Op weg naar Luxemburg

Het is donderdagochtend, half zes. Ik word vroeger wakker dan normaal, omdat ik weet dat ik nog aardig wat bagage moet inpakken. Mijn kat Meisje ligt niet naast me op bed, dus ik roep haar. Met een fijn getik van haar pootjes komt ze de slaapkamer in en springt naast me op bed.

Ik lees routineus mijn e-mail en favoriete websites, aai Meisje, en stap uit bed. De kattenbak moet schoon, de katjes moeten voer, ik moet ontbijt… en er moeten allerlei klusjes gedaan worden.

Het vervelendste, na alle vaste klusjes, is wel het legen van de groenbak. Dat komt omdat het de laatste weken voor Nederlandse begrippen erg heet is geweest. Het metalen groenbakje staat op het voorbalkon en is elke dag verschrikkelijk warm geworden – een perfecte broeiplek voor vliegen. Ik zal jullie de details besparen, maar het eruit tillen van de vuilniszak verdient echt een aparte studie in de fijne organismen.

Op slippers, in mijn oudste verfkleding, ga ik naar beneden en gooi ik het dubbel verpakte zakje weg. Meestal combineer ik het met de rest-afvalbak, maar daar heb ik nu echt helemaal geen zin in. Daarna spuit ik met de tuinslang het afvalbakje schoon, waarbij ik zelf ook aardig nat word. Zo. Die kan weer mee naar boven, lekker een paar dagen drogen in de zon.

De verpakkingenzak zet ik bij de voordeur, en dan kan het inpakwerk beginnen.

Zoals gewoonlijk heb ik een paklijst opgesteld, maar die voor dit keer ook uitgebreid met kampeer- en hackerspullen. Denk aan een tent en mijn nieuwe veldbed, maar ook kabels, een tang, ijzerdraad en ProtoPlast korrels. Als ik alles ingepakt heb komt het, exclusief tent en toebehoren, op twee plastic kratjes en een paar handen vol losse spullen uit. Dat doet mij de alarmbellen rinkelen dat ik veel te veel meeneem. Ik kan het namelijk niet allemaal zelf dragen. Maar hush: dit is een hackerkamp en we gaan met de auto, die regel mag ik nu laten varen.

Via WhatsApp hoor ik dat ik niet half elf, maar half tien word opgepikt. Oei. Ik moet mijn laptopje en een bestand daarop nog controleren. Ik vraag uitstel tot tien uur en pak haastig door. Shit – mijn laptopje heeft ongemerkt aangestaan vanaf dinsdag. Te laat om op te laden, ik moet vertrekken met 12% batterij. Het bestand is leesbaar, al is mijn werkveld piepklein. Tot overmaat van ramp heb ik onlangs mijn cloud-opslag verkeerde geconfigureerd en stampt die nu bij synchronisatie mijn hele hardeschijf tot de laatse MB vol. Oops… tijd om dingen naar een andere plek op mijn NAS over te hevelen heb ik niet. Dit moet ik op Haxogreen maar fixen. Als de auto met Michiel en Leroy voorrolt kan ik alles net naar beneden sjouwen. Ook uit de berging moeten wat grote zaken mee. Ik laat Michiel alles in de auto puzzelen terwijl ik zelf boven een rondje huis afsluiten doe. Ik aai de poezen beide nog één keer en beloof ze echt met een paar dagen terug te zijn. Opdat het maar niet te warm voor ze wordt.

Met de zak verpakkingsafval uit het raampje bungelend rollen we het park uit. Daar gooi ik de zak weg in de oranje container en kunnen we echt vertrekken. Op naar Haaksbergen om Martijn, onze laatste passagier, op te pikken.

Binnen een half uur zijn we echt onderweg. Met Michiel aan het stuur scheuren we Duitsland in, zuidwaarts. Het wordt langzaam warmer in de auto, die door technische aanpassingen niet meer over werkende airco bezit. Michiel en Leroy voorin hebben ruime zitplaatsen, maar worden gegeseld door de brandende zon. Martijn en ik achterin hebben krap twee derde van de achterbank tot onze beschikking. Gelukkig zijn we niet zo breed.

We jakkeren de Duitse snelwegen af. Tegen de middag gaan we autogas bijvullen. Dat kan niet bij elk tankstation, dus we moeten slim kiezen. Bijkomend voordeel van de schaarsheid van autogas is wel, dat niemand achter ons in de rij staat. We kunnen de auto na het tanken rustig nog even onder de schaduwgevende overkapping laten staan. Ik loop allang in het winkeltje, maar daar is het niet al te veel koeler dan buiten. Martijn wijst slim naar het dak, waar we een provisorisch vastgemaakte waterslang een straal water op de airco zien gutsen. Iets zegt ons dat dat ding niet optimaal werkt vandaag.

Gelukkig kunnen we even naar de wc en kan ik een espresso drinken. Hehe. Ik doe de hele dag al niet veel actiefs en reageer op de meeste gesprekken met een diepgaand ‘uhuh’ omdat met minimale hersenkracht de tijd sneller voorbij lijkt te gaan. Ik klap de laptop even open en doe iets aan mijn (vertaal)werk, maar in een ongemakkelijke houding zitten terwijl je wegsmelt op de achterbank is een enorm slecht plan. De laptop gaat weg, ik ga de komende dagen wel vertalen.

