Vallende sterren en groene meisjes

Het is donderdagavond, Bolzano. Het is half tien en ik sta in mijn hostelkamer, op het punt om naar buiten te gaan. Ik leg aan mijn kamergenoten (een moeder met twee tieners) uit dat ik naar ‘fallende Sternen’ ga kijken. De moeder kijkt wat niet-begrijpend, maar haar kind zegt ‘Sternensturm’. Ah, zo heet het dus. Ik knik. Ik beloof rustig te zijn als ik later vanavond terugkom. Ze knikken instemmend.

Dan loop ik het hostel uit, inderhaast zwaaiend naar nachtportier Zakaria, die aan de telefoon zit. ‘Später!’ roep ik, me even niet realiserend dat Duits net een taal is die hij nauwelijks beheerst.

Ik stap stevig door naar de Rittner Seilbahn. Om 21:38 gaat de laatste rit omhoog naar Oberbozen, oftewel: de slinger bergdorpjes oostelijk boven Bolzano. Ik passeer klaplopers, prostituees, maar ook hele gezinnen met jonge springerige kinderen. Ja, het is hier een allegaartje op de stationsstraat. In de verte ligt het dalstation van de kabelbaan al.

Ik ga met een echtpaar mee in de lift naar boven, want de trappen zijn al afgesloten. We voeren ons reisbiljet aan de blauwe automaatjes bij de doorgang, en na een hap-slik krijgen we ze bestempeld terug. ‘Snel, snel!’ roept de beambte in de loge. We maken haast en kunnen nog net met de zojuist vertrekkende gondel mee.

Het is een lange rit naar boven, langer dan ik me herinner. Die twaalf minuten leken in februari veel korter. Het echtpaar reist dit niet voor het eerst, maar nu het nacht is, kijken ze wel hun ogen uit. Ik bied ze mijn plaatsje aan zodat ze beter zicht hebben op het dal beneden ons. Bolzano is al gauw niet meer dan een verzameling goudgele stippeltjes. Dan verdwijnen we achter de eerste heuvelkam en is er om ons heen alleen nog maar duisternis. Door de verlichting in de cabine zien we buiten nog weinig afgezien van de verre lichtjes van verderop gelegen plaatsen ten oosten van het Sarntaler Hufeisen. We drukken ons zo nu en dan tegen de ruit en turen naar buiten. Een eenvoudig geklede man, die ook bij ons in de cabine zit, belt met zijn ‘Schatzi’.

Bij aankomst verdwijnen we allemaal in een andere richting de duisternis in. Ik weet waar ik heen wil. In februari heb ik een paadje ontdekt dat naar een lager gelegen bergweide leidt, vanwaar ik denk ik prachtig uitzicht op de sterren zal hebben. Het is verleidelijk om aan de dichterbij gelegen Schwimmbadweg te gaan liggen, maar die is omzoomd met een rij felle straatlantaarns. Jammer, dat is te veel lichtvervuiling voor het echt goed zien van vallende sterren. Ik loop door. Heuveltje op, het dorp door, dan gelijk links aan de dorpsrand weer naar beneden.

Ik kom op een parkeerplaats die spaarzaam verlicht is, maar dat is me nog niet goed genoeg. Ik steek het spoorbaantje over – waar zo laat geen treintje meer rijdt, maar je weet maar nooit – en hoor in de verte zachte popmuziek. Het klinkt niet heel gevaarlijk dus ik loop verder de duisternis in. Twee auto’s komen me tegemoet over de bergweg die langs de door mij beoogde weitjes loopt. Hun koplampen verlichten de bron van de muziek – twee kleine gestalten die in kleermakerszit in het gras aan de rand van de weg zitten. De voorste auto mindert even vaart, de gestalten knikken, en de auto rijdt weer door.

Het lijken mij geen ongure types, dus ik sla af het weggetje in. Ik hoor dat we allemaal onze adem inhouden. ‘Hallo’ klinkt een meisjesstem uitdagend van voor me. ‘Hallo, kein Angst’ zeg ik, terwijl ik langs het tweetal verder de weg afloop. Ze zeggen niets. Ik ruik een lichte wietlucht. Ach, goed gevonden, om hier te gaan zitten smoken. Prachtige avond, en niet gestoord door ouders of wat dan ook. Het lijkt me een jong stelletje.

Ik zet me ietsje verderop in het gras. Stop mijn broekspijpen in mijn sokken, om geen nachtelijke insecten te vangen. Leg mijn rugzakje onder mijn hoofd, en tuur naar de hemel.

