wat op over de kloosterbieb en dan pak ik een tas om boodschappen te gaan doen. Ik vind een grotere Spar, vlakbij de kiosk waar ik ooit met Karin een ‘Nachteis’ haalde, en bij de passage naar de Waltherplatz. Ik sla houdbare producten in als pasta, en spul in glazen potten met draaideksels. Ook wat lekker bier voor ’s avonds. Zo. Ik breng het het hele zwikje terug naar de Jeugdherberg en stack het onderin mijn kast. Ik weet dat die kast niet daarvoor bedoeld is, maar ik denk heimelijk dat wel meer gasten eten in hun kamer opslaan. Ik heb bovendien een klein koeltasje mee, dat alle bederfelijke waar luchtdicht weg en koel houdt.

Ik smeer broodjes en ga de stad in om te winkelen. Nou, merinoshirts zijn er nog niet, want het is nog winterseizoen. Wat er is heeft een hoge halslijn of oogt als ondergoed. Jammer. Sokken hebben ze wel, in een ogenschijnlijk te grote maat. Ik koop een paar voor zestien euro. Dat lijkt duur, maar is het helemaal niet. Merinosokken zijn excellent, je kunt ze zeker een week dragen en je vergeet compleet dat ze in de was moeten. Ik draag nu al sinds de zomer afwisselend drie gewone en één dik paar Merinosokken, en laatst ging ik eens terug naar ‘normale’ katoenen sokken. Gelijk na één dag wist ik dat dat ellende was, wat een stinkboel. Snel de Merinosokken van de waslijn gehaald en die weer aangetrokken.

Ik koop ook oorbellen en een enorm gave steampunk ring. Ik heb Wietererhof ’s ochtends gebeld, maar ik kreeg Waltraud aan de lijn, en ze zei me dat een Ausritt niet einfach mogelijk was, want er was deze week geen begeleiding. Alleen op zo’n paard de bergen in kan je natuurlijk niet vragen, al zou ik het best kunnen, ik heb een goede wandelkaart. Ze moet het haar man vragen, ze zal me terugbellen. Heel de ochtend houd ik mijn telefoon in de aanslag en het geluid aan, opdat ik haar niet mis en haar goed kan verstaan wanneer ze terugbelt. Het telefoontje blijft uit. Heeft ze wel het goede nummer genoteerd? Ik zal erachteraan mailen.

Morgen wandel ik wel even naar Jenesien, om te zien of ik überhaupt boven kan komen zonder auto. Ik winkel nog wat meer en weet aan een envelop voor Cecilia’s boekje te komen. Ook doorkruis ik de universiteit, waar ik, zoals ik verwachtte, absoluut niet opval. Het internet is er gratis, dus ik zet me op een raar oranje bankmeubel voor een enorm raam dat over het plein uitkijkt en geef mijn ogen de kost. Ook loop ik even door de bibliotheek, maar die is niet erg bijzonder. Het is weliswaar een degelijk gebouwd vierkant hok, met een grote vide in het midden afgezet met moderne eikenhouten panelen. Het dak van de vide is niet spectaculair. De trap naar boven is wel aardig mooi, maar voor de rest is de bieb gewoon een heel deugdelijk recht gebouw, met veel werkplekken en veel kasten met boeken. Onder de eiken platen bespeur ik een vrij moderne betonnen opbouw. Dit stuk van het gebouw is nieuwer dan je zou denken. Nee, komt niet in mijn top tien.

Hierna loop ik even de gangen van de uni door, op zoek naar een toilet. Ik stuit op een zijgang die me tot een veel ouder deel van het gebouw leidt. Prachtige gangen en helderwitte stenen trappen liggen aan mijn voeten. Ik waar me weer even in de KABK in Den Haag. Ik vergaap me aan de architectuur en vergeet bijna dat ik ook nog naar het toilet moest. Wat een weelde, zag de bieb er ook maar zo uit.

