Reisinfo

8 dagen Zwitserland en Duitsland, met een concert van Evanescence op het Caribana-festival, en een clubconcert van VNV Nation in Freiburg.

Bekijk hier de foto’s.

De vertrekdag

De avond vantevoren staat Sander op de stoep. Iets te vroeg, maar dat maakt niet uit. Ik geef hem een rondleiding met de laatste updates, want met een wisseling van de kat zijn er natuurlijk compleet nieuwe voerregels. Na wat drinken en wat kletsen schop ik Sander er weer uit, en dan moet er ingepakt worden. Daar heb ik eigenlijk helemaal geen zin in, dus dat doe ik dan ook niet. Ik hoef morgen pas om 12:02 met de trein weg, dus dat kan lekker morgen. Ik dubbelcheck of er niets is, dat écht niet meer de laatste ochtend kan, en dan ga ik slapen.

Ik sta redelijk vroeg op, en pak mijn rugzak in. Zo, nog even de laatste tickets en de zitplaatsreservering uitprinten, en ik kan gaan. Dit jaar hoef ik gelukkig niet halverwege terug, dus ik stiefel kordaat door naar het treinstation. Ander pluspunt: sinds 1 juni zijn roamingkosten verleden tijd. Ik kan dus gewoon overal, in binnen- en buitenland, bellen en internetten. Ik heb mijn telefoon ingesteld, daar gaan we.

Onderweg kom ik Yvo van TukkerLab nog tegen. Hij fietst een eindje met me op en zegt me dan gedag. De reis kan nu echt beginnen. En waar anders mee, dan met de boemel naar Dortmund? Ik stap in en begin aan mijn reisdagboekje. Niet lang daarna terk ik mijn ebook tevoorschijn en ga lezen. Harry Potter and the Methods of Rationality, een vernuftige fan-fiction op het originele Potterverhaal. En wat is het goed. Ik word meegezogen in het verhaal, dat werkelijk heel geestig en uitgekookt in elkaar zit. Voor ik het weet ben ik in Dortmund.

Daar haal ik ik mijn vaste Filterkaffee bij het Fish ’n Chips-stalletje onder het perron. Ik heb zo mijn gewoontes. Dan door naar Mannheim. Zodra ik de trein daar in ben gestapt, kom ik erachter dat mijn zitplaats niet bestaat. Dat is niet echt zo: de trein staat gewoon verkeerdom gerangeerd. Ik bevind me nu in wagen 12 inplaats van in wagen 2, waar ik een stoel gereserveerd had. Zuchtend loop ik maar de wagons door, en ga gewoon halverwege maar ergens zitten. Het is rustig, en ik kan lekker lezen. We zoeven door naar Basel.

Gelukkig ken ik de stad nog een beetje van mijn vorige bezoek. Ik wil de tram pakken naar het hostel – hoewel geen één tram eigenlijk dichtbij komt – maar er vertrekt er maar geen één. Dus ga ik weer lopen. Ik moet noordoostwaarts… maar loop mis. Gelukkig niet heel ver. Ik steek een straatje door en daal bij de St. Alban-Turm af naar het pittoreske wijkje. Oude huisjes bevinden zich op steile hellingen langs de waterkant. Wat is dit mooi.

Het hostel zie ik al gauw. Ik check in en krijg een kamer waar al een meisje en twee jongens aanwezig zijn. Fijn voor de eerste avond. Ik ga naar beneden, bestel een glas droge witte wijn, en zet me zelf onder het prachtige koepelgewelf van de eetzaal weer aan mijn boek. Buiten de grote deuren, die vanwege het lekkere zomerse weer nog openstaan, ruist de beek die langs het hostel stroomt. Dit is echt een fijn hostel. Erg mooi en goed gelegen.

Ik ga later op de avond nog even pinnen, en ga daarna slapen.

Een zondag in Basel

Vandaag loop ik in Basel rond. Ik vaar met de boot over de Rijn, ga naar Museum Tinguely. Daarna vaar ik weer terug en ga ik te voet naar het Cartoonmuseum Basel. Beide zijn aanraders! Omdat het zo lekker warm is, laat ik me nog een keer overvaren naar de noordoever van de Rijn, om daar te zonnebaden. Met mijn wikkeltas in de Rijn springen durf ik niet. Te koud, en sterke stroming. Maar het is heerlijk. ’s Avonds lekker avondeten bij het hostel, en een hoop zaken voor morgen boeken. Alle plannen voor volgende week zondag zijn afgelast, hoor ik – zowel het Apollo Open Podium waaraan ik zou meedoen (en wat al eerder bekend was) als het Twents Theatersport Toernooi. Dat is jammer, maar daardoor zie ik wel dat er op zaterdag een optreden van VNV Nation in Freiburg staat gepland. Met slim plan- en boekwerk regel ik even dat ik daar zaterdag zit…!

Op naar Nyon

Maandagochtend pak ik in, en laat mijn rugtas nog even in de lockerroom staan. Ik heb bij mijn avondwandelingetje gisteren namelijk iets moois ontdekt – de stadsmuur hier vlakbij herbergt een prachtige middeleeuwse ruïne, en een heel groot veld dat vroeger vast voor toernooien is gebruikt. Ik heb er gisteren bij volle maan gestaan, en moet er nu nog even naar terug. Het is redelijk koud en bewolkt, maar dat deert me niet.