Suf en duf sjezen we door naar onze bestemming. Martijn rijdt vanaf de autostop. Tegen half vijf komen we in het mooie heuvelachtige Dudelange aan. Ik herken het van twee jaar geleden. We laten de volbepakte auto voorzichtig de berg op klimmen naar het scoutingterreintje. Eerst slaan we een paadje te vroeg af en staan voor de voetgangerstoegang. Die is overgroeid met gras en struikjes, dus we zijn zo slim om onze kaarten te herzien en de volgende weg omhoog te pakken.

We mogen met de auto niet meer helemaal het terrein op. Wel mogen we even kort op een hellinkje parkeren en uitladen. Dus doen we dat. Ik kies een plaats uit die goed gelegen is. We passen er net. Ik zal mijn tent tegen het hoger gelegen terras achter de tent van de jongens opzetten. Dan moet er nog een Duitser met zijn slaaptentje naast, en dan is het echt wel vol. We parkeren de auto op het hellinkje, zien hoe hij het met handrem én in de eerste versnelling niet houdt… en zetten hem ietsje lager. Zou toch vervelend zijn geweest als hij tijdens het uitpakken naar beneden was gerold!

Ik zet mijn tent op, de groene Eureka! waar ik al jaren erg content mee ben. Het is mijn kleine kasteeltje voor onderweg geworden. De jongens, vijf in totaal, slapen in de grote opblaasbare Karsten-tent van Michiel. Het is een joekel van een ding, maar dat heeft weer een voordeel: hij verschaft mij in de ochtend een klein tijdje schaduw, en is een goede buffer voor het licht, geluid en feestgedruis rond de maintent.

Dorst nekt me. Ik ben een kameeltje: ik heb het niet gauw warm, heb niet vaak dorst, maar deze dagen begin ik mijn limieten te voelen. Dus sjok ik naar de maintent, en kom erachter dat ik zonder contant geld alleen aan een fles koud water kom. Dan die maar. Tot plots Paul van een ander hackerspace achter me staat, en een lekkere Apfelschorle voor me wil betalen. Graag! De fles water was toch gratis dus die neem ik er ook mooi bij.

Tegen zevenen zijn we geïnstalleerd en gaan we op zoek naar avondeten. Daar is wat discussie over. Zelf koken werd de afgelopen keer niet gewaardeerd, is gezegd. Maar nu we toch onze eigen barbecue mee hebben, en er nog geen andere tent een goed eetvoorstel heeft gedaan, lonkt het toch om even zelf vlees en salade te halen (dit schijnt standaardvoedsel te zijn als je kampeert). Dus voor ik het weet zijn er twee van mijn ploeg terug met tassen vol eten en drinken, en gaan we barbecuën. Prima. Ik eet een hapje mee.

In de avond ben ik erg moe. De lange reis was uitputtend, juist omdat ik mezelf op standje onbenullig had gezet. Ik ben gaar, het is nog warm, ik wil m’n bed in. Maar nieuwsgierigheid naar alle hackers die ik een tijd niet gezien heb houdt me wakker. Ik krijg van Bas een Tschunk aangeboden en meng me in het feestgedruis rond de maintent. Ik spreek met leuke mensen in Duits, Engels en een beetje Frans.

Tegen half één ga ik toch echt slapen. Eens zien hoe mijn nieuwe veldbedje bevalt!

Vrijdag op het hackercamp

Ik hoor mijn wekkertjes één voor één afgaan. Ik heb heerlijk geslapen, ben uitgerust. Dus alleen de eerste om kwart voor zeven tik ik uit. Om acht uur gaat mijn ‘aankleden!’ wekkertje, om kwart over acht mijn ‘vertrek’ wekkertje. Oké, ik word echt wakker.

Rond half negen begint mijn tent al een aardig oventje te worden, dus ik glip in de eerste de beste combinatie van korte broek en t-shirt die ik vind. Mijn t-shirt met puntmuts is een geweldig ding, en ik ben blij hem te hebben meegenomen, maar tegen de zon is hij echt onpraktisch. Mijn schouders zullen in een mum van tijd verbranden, dus dat shirtje trek ik niet aan. Kijkend naar wat ik dan wél aan shirtjes heb is het wat zielig: mijn blauwe Haxogreen-shirt van twee jaar terug is ronduit zweterig van gisteren. Mijn nieuw verkregen zwarte Haxogreen-shirtje wil ik ook niet gelijk aan (lijkt alsof je niks mee hebt genomen). En dan blijft er over… ja niks. Twee merinowollen truien ‘voor als het ’s avonds koud wordt’ en een knalgele navelsweater (ja het bestaat) waar ik zelf ‘CYBER’ op heb gekalkt.

In de maintent, na het tandenpoetsen en opfrissen, vind ik de oplossing. Terwijl ik mijn ontbijt zit op te kauwen zie ik dat er een tafel vol ‘gratis free stuff’ is, met ook twee aardige t-shirtjes in de maat medium. Die gaan mee!
Ik haal een kopje koffie bij de HackSaar tent, maar kom een beetje bedrogen uit. Ze hebben een tweederangs Senseomachine bij zich… maargoed, de koffiepads zijn gratis! en nadat ik het bakje troebel water heb opgeslurpt, is Martijn wakker en zegt hij toe échte koffie te gaan zetten in zijn reusachtige mokacafé. Gelukkig.

