Vrijdag

Om acht uur open ik mijn ogen en besef dat ik de laatste uren van deze roerige nacht toch echt slapend heb doorgebracht. Het gevoel van ‘eindelijk, het is ochtend’ heb ik wel vaker, op reis – bijvoorbeeld wanneer het rumoerig, of koud is geweest. Dit is weer zo’n ochtend waarop ik alles behalve uitgerust wakkerword, met een nietsontziend pesthumeur tot gevolg. Ja, zo ben ik. In de uren die ik vannacht wakker was, heb ik al het mogelijke aan dit hostel vervloekt, en gezworen, dat ik per direct een andere kamer wil. Ik word te oud voor deze fratsen, ik ben meer luxe waard. Zo.

Terwijl de gedachten door mijn hoofd razen staar ik naar het hoge plafond. In de kamer is het – eindelijk – muisstil. De Ierse meiden slapen hun roes uit, het meisje in het bovenbed naast me is reeds (ongemerkt!) vertrokken. De vreemde jongen die niks meer had, ligt in een onmogelijke hoek in zijn bed. Ik zal maar niet te lang kijken, straks ontdek ik nog dat hij zonder ondergoed slaapt ofzo. De lucht is warm en redelijk bedompt van zes slapende mensen. Ik graaf zonder luid te zijn in mijn rugzak en haal er een broek uit die ik aantrek. Ik bedenk me dat ik meer bereik met onderhandelen, dan met woede botvieren, dus slaak ik een diepe zucht en begeef me zachtjes naar de receptie boven. Als ik langs de keuken wandel, zie ik daar de vergiet met half de middernachtsmaaltijd van de jongens.

Boven is het licht. De zon staat al hoog aan de hemel, het dakterras baadt in zonneschijn. Prettige muziek staat op. De hoofdmedewerkster van het hostel zit aan het bureautje te schrijven. Ik neem voor haar plaats, en leg beknopt uit hoe vervelend mijn nacht was. Onthutst en betrokken luistert ze naar de gebeurtenissen die ik bijzonder beknopt aan haar voorleg. Ik merk dat ze zeer bereid is om te helpen en dat doet me goed. Ze is het met me eens dat dingen anders opgelost hadden kunnen worden. ‘Ik wil graag blijven’ opper ik ‘maar niet zo.’ Ze snapt het. ‘Ik heb voor de twee komende nachten eenpersoonskamers voor je, maar wel elke nacht een andere. Ik vind het goed, zo ver hoef ik niet te slepen met mijn backpack. Tevreden bedank ik haar en loop naar beneden om te ontbijt te halen. Dat is niet veel. In één van de kastjes vind ik een aardewerken kom, waar ik bosvruchtenyoghurt met muesli in doe. Een slap begin van de dag, maar het zij zo. Ik loop naar boven, want het is zonde als je met dit mooie weer in een koele keuken gaat zitten. De hostess komt op me af en biedt me een grote kop koffie aan. ‘On the house’ zegt ze terwijl ze hem voor me neerzet. Dat is grappig, want we zitten daadwerkelijk bovenop het huis. Ook vind ik het ronduit netjes. Dit meisje weet hoe gastvrijheid en klanttevredenheid werkt. Een kop koffie kost hier op het dakterras nog geen dertig eurocent, maar een dubbele mok gratis weggeven betekent in dit geval weer een happy customer.

Na het ontbijt pak ik zachtjes in en laat mijn kamergenoten achter. Ik vraag me even af wat hun context is, dat zij dit een goede nachtrust vinden. Maar lang peins ik daar niet over, want ik ben op weg naar een betere kamer. Daarvoor moet ik de trap op, langs de receptie, het dakterras over. Dan een gangetje in, waarmee ik een aansluitend gebouw betreed, dat weer aan de straat grenst. Dit gebouw heeft lange gangen die parallel lopen aan de straat. De derde, vierde, en vijfde verdieping behoren tot het hostel. In het gangetje vanaf het dakterras bevinden zich eerst aan de linkerzijde lockers en aan de rechterzijde toiletten en douches. Dan slaat de gang linksaf en herbergt links en rechts grote hoge deuren naar slaapzaaltjes en eenpersoonskamers. Dit gebouw is, anders dan de rest van het hostel, in bonte kleuren geschilderd. Gele muren, blauwe deuren, geweven tapijten,  en oosterse lampjes met gekleurde glaasjes. Aan het einde van de gang bevindt zich een grote donkerrode houten trap met een dik touw als reling. Het lijkt wel een enorm schip. Onder de trap ligt een bende knipperende routers en netwerkkabels. Laat niemand daar iets uit trekken! WiFi is al zo’n gedoe hier.