Ik sta binnen de poort van de stadsmuur, en daal even af omdat het nu licht is. Gisteravond durfde ik dat niet, omdat ik verwachtte dat er onder het houten bordes van de poort een zwerver zou wonen – en je weet maar nooit wat die overhebben voor wat bezittingen van een welgestelde toeriste. Inderdaad, onder het bordes vind ik spullen die toebehoren aan iemand die de nachten buiten doorbrengt. Er is nu niemand, en het hele veld is open en goed verlicht. Ik steek het hele veld over en maak foto’s. Daarna wandel ik terug.

Hè, ik wilde nog even langs het piepkleine winkeltje ‘Abraxas’, dat aan de foto’s te zien, prachtig ingericht is – net een klein schrijfbenodigdhedenwinkeltje uit Harry Potter. Ik heb alleen wat schaarse foto’s op internet kunnen vinden, meer niet – maar daar stond helaas ook bij dat het maar zelden geopend is, en zeker niet op Pinkstermaandag. Ik kan even door de ruit gaan kijken… maar het is nu al aardig laat in de ochtend. Om 12:04 gaat mijn trein, en dat betekent dat ik binnen een half uur op het station moet zijn.

Ik haal mijn rugtas op en ga bovenlangs naar de tramhalte. Op naar het station. Mijn hostelreservering houdt een openbaar vervoersticket in, dat is handig. Om kwart voor twaalf rol ik het station binnen, tien voor twaalf… ik schiet de supermarkt in de stationshal in – de enige supermarkt die vandaag open is. Het is een piepklein en vooral chaotisch winkeltje, waarin reizigers als mieren door elkaar heen krioelen. Denk, denk! Stress ik. Een banaan, een erwtensalade – nog meer? Nee! Het is twaalf uur, ik móet echt gaan. Ik loop om een stellage heen en zie hoe lang de rij voor de kassa is. Dat gaat nooit lukken… tot een bord ‘Subito’ me in het oog springt. Als oud-latiniste zegt dit bord me natuurlijk genoeg. Ik duik naar links en tref daar de self-checkouts aan. Als een mondaine shopster leg ik mijn spulletjes op de weegschaal, tik behendig product voor product aan, swipe mijn pinpas langs de scanner, en daar ga ik. Eén minuut over twaalf – ik heb betaald en sta buiten. Ergens wist ik al die tijd al dat ik het prima ging halen. Gek hè?

Goed, nu rennen. Perron zeven ofzo. Ik schiet de trap op, en merk hoe leuk het is om elke tegenligger te begroeten met een hees ‘Aaaah!’. Iedereen lacht terug en sommigen reageren met een gelijke ‘Aaargh!’ terwijl we elkaar voorbijschieten. Boven, over de tegelvloer, links de trap af. Daar staat mijn RegioExpress nog. Ja, ik hoef alleen maar met een boemeltje naar Olten, dat is het eerste stuk. Maar door juist deze, en niet een trein van een half uur later te nemen, geniet ik mooi van een route langs verschillende meren.

We boemelen naar Olten. Vanaf daar stap ik op een InterRegio naar Morges. Ik eet mijn banaan terwijl ik me wat erger aan een jong stel dat schuin tegenover me zit. Moeders probeert haar dochter vloeiend te leren lezen, maar hoe dochterlief ook probeert, moeders blijft aandringen dat het nog één keer moet. Nog één keer. En nog één keer dan, om het nu helemaal goed te doen. Op een gegeven moment zegt dochterlief zelf kordaat ‘nu, dit is de laatste keer, ik doe echt mijn best om het zo goed mogelijk op te lezen, en dan stop ik’. Zo, moeders. Kind weet kennelijk wel wanneer genoeg genoeg is. Ik kauw mijn banaan op en staar uit het raam.

Een vreemd gevoel bekruipt me. De trein scheert langs de prachtige meren, helt een beetje over in de bochten… nu eens naar links, dan weer naar rechts… ik word zeeziek. Mijn buik vindt misschien de erwtensalade niet zo’n top idee, of de banaan, of beide. Of dat hellende landschap – het is denk ik een combinatie. Ik zet mijn blik op oneindig en lees vooral niet meer in mijn boek. Oh, laten we snel in Nyon zijn!

Gelukkig, na nog wat lange slingers zijn we er. Ik herken de route vanaf het station en loop westwaarts richting mijn hostel. Ik kan een bus nemen, maar volgens mij is het niet zo ver. Bovendien is het lekker warm, einde van de middag. Ik sjok de heuvel op, niemandsland (rond het station) uit. Een lange straat wel. Gelukkig kan ik overal Google Maps raadplegen – echt zo’n vooruitgang op de vorige jaren! Ik ben opeens ‘helderziend’ in elke stad waar ik beland. Als ik dit in Venetië eens had gehad…

Ik arriveer evenlater bij het hostel. Het is superdeluxe, met pasjes voor alles, digitale lockers op de kamer, een eigen wc, stopcontacten en USB-laders boven elk bed… wat een weelde. Dit is heel modern! Er zit al een meisje uit Texas in de kamer. Ze heeft een soort nest gebouwd op haar bovenbed en zit met haar Mac werk te doen. Ik leg m’n spullen onder mijn bed voor zolang en loop met een klein tasje naar de supermarkt, twee straten verder. Maar helaas! Die is dicht, want het is Pinksteren. Dat had ik me ook wel kunnen bedenken.