Nippend aan die bak sterke koffie komt het besef tot me, dat kamperen bij dit buitengewoon hete weer eigenlijk een slechtere keus is dan thuiszitten bij dit weer. Ik bedoel: in Nederland is het nu dagenlang 30 graden. Maar daar bewoon ik een stenen huis, dat ik met wat slim luchten koel houd op 25 graden. Hier, in Luxemburg, is het even heet – maar zit ik in een nylon tent die 12 uur per dag midden in de zon staat. Geen isolatie, geen schaduw.

Berustend in mijn lot haal ik mijn laptopje op uit mijn groene oventje, pak stroomkabel en muis erbij, en ga in de maintent aan een tafel zitten. De maintent staat grotendeels in de schaduw en waait redelijk door. Ik kan het hier wel een paar uur uithouden. Bijkomend voordeel is dat je omringd wordt door alle andere Haxogreeners.

Nee, er gebeurt niet veel. Ik leen geld van Dave opdat ik meer drankjes dan alleen water kan halen. Tussen wc, laptop en bar kom je aan de praat met iedereen. Belgisch, Nederlands, Engels of Duits, iedereen heeft een verhaal, en met wat geluk ook leuke projecten om te laten zien.

Tegen het eind van de middag wordt de hitte me te veel. Ik zoek mijn witte badpak op en pak een blauw shirtje om mijn schouders bedekt te houden tegen de zon. Merk op dat ik er in deze combinatie uitzie als een smurf in een luier. Ik wandel daarom maar benedenlangs naar het zwembadje toe. Zo, ik zet me in het koele water. Er drijft een dobber met chloortabletten in, een pomp zorgt voor de minimale verversing van het water. Zo hangen we en praten we weer in allerlei talen door elkaar over onze afkomst. Het leuke is (vind ik) dat die gesprekken ook al gauw over linguïstiek gaan. Het badwater koelt echt heerlijk af, ik snap dat mensen met gemak een verschrikkelijk hete dag in een zwembad kunnen doorbrengen tot de schemer valt. Je kan er niks – niet met electronica, niet met papieren boeken, want je bent omgeven door water – maar het koelt wel zo af, dat het gerust smoorheet mag zijn.

Zodra het een tijdje lang betrokken is stap ik uit het water. Tot mijn verbazing heb ik het gelijk koud. Michiel ook. Ik ga douchen. Zodra de zon weer achter de wolken vandaankomt is het ook gelijk weer smerig warm.

Als de schemer valt wordt het gelukkig wat draaglijker op het terrein. Wat eten we vanavond? Een paar mensen willen pizza’s laten bezorgen vanuit het dorp. Een paar anderen, waaronder ik, willen daar wel even heen lopen. Goed, dan lopen we er met z’n allen heen. Het is echt maar een kilometer heuvelaf, dat is wel fijn. De eerste de beste pizzeria aan de straat schieten we in. Wat verlaten staan we binnen in het airco-koele stijlloze restaurantje.

Een meisje van de bediening merkt ons op en troont ons mee naar achteren, waar nog een heel ander restaurant blijkt te zitten. ‘En de prijzen zijn zojuist verdubbeld’ grinnik ik Michiel toe. We mogen buiten zitten onder een overkapping. Voor amusement wordt gezorgd door een enorm grote projectie-TV achter ons. De projectie-TV was de voorloper op de grote flatscreens en plasmaschermen. Deze bij onze tafel is ongeveer 49 inch. Hij geeft niet bijzonder veel licht, maar wel leuk geluid: er staat een non-stop hitzender met muziek uit de jaren ’90 op. Ik swing vergenoegd mee met alle oudjes zoals Snap, Dr. Alban, Vaya Con Dios, en Toto. Als de kastelein de gemiddelde leeftijd van ons zestal inschat, verandert de muziek langzaam naar de hits van deze tijd. Hè, jammer.

De kastelein – een oudere, knokige man met een enorme zwarte bril – merkt op dat ik de enige ben die Frans kan. Dat doet hem genoegen. Enthousiast legt hij aan mij de kaart uit, in verwachting dat ik het de rest wel uit zal leggen. Ik volg zijn snelle Frans redelijk goed, met een verduidelijking hier en daar. De jongens zitten me met klapperende oren aan te horen, terwijl we over specialiteiten als zalm, linguine alla vongole, en koteletten praten.

Als hij wegloopt kijken de jongens me aan. ‘Wat heb je nou voor ons besteld?’ ‘Heb je Leroy verkocht?’ grijnzend vertel ik ze de drie extra specialiteiten op de kaart, en overweeg zelf de pasta te bestellen. In een pizza heb ik niet zo veel trek. Zo gezegd zo gedaan. Als ik terugkom richt de kastelein het woord weer aan mij en neemt hij de bestelling op. Hij kan ook wel wat Engels, gelukkig. Ik neem de pasta.

