Zaterdag

Het is zaterdagochtend. Ik word heerlijk uitgeslapen wakker in mijn kamer. Het is koel, de zon staat nog aan de andere kant van het gebouw. Van de straat onder mijn raam is niets te horen zolang ik de ramen gesloten houd. Het vensterglas is fascinerend – niet helemaal vlak – het vervormt de rood-witte hijskranen tegen de helderblauwe lucht. Ik ga rechtop zitten en pak mijn camera om er foto’s van te maken. Trippel uit bed, op blote voeten over de koude parketvloer. Zo’n foto maken vraagt van je dat je anders gaat kijken. Ik ben nu wel wakker. Tijd om wat te gaan doen.

Eerst pak ik strategisch wat spullen alvast in in mijn rugzak, opdat ik straks gemakkelijk van kamer kan wisselen. Dan kleed ik me wat aan en ga naar de keuken. Er lijkt geen ander keuken te zijn dan degene, waar ik de eerste nacht naast sliep. De ruimte is even hoog als de belendende slaapzaal, en heeft eveneens een raam op het noorden, al kijkt dit niet uit op een blinde muur. De keuken is vrijwel altijd schemerig. Op de vloer ligt vuil zeil; in het midden staat een ronde formica tafel met vier houten stoelen. Aan de drie wanden van het vertrek hangen eikenhouten rekjes en keukenkastjes. Elk met opschrift, doch stuk voor stuk niet gevuld met hetgeen je erin zou verwachten. Elke dag hark ik met moeite een kommetje en enig bestek bij elkaar, soms door wat vergeten spul van anderen af te wassen. Er is één inbouwkoelkast – volgens mij veel te weinig voor een hostel zo groot als dit, maar kennelijk past het. Andere hostels van deze grootte hebben er minstens drie. Een andere keuken heb ik ook nog niet ontdekt. Terwijl ik wat muesli biets van de voorraad voor algemeen gebruik lees ik spreuken op de tegeltjes aan de wand.

Wordt aan geschreven!

Het verbaast me dat daar, nagenoeg ongezien, zo veel gasten hun dagelijks eten kunnen bereiden, terwijl er zo weinig spullen aanwezig zijn en je nooit iemand ziet. Er staat ook maar één koelkast – in elk vergelijkbaar hostel

 

De volgende dag doe ik het precies zo. Ik zie het amfitheater nog en ga wederom paardrijden. Dan is er nog een dag, want ik ga ook nog naar de vismarkt. Dat moet ik even nalezen. Maar ach het is warm, toeristisch en wel leuk. Ik word wel op twee plaatsen weggejaagd – in het prachtige mooie postkantoortje, en in de vismarkt – ik snap nog steeds niet waarom.

Ik heb beide dagen mooie kamers; de eerste dag een eenpersoonskamer met een fijn dubbel bed, en uitzicht op het water voor het hostel. De tweede dag een warmere kamer ertegenover, één verdieping hoger. Weinig last van het dakterras. Wel warm. En ik mag er vroeg in en ik zie eens wat een rommeltje anderen voor mij achterlaten.

De laatste dag check ik uit, biets van mijn laatste Kuna’s een koffie. Wacht nog wat op het dakterras en ga dan naar de trein. Stukje lopen met de tas op mijn rug, gelukkig allemaal onder de bomen. Mijn schouders zijn weer oké. Ik wacht een drie kwartier op het treinstation en dan komt de trein eraan.