In de kamer pak ik mijn laptop erbij en zoek wat restaurants uit. Er schijnt iets goedgewaardeerds een paar straten verder te liggen, op een grasvlakte die ‘De kleine Prairie’ heet. Het klinkt een beetje vreemd, en als ik op Google Maps kijk is het ook nog in aanbouw. Op de Facebook van het etablissement vind ik uiteindelijk, dat ook zij met Pinksteren niet open zijn. Goed. Dan mijn laatste optie: het restaurantje ‘Les Glycines’ (de blauwedruif, niets met glycerine) recht tegenover het hostel. Dat is duidelijk open en daar ga ik nu uit eten. Mijn Texaanse kamergenote kauwt inmiddels al een zak chips leeg als vervangend avondmaal. Ach, ik zou haar mee uit eten moeten nemen, maar zo sociaal behendig ben ik dan weer niet.

Ik zet me in mijn eentje aan een tafeltje buiten. De waardin heeft het me in het Frans aangeraden. Ik heb een paar woorden Engels gepoekeld toen we elkaar niet begrepen, maar ze weigerde er naar te luisteren. Zo mag ik het horen, madame. Gedurende de rest van mijn avondmaal staat ze met grote regelmaat in de deuropening van het restaurant. Ze rookt sigaret na sigaret. Zelf heb ik het een beetje koud zo buiten, en ik twijfel even of ik ongemakkelijk zal vragen of ik mijn vest mag ophalen. Maar ik besluit het maar uit te zitten, het eten is tenslotte warm. Ik bestel een tomatensoepje, en, helemaal van de achterste bladzijde van de kaart, de pizza van het huis. De waardin gromt een beetje omdat ik deze verstopte etenswaren heb weten te vinden. Om heel eerlijk te zijn had ik deze dingen al vanaf hun website uitgekozen, eerder deze avond, maar soit.

Na mijn eten, en een espressootje, reken ik af en steek ik de straat weer over. Nu wordt het pas redelijk druk bij het restaurantje, terwijl ik ter zelf toch ook pas om zeven uur was. Die Zwitsers toch. Bij terugkomst hebben we een nieuwe kamegenote – de Indiase Shewari. Modern gekleed en goed Engels sprekend kan ik haar afkomst niet geheel plaatsen. Nouja, als je een reis naar Zwitserland kunt maken, zul je in India ook niet zo krap bij kas zitten. Weer een stereotype aan gruzelementen.

Ik maak nog een avondwandeling naar de stad – bij gebrek aan bus – en loop helemaal naar het water. Dat is een flinke afstand, maar er is ook veel te zien. Ik haal een ijsje bij een leuke kleine ijssalon, en praat met het ijsverkoopstertje in het Frans over de smaken die ze hebben. Speculoos, is dat Belgisch of Nederlands? ‘Allemaal hetzelfde’ zegt het meisje, maar dat moet je mij niet zeggen. Terwijl ik mijn loeigrote hoorn met grote bollen schepijs weghap, praten we over de verschillen tussen België en Nederland. In het Frans! Dit is goede oefening.

Ik wandel weer terug naar het hostel. Bij mijn laatste happen ijsje mors ik wat op mijn hals, en een man op een fiets houdt bezorgd naast me stil. ‘Gaat het?’ wil hij weten. Wel, ja, ik heb een likje ijs op mijn shirt, natuurlijk gaat het, meneer. Ik zeg braaf ‘Oui, ça va’ en knik bemoedigend tot hij weer doorfietst. Ja hoor eens, het was wel een donker straatje hoor…

Enfin, ik arriveer weer in onze kamer, die inmiddels donker is. Ik sluip zo zacht mogelijk de deur door, en stuit pardoes op een voluptueuze meid in panterprint. ‘What’s your name?’ vraag ik beleefd, maar ze heeft me niet gehoord – ze pakt mijn hand al. ‘What is your bed?’ glimlacht ze me toe. ‘There’ wijs ik ‘What’s on your card? F? You have bed F, it is over there miss’. Ik staar haar blanco aan. ‘Yes, I know’ glimlach ik onthutst terug. Wat een regelaarstertje zeg. Ze dacht dat ik hier nog niet uitgepakt had. Zelf is haar complete reisbagage ongeveer rond haar bed en in het strookje badkamer geëxplodeerd. Driftig paradeert ze nog rond, smeerseltjes op haar gezicht bettend, haar make-up afhalend. Haar muiltjes met bont staan buiten op het balkon. Wat een meid.

 

Crans-près-Céligny

De meid en het Indiase meisje zijn er de volgende ochtend het vroegst uit. Ik ga om normale tijd, half acht, ontbijten. Er is geen kip in de ontbijtzaal. Ik hap mijn kommetje bichermuesli weg. Daarna douche ik (trash daarbij een handdoek met mijn roodgeverfde haar, oeps, maar meld het netjes, en wonderwel hoef niets te vergoeden), pak ik in en zet ik mijn rugtas weer in een locker. Met een beperkte set in een handtas ga ik nog eens de stad in. Ik hoef pas weer tegen twaalven te reizen, want Crans-près-Céligny ligt hier op steenworp afstand.