Mijn kamer is de laatste aan de gang, naast de trap. Ik duw de hoge houten paneeldeur open en sta in een prachtige authentieke kamer. Door twee hoge ramen aan het eind van de kamer stroomt licht binnen. Deze kamer ligt op het westen, dus het is nog lekker koel. Er ligt een parketvloer met visgraatmotief, hier en daar iets gebutst. Een paars Ikea Lycksele Lovas-bankje en een Kwantum-kast ontsieren de kamer, om maar niet te spreken van de gifgroene gordijnen die vloeken met de oranje raamkozijnen. Maar, er staat een fijn tweepersoonsbed, en deze kamer is stil en alleen voor mij. Ik ben helemaal verrukt. Ik doe de deur achter me dicht en loop naar het raam. Ik kijk uit over de haven van Pula, ter hoogte van de doks en de massieve hoge overslagkranen. Het is geen bijzonder spannend uitzicht, maar ik zit hoe dan ook nu wel pal aan de Adriatische kust!

Ik klap de ramen schuin tegen elkaar open opdat er een beetje frisse lucht naar binnen stroomt, en hang het gordijn ervoor. Vervolgens pak voorzichtig een beetje mijn rugzak uit, zonder gelijk een explosie van persoonlijke zaken op het paarse bankje te veroorzaken. Dat mislukt aardig.

Omdat het nog zo vroeg is, besluit ik om dan maar een stukje van Pula te gaan bekijken. Ik kan rond gaan lopen, maar dat heeft een aantal tegens. De zon staat al aardig hoog, het is al warm. Elke richting die ik op ga vanaf hier is heuvelopwaarts. Een rugzakje dragen is pijnlijk, want mijn schouders zijn nog verbrand. Ik overweeg mijn opties. Er rijdt een dubbeldekker door Pula, om toeristen snel alle highlights te laten zien. Ondanks mijn venijnige aversie jegens dit soort bussen denk ik er nu toch over om daarop in te stappen. Lekker boven op zo’n open dubbeldekker door de straatjes van dit stadje gereden worden terwijl ik wat leer over de historie, lijkt me wel wat. Goed, tegen twaalven gaat de bus. Het dichtstbijzijnde vertrekpunt is voor het amfitheater. Ik pak een licht rugzakje in met een boek en wat water en posteer me recht tegenover de genoemde ruïne.

Auto’s, taxi’s, lijnbussen stromen voorbij. Toeristen zwermen af en aan bij de tafels op schragen, waar protserige stenen miniatuurtjes van allerlei gebouwen in Pula aan de man gebracht worden. Achter me, in het stadsparkje, zoeken twee hoveniers in warme overalls hun heil onder een fruitboom, en breken hun lunch aan. Ik check de screenshot van het kaartje. De bus moet écht hier langskomen, en hij is verdomd opvallend. Waar is dat ding? Het wordt twaalf uur, tien over twaalf. Geen bus. Vast te laat door alle treuzelende toeristen ergens anders op de route. Ik hou het voor gezien. Kordaat steek ik de straat over, kijk nog eenmaal naar links en naar rechts, en besluit dat ik wat anders ga doen.

Het amfitheater. Er staat amper een rij, dus ik ga er naar binnen. In Rome heb ik het Colosseum nooit bekeken, dus heb ik mooi de kans om zo’n strijdtoneel hier te zien. Aan de kassa zie ik dat er studentenkorting geldt – maarliefst vijftig procent reductie! Alvorens om te rekenen wat dat dan is, pulk ik mijn CampusCard uit mijn portemonnee, en leg die op de balie. De medewerker vindt het helemaal prima en laat me naar binnen voor het halve bedrag. Wederom (zoals ooit ook in Tsjechië) schaam ik me een beetje als ik de prijzen omreken. Zes euro voor een normaal kaartje, en dus drie euro met korting. Kom… dat hele bedrag had ik óók niet gemist.