Ik ga weer op het zitmeubel voor het raam zitten en bekijk de jongeren buiten. Een hipster, een achteloos permanentje (zijn vriendin), een lelijk eendje en een bakvis. Het lelijke eendje is zo te zien verliefd op de hipster. Ze draait en konkelt om hem heen, bakvis en permanent ietwat negerend. Ze houdt haar hoofd schuin en smeekt om lachjes. De hipster trekt zich niet veel van haar aan. De bakvis hangt er maar wat bij, en het permanentje kijkt achteloos. De hipster loopt naar binnen, en het eendje maakt direct aanstalten erachteraan te gaan. Dan keren ze allen naar buiten terug, en de hipster loopt gearmd met het permanentje weg. Ik snap het al. Arm lelijk eendje. Ook: de bakvis had hier totaal geen rol in.

Later ga ik op het plein bij de Sparkasse op een houten vlonder zitten schrijven. Om mij heen komen Italianen voorbij. Zo ook een merkwaardig opgedofte dame. Trots als een pauw stapt ze op me af, mij een beleefd knikje toewerpend. Twee slanke, langharige windhonden deinen voor haar uit aan de lijn. Zijzelf is niet minder fraai: gekleed in een opvallende bontmantel, met tierelantijnen overal, een stijlvolle handtas, getoupeerd haar in diverse tinten. Haar verschijning is af met de stijlvolle Louboutins waarop ze me gracieus voorbijloopt. Deze Italiaanse dame laat even haar honden uit.

Inmiddels is het nog niet na vier, maar ik vind het wel tijd voor bier. Inderdaad, op de maandagmiddag. Maar het is vakantie. Ik heb alleen geen idee waar ik lekker kan zitten. De meeste bars zijn zover verscholen onder hun luifel dat als ik binnen ga zitten, mijn observaties beperkt zijn tot het publiek wat zich daarbinnen ophoudt. Dan krijgen mijn observaties al gauw een voyeuristisch tintje en dat geeft gewoon geen leuke anekdotes. Ik loop maar naar het hostel.

Ik ga eerst op de bank hangen, inkakken en appen. Ik blijf ervan overtuigd dat het internet beneden in de gezelschapsruimte veel beter en sneller is. Bovendien is het hier ook veel gezelliger, als er gasten zijn natuurlijk. Nu zit er geen kip, dus ik ga vrij snel naar boven. Ik pak mijn aankopen uit en internet nog wat meer, terwijl de schemering invalt. Ik maak het pakketje voor Cecilia klaar, alsook de kaartjes naar vrienden. Ik zoek de openingstijden van het postkantoor op en schrijf wat berichten op fora. Daar heb ik nu eindelijk tijd voor, dat wel. Zal ik morgen maar eens naar de sauna in Naturns gaan? Ik moet er sowieso eenmaal heen deze week. De sauna in Naturns is, in tegenstelling tot de thermen in Merano, niet zo toeristisch. Het is gewoon knus en goed ingericht tegelijkertijd.

Het wordt ook tijd om even een bevestiging aan Samuel te sturen, de theatersporter alhier die mij vanuit Bolzano mee zal nemen naar Appiano (ofwel Eppan An Der Weinstrasse). Bij het woord ‘Weinstrasse’ kan ik me veel leuke dingen visualiseren, maar het zal wel gewoon een oude handelsroute zijn. Ik stuur een smsje naar Samuels nummer, maar krijg geen antwoord. Het is pas maandag; ik hoef woensdag pas mee, dus ik ga er niet te veel achteraan zitten.

Omdat ik nog niets van Wietererhof heb teruggehoord, stuur ik ze een mailtje met mijn telefoonnummer. Zo, dan kan dat in ieder geval geen misverstand zijn. Bel me, mensen, dan zit ik hopelijk deze week nog op een Haflingerrug de bergen te bekijken.