In de stad, onder het station, ontmoet ik een straatmuzikant die daar op een kleine fluit staat te spelen. Hij legt zijn fluit even neer als ik hem geld toewerp. We raken aan de praat. Hij komt uit Bretagne, was computerprogrammeur en seismologisch onderzoeker – hij heeft zelfs nog hele stellages in Griekenland gebouwd en er voor geprogrammeerd – maar is nu 63 en gepensioneerd. Hij wil graag wat van het land zien, dus hij reist met zijn fluitje rond, en speelt elke dag op een ander station. Ik bewonder zijn levenslust, zijn kijk op de dingen, zijn vrijheid. Na wat onderhoud in het Frans en Engels vervolg ik mijn weg weer.

Ik haal bij de supermarkt wortels, om wat te eten te hebben. Dan loop ik de stad weer eens door. Het is wel een fijn stadje, al zijn de winkels wel anderhalf keer zo duur als in Nederland.

Dan wandel ik terug, word overvallen door een flinke hoosbui, en ga in het hostel zitten wachten. Veel mogelijkheid daartoe is daar niet, omdat de schoonmaaksters net beneden hun ronde doen. Ik hang mijn regenjack te drogen, herpak mijn tas, en maak me klaar voor het busritje naar Crans.

Nog geen tien minuten later ben ik via het station met de bus naar Crans gereisd. Ik ben zelfs keurig precies voor de deur van mijn AirBnB afgezet, in het midden van het dorp. Ik heb zelfs al de opbouw van het Caribanafestival gezien, langs het water. En zelfs, zelfs, geloof ik, de tourbussen van Sum41 en Evanescence. Fikse stage-wagens, zwarte touringcars – dat kan niet missen.

Gilbert, een vriend van eigenaresse Kim, leidt me in het huis rond. Alles is prima. Daarna wandel ik zelf nog even naar beneden, in de zon, naar de festival grounds. Ga even bij het water kijken, maar kom uit bij een zeilschool – daar mag ik denk ik niet naar de waterkant. Dus ik loop terug en ga even boodschappen doen in het supermarktje onder mijn appartement. Fiks duur wel zeg. Ik veroorloof mezelf wel een goede fles wijn van de plaatselijke wijnkelders. Mjum!

’s Avonds maak ik pasta voor mezelf. Ook ga ik uitgebreid in bad. Ik lees nog een boekje, maak een kleine wandeling – tot er regenwolken me tegemoet komen – en ga dan lekker in het appartement zitten. Boek lezen, slapen.

Nyon, en Evanescence

Jeeeej festival. Maar ik had dus nog niet gezegd dat het alleen in de avond is, hè? Goed, dat is het dus. Ik kan wel lekker de dag beginnen met een dubbel gebakken eitje ene en kop thee. Daarna koffie. Ik besluit vandaag eerst terug naar Nyon te gaan (want dat was een kippeneindje, werkelijk) om nog even wat warms te kopen voor vanavond. Een legging bijvoorbeeld, of een panty. Die had ik ook van thuis mee kunnen nemen, maar ja, dat heb ik nou eenmaal niet gedaan.

Ik bus weer terug, loop wat door de stad, koop bij de H&M een legging en twee panty’s. Ook koop ik bij de natuurwinkel een pak amandelmelk, en een doosje lekkere koekjes. Rib uit je lijf, daar.

Okay, terug op de bus naar Nyon. Het is inmiddels al lekker warm, drukkend, en het wordt tijd om wat te eten en dan richting festival te gaan. Ik eet pasta en kleed me daarna leuk voor mijn uitstapje. Ik mag geen fotocamera meenemen, wel mijn smartphone. Om nou niet op het allerlaatste moment weggestuurd te worden, houd ik me braaf aan deze regeltjes.

Ik loop naar het festivalterrein, want ach, lekker weer, en dichtbij. Ik kom er zo in – word wel eerst aangezien voor een niet-VIPPer. Daarna mag ik overal rondlopen. Ik verken alle tribunes, prijs me gelukkig met het prachtige uitzicht dat ik zal hebben op het podium. Ik bedoel – Amy hoeft maar omhoog te kijken en ze ziet mij! Not a face in the crowd, so to speak!

Eerst ga ik bij het kleine podium, ernaast, kijken naar een kleinere band uit Genève. Het is een maf zootje jongens. Ze beginnen met hun sloomste nummer, dus ik ga lekker in het gras zitten en doe alsof ik op een hippiefestival ben. Dan komen ze toch met wat pittigere nummers. Mensen gaan voor me staan, dus ik sta ook maar af, klop het gras van mijn rok, en dans wat mee. Rechts naast ons begint het tumult al aan te wakkeren. Jeetje, Sum41!

Ik weet me met moeite nog naar de VIP-tribune te slepen. Het staat zwart van de mensen. Ik haal mijn glaasje champagne op en nip ervan terwijl ik naar deze punkrockband kijk. Wel, afgezien van hun energieke show, is het wel duidelijk dat deze lieden weten dat je in Europa vrij ongeremd mag vloeken. Wat een taal slaan ze uit! Goed. Na een uur of wat zijn ze klaar met spelen, en vind ik het tijd om de hoofdtribune op te gaan zoeken. Ik wil een goed plekje. Maar eerst naar de wc’s. Ik spreek even kort met een stelletje Engelse dames. Ze wonen hier in de buurt. Ach, wat leuk.