Al gauw brengt hij voor mij een kommetje, en een keurig verpakt doekje om mijn handen mee schoon te maken. Ik twijfel. Ik kreeg toch pasta? Te zien aan het bestek – een vork en een lepel – is dat ook zo. Linguine eet je prima met dat gereedschap. Maar dat kommetje? Wat betekende vongole ook alweer? Ik wil me niet laten kennen en blijf braaf aan tafel zitten zonder te Googlen. Vooraf krijgen we een bordje met twee bolletjes visprakje, wat duidelijk heel, heel snel op moet voordat het over datum raakt. Goed hoor.

Als alles is opgediend, blijkt mijn gerecht helemaal niet zo gek, voor een restaurant dat faam maakt met visgerechten: alla vongole betekent met schelpen. Hèhè. Blij wip ik de schelpjes open en slurp de inhoud eruit (trivia: wie vond uit dat je dit kon eten en wat bezielde hem toen hij de eerste maal dit deed!?). Daarbij eet ik de lekkere pasta. Heerlijk. De mondbrand die ontstaat door twee tactisch verstopte pepertjes stil ik met mijn bier.

Na het eten, waarbij ik nog netjes de fooi aanvul, want de bediening was keurig – splitsen we ons op en gaat een deel van de groep even pinnen. Bijna haken we af bij de ING in het dorp, want de deuren zitten dicht. Gelukkig weet ik dat je dikwijls gewoon een knopje hebt om in een voorportaaltje bij de pinautomaat te kunnen. Zo ook hier. Anders hadden we nog bij de Sparkasse buiten kunnen pinnen – met als leuke detail dat de naam in het Luxemburgs ‘Spuerkeess’ is. Ik word best blij van Luxemburgs.

’s Avonds blijft het nog lang warm. We hangen voor de tenten, bij de Nederlandse enclave aan de overkant. Die hebben dan weer vrij uitzicht op onze buren: een delegatie van Warpzone. Nou moet gezegd worden dat Warpzone, onze buurtjes in Münster, een prima hackerspace met echte hackers is. Echter, het groepje dat hier op Haxogreen kampement houdt, heeft duidelijk wat aparte sociale voorkeuren. Ik keur niets af, maar heb – en met mij heel wat anderen – af en toe best wel met opgetrokken wenkbrauwen zitten kijken. De Warpzoners hebben een vierkante tent, die van de voorkant open is. Heel mooi, want ze hebben twee slush-apparaten opgesteld. Daarover misschien nog meer. Maar de rest van de tent is nagenoeg alleen bezet door een paar grote luxe luchtbedden, en op de achterwand worden doorlopend videofilmpjes van schattige otters geprojecteerd. Het is niet alleen daarom, dat de jongens al gauw ‘de otters’ worden genoemd. Hun gedrag krijgt al snel de term ‘otteren’. Kijk je op een willekeurig moment op de dag de tent in, dan kun je van het luchtbed 2, 3, soms wel 4 paar jongensbenen en -armen zien uitsteken. De combinatie van jongens is telkens wisselend, maar waar één of meer Warpzoners bij elkaar zijn, wordt er heftig geknuffeld en innig over elkaar heen gerold. Het is geen stoeien. Ja. En het is, als je er niet al te veel door verbaasd bent, best een aandoenlijke aanblik. Er wordt af afgeaaid, gelebberd, en met handen overal hier en daar gezeten. Kleding gaat niet uit, maar er is desondanks genoeg te zien. De otterboys trekken zich er duidelijk niks van aan, maar het begint wel een dingetje te worden. Voorbijgangers besteden er simpelweg maar zo weinig mogelijk aandacht aan – of ze nu een vaatje slushie tappen, driftig zitten te solderen (want ja, dat doen de boys ook daar), of in gesprek met elkaar zijn. Het is wat aparts, op een hackerkamp.

Die avond is ook de maansverduistering te zien. Je merkt het aan de groepjes Haxogreeners die, zo na tienen, samenscholen en allemaal richting het zuiden kijken – een enkeling met een betoeterde camera en statief. Er wordt gepraat, gewezen, en… gegaapt. Want de maan, zoals gezegd bloedrood, wordt verhuld door flarden wolken. Het is geen optimaal zicht. Ik laat mijn DSLR daarom in mijn tent, want ik heb alleen mijn 50mm lens bij me. Daarmee kun je de maan als een postzegeltje op een ansichtkaart krijgen, en met de bijkomende bewolking zie je gewoon praktisch niks. Dus ik ga niet lopen showen met mijn spullen, ik kijk gewoon liever. Omdat het gezelschap op het terrein me niet bevalt, loop ik om de camping heen naar een hoger gelegen punt boven aan de weg. Daar staan nog wat vrienden en onbekenden. Ee kijken hoe de wolken wegtrekken en de maan, waterig en perzikkleurig, langzaam weer zichtbaar wordt. Al met al is het een aardige aanblik. Ik merk op dat het zicht op oostelijk Dudelange vanaf hier wel erg mooi is. Daarom haal ik, als iedereen weg is, toch nog mijn camera en statief. Inmiddels heb ik wel een Tschunk achter de kiezen, dus heel recht fotografeer ik niet meer. Inderdaad, de maan is een zielig vlekje in mijn zoeker. Die laat ik links liggen. Ik fotografeer de lichtjes van de stad.

Even zit ik stil op het rotsblok, en staar lang naar de maan. Mag je op zo’n mooie avond wensen? Om iets, om …iemand? Ik schud mijn hoofd en loop terug naar mijn tent. Slapen maar.

