Een maandag in Amsterdam

Vandaag heb ik een dagje vrij van mijn werk. Ik ga namelijk vanavond naar de band Apocalyptica, die optreedt in theater Carré in Amsterdam. Dit uitje boekte ik vanuit de trein naar Zwitserland, via een Instagram-advertentie, terwijl ik binnenrolde op station Mannheim. Het was een impulsaankoop. Daarna heb ik er nog een leuke AirBnB voor de nacht bijgeboekt.

Ik slaap een beetje uit, lees mijn e-mail, knuffel Meisje, die als een dolle walvis over mijn bed rolt. Ik geef de poezen een schone bak, en maak ontbijt voor mezelf klaar. Dan app ik AirBnB-hostess Els en ga ik inpakken. Oja, ik moet ook nog een treinkaartje vinden, niet vergeten.

Met een ingepakte baal plunje, en mijn jas al aan, speur ik het internet af. Dat doe ik tegenwoordig altijd zo, voor reisjes binnen Nederland die voorbij Utrecht gaan. Je zoekt een goedkope dagkaart op internet, die je direct online kunt aanschaffen. Vaak bespaar je daarmee de helft. Wie koopt er nog reguliere treinkaartjes, of reist verder dan dat op zijn saldo? Die is echt gek. Ik blaas twee treinkaartjes voor de prijs van één uit mijn printer, en vertrek.

Op het station drink ik een kopje koffie, en manoeuvreer mijn vouwfiets met me mee naar de intercity. Om 11:16 gaat de trein. Op Hengelo stapt een echtpaar in, dat graag vooruit wil reizen. Een man met de naam Frits, die eigenlijk aan de andere kant van het gangpad vooruit reist, geeft zijn plek aan hen op en komt tegenover me zitten.

Er ontspint zich een gesprek. Hij is voorbij middelbare leeftijd, heeft oudere dochters, en een jonge dochter van achttien. En die laatste dochter, daar is hij nu naar op weg. Ze woont in Amsterdam, en hij gaat haar nieuwe studentenkamer bekijken. Of hij even met mijn telefoon mag bellen? Hij heeft namelijk nu al een half uur vertraging, en hij wil haar niet laten wachten. Ik geef hem de telefoon, en als ze niet opneemt, stuur ik voor hem een SMSje erheen. De man schat mij initieel vijfentwintig. Dat hoor ik onderhand bijna elke dag. Ik bedank hem vriendelijk voor dat compliment.

We praten verder, over ouderschap, wat je kinderen gunt, toestaat, toestopt… en over financiële onafhankelijkheid. Rustig converserend met deze man besef ik nog maar eens hoe gezegend ik ben met nul euro studieschuld (pap, bedankt!) en een eigen koophuis. Geen behoefte aan de nieuwste apparatuur, merkartikelen en rages. Ik heb zeker wel dure dingen, maar die gaan gemiddeld vijftien jaar mee. Zie dat nog maar eens bij jongeren van tegenwoordig!

We keuvelen tot aan Amersfoort, dan stapt hij over. Ik moet nog blijven zitten tot aan Duivendrecht. Ik let af en toe op mijn vouwfietsje op het balkon: die blijft prima staan. Het echtpaar naast me waagt de kans om mij iets te vragen over e-mails op een iPhone. Ik antwoord blanco: ik heb geen iPhone, en geen sluitend idee waarom hun probleem (ik gok een feature) zich voordoet. ‘Ik vraag het mijn kleindochter wel’ oppert de man. Ze mompelen een bedankje en we reizen verder. Leeftijdsverschillen…

Op Duivendrecht stap ik over op de sprinter naar Amsterdam Amstel. Ik haal er net eentje van tien minuten eerder, en het is nog een rap boemeltje ook. Ik ben er voor ik het doorheb. Op goed geluk, en met wat Google Maps-planning in mijn hoofd geprent, stap ik buiten het station op mijn fietsje. Ik rijd richting de Amstelkade en volg die. Wat een feilloos gevoel voor richting heb ik toch. Ik meng me tussen het stadsverkeer en zoef over het fietspad aan de Weesperzijde. Kruis bochten, taxi’s, trambanen. Rijd driftig door wanneer de meute om mij heen dat doet, en ga abrupt op de rem als ik moeders met kroost achterop in de ankers zie gaan. Zo fiets je mee in Amsterdam. Eigenlijk niks anders dan in Enschede, gewoon wat drukker en heftiger.