Daarna verschaf ik me een plek op de VIP-tribune recht tegenover het hoofdpodium. Door rustig te blijven staan en onderwijl mijn reisboekje bij te werken, weet ik die plek te houden zolang als Rag ’n Bone Man op het podium ernaast de sterren van de hemel speelt. Langzaam stroomt het voor me vol. Was het bij Sum41 al druk, nu is het echt helemaal schoudertje aan schoudertje vol. Nog even heb ik overwogen om, ondanks mijn VIP-ticket, vooraan te gaan staan. Maar ik zou geplet worden – waarom. Dus ik houd mijn positie op de riant gelegen tribune, en merk hoe de ‘omwonenden’ zich om mij scharen. Want ja – die hebben bijna allemaal een ticket in handen gedrukt gekregen ter compensatie van de geluidsoverlast die het dorp overspoelt. Ach… ja, … dingen die je leert als je er bent, hè? Ik kijk allang niet meer naar wat ik hier uitgeef.

Het wordt donker, de maan komt op, de vliegtuigen suizen van links naar rechts over het meer van Genève. In de verte zien we de Mont Blanc, helder en wit, tussen de grijsblauwe bergen op de andere oever van het meer. Evanescence begint. Heerlijk, prachtige, herkenbare nummers. Ik zing en joel alles mee. Voor het podium wordt een feestje gebouwd – maar ik sta hier lekker, vestje aan, champagne in de hand. De dames om mij heen mompelen soms wat bekende teksten met een dik Frans accent mee. Ik herken bijna ieder woord, iedere uithaal, iedere ad lib.

Ik weet niet of de dames om me heen gek van me worden, maar na vanavond zie ik ze nooit meer. En vals zing ik niet, dus ik doe lekker mee. Na dik anderhalf uur spelen, waarin gevoelige pianonummers en akoestische sessies elkaar zijn opgevolgd, is Evanescence klaar. Ik sta nog wat op de tribune, en trek me dan terug naar de ‘bands bar’. Helaas, daar wordt skihutmuziek gedraaid… en nee, daar zullen zich wel geen bandleden ophouden. Ik zie geen merchandisestand, geen handtekeningentafels… nee nee. Ev is terug naar hun tourbus, dit was het.

Rustig aan loop ik over het nu weer leeggestroomde terrein. Ik bekijk de houten Baldwin-piano eens van dichtbij terwijl hij van het podium weggerold wordt. Ik vraag me even af of het er wel echt een was – en niet een houten bekisting met een digitale piano erin. Echt.

Dan loop ik nog een rondje over het terrein – vergaap me aan de prijzen voor merchandise, voor crêpes met Nutella – koop niks – en begeef me naar de uitgang. Nog een lekkere warme trui aan, en ik ben klaar om weer terug te wandelen. De bus laat toch op zich wachten, en zit stampvol met jongeren die naar een volgend dorp moeten.

Ik loop met een groepje festivalgangers naar de dorpsstraat van Crans, begeef me naar mijn appartement, en ga lekker slapen.

Zonnen en zwemmen

Vandaag sta ik laat op – ik mag van mezelf uitslapen, na zo’n fijne avond festival. Maak weer eitjes, drink de amandelmelk – blegh, ongezoet, dus vul hem aan met jummie esdoornsiroop die ik in de provisiekast vind.

Daarna drink ik koffie en ga lekker op het dakterras in de zon zitten. Chatten, schilderen, lezen. De ochtend vliegt voorbij. Het is vandaag een warme dag, zo weet ik, dus ik wil ook niet veel gaan doen.

Na de middag pak ik mijn zwemspullen bijeen en loop ik, stijlvol gekleed, weer naar beneden naar de waterkant. Ik heb inmiddels van huiseigenaresse Kim gehoord dat ik prima mag zonnebaden naast de zeilschool. Dat is gewoon publiek strand. Dus ga ik daarheen, spreid mijn handdoekje uit op de rotsen, en ga lekker in het zonnetje liggen. Even insmeren, boekje erbij, jum.

Na een half uurtje komt er een kliekje dikke zwartgeklede roadies naast me zitten. Leuke jongens. Spreken allemaal Frans, en hebben denk ik niet door dat ik ze gewoon kan verstaan. Ze hebben even vrij van de opbouw voor vanavond. Stuk voor stuk kleden ze zich uit tot aan hun boxers en laten zich in het water tuimelen. Allemaal hebben ze het ijskoud, maar ze laten zich niet kennen.

Na een tijdje laat ook ik me even in het water zakken. Gelukkig liggen er langs de kant grote rotsblokken half in het water, dus ik hoef niet gelijk het diepe in. Maar man, man, wat is dat water koud! Typisch een groot bergmeer. Ik blijf er even in zitten om eraan te wennen, maar mijn nagels verschieten vrijwel direct van kleur. Lila, blauw… tijd om eruit te gaan. In de zon is het gelijk weer zo heet dat je levend gebraden wordt.

Ik blijf tot een uurtje of vijf zitten, als ook de roadies door hun opperroadie weer terug naar hun plicht geroepen worden. Ik slenter uitgerust de heuvels weer op. Vanavond ga ik eten bij restaurant Café l’Union, aan het einde van de dorpsstraat. Ik heb al een tafeltje voor mezelf gereserveerd. Het eten is heerlijk! Dit is een aanrader! Serieus.