Zaterdag op het hackercamp

Wederom een lekkere, warme nacht. Als mijn nachten in een tent altijd zo waren, hoefde ik nooit al die isoleermatjes en dekentjes mee te nemen. Dat is nu al jaren een ding, maar desondanks kampeer ik nog graag. De extra isolatieuitrusting die ik dit jaar heb meegenomen, is echter nog niet heel erg van pas gekomen. Het is simpelweg ’s nachts te warm. Na één nacht in mijn merinotrui heb ik zelfs in een t-shirtje geslapen. Dit mag in de krant, mensen.

Als tegen zevenen mijn wekkertjes gaan, hoor ik gespetter op de tent. Lichte regen. Wat is dat fijn! Ook al kan ik niet direct naar buiten kijken, het lijkt bewolkt. De regen houdt de tent ook koel. Tevreden draai ik me weer om en luister naar het geroffel op het doek. Als ik er nu uit moet, trek ik wel even mijn regenjasje aan… met die gedachte soes ik weer weg. Twee uur later word ik echt wakker. Alle sporen van de regen zijn alweer opgedroogd.

Ik wandel weer rustig richting de keurig schone frisse toiletten, maak me enigszins toonbaar, en ga in de rij staan voor het ontbijtje in de maintent. Vandaag staat er een jongen in enkel korte broek voor me. Omdat hij niet opschiet ga ik hem voorbij, en hij daarna mij weer. We raken aan de praat over talen en dialecten, en ik noem de serie ”Allo ‘Allo’. Ik kijk nogmaals naar de jongen. Nee. Hij is te jong, hij kent het niet.

Hij komt bij ons aan tafel zitten, Martijn biedt weer aan om koffie te maken, en zo bevinden we ons een paar minuten later op het midden van het veld, in de brandende zon. We zetten ons in stoeltjes, met onze nieuwe gast in ons midden, en wachten op het gepruttel van de koffiepot. De gast heet Hugo en ik praat een mix van Engels en Frans met hem. Hij blijkt ook te balfolken, en kent typisch al die bals in de Benelux waar ik gewoon nooit heen ga (en zal gaan). Na een goede bak koffie en leuke gesprekken sta ik op om wat anders te gaan doen. Hugo laat ik achter, in verwachting dat mijn groepsgenoten (het aantal is gemaximaliseerd naar 5) de conversatie met hem wel zullen voortzetten. Dat mislukt. Als ik terug ben uit mijn tent blijkt iedereen Nederlands te praten, en is Hugo maar weggelopen omdat hij er geen snars van verstond. Dat vind ik nou best wel jammer…

Daarom loop ik hem even achterna, en ga bij zijn tentje staan praten, een terras hoger. Mijn groepsgenoten kijken veelbetekenend naar me. Oh oh, dit gaat mee in onze Goede Hackers, Slechte Hackers-soap.

Ik ga een tijdje in de maintent zitten werken aan mijn vertaling, die eigenlijk veel en veel te groot is voor het bedrag dat hij oplevert. Maargoed, laat dat dan een les zijn. Ik zit naast onbekende hackers, naast wie je prima even je laptop (wel gelockt) achter kunt laten als je naar de wc gaat. Echt, zo werkt dat hier. Ik maak me geen moment druk.

Bas en ik willen nog wel samen gaan wandelen, maar het komt er telkens niet van. Ik zie een appje van hem te laat, en hij is al onderweg. Gelukkig start er niet lang daarna een half georganiseerde tour over het mijngebied, geleid door één van de organisators. In zijn beste Engels legt hij ons uit hoe hier de ijzermijnen werkten, en waar nog restanten van de ijzerwinning te zien zijn. In een aardige groep van zo’n 15 man wandelen we mee, achter de camping langs, het heuvelgebied in. Hier heb ik twee jaar geleden ook al met Bas gewandeld, toen een beetje op de bonnefooi. Maar juist doordat we toen zo zoekende waren, ken ik nu de verschillende paadjes en landmarks nog goed. Wil degene die mij ‘het navigatievermogen van een zeepaardje’ toedichtte, even zijn hand opsteken? 😉

We wandelen eerst een stuk onderlangs de afgraving in. Ik schiet wat foto’s, want ik heb mijn DSLR dit keer meegenomen. Ook heb ik een lange broek aan en mijn stevige bergschoenen – eigenlijk twee acessoires die ik puur mee heb genomen voor de wandelingen hier boven op de berg. Ze komen nu goed van pas, want we lopen stevig door over rotsige paden en banen ons een weg door het hoge gras vol distels. De wandelaars die mee zijn op hakjes, op teenslippers, en met blote benen, hoor je af en toe een gilletje slaken.