Ik loop eerst wat rond door de blokken steen. Het is heerlijk hier. Het amfitheater ligt bijna aan de zee, de lucht is strakblauw en er staat een koel briesje. Met al die grote poorten waait het sowieso lekker door. Het is nog aardig duidelijk te zien waar de diverse overdekte gangen en tribunes zich bevonden. Langs één zijde loopt de grond schuin op en sta je er zo bovenop. Er zijn niet veel mensen; hooguit honderd, verspreid over het terrein. Je loopt elkaar niet voor de voeten, al lukt het me niet om een foto zonder toeristen te maken. Vanaf de oude tribune kijk ik neer op het strijdtoneel. Daar staat nu een groot modern podium opgebouwd. Voordat ik naar Pula ging, heb ik al op wat video’s gezien hoe hier prachtige concerten in de open lucht worden gehouden. Helaas is er deze dagen niets, anders was ik beslist gegaan.

Ik loop langzaam en aandachtig rondkijkend verder, terwijl de zon langzaam over het theater trekt. De schaduwen veranderen, ochtenddauw droogt op. Ik zet me nu en dan op een groot steenblok en haal mijn boek uit mijn tas, om wat te lezen. Ik zeg je: het is erg toepasselijk om op deze plek Game of Thrones te lezen. Terwijl ik door mijn oogharen over de rand van mijn reader tuur, zie ik als het ware de gevechten zich voor mij afspelen.

Maar, ik heb nog meer te doen vandaag. Ik weet mijn reistijd naar Medulin, waar ik vanavond ga paardrijden, nog niet precies, dus houd ik een slag om de arm wat betreft mijn vertrektijd. Langzaam wandel ik terug. Ik ben wellicht uren langer binnen gebleven dan de meeste toeristen, maar het is dan ook een ontzettend mooie plek om historische boeken te lezen. In het propperige souvenirwinkeltje onder de buitenpoort devalideer ik mijn toegangskaartje, en zet koers terug naar het hostel.

Nu moet ik plannen hoe ik met de bus naar Medulin kom. Met wat gereken zie ik dat ik toch al redelijk in de middag weg moet. Mijn plannen om nog een warm middagmaal te koken, schrap ik. Ik heb gelukkig ingrediënten die ik ook ongekookt kan opeten, dus doe ik dat. Ik kleed me om en trek mijn blauwe tregging en bruinleren reisschoenen aan. Dat is nu wat warm, maar voor het rijden heel praktisch. De tregging lijkt op mijn rijbroek, de schoenen op mijn jodhpurlaarsjes. Twee jaar geleden droeg ik bij een buitenrit mijn bergschoenen, en dat was erg oncomfortabel omdat ze zo breed zijn. In volle galop kwamen ze klem te zitten in de stijgbeugels, en was ik er dan vanaf gelazerd, dan had het paard me nog een paar honderd meter aan mijn been meegesleurd. Geen prettig idee. Verder neem ik zo weinig mogelijk waardevolle bezittingen mee. Een telefoon, een ID-kaart, en geld. Geen camera, want ik heb geen broekriem, en als ik van mijn paard val is mijn camera kaduuk.

Wederom een disclaimer om mijn voorzichtigheid: ja, mijn camera is al eens kapotgegaan; en ja, drukke onvoorspelbare paarden heb ik meermaals meegemaakt. Ik heb graag een prettige vakantie zonder kosten achteraf.

De bus naar Medulin vertrekt vanaf het busstation. Hoewel hij daarna door het centrum rijdt, wil ik beslist niet zien gebeuren dat hij me dan zonder stoppen passeert. Daarom begeef ik me naar het vertrekpunt en pin onderweg het bedrag voor de buitenrit. Ik loop het eerste stuk parallel aan de kust, totdat mijn weg afbuigt naar rechts, en ik verder ga in de schaduw van hoge olijfbomen. Aan mijn linker- en rechterhand zie ik afgebladderde flatblokken, met door de zon vervaalde verf. Een rommelig kioskje staat met rolluiken naar beneden aan de straat. Satellietschotels op de balkons, afgewisseld met Ikea-meubilair en verfomfaaide parasols. Dit is een nette wijk, voor Pula. Toch valt gelijk op dat er wel gebouwd is, maar er bepaald niet onderhouden wordt. Ik mis ook de levendigheid die je in Italië op elke straathoek aantreft. Waar zijn de oudjes op bankjes, de scootertjes, de moeders met kinderen? Ik loop door totdat ik aan mijn rechterhand de brede straat naar het autobusstation zie: Autobusni Kolodvor. Er is een kleine overdekte promenade, waar lieden van divers pluimage zich ophouden. Het lijken geen toeristen, en toch is iedereen een beetje de weg kwijt. Een dikke, struise dame posteert zich wulps tussen twee barretjes langs de wand, en drinkt een biertje. Flets licht valt naar binnen door het glazen dak. Ik schuif voor één van de twee loketjes van Pulapromet, en vraag om een buskaartje naar Medulin. ‘Dat hoeft niet’ zegt de vrouw achter het luikje me in eenvoudig Engels. ‘Koop maar in de bus.’ Goed, doe ik dat. Dus ik bedank, loop naar buiten, en ga in de warmte op een bankje zitten. Hier onder de betonnen overkapping is schaduw, en is het niet zo heel warm. Toch – de lucht staat stil, het is een oud busstation, alles is van beton. Bandensporen en olievlekken overal. Dit is ‘de achterkant van de wereld – waar men leeft’. Er zijn zo veel plekken op de wereld zoals deze, en als toerist merk je ze bijna niet op. Ook van deze omgeving geniet ik, al is het niet voor al te lang.