Na een paar minuten suist er een helder opgloeiende ster over. ‘Waaoww’ kreet ik zachtjes. Enkele seconden blijft het stil, dan hoor ik van rechts naast me ‘Alles okeee…?’. Ik ga kort even overeind zitten en roep het stel lachend toe dat ‘Alles okee’ is, ‘Ich schaue mich die Sternen an – es gibt ein Sternensturm! Ich bin nicht krank!’ (bij gebrek aan een beter woord voor gek, op dat moment)… het duo lacht wat en laat me weer met rust.

Ik ga weer achterover liggen en tuur naar de donkere nacht. Het uitzicht is werkelijk fenomenaal hier. Beter dan de nacht dat ik op mijn rug in het gras van het Pinetum (bosje op de UT campus) lag. Minder lichtvervuiling, veel weidser uitzicht. Alleen de maan schijnt zo fel, dat ik daar omheen weinig sterren zie. Maar zoals ik al merk hindert dat niks. Vallende sterren razen, zo ongeveer één per tien minuten, aan weerszijden voorbij en zijn prima zichtbaar.

Ik hoor het tweetal rechts van me wat praten over ‘Sternensturm’. Waarschijnlijk niet in hun belang. Dan blijft het stil. Ik kijk naar rechts en zie dat ze vertrokken zijn.

Een gedaante doemt op aan de rand van het pad, bij de spoorwegovergang. Er loopt een grote, wollig uitziende hond mee. ‘Hallo?’ klinkt een ietwat onzekere vrouwenstem. ‘Hallo!’ antwoord ik vrolijk. ‘Kein Angst’. De vrouw komt naderbij en probeert me te ontwaren in de duisternis. Haar hond trekt aan de lijn en snuffelt aan me zodra ze dichterbij is. Het is een grote Berner Sennen-hond of iets in die richting. Hij is blij me te zien. De vrouw houdt wat terug. Ik vertel haar dat ik vallende sterren kijk en dat alles prima in orde met me is. Ze is gerustgesteld en loopt verder het donkere pad af. Ja, je zult hier maar eens een rare gek tegenkomen… nouja, gelukkig voor haar dan, heeft zij altijd die grote hond nog.

Ik lig hier maar heel alleen, op mijn rug, en moet wat opletten dat ik niet overreden ga worden door een auto, of benaderd door een kwaadwillende gek. Maar zeg nou eens eerlijk. Naderende auto’s zie ik geruime tijd van tevoren, want naar links heb ik vrij uitzicht het dal in (en ik weet nog dat daar alleen nog een huis en een boerderij staan), en naar rechts kijk ik naar de verlichte dorpsweg. Als ik maar niet in slaap val zie ik auto’s wel aankomen. Verwarde gekken die op jongedames uit zijn zijn wat lastiger, maar hey; wie zint daar nou op, zo in een slaperig bergdorp boven de stad Bolzano? Niemand gaat hier op de wacht lopen voor zoiets, want in Ritten is je vangkans echt nagenoeg nul. Bovendien staan er zeker drie grote boerenhuizen recht achter me, en als ik schreeuw wordt gelijk iedereen wakker. Dus lig ik hier redelijk onbezorgd in het gras.

(desalniettemin, mannen die dit lezen: als vrouw moet je de kansen op onheil altijd realistisch inschatten en zeker niet onderschatten).

Ik merk dat het langzaam kouder wordt. Toch niet verkeerd ingeschat. De vorige keer dat ik hier was, was ik ook ietwat te koud gekleed, toen ik dus de zonsopgang ging fotograferen (ja, dat was ook hier, maar toen wel aan de nabijer gelegen Schwimmbadweg). Ditmaal heb ik een vestje en mijn buff bij me. De buff heb ik al wat langer op mijn hoofd zitten omdat hij de late muggen weghoudt. Nu voorziet hij mijn langzaam kouder wordende kruin ook van warmte. Mijn vestje wil ik eigenlijk wel gaan aandoen (jawel, beneden was het nog 30 graden, hier is het 10!) maar dan heb ik geen kussentje meer om mijn hoofd op te leggen. Dilemma.

De Seilbahn is stilgevallen. Dat baart me enigszins zorgen. Er komt toch nog wel een laatste Talfahrt? Dit zal wel stroombesparing zijn. De torens met alle katrollen en mechanieken maken trouwens aardig wat herrie, ook al komt er geen gondel voorbij. De vrouw met de hond komt terug uit de duisternis. Ik herken haar snel en laat haar passeren. Haar hond, die ik nog een aai geef, snuffelt aan mijn tas en wil hem bijna oppeuzelen. Met moeite trekt de vrouw haar sterke hond mee.