Aan het einde van de vallei besluit onze gids dat we hier steil omhoog kunnen. En steil is het! Terwijl hij nog wat uitlegt, gaan een paar fanatiekelingen hem vast voor. Het wordt echt klauteren naar boven, waarbij sommigen best hard naar beneden roetsjen omdat het kruimelige pad onder hen wegbrokkelt. Misschien is mijn inschatting van de klim door al die ongeoefende klimmers wat verkeerd, en ga ik aanvankelijk heel behoedzaam naar boven. Dat blijkt  niet erg nodig; het pad is stabiel, de klimmers zijn gewoon ongetraind en hebben hun voeten op de verkeerde plaatsen neergezet. Ik zigzag wat om anderen heen en sta dan ook boven op de berg. Met camera en telefoon maak ik wat kiekjes en selfies van het prachtig uitgestrekte landschap hierboven. Je kunt het kampeerterrein niet zien liggen, maar Dudelange wel. In de verte links zien we windmolens – in Duitsland, wordt gezegd. In de verte links zien we de goudgele heuvel met strorollen, en hoog bovenop de rood-witte ‘RTL-mast’ waar we twee jaar geleden nog omheen hebben gewandeld. Fantastisch.

Nu is het vanaf hier vlak, en daar zijn veel mensen wel blij mee. We gaan op zoek naar de laatste achtergelaten mijnkar, zegt de gids. Die is bewust achtergelaten als herinnering aan een lange tijd van ijzerertswinning. Na een paar meter komen we al bij de eerste grote kegel ‘slack’, een restproduct, die halverwege de heuvel is gestort, en daar is blijven liggen. Iets zegt me dat we inderdaad hier op de heuvel lopen, waar ik met Bas lang geleden tegenaan keek. De zon staat goed, de heuvel heeft precies de juiste vorm… jawel. Daar staat de laatste wagon. Onze ploeg stuift eropaf en volwassenen en kinderen beklimmen het enorme ijzeren vehikel. Het is eigenlijk gewoon een joekel van een trommel, opgehangen in twee vorken, op een platte treinwagon. Aan één zijde zit een stookcabine, opdat de ijzererts tijdens het rijden op temperatuur (en dus vloeibaar) gehouden kon worden.

Na wat uitleg en diverse kiekjes lopen we verder. Ik weet dat we nu bij het kleine, later gemaakte spoorbruggetje gaan komen. De gids vertelt dat hier vroeger helemaal spoor lag, tot in het centrum van Dudelange. Op de plek waar nu de grote Match-supermarkt staat, stond toen de ijzerfabriek. Er lagen twee sporen naartoe, omdat er natuurlijk dagelijks een doorlopende af- en aanvoer was. Maar, dat alles is verleden tijd. De sporen zijn weggehaald, de routes waarover ze liepen, overgroeid. We volgen het pad door het bos tot aan het bruggetje. Weer stuiven mensen erop. Ik loop er voor de verrassing eens onderdoor, en daarmee blijk ik geluk te hebben. Als ik omhoog kijk zie ik mensen kermend wegsprinten, van de brug af. Reden: aan weerszijden zitten bijennesten, en diverse mensen worden in hun onderbenen gestoken. Phew, dans ontsprongen.

We lopen verder, en aangezien niemand (aahh) het verhaal in het dorp echt wil gaan bekijken, gaan we gezamenlijk terug naar de camping.

Een bijkomende reden daarvoor is, dat de sushiworkshop zal beginnen (in een uur, beste mensen, maar ik zeg maar niks). Ik kleed me nog even om naar iets warmers, en wanneer ik nog even naar de wc wil lopen word ik al driftig naar de tafel met sushi-pupillen gemaand. Ondanks de inschrijflimiet van 20 personen zitten we toch echt met bijna het dubbele aan de tafels. Workshopleidster Tatiana is zo te zien blij, maar ook wat overdonderd door de opkomst. Snel maakt ze twee potten vol rijst en we kunnen beginnen.

Aangezien ik de workshop twee jaar geleden ook al heb gevolgd, en de tactiek verbluffend snel bij me terugkomt, besluit ik dit jaar gewoon rustig wat groenten te snijden en verder gewoon lekker alles op te eten. Dat lukt goed! Ik produceer wat reepjes paprika en leg me daarna toe op het proeven van alle schijfjes maki. Dat lijkt ook wel het enige type sushi dat dit jaar gemaakt wordt. Ik trek er een pilsje bij open en de avond is compleet. Snaaiend van de bereide rolletjes, de surimisticks en reepjes zalm, komt mijn buik langzaam vol. Ik wacht niet meer op de tweede batch rijst, ik ga weer (met een nieuw biertje) bij de tent hangen.

Daar blijkt ons hackersgroepje gezellig bijeen te zitten, vergezeld door een gezellige Nederlandse hackster uit een andere ploeg. We blijken beiden lang geleden naar Megabit te zijn geweest, en dat schept een band! We praten heel wat af over de tijd van toen, de lanparties, de netwerkkwaliteit, de typische quirks van als vrouw tussen de honderden mannen zitten. Langzaam wordt het donker. De sushiworkshop is achter ons opgeruimd. Ik ga nu echt wat warmers aantrekken, want vanavond is het kouder dan voorheen. Dat merk je. Met een ongeziene merinolegging onder, en een lang merinovest over mijn kleren begeef ik me naar de bar voor mijn eerste Tschunk die avond. Maar oh! De bar is nog niet open!

Ik zet me daarom maar op de bank met een langharige Duitser met een vrolijke lach. Michiel komt aan de andere kant ernaast zitten. Na een tijdje lullen over werk en programmeren heb ik het wel weer gezien, het wordt donker en zeker tien mensen heb ik al bij de bar zien weglopen met een heerlijk glas Tschunk. Ik wil ook, en bovendien ben ik op zoek naar ander gezelschap. Het is tenslotte zaterdagavond en er zijn mannen in overvloed. Hoppa.