Na het eten wandel ik voldaan weer naar huis. Ik heb donders veel energie, ondanks de maaltijd. Maar ja, het is ook donderdagavond, dus normaliter zou ik nu Pro Deo hebben. Ik spring wat door het huis heen, dans op allerlei muziek, maar ga dan toch maar naar buiten. Ik wil even kijken welke sport ze op het schoolveld achter mijn appartement spelen, maar zodra ik er kom, is de wedstrijd voorbij. Ik hoor in de verte koeienklokken en geloei, dus ik loop wat verder – al bijna het dorp weer uit – en zie inderdaad een hele kudde bruin vee verop in een weiland staan. Kalfjes stieren rond, koeien slaan loom met hun staarten naar de vliegen. Ik klim op een stapel balen kuilvoer en zet me aan het schrijven. Nog even ren ik terug naar huis, kleed me warmer, pak mijn camera, en ga weer zitten. Heerlijk, zo’n avond. Klokkengelui van koeienbellen is toch echt, echt mijn favoriete geluid.

Thuis ga ik nog wat zitten in de avondschemering, kijk vliegtuigen die overkomen. Dan weer lekker slapen.

Nyon, zon en schilderen

Vandaag ook weer lekker uitgeslapen, eitjes gebakken, ruim ontbeten. Ik zit weer wat te lang op het dakterras, maar het is ook zo lekker. Het belooft niet zulk goed weer als gisteren te worden – wel droog, maar bewolkt – dus ik heb mezelf gezegd om naar Genève te gaan. Echter, ik bekijk een beetje de bezienswaardigheden in Genève, en mijn zin neemt af. Ik wil eigenlijk helemaal niet zo’n grote, grijze zakenstad in, terwijl ik hier in dit dorpje heerlijk van de landelijkheid kan genieten.

Mijn humeur is sowieso niet al te best vandaag, dus ik stel het ‘wat gaan doen’ zo ver mogelijk uit. Uiteindelijk beslis ik dat ik met de bus naar Nyon zal gaan, en daar met een mooie boot de oversteek naar het Franse dorpje Yvoire ga maken. Dat moet erg mooi zijn, al is de overtocht wel erg prijzig.

Ik stap op de bus naar Nyon, en hoe gemakkelijk gaat de reis toch – de buschauffeur becomplimenteert me nog, hij kan me prima verstaan, en gelooft eigenlijk niet dat ik uit Nederland kom. ‘Die Nederlanders spreken ook álle talen!’ grapt hij. Welnee man, dit is schoolFrans, en ik ben gewoon goed in het imiteren van intonaties.

In Nyon laat ik me er bij de muziekschool aan de kade uit zetten (veel muziekscholen hier, trouwens, ook in Crans al). Ik loop naar het loket waar de boottickets verkocht worden. Ai, ik moet nog anderhalf uur op de volgende boot wachten. De lokettiste weigert me bovendien in het Frans aan te spreken. Ze blijft maar dik Engels praten en dat maakt me – gezien mijn vervelende humeur sowieso al – flink koppig. Ik besluit nog geen ticket te kopen, en eerst die tijd maar eens af te gaan wachten.

Ik loop wat langs het kasteel, langs winkels, … en beland in een groot warenhuis, op de afdeling met kantoorartikelen en fournituren. Ja, je zult je afvragen – wat is dáár leuk aan? Maar daar, beste mensen, daar vind ik nou altijd mijn beste souvenirs. En jawel hoor. Kleine, aparte kaartjes, spotgoedkope stukjes vilt, om thuis nieuwe sloffen mee te maken, en echte metalen knopen in de vorm van Edelweissbloemetjes. Stiekem is winkelen toch nog de beste remedie tegen een slechte dag…

Met een redelijk goed gevoel verlaat ik het warenhuis. Het is al half drie, de boot is al vertrokken. Ik kan nog een volgende nemen hoor, daar niet van. Maar ik wil niet. Het staat me allemaal te veel tegen dat er iets ‘moet’. Die buien heb ik soms, en op een vakantiedag betekent dat gewoon, dat er niets moet. Ik kan daar prima mee leven.

Ik stop nog even bij het stenen- en mineralenwinkeltje, dat er bijzondere openingstijden op nahoudt. Het zou nu open moeten zijn, volgens de haastig geschreven briefjes op de ruit. Maar nee, het is dicht. Ik treuzel nog even voor de deur, maar nee, er komt echt niemand. Ik wilde zo graag een bepaald steentje kopen… maar dat moet dan in Freiburg maar. Hier zal het toch wel belachelijk duur zijn.

Ik zet me op de bus terug naar Crans, en omdat het nog zo lekker warm is, pak ik wederom even mijn zwemspullen erbij. Nu gaan ook mijn schilderspullen mee. Ik ga lekker aan de waterkant zitten schilderen. Daarvoor moet ik wel even door een hekje heen, dat er sinds gisteren staat, met als opschrift ‘bands & roadies only’ – jaja, m’n neus. Ik ga lekker op de rotskade zitten, net als gisteren, en er is geen security-figuur dat me daar weghaalt. Echt niet. Roadies scharen zich om mee heen, lachen, zwemmen, drinken bier, net als ik (jawel, dit keer heb ik bier mee). Waterverven met een witte blouse en wit badpak is niet zo’n goede combinatie, trouwens. Maar het gaat me redelijk zonder vlekjes af.