Ik bereik het woonbootje in tien minuutjes. Ik herken het van de foto’s, en bovendien, het ligt schuin tegenover Carré. Kan niet missen. Ik bel aan en word ontvangen door Els: een aardige blonde dame met een lieve, hartelijke uitstraling. We slepen mijn vouwfietsje naar binnen en Els legt me uitgebreid uit hoe het voordeurslot werkt. Dan zeul ik met gevaar voor neerstorten mijn vouwfiets van het steile trappetje af, mijn kajuit in, en leg het ding tegen de kajuitwand onderin het achterschip. Zo, die hoef ik de rest van de dag niet meer te gebruiken.

Mijn kamertje is echt geweldig. Het is het verdiepte deel van het achterschip. Daardoor is het plafond twee keer zo hoog, ten minste, op de meeste plaatsen. Er zijn voldoende raampjes, en een patrijspoortje bij het tweepersoonsbed. Het bed, fris opgemaakt, bevindt zich wel ónder het achterdek, dus je moet je hoofd bepaald niet stoten als je wakkerwordt. Er is een wastafel, een koelkastje, een bureautje… eigenlijk alles dat je nodig hebt. Prachtig. Er is zelfs, bovenaan een trappetje omhoog, een deur naar het achterdek. Daar staat een bankje, met aan de rechterzijde heerlijk uitzicht over de Amstel.

Ik herpak mijn tassen en vind mijn handtas. Die ruim ik praktisch in, met een regenjas, water, en een vest. Dan ga ik van de boot af en wandel ik noordwaarts, over de Magere Brug, naar de grachtenring.

Het is zonnig, fris weer. Wolken drijven voorbij aan de helderblauwe lucht. Het is niet koud; er staat ook niet echt wind. Hier en daar vallen blaadjes van de bomen, want het is wel herfst. De bomen zijn rood en geel verkleurd en hun reflectie schittert me tegemoet in het water. De grachten, kalm en verlaten, met hun hoge smalle grachtenpandjes, zien er werkelijkwaar schitterend uit zo. Ik maak wat foto’s voor later op Instagram.

Eerst loop ik een heel eind de Utrechtsestraat af, richting het Rembrandtplein. Daar wordt het drukker. Ik zwerm met wat toeristen en stadslui mee om het plein, waar een frivole muzikant zijn liedjes laat horen. Een verschoten jas, een vale spijkerbroek, wild haar dat alle kanten op danst. Zijn gitaar, met snaren die aan het uiteind bij de knoppen alle kanten op pieken. De muzikant staat, als ik aan kom lopen, gewaagd bovenop een schuin standbeeld. Een vriend op een cajun zit tegenover hem en slaat een opzwepend ritme. De zanger annex gitarist springt van zijn voetstuk en danst het publiek rond, dat geamuseerd meeklapt. Ik geniet ervan in het zonnetje.

Dan sta ik op en loop ik weer zuidwaarts, richting het FOAM fotografiemuseum. Ik moet regelmatig op mijn telefoon de weg opzoeken, want al die kleine bruggetjes over de grachten lijken op elkaar. Ik ben continu afgeleid, want de middagzon schijnt zo mooi op het water. Ik steek een paar grachten over, loop rechtsaf, en zie in de verte de banieren van het FOAM.

Ik benader het FOAM van rechts, en vergis me eerst in de ingang. Voor mij is een trappetje naar een voordeur, waarboven één van de banieren hangt. Op het naastgelegen trappetje zitten twee werklui te lunchen. Bovenaan de trap bemerk ik dat dit niet de voordeur van het FOAM is. Ik draai me om en loop zo elegant mogelijk weer naar beneden. De werklui glimlachen. ‘Niks gezegd he!’ lach ik ze toe. ‘Nee, nee…’ ze hebben schik. Ik ga naar de ingang van het museum.

Uiteraard maak ik gebruik van mijn studentenkorting, want ik betaal toch een aardige duit voor mijn Campus Card – die moet ik langs allerlei andere wegen weer terugkrijgen! Met vier euro reductie in de pocket stap ik de grote zalen door. Mijn jas heb ik keurig in een kluisje gedropt, voor later. Al met al is het hier in Amsterdam veel gemoedelijker, dan ik het me herinner van vroeger, op schoolexcursies. Mijmerend loop ik langs fotowerk van verschillende fotografen uit diverse landen. Bij het werk van André Kertész sta ik wat langer stil. Wat een oog voor licht en kadering heeft die man gehad, zeg. De foto’s zijn niet heel buitengewoon, maar elk moment is zo mooi, elke stoffige lichtstraal zo juist gevat. En het feit dat de beste man dit allemaal schoot met zware, analoge camera’s. die hij meezeulde in het Oostblok, naar Parijs, door de oorlog, en naar Amerika. En overal komt zijn specifieke kijk op de wereld weer terug.