Een oude, hoekige bus zeilt het busstation op. Pulapromet staat er in groovy letters voorop – zoals op elke lijnbus hier. Op een vinyl bord dat voor het raam geschoven is, staat ’25 – Medulin’. Die moet ik hebben. Ik stap in en laat me inderdaad een kaartje verkopen. Voor iets van 1 euro 25 mag ik mee. Ik vraag de buschauffeur of hij me bij de Plodine-supermarkt in Medulin wil afzetten – een naam die ik via WhatsApp door heb gekregen van Maya, mijn ritbegeleidster van vanavond. Ook heb ik een piepklein plaatje van Google Earth van haar toegestuurd gekregen, met daarop de bewuste supermarkt en een grote rode pijl naar de ‘ranch’. Ik kan me er geen voorstelling bij maken, dus alle hulp is welkom. Hoewel, alle hulp…

Stipt op tijd rijden we weg van het busstation. We knarren lekker door, terug het centrum in, nu linksaf langs het amfitheater. De bus stroomt in een mum van tijd vol met lokale bewoners en toeristen. De meesten moeten staan in het gangpad en schudden gemoedelijk heen en weer. Om mij heen komt een Italiaans gezin zitten, dat van elkaar gescheiden wordt door staande passagiers. Het is warm, we zoeven de stad uit, het stoffige platteland in. Ik heb de route niet helemaal bekeken vooraf, en ben enigszins verbaasd als we eerst het dorpje Sisan aandoen. We schieten er doorheen met een rotgang en zetten weer op de buitenwegen koers naar Medulin. Ik ben op dat moment wat onthutst, want ik dacht dat we de route in omgekeerde richting zouden rijden. Ik tik de man naast mij aan en vraag hem of hij weet, wanneer we in Medulin zijn. Hij verstaat geen Engels en tikt tussen de passagiers door zijn vrouw aan. Die mag mijn vraag beantwoorden. Ik probeer zowel met haar te praten als vanuit mijn ooghoek op de omgeving te letten. Ook zij weet niet wanneer we precies in Medulin zijn, en waar dan die Plodine-supermarkt is. We hobbelen inmiddels alweer door de nauwe straatjes van een dorpje heen. Net als ik de vrouw bedank, mengt een slanke man van middelbare leeftijd zich ongevraagd in het gesprek. ‘De Plodine, daar zijn we al aan voorbij’ zegt hij kortaf. ‘Ik heb hem nog niet gezien’ werp ik verbaasd tegen. ‘Volgens mij zijn we er nog niet hoor.’ ‘Ik weet het wel, we zijn er aan voorbij. We zijn zo bij de kerk en dan gaan we het dorp weer uit. Je had allang moeten drukken meisje, beter stap je nu uit en niet nog later.’ Zijn advies klopt totaal niet met mijn idee in mijn hoofd, dus ik bedank en zeg dat ik er toch echt bij de kerk uit zal gaan. Hij schudt zijn hoofd en baant zich een weg terug naar zijn plaats achterin de bus. ‘You have to walk a kilometer more if you do!’ sputtert hij me nog na. Nou en.