Ik loop weer terug naar de straat, en een security-jongen houdt keurig het hekje even voor me open. ‘Quel service, merci!’ groet ik hem vriendelijk, en hij groet beleefd terug. Deze dame kwam even schilderen, weet u wel. Die laat je gewoon door, ook al is ze haar festivalbandje vanmiddag in de bus kwijtgeraakt.

Thuis ga ik lekker eten, maak wat dingen in de koelkast op zodat ze niet overdatum raken. Zit nog lang buiten ’s avonds, en ga dan weer slapen.

Naar Basel, en VNV Nation

Zaterdag pak ik in, ruim ik op, blijf nog wat langer in het appartement. Regel alles via WhatsApp en SMS met Kim en Gilbert, en verlaat het huis.

Op de bus naar Nyon. Vanaf daar op de trein naar Morges ofzo. Het is alweer lekker warm. Ook nu word ik weer misselijk in deze trein – het ligt echt aan de schommelingen van de trein. Afrader, je kunt beter via Bern gaan. Of per vliegtuig.

Ik stap weer over op Olten en kom weer in het Baselse land. Op Basel stap ik uit en neem ik – zwartrijdend – de tram naar Schifflände. Dat is aan het water, zoals je mag verwachten. In een klein zijstraatje daar zit dus dat kleine winkeltje Abraxas, wat nu wel open is.

Ik moet er echt nog meer over schrijven, maar mijn bezoek gaat ongeveer zo: ik kom binnen, kan mn kont amper keren, en zie echt overal om me heen delicate dingetjes, ganzenveren, inktpotjes, wasstaafjes, dunno what. Dus ik leg mijn grote rugzak af, onder een tafeltje, en ga alles aandachtig bekijken. Na een kwartiertje word ik opgemerkt door de eigenaar, een wijs kijkende man met een staart. In de winkel zit ook nog een jongen op een krukje, hij blijkt David te heten. Hij leest graag boeken in de winkel.

Ik raak met de verkoper aan de praat, en we praten over van alles. Over leven, kunstenaarschap, vrijheid, keuzes, het maken van kunstwerken. Long story short: ik ga er uiteindelijk weg met mooie aankopen, pardoes gekregen korting – handdrukjes, knuffels, en bewonderende blikken van de jonge David. Ik ben echt helemaal mesmerized als ik de winkel uit loop. Het is inmiddels ook al vijf uur, en ik moet om acht uur al in Freiburg zijn!

Ik haast me naar de trein, vanuit de trein bel ik driftig naar de zaal waar VNV Nation zal spelen, naar een taxicentrale… ik loop vanaf station Freiburg Littenweiler (het studenten-station) naar het hostel, vind het gelukkig op tijd, en check snel in. Ik dump mijn spullen in mijn kamer, kleed me vlug om, oordoppen mee, en als ik buiten sta, rolt de taxi al voor. Hops, ik laat me vervoeren naar het centrum. De prijs is gelukkig redelijk. De taxichauffeur vertelt dat hij nog eens met een Arabische man naar Enschede is gereden. De beste man was in Freiburg en stond erop dat hij daar, in Enschede, naar het casino zou gaan. De man blijft erin, wat een verhaal. Veertien uren aan het autorijden, drie uren wachten, voor een klap met geld. Of de Arabier gewonnen of verloren had, wist hij niet, maar hij was goed betaald.

Ik kom bij de zaal, en VNV Nation is net een kleine tien minuten aan het spelen. Yess ik kan gelijk aanhaken. Ik sluip naar voren tot dicht bij het podium, maar oh oh wat is het warm in deze donkere keldergewelven onder de stad Freiburg! Ik laat me al gauw iets terugzakken richting bar. Ik bestel een prijzige fles Club Mate (een drank die hier heel normaal is) en zet mijn telefoon op vliegtuigstand, zodat ik straks nog middelen heb om naar het hostel te komen. Ook noteer ik weer even het nummer van de taxicentrale – je weet maar nooit.

Na het echt geweldige, energieke, en wederom zing-alles-mee-geweldige concert laat ik me een beetje helpen door de dame van de garderobe. We vogelen samen uit welke tram ik moet hebben. Dat doen we dan maar, met kans op veel lopen vanaf de laatste halte. Inderdaad. Het lukt me zelfs om niet zwart te reizen, op mijn laatste eurocenten.

Ik moet inderdaad vanuit de wijk Littenweiler naar het hostel lopen, nu via een andere route als vanmiddag, maar het is redelijk verlicht, er lopen genoeg jongeren, en ik weet ook in het donker perfect waar het hostel ligt (ik ben er echt pas één keer geweest, een paar uur geleden, maar ik kom al zo lang in Freiburg, dat ik echt exact weet waar ik ben). Ik wandel erheen, hopsakee, meld me weer. Sander is verdeeld blij over mijn goede aankomst. Ik had hem gevraagd er even op te waken dat ik echt na 20 minuten zou SMS’en dat ik aangekomen was. Na 20 minuten, als mijn telefoon weer aan de lader ligt, krijg ik de SMS ‘hoeraa! 20 minuten… de katten zijn van mij!’ – Dankjewel, Sander. Gelukkig, daar wordt in ieder geval voor gezorgd. Ik doe zijn euforie gauw teniet met de melding dat ik nog leef, dank u.