Ik herken mijn eigen stijl erg in zijn werk, en denk terug aan mijn tijd bij de AKI. Een jaar waarin grafisch ontwerp mij niet gegund werd, maar er voor fotografie nog wel een deurtje openstond. Alleen wilde ik dat niet. Nu ik het werk van Kertész zie, snap ik waarom dit soort werk nog best mijn signatuur had kunnen worden. Maar ik voel geen spijt. Het werk van Kertész is zo veel rijker, doordat het gemaakt is in een moeilijke tijd, met zoveel middelen die ik vandaag niet meer zou hoeven te gebruiken. Ons perspectief mag hetzelfde zijn, mijn foto’s zouden vergeleken bij de zijne waardeloos zijn, omdat ze vandaag de dag zou eenvoudig geschoten en afgedrukt kunnen worden. Nee. Dat was mijn toekomst niet geweest.

Ik doorloop alle zalen en ga naar het cafeetje om te lunchen. Na het bestellen van een espresso en een stukje taart zet ik me vlak bij de keuken op een bankje aan het raam. De kelner en de kok maken grapjes met elkaar. Ik luister er geamuseerd naar terwijl ik van mijn gebak hap en in mijn boekje schrijf. Dan richt de kelner zich schuin tot mij, in een poging de kok een beetje voor de gek te zetten. Ik ga mee in zijn grap en we komen aan de praat. De kelner is duidelijk uit Amsterdam, ‘nooit buite de Bijlmer gewees’ en de kok blijkt uit Haaksbergen te komen, maar zijn accent verraadt dat ook hij al jaren in ’s lands hoofdstad vertoeft. Ze vertellen mij wat leuke dingen over Amsterdam, bijvoorbeeld dat ik echt eens een dag moet besteden aan het bezoeken van de ‘hofjes’ – binnentuinen die zich tussen de huizen bevinden, waar alleenstaande vrouwen woonden en buiten kwamen, zolang als zij geen man hadden, of wanneer hun man langdurig op reis was. En huilden, wanneer hun man niet meer terugkwam van de zeevaart. De hofjes zijn er nog steeds, maar je moet ze weten te zitten, en ze gaan dagelijks om vijf uur dicht. De kok kent er veel. Ik vertel hem en de kelner wat een caffè sospeso is – een uitgestelde koffie. ‘Suspended’, als in, voor later – een koffie die je niet voor jezelf koopt, maar op de rekening laat zetten voor een bedelaar, die later die dag om een kopje koffie komt. In Italië is dat niet ongewoon.

Ik loop het museum uit en begeef me langs de grachten. Ik maak hier en daar foto’s van de mooie schittering op het water. Ik had nog langs het Kattenkabinet willen gaan, maar nog een museum trekt me echt leeg, dus ik zet koers richting de biologische winkel ‘Marqt’. Ik heb de winkel aan de Utrechtsestraat zo weer bereikt, en dompel me onder in alle biologische etenswaren. Hapjes die ze in Enschede niet hebben, kaasjes, bijzondere sapjes. Oké, laat ik nu hier niet helemaal losgaan. Ik pak een mandje en neem wat leuke dingetjes mee. Bij de kassa schrik ik uiteraard even van het bedrag, maar ja. Ik heb wel gelijk avondeten erbij in zitten, wat ik dan weer niet met haast bij een restaurantje hoef weg te happen. Het is ten slotte al tegen zessen, en als ik om half zeven pas ergens aanschuif én nog wil eten, ben ik vast niet voor achten klaar. Je moet een normale eetgelegenheid niet als fastfoodcorner gaan behandelen. Ik wandel terug naar het woonbootje en ga met een lekker warme trui en jas op het achterdek zitten. Mijn huisraad is gelukkig compleet met een vork, prima voor mijn avondeten.