Ik stap inderdaad uit bij de kerk en begin me te oriënteren. Het helpt dat ik het na een paar straatjes even bij een ijssalonnetje vraag. De Plodine-supermarkt kent men daar wel. ‘Vervolg de weg terug naar beneden, dan zie je hem rechts.’ Ik doe wat ze zeggen en kom inderdaad bij een rotonde mét een bushalte, en even verderop de supermarkt. Het zou me wat zijn als nu die bus daar aankwam. Het is inmiddels kwart voor zes, dus moet ik doorlopen naar de ranch. Ik SMS de begeleidster dat ik de supermarkt passeer en onderweg ben. Voor mij ligt een stoffige brede weg het dorp uit. Het is warm met een klein briesje, de zon staat hoog aan de strakblauwe hemel. Het is alsof ik de woestijn inloop. Na een paar honderd meter maakt de zandweg enkele bochten. Ik verlaat de bebouwing. In de bomen hangen bordjes met een geel paard erop geverfd. Dat is het merkteken dat ik moet volgen. Ik passeer kleine bungalows met veranda’s, omgeven door moestuintjes en oude blikkerige auto’s die scheef op hun assen staan. Hier en daar zit een oma te breien of loopt een hond onrustig binnen de afrastering. Een oude man loopt wankelig voor me uit. Ik haal hem in en mompel beleefd snel ‘Dobry dan’. Hij knikt wat, in zichzelf, en doet er niks op uit.

De paardenbordjes houden op. Ben ik hier goed?

Dan staat er een meisje voor me. Ze is ongeveer tien jaar jonger dan ik, draagt ongeveer dezelfde kleren, en een tas over haar schouder. Ik weet gelijk: ook zij zoekt de ranch. ‘Hello, samen lopen?’ vraag ik haar. Ze blijkt inderdaad ook mee te gaan op de buitenrit. Ze heet Tamara en komt uit München. Al gauw praten we Duits verder, terwijl ze vertelt dat ze met haar vriend in het dorp achter Medulin vakantie viert. Haar vriend ligt ziek op bed, dus zij vond het een prima kans om te gaan paardrijden.

Samen vinden we met enige moeite de ranch. We lopen het zandpad iets terug en zien een opening in het struikgewas met daarachter paarden. Genoeg reden om daar te gaan kijken: het blijkt de ‘ranch’ te zijn. Nou, een ranch is hier dus één tuinhuisje met een stel aanbindbalken onder de bomen. Het meisje met de naam Maya komt al zwaaiend op ons af en stelt zich voor. We praten maar in het Engels verder opdat zij het ook begrijpt. Maya wijst ons onze paarden toe, geeft ons een cap en helpt met opzadelen. Haar vriendin Karin zal met ons meegaan op de route. Ik zadel mijn paard Healy op en stap wat rond. Het is erg lastig om Healy los te krijgen van de aanbindpaal – het beest lijkt er wel aan vast gelijmd. Ik ben even onvriendelijk, maar dan heb ik wel wat. Al gauw stappen we samen energiek voltes op het grasland vanwaar we zullen vertrekken. Tamara heeft haar pony ook opgezadeld en we hebben nog twee Italiaanse meisjes mee op rit, die klaarblijkelijk nog geen paard kunnen rijden. Maar, zegt Karin, daar heeft ze wel een oplossing voor. We zullen geen saaie rit krijgen!

Karin rijdt voorop, gevolgd door mij en Tamara. We stappen weg over het veld in de langzaam dalende avondzon. Vliegjes zoemen zo’n beetje om ons heen, de paarden slaan met hun staarten. Ze maken geen aanstalten tot gekke dingen, en Healy is ook niet bijzonder sloom. Ik geniet. Karin merkt dat Tamara en ik allebei goed Engels volgen, dus ze gaat helemaal los over wat ze al dan niet leert en moet op school. De Italiaanse meisjes lijken er weinig van te volgen, maar die zijn ook veel te druk met in het zadel blijven zitten. We verlaten het grasland tussen hoge braamstruiken door en doorkruisen nog wat andere velden en passeren we afgelegen bungalowtjes. Hier en daar staan kleine stenen muurtjes om weilanden te scheiden. Na een aantal glooiende velden komen we bij een breed karrenspoor langs een veld. Karin houdt in. ‘Jullie gaan voorop’ zegt ze tegen Tamara en mij, ‘en galopperen tot het eind van dit veld. Dan houden jullie halt en komen wij jullie in draf achterna.’ Prima, zeg ik, en Tamara knikt ook. Ze lijkt prima te kunnen rijden, dus wat let ons?

Ik zet aan tot een drafje en leg mijn been achter de singel voor galop. Healy springt in een keurig ontstuimig galopje aan en laat zich heel gewillig naar het einde van het veld sturen. Ik ga een beetje in de beugels staan om het deinen van de ondergrond op te vangen. Aaaahh, dit is heerlijk! Ik pak de teugels in één hand en kijk om naar Tamara. Ze is me iets achterop. Bij het einde van het veld ga ik weer zitten, neem de teugels aan, en merk hoe Healy fijntjes terugkomt naar de draf, en keurig stilstaat bij de braamstruiken. Tamara komt naast me staan en we knikken blij. Karin komt al aangedraafd met de twee Italiaansen in haar kielzog. Aan hun zwabberige houding te zien hebben ze het best pittig met dit drafje.