Ik ga douchen en maak me klaar voor bed. Dan komt er een meisje binnen. Ze zegt spaarzaam hallo en verdwijnt in het badkamertje. Daar hoor ik plotseling langdurige braakgeluiden. Ik blijf een tijdje liggen, maar kom dan toch weer m’n bed uit. Ik trek een broek aan en informeer door de deur heen of alles okee gaat. Ja, het gaat goed. Nee, ze is niet dronken. Ze heeft slechte kip gegeten, en het spijt haar heel erg. Daarop volgende braakgeluiden en gesnik doen me ervoor kiezen om toch om een aparte kamer te vragen.

Die krijg ik, beneden bij de receptie. Het is wat gedoe, want kennelijk zijn er, in dit megalomane hostel, echt geen kamers meer vrij. Nou, eentje dan, een tweepersoonskamer met alleen lage bedden. Ja, die luxe kunnen ze natuurlijk niet zonder slag of stoot vergeven. Ik beloof de kamer heel schoon te houden. Het mannetje begeleidt me persoonlijk mee naar boven. Ik wil het meisje op mijn gedeelde kamer niet de confrontatie met hem aandoen, dus ik wuif hem weer naar beneden voordat ik de kamer weer in ga. Ze voelt zich al zo opgelaten.

Ik stel me even voor – zij heet Laura, en komt uit New York. Ik zeg haar dat ze zich niet opgelaten hoeft te voelen, dat ik gewoon even mijn spullen pak, en naar de kamer ernaast verkas. Ondanks dat verontschuldigt ze zich nog honderdmaal terwijl ze weer in het bed boven het mijne klimt. Ze ziet erg pips en ze zal nog wel een aantal keer naar de wc moeten vannacht. Ik raad haar aan om in mijn onderbed te gaan liggen, maar dat wil ze niet. Ze verzekert me dat ze hier met vrienden is, en dat ze samen een stage gaan volgen. Dat stelt me wat gerust, er wordt ook door anderen op haar gelet. Door uitdroging na overgeven kun je best van de kaart raken, en dan is het juist weer niet handig als je in je eentje op een afgesloten kamer ligt.

Ik betrek mijn eigen suite, maak het me comfortabel, en ga lekker slapen.

Via Stuttgart naar huis

Ik sta op, ruim op, maak m’n kamer in orde, en ga ontbijten. Bij toeval, en maar goed ook, zie ik aan het eind van de ontbijttafels Laura zitten. Ik vraag of ik bij haar aan mag schuiven. Dat is in orde. We kletsen wat over waar ze woont, hoe en waar ze naar school gaat, en hoe bereisd ze wel niet is. Komend uit New York vliegt ze met regelmaat, op de frequent flyer miles van haar pa, naar Texas, waar ze studeert. ‘Treinen gaan er niet zo veel’ legt ze me uit ‘en het is gewoon te ver’. Alsof je in Amsterdam woont en in Spanje studeert, zeg maar. Wat een leven.

Ik probeer haar zo veel mogelijk op te beuren en zo min mogelijk over eten te praten. Ze hapt haar ontbijt weg terwijl ik twee dubbele porties eet, omdat ze in dit hostel allemaal leuke ingenieuze manieren hebben om je voedsel met zo min mogelijk afval op je bord te laten belanden. Marmelade in ijscupjes enzo, hartstikke tof. Ik snack wat weg.

Daarna zeggen we gedag en wandel ik naar station Littenweiler. Ik stap in het felle morgenzonnetje op de trein naar Freiburg centraal, ga vanaf daar naar Karlsruhe. Houd contact met Sandeep, die ik in Stuttgart zal treffen. En inderdaad, dat lukt. Sandeep en zijn vriendin Birgit staan me op te wachten. Birgit heeft een goed idee: we gaan in het stadspark naast het station zitten. Leuk. Er is een biergarten, en verderop wordt gedanst. Die Duitsers toch. We bestellen een flinke pitcher sap – rabarbersap, heerlijk – en zetten ons aan de tafels. Het is warm, gelukkig hebben we schaduw. De muziek klinkt, we kletsen bij, Sandeep maakt grapjes over mijn liefdesleven, nu hij er zelf warmpejs bij zit. Er komen diverse langharige ruigbaardige jongens voorbij, en met glinsterende ogen van pret wijst hij ze me allemaal aan. Ik kan er wel om lachen.

Na heerlijk drinken en eten zoeken we op hoe laat mijn trein gaat, en zetten we ons nog even in het park op een bankje tussen het groen om dat af te wachten. Dan wordt het echt tijd om te gaan. Ze brengen me naar de trein, ik zeg gedag, en hop, daar begint de laatste lange reis naar het noorden.

Ik weet nog een paar vernuftige overstaps te regelen, die me enigszins sneller in Enschede beloven te brengen. Dat lukt niet helemaal, en zo leer ik dan ook dat de trein vanuit Dortmund er echt twee keer zo lang over doet als de trein vanuit Münster. Die haal ik, voor de verandering, dan wel eens een keertje ruim. Ik heb zelfs nog tijd om op het station een crêpe met Nutella te eten! Eindelijk dan toch, en voor een schappelijk prijsje ook.

Na twee uur vermoeiend treinen met de boemel ben ik dan eindelijk, eindelijk weer thuis. De poezen draaien om me heen, het huis staat er nog bij zoals altijd. Morgen nog een dagje vrij. Aaaaahh. Ik krijg maar een half witbiertje op, dan sleurt de slaap me naar bed toe.