Ik leg me ten laatsten male nog eens achterover en tuur naar de hemel. Ondertussen heb ik al zo’n zes sterren voorbij zien schieten, niet te zuinig. En mooi ook. Maar ze komen zo onverwacht! Ik wil zo graag een wens doen, maar moet je die nu precies in je hoofd hebben als de ster valt? En wat als de wens meer woorden bevat dan het spoor van de ster? Komt hij dan wel helemaal uit? Daarover peinzend zie ik nog een volgende voorbijschieten. Weer te laat. Wel mooi.

Oké, het is half tien, ik ga teruglopen. Ik zet het alarm op mijn telefoon af voordat het zal klinken, en zet koers naar het bergstation van de kabelbaan. Mijn benen doen pijn van dit plotselinge lopen de laatste dagen. Ik zeul mezelf de heuveltjes op, groet een laatste gast in het dorp. Kijk omhoog, en zie nog een ster overschieten. Zodra ik het pad naar de kabelbaan inzet zie ik meer wandelaars op de helder verlichte wachtruimte afstevenen. Ik maak nog een selfie en loop binnen.

Twee dames zitten te wachten. Een gezelschap schaart zich erbij – na uitbundige groeten, kussen en beloftes tot wederkeer aan hun gastvrouw- en heer. Ik valideer mijn kaartje en posteer me tegen de loge. Twee knappe jonge jongens voegen zich bij het wachtende gezelschap. Een piepjong stelletje van een onopvallende jongen en een wat lelijk meisje komt er ook bij staan. Het meisje kijkt met verwilderde ogen om zich heen, de jongen beschermt haar met zijn dunne arm.

Dan sloffen er twee meisjes het wachtportaal binnen. Een blondine met een te grote hipsterbril en een muizige brunette in het zwart. Niet veel meer dan zestien jaren oud. Ze kijken loom, verveeld voor zich uit. Dan herken ik ze. Denk ik. Dit was vast het stel dat bij mij op het bergweggetje zat. Stiekem smoken, laatste gondel terug. Ja, nu ik ze beter bekijk, zie ik dat hun ogen groot zijn van de hallucinerende middelen. De blondine kijkt desondanks scherp om zich heen. De brunette kijkt mismoedig. We gaan met z’n allen de cabine in. Ik zet me in een hoekje op het bankje, de meisjes schuin aan de overkant van de cabine. De blondine kijkt venijnig en rommelt met haar telefoon. De brunette gaat eigenlijk gelijk onderuitgezakt in het hoekje zitten. Beide kauwen haast automatisch op hun kauwgum. Ze trekken zich weinig aan van de rest van de inzittenden.

Er leeft een aardig gesprek op, dat ik maar ten dele kan volgen. Te veel dialect. Het woord ‘Sternensturm’ komt voorbij. Ik haak aan. ‘Ja, ik heb sterren gekeken’ zeg ik. Men kijkt verwonderd (ook omdat ik tot dusver nog niks gezegd of gedaan heb). Ik zeg kort dat ik er wel acht heb gezien. Men herhaalt het met oh’s en ah’s en praat nog wat na over de gebeurtenis. ‘Morgen weer’ voeg ik er nog aan toe.

De meisjes aan de overkant van de cabine zien er nu echt droevig uit. Net grinnikte ik nog wat toen ik ze herkende, maar nu niet meer. De blondine kijkt nog steeds gehaaid – de brunette verslagen. Kennelijk de afterdip van wiet. Haar gezicht ziet groen – ja werkelijk – groen. Met gesloten ogen hangt ze tegen het glas van de cabine, mond gesloten, lippen stijf op elkaar. Het zal me niks verbazen als ze zo geheel uit het niets de cabine onderspuugt. Haar vriendin let amper op haar. Ik hoop toch niet dat één van ons zo te hulp moet schieten.

We komen beneden aan. De blondine port haar vriendin wakker en samen struikelen ze de cabine uit. Als eerste lopen ze de trappen af, het gebouw uit. Het piepjonge stelletje loopt voor me en kijkt wat bedremmeld naar de twee meisjes.

Op straat zie ik ze weer terug. Het bruinharige meisje zit op een stuk stoep voor het gebouw, met haar rug tegen een lantaarnpaal. Haar vriendin zit er gehurkt voor en praat wat met haar. Ik loop langs ze. Nu is het mijn beurt om te vragen of het wel goed gaat. ‘Ja alles oké’ snibt de blondine me toe. Anderen kijken ook om naar het in de kreukels liggende meisje. Ik zeg ‘Guten Abend’ en loop door, mijn schouders ophalend.

Die komen nog wel thuis vanavond. En waarschijnlijk krijgt één van beide wel wat te horen van haar ouders…