We doorkruisen in stap en draf nog een aantal velden, en wurmen ons door nauwe laantjes met aan weerszijden braamstruiken. Karin kwebbelt er lustig op los, en vertelt ons over het cliché dat iedere Kroaat ruime baankansen heeft, want of je nu in Kroatië of in een buurland solliciteert, de talen zijn zo gelijkend dat je ze zo onder de knie hebt. Geamuseerd laten we ons vertellen hoe het leven hier is. De zon gaat langzaam onder. Ik voel een frisse bries langs me heen strijken en kijk over Karins schouder naar voren. De zee!

‘Oooooh’ onderbreek ik haar ‘dit zie jij vast op iedere rit, maar zie eens! De zee! Zo mooi!’ De Italiaansen begrijpen het ook en we uiten ooh’s en aah’s terwijl we langzaam dichter bij het strand komen. Zo nu en dan is er nog ruimte voor een stuk galop. Tamara heeft nu ook door hoe ze haar pony van snelle draf in galop kan krijgen en sjeest vrolijk met me mee. Kijk, dit zijn de leuke ritten!

We stappen dicht langs het strand, maar mogen niet in de branding komen. Dat behoort ook tot een andere rit. Nadat ik me, even niet oplettend waar Healy haar hoeven precies neerzet, uit en te na vergaapt heb aan de prachtige lila tinten van de zee, keren we weer langzaam naar de ranch terug. We volgen globaal het pad onder de hoogspanningsmasten door. Soms vraag ik me af hoe Karin toch precies weet waar we zijn, terwijl we soms echt bij elk weiland van richting veranderen. Ach, ze woont hier ook al haar hele leven.

We komen terug bij de ranch, waar Maya al bezig is de andere paarden klaar te maken voor de nacht. Sommigen worden in houten kralen gezet, anderen mogen in een met lint afgespannen weitje. Er is een veulen, dat uitbreekt en zich niet gemakkelijk laat vangen. Hij stuitert triomfantelijk een paar keer het grote veld over, tot hij zich bij zijn moeder in de wei laat zetten. Ik zadel Healy af en leid haar naar de waterbak, waar alle paarden even mogen drinken. Dan help ik met het opruimen van de andere zadels en spullen. Tamara zegt gedag; het gaat nu van schemer naar donker, en ze moet nog door de velden teruglopen naar Liznjan. Ik vond het leuk dat ze mee was.

Als we klaar zijn, vraagt Karin of ik mee wil rijden naar Pula. Haar vader komt haar met de auto ophalen. Eerst zeg ik, dat ze me wel bij de supermarkt mogen afzetten, maar dat vindt ze kolder. Ik kan prima de hele weg mee terug, dan zetten ze me voor mijn hostel af. Ik accepteer. Karin’s vader vindt het ook prima. Onderweg praat hij wat zinnetjes Engels met me, maar Karin en haar vader houden het tussenbeide mooi op Kroatisch. Ik zit op de achterbank en laat me rijden. Hoe blij ben ik dat ik dit stuk vanaf de ranch niet terug hoef te lopen! De enigszins vage weg het dorp uit is nu echt donker, en totaal niet verlicht. Karin’s vader moet af en toe op de rem omdat er opeens een tegenligger met groot licht op hem af komt. Wandelend zou ik hier zo aangereden zijn, om nog maar niet te spreken van rondlopend volk en waakse honden. Nee, fijn aanbod dit. Dat zeg ik Karin dan ook.

Ze brengen me helemaal tot aan mijn hostel aan het Riva, en ik bedank ze nogmaals hartelijk. Dit zijn van die kleine dingetjes op reis, waar ik dan geluk mee heb. Dit maakt een avond gewoon superfijn en goed.

Ik ga lekker douchen (oeps, herendouche!) en zet me op het terras boven aan een lokaal biertje van de bar. Nu ik niet meer in de zone rond het dakterras slaap, vind ik het prima dat er muziek klinkt en dat er nog mensen zitten. Ik pak mijn reader erbij en lees in het licht van een lamp nog wat uit mijn boek. Dan, tegen elven, stommel ik naar boven, naar mijn fijne stille kamer met mijn spullen in bereik en mijn fijne ruime bed. Ik slaap gelijk in.