Met mijn kersvers vergaarde Tschunk loop ik een willekeurige Duitse tent in tussen die van ons en de otters. Dit is de tent met veruit de meest imposante muziekinstallatie. Door de dagen heen hebben mensen een eveneens zo imposante connectie opgezet, opdat er via een shared playlist mensen zelf muziek kunnen afspelen en toevoegen op deze zeer centraal gelegen speakers. Ik moet zeggen, ik heb niet veel slechts gehoord dit weekend. Een jongen genaamd Nicholas, met wie ik al eerder in het zwembad zat te praten over Wacken Open Air, draait nu zijn playlist. En jawel, ik herken Nightwish! Hij heeft wat leuke nummers, en als vanzelf gaan we meezingen. Doordat ik al wat alcohol op heb ben ik niet zo geneigd hem bijzonder veel te vragen over zijn achtergrond in zingen. Hij zingt in een koor, en dat is fijn om te horen. Samen zingen we wat nummers van Nightwish mee, midden op het veld. Ik krijg het compliment dat ik bij Nemo ‘die ene acapella noot gewoon loepzuiver inzette en aanhield’ – van zijn tentgenoot. Kijk, dat vind ik complimenten!

Als er weer te veel onbekende muziek op komt ga ik weer een tentje verder. Een tweede Tschunk wil ik eigenlijk niet, want ik hoef geen hangover. Dus pols ik Hugo even. Hij blijkt in de maintent te zitten, alwaar hij met twee vrienden driftig aan een badge voor een opkomend event programmeert. Okee. In een keer ben ik weer nuchter. Ik bedoel, gezellig bij hem zitten wil ik nu wel, maar hij doet duidelijk niet aan het feestje buiten mee. Dus zet ik de knop om, haal ik ook mijn laptop, en ga ik maar vertalingen zitten hakken.

Het wordt niet erg gezellig op die manier, en ik word met name alleen maar slaperiger. Dus zeg ik de boys goedenacht en zoek mijn tentje op. Morgen maar weer eens echt wat nuttigs doen, zoals naar de braderie in het dorp gaan, en mijn eenhoorn-hoorn en -staart aan mijn tent bevestigen…

De laatste dag op Haxogreen

Op zondagochtend slaap ik met genoegen een beetje uit. Het enige dat me van mijn veldbed krijgt, is de gedachte dat het ontbijt weldra vergeven zal zijn. Daarom werk ik me maar overeind en maak me klaar om naar buiten te gaan. Door het doek hoor ik de Duitsers links en rechts naast me praten. Ik sta namelijk ingebouwd tussen een shelter en een partytent, en in beide zitten delegaties van onze oosterburen al vroeg te kletsen. Ik vind het wel leuk.

Ik doe weer een rondje wasbak, pak ontbijt. Martijn en Leroy zijn nog niet uit de veren, dus ik haal koffie bij HackSaar. Ik word vriendelijk begroet terwijl ik naar de Senseo achterin de tent loop. Het apparaatje staat er troosteloos bij. Ik moet eerst alle bakjes leeggooien, daarna overstroomt mijn kopje ook nog eens. Ik ruim alles op en ga weer in de maintent zitten eten.

Dan is het tijd om mijn boeltje te pakken en richting dorp te gaan. Er is namelijk twee dagen lang braderie. Ik app de jongens dat ik beneden ben, en dat ze me moeten appen als er iets is. Het is tien minuten lopen naar het dorp, ik verwacht geen onrust. Uit voorzorg neem ik wel de rugtas van mijn veldbedje mee. Je zult maar net iets heel gaafs tegenkomen. Als het in de tas past, past het zeker nog wel ergens in de auto.

Zo loop ik het terrein af, het eerste onverharde pad links in. Al gauw bevind ik me in een tunnel van struiken. Links ontstijgt de achtertuin van het scoutinggebouw me. Rechts zie ik door het dichte struikgewas aangrenzende tuinen van de huizen verderop aan de straat. Al gauw bereik ik het einde van het overgroeide tunneltje en sta ik bovenaan een zijstraat van het dorp. Ik wandel naar het centrum, maak foto’s, let meer op de straatnamen en de omgeving dan ik deed, toen ik met de jongens liep. Ik voel me zowaar een beetje meer ‘Heidi de reiziger’ als op de reizen, waar ik helemaal alleen ben.

De braderie in het dorp is niet moeilijk te vinden. Het centrum is een stuk afgesloten met dranghekken. Ik beland er midden in. Daarom ga ik links, en volg het voetgangersgebied. Het is een markt; niet echt iets bijzonders. Het wemelt er van de kledingkraampjes met gebloemde jurken, harembroeken, oude-damesshirtjes en schoenen van namaakleer. Die hebben we thuis ook wel. Wat me wel bekoort zijn de standjes met hapjes, waar je netjes overal iets aangereikt krijgt. Ik eet het met smaak op.