Ik kijk naar rechts uit over het water en zie de zon ondergaan over de Achtergracht. Roeiers komen rustig voorbij in het spiegelgladde water, fietsers peddelen over de stenen boogbruggetjes aan de overkant. Trams rollen over de Sarphatistraat in de verte, en maken een gedempt kletterend geluid als ze midden van de brug over de Amstel gaan. Een jongen staat enige tijd aan mijn linkerhand op de kant, totdat hij me toch maar aanspreekt. Of ik gezien heb dat zijn fiets gestolen werd? Nee, ik keek naar rechts, en heb ook niets vreemds gezien. Hij kijkt sip. Hij had zijn goede fiets hier ook niet buiten moeten laten staan. ‘Het is Amsterdam, ik kom uit het oosten vriend, ik vind dit niet abnormaal’ zeg ik. Ik zeg nog dat ik het echt erg vind voor hem, maar dat doet hem weinig. Ja, tuurlijk. Hij belt even aan bij mijn hostess en vraagt haar ernaar. Nee, ook zij heeft niks gezien. Weg fiets. Dit is Amsterdam. Mijn hostess loopt later nog even naar haar auto en passeert mijn achterdek. ‘Lekker buiten, buurvrouw? Niet stiekem aan het werk, he?’ Nee nee… ik zit lekker in de avondschemering in mijn boekje te schrijven.

Om zeven uur gaat de zaal open, maar ik wil niet al te lang binnen hangen als ik ook hier op mijn bootje zitten kan. Ik ga me tijdig omkleden naar avondtenue. Je gaat wel naar Carré, ja! Keurig in jurk lanceer ik mij om half acht van de boot af. Ik kijk naar links. De voordeur van Carré. Ik kijk naar rechts. Enkele honderden meters verderop begint de wachtrij. Wát?!

Een beetje beduusd loop ik weer over het plankier de woonboot op. Ik pak mijn windstoppervest en mijn sjaal. Moet ik verdorie hier buiten in de rij aansluiten…! Terwijl ik met andere gasten sta te wachten valt het duister snel in. Lichtjes gaan aan langs de gracht, en heel Amsterdam is hier sfeervol verlicht. Ik app mijn hostess. ‘Kom weer naar binnen, meid, en ren d’r snel achteraan als het acht uur is!’ adviseert ze me. Ze is zelf ook wat verbaasd door de rij, omdat dat normaliter alleen gebeurt bij een belangrijke première. ‘Dan staan alle vedetten hier te showen in hun galajurken’ vertelt ze me achteraf nog.

Het zit mee, ik ben in tien minuten binnen. Het oponthoud blijkt te gaan om een tassencontrole. Want oh jee ja, als je metalvolk uitnodigt, dan kan daar zomaar een vervelende gek tussen zitten, is het niet? Nou, leer mij metalvolk kennen…

De keurig geklede piccolo’s wijzen ons naar onze stoelen. Elke keer hoor ik een goedkeurend geluid als ze zien dat ik op een van de beste ringen van het balkon zit. Ja, en of. Ik ga nog even naar het toilet, en dan schuif ik voorzichtig aan op rij vijf van het balkon, stoel tweeëntwintig. Er zit al iemand op stoel vierentwintig, direct links van mij.

Ik zet me naast de man, die zo te zien ook alleen is. Er ligt een prettige glimlach in zijn ogen. We stellen onszelf even kort voor. ‘Bert’ ‘Heidi’. En zo zitten we. Hij komt uit Apeldoorn, is van mijn leeftijd, en hier alleen omdat zijn vrienden niet mee konden. Ik vertel waar ik vandaan kom, en dat ik vanavond hier overnacht. We wisselen nog wat woorden, en dan begint de show. Het is werkelijk erg mooi. Ingetogen, serieus, meeslepend, en dan ineens bombastisch. De tonen zagen door de zaal, de Finse cellisten gaan helemaal los op hun instrument. Zitten is niet genoeg – nee, er wordt rondgelopen, gerold, en zelfs met strijkstokken naar elkaar getikt. De lichtshow doet de muziek veel goeds. Ik doe wel tussendoor mijn oordoppen even in, dan zijn de scherpe kantjes er een beetje vanaf. Zo is het beter genieten.

In de pauze bied ik Bert een drankje aan. We zijn toch allebei hier alleen, waarom dan eenzaam gaan zitten zijn? We begeven ons naar de bar boven de theaterzaal. De prachtige industriële sfeer van de bar trekt onze aandacht. Hij drinkt zijn cola, ik mijn rode wijn, en we praten nog wat. Het is een beetje gek om zo prompt elkaars gezelschap te zijn, maar ik heb het idee dat als één van ons beiden het vervelend vindt, we wel van elkaar weglopen. Dat gebeurt niet, en we lopen weer gezamenlijk terug naar onze plaats. Na de show, die nog doorgaat in een spetterend samenspel van drums, cello’s, en meezingers uit de zaal, biedt Bert mij een drankje aan. Dat doen we, maar wel in de bar beneden. We staan een tijdje, drinken en kletsen. Carré gaat sluiten. Of we onze jassen op willen halen? De garderobe waar ik mijn jas achterliet, is al gesloten. Mijn jas is naar beneden gebracht. Goed. Ik haal hem daar op, terwijl Bert me bij de uitgang opwacht. Zo lopen we langs de gracht. Volgens Bert is een kleine brasserie, die bij Carré hoort, nog open, maar nee. Of ik nog meega naar een ander cafeetje?