Ik ga naar beneden om te koken. Er is een gemeenschappelijke keuken achterin het hostel die van de meeste gemakken voorzien is. Aanvankelijk wist ik niet van het bestaan van de keuken af. Zelfs nu moet ik soms mensen er bewust heen wijzen, want ze houden het voor een personeelsruimte. De keuken heeft wel z’n eigen handleiding. Uiteraard moet je zelf de boel schoonhouden, opruimen en afwassen. Rondslingerend eten zonder datum wordt zonder pardon weggegooid, en afval wordt strikt gescheiden. Als je de keuken in de rook zet, wordt direct het grote raam opengezet, winterkou of niet. Al met al is de keuken een zegen, want je vakantieweek slijten met soppige noodels of elke dag restaurant is natuurlijk geen doen.

Het koken van pasta hier heb ik in 2013 al geleerd, toen het fornuis nog uit twee roestige oude kookplaten bestond. Intussen is het geheel vernieuwd met een mooi glanzend zwarte electrische kookunits, maar je gaat op dezelfde manier te werk. Water voor je pasta kook je eerst in de waterkoker. Ondertussen figolier je de kookplaat uit tot die op standje 9 staat en rood opgloeit. Zet er een pan op en giet je kokende water erin. Hoop nu driftig dat je water ook echt aan de kook blijft. Hierna kieper je je pasta erin en vul je de boel aan met groenvoer, vlees en kaas. Kortom: vertrouw niet op het kookstel alleen, want dan zit je tegen twaalven nog niet aan je bordje pasta.

Opeens hoor ik een bekende stem achter de keukendeur. Ik trek de deur met een zwaai open en sta oog in oog met nachtportier Zakaria die ik de jaren ervoor ook al ontmoette. Niet verwacht hem hier nog te zien, want de vorige twee avonden was er een ander!

Hij kijkt mij warrig aan, en ik zeg ‘Heidi! Uit Nederland!’ Opeens hoor je radartjes lopen en begint het hem te dagen. ‘Uit Amsterdam, neh?’ ‘Nee… uit het oosten.’ ‘Oh ja, uit een small town in het oosten! Ja Heidi!’ Hij glundert opeens blij. Zodra ik mijn bordje pasta met tomatenpuree en champignons klaar heb, praten we verder in de gezelschapsruimte.

Hij wil wederom alles weten van mijn hometown, maar nu ook van alle andere plaatsen waar ik het afgelopen half jaar ben geweest. Het is leuk als het gesprek op Nederlandse woorden aankomt, met name die met een ‘ij’, zoals Overijssel en Nijmegen. Zakaria probeert het eerst uit te spreken als een ‘i-j’ maar dat levert aparte woorden op. Dan leg ik de overeenkomst tussen de lange ‘ij’ en de korte ‘ei’ uit. Na wat oefenen en struikelen over Nederlandse woorden is het met z’n uitspraak al een stuk beter. De wijzers van de klok kruipen langzaamaan naar 8 uur: Zakaria moet zijn plaats aan de receptie innemen. Ik groet hem gedag en ga naar boven.

Oei, nu ben ik al te laat om naar het lokale zwembad te gaan – mijn eigenlijke plan. Maar waarom zou ik ook gaan? Ik houd helemaal niet van zwemmen. Ik wil gewoon graag mijn mooie witte Marilyn Monroe-badpak weer eens aan!

Ik ga naar mijn kamer, waar ik nog steeds alleen bivakkeer. Ik eet wat chocolade en probeer te internetten. Het signaal is te zwak, elke pagina eindigt in een DNS-error. Het is inmiddels, met lezen en schrijven bij elkaar, ook al een paar uurtjes later. Ik maak aanstalten om naar bed te gaan. Maar eerst pruts ik nog even met de rolluiken. Het rolluik helemaal links, het dichtst bij mijn bed, rol ik helemaal naar beneden. Het middelste rolluik rol ik naar beneden tot er nog een halve meter licht onderdoor kan. Het rechter rolluik laat ik open. Ik doe dit, omdat het licht van het rangeerterrein bijzonder fel in mijn ogen prikt ’s nachts. Het zielige gepiep van de treinen is nog tot daar aan toe, maar elke nacht dromen dat ik op een podium in de spotlights sta is me echt te gortig. Gelukkig bieden de rolluiken soelaas: een half donkere kamer, met in de ochtend voldoende prettig zonlicht. Voldaan zoek ik mijn bed op.