Dan zie ik de Zeeman. Ja, Luxemburg heeft dus ook al de Zeeman! Wat een fantastische winkel is het toch, ik ga me er ook niet voor schamen. Met een aanbod dat net de pulp van de Action overstijgt vind ik toch altijd weer iets aparts daar, of het nou in Nederland of in het buitenland is. Nieuwsgierig stap ik naar binnen en loop meteen naar de huisraad. Inderdaad, ze hebben verrassende snuisterijen. Ik neus rond, pak hier en daar wat, vind zelfs wat voor Yvo; ik weet niet of hij het al heeft, maar het kost amper wat, dus het gaat mee. Voor de katten vind ik zowaar een juten matje, veertig centimeter in doorsnee, dat precies lijkt op mijn dure nieuwe tapijt. Het gaat mee. Ik sluit de shoppingspree af met de aankoop van een stijlvolle, spotgoedkope witte zonnehoed, en troon naar de kassa. De conversatie gaat gemakkelijk. Het Frans gaat me nog niet zo slecht af.

Met mijn tasje volgeladen wandel ik met hernieuwde blik de markt op. Zo. Ik heb mijn slag geslagen. Nu nog even neuzen hier en daar en ik ga weer terug naar het kampeerterrein.

Het blijkt, dat ik eigenlijk vrij aan het begin van de markt erin stapte, dus na de hele route terug is er niet zo veel nieuws meer. Ik zoek op mijn telefoon even een brievenbus op. Dat lijkt lastig, maar waar kun je die beter vinden dan bij het postkantoor? Terwijl ik dat opzoek, rollen er WhatsAppjes van vrienden in Nederland binnen. Er is iemand op zijn teentjes getrapt door een voorval van drie jaar geleden, en ik moet het emotionele brandje blussen. Ik zet me op een bankje op het plein voor het Hôtel de Ville, alwaar ik bijna gelijk door een man weer opgejaagd word. ‘Mademoiselle! De bus gaat niet hier! Dit is niet de busstop! De bus gaat niet hier!’ ‘Nee oké’, stel ik de man gerust, ‘ik wil gewoon op een bankje zitten, geen nood’. De man druipt af, blij dat hij de mensheid weer voor groot onheil behoed heeft. Ik pak mijn toestel er weer bij en ga even rustig in gesprek met de gepikeerde vriend. ‘Ik word nooit serieus genomen’ flapt hij er uiteindelijk uit. Hèhè. Zeg dat dan gewoon. Enfin, ik heb geen zin om daar nu hier op in te gaan. Ik doe mijn telefoon weer weg en wandel de twee straten naar het postkantoor. Daar post ik de ansichtkaart aan mijn oma. Zo. En route, terug naar het kampeerterrein.

Terug bij de tent is er een hoop veranderd. Her en der zijn slaaptentjes zijn ingepakt. De maintent staat er wat bedremmeld bij met al zijn flappen omhoog. Mensen lopen driftig heen en weer. Ah ja, het is de laatste dag…

Ik begeef me naar de maintent voor een fles drinken. Daar zit Hugo met twee vrienden. Hij kijkt blij op als hij me ziet. Dat kan ik niet weerstaan, dus na het kopen van een flesje drinken zet ik me naast hem op de bank. Hij is nog steeds druk bezig met het aanzwengelen van prototypes van zijn badge. Ze zien er allemaal nog niet uit zoals ze eruit móeten zien – een witte wolfskop met als ogen twee cijferdisplays. ‘Daarmee kun je straks zien hoeveel mensen er om je heen zijn’ legt hij me enthousiast uit. ‘Oh’. Kun je dat niet gewoon zien dan, denk ik. Dus ik formuleer het als een grapje. ‘Dus als je in een tent naast het doek staat, en de teller geeft vijftig aan, dan… weet je dus dat er naast je buiten die tent heel veel mensen op een kluitje staan?’ Hij kijkt me even aan. ‘Euh, ja.’ Beats me, maar ik zie er het nut nog niet van in.

Een vriend van Hugo wandelt rond met één van de badges aan een powerbank. Hij hangt hem een eindje weg op om te zien of de badges elkaar nog binnen bereik detecteren. Dat lijkt te lukken. Hugo komt USB-poorten tekort om al zijn prototype badges mee van stroom te voorzien, dus kijkt hij mij tot mijn genoegen eens lief aan. Of ik alsjeblieft mijn laptop wil pakken…? Ik kan op die blik geen nee zeggen, dus haal ik mijn laptop uit mijn slaaptent op. Ik installeer me bij de rest en voorzie Hugo van twee extra stroombronnen. Ik kan zelf geen plekje in het stekkerblok krijgen, dus wil ik mijn laptop niet te lang aan houden. Ik moet hem in de auto terug nog gebruiken voor die verschrikkelijke vertaling, en liefst niet weer met twaalf procent batterij.

Dan verzint Hugo wat slims. Althans, dat denkt hij. Hij prikt alle badges in serie op een breadboard, en voorziet dat van stroom. Ik geef hem draadjes aan en prik lustig mee. Als we twee bordjes met elk drie badges hebben liggen ontdekken we een probleem: niet alleen zitten de pootjes muurvast in de gaatjes, ook krijgen de achterste twee badges niet genoeg stroom om goed te reageren. Zuchtend frunnikt Hugo dan maar weer alle badges los uit de bordjes, zonder de pootjes kapot te maken.

Wordt vervolgd…