Nou. Mijn bootje ligt hier rechts van ons in de gracht te dobberen. Het is rond elf uur, ik had me verheugd op een nachtje lekker slapen en dan morgen fris naar huis. Wil ik nog wel mee naar een café? We lopen iets verder en zien op de hoek van de straat bar Lempicka, die nog open is. Achterin is nog plek. En zo praten we nog een uurtje of wat verder, terwijl ik wijn drink en hij cola. Ik ben bij lange na niet aangeschoten, dus dat gaat prima. Wel een beetje moe inmiddels – maar hey, het is gezellig! En Berts ogen twinkelen nog steeds leuk, dus wie ben ik om dan maar zo naar huis te gaan? Om half één is het echt tijd. We zeggen gedag en wisselen telefoonnummers uit. Ik wandel terug naar de woonboot, terwijl Bert zijn auto opzoekt voor een ritje terug naar Apeldoorn.

Terug op de boot bel ik orgelvriend Koen en praat bij. Prima moment ervoor, zo. Ik praat zachtjes zodat mijn hostess zicht niet aan me zal storen, maar ze slaapt toch geheel aan de andere kant van de boot. Tegen één uur ga ik maar eens slapen.

Dinsdag, de trein naar huis

Tegen half acht word ik wakker in mijn kajuit. Ik ben thuis erg gewend aan wakkerworden met mijn wakeup-light, dus dit is wat vreemd voor me. Door het kleine patrijspoortje schuin naast mijn bed zie ik het water kabbelen.

Ik kom rustig uit bed, maak een rondje toilet en trek wat warms aan. Het is niet koud, maar het is wel najaar. En ik zit nog wel eventjes stil hier voor mijn ontbijt. Alles staat gelukkig in en rondom het koelkastje. Ik eet een kommetje muesli met jam om het te zoeten. Dan kijk ik op Youtube een filmpje hoe een caffè presso werkt. Ah, zo dus. Met waterkoker en de koffie-unit weet ik een prima bakje te zetten. Ik ben niet erg moeilijk over koffie, dat zeg ik wel.

Bert heeft me gisteravond nog geappt dat hij goed thuis aan is gekomen, en inmiddels is hij alweer met de auto onderweg naar elders. Ik neem wat berichtjes van mensen door, maak nog wat fotootjes van mijn schattige onderkomen, en pak dan mijn tassen in. Ik app Els, opdat ze weet dat ik in alle stilte wel aan het inpakken ben. Zij moet ook nog bijtijds weg vandaag.

Zo, om tien uur ben ik klaar met alles. Ik sleep mijn fietsje weer het trappetje op en klop bij Els aan haar woonkamerdeur. Ze is verheugd me weer te zien. We praten een tijdje met elkaar, over leven en over hoe zaken gebeuren – op hun tijd – of je het nu wil of niet. We wensen elkaar een goede dag. Ik fiets in het ochtendgloren de Weesperzijde weer af naar het Amstelstation. Hoewel ik het laatste stukje niet meer weet sta ik er plotseling toch opeens voor. Zo, op de trein naar huis.

De sprinter brengt me wederom naar Duivendrecht. Ik heb helemaal niet opgelet welke treinen op elkaar aansloten, omdat ik niet precies wist hoe lang ik er over zou fietsen van boot naar station. Nu heb ik een boemeltje dat nét de aansluiting op Duivendrecht mist, maar dat geeft me wel de gelegenheid daar even een verjaardagskaartje voor mijn oom te kopen.

Zo, op de trein naar Amersfoort. Daar moet ik nog één keer overstappen, en dan zit ik goed tot aan Enschede.

Op Apeldoorn appt Bert me. Of ik nog zin heb om te komen lunchen? Nou, dat lijkt me eigenlijk wel gezellig. Maar het is één uur, en ik moet om drie uur op mijn werk zijn! Ik voorzie dat dat gewoon niet gaat lukken. Ik beloof wel heel uitbundig te zwaaien, maar ik rijd wel door. Tegen twee uur ben ik in Enschede en kan ik na een rondje douchen en omkleden naar mijn werk. Dat waren twee leuke dagen!