Finland

dagen

In het kort

dinsdag

Om kwart over vier ben ik wakker geworden van een raar geluid: is iemand het hotel aan het afbreken met een shovel ofzo? Enfin, even uit bed gestapt en gaan kijken. Onder mijn raam rijdt, jawel, op dit tijdstip, een grote gele ijsschuiver heen en weer om de straat sneeuwvrij te krijgen. Tevergeefs trouwens, want de straten hebben hier een permanent laagje wit.

Ik kan redelijk doorslapen, sta om 8 uur op en spring vlug onder de douche. Ik doe een rondje ontbijt en leg de hotelier uit dat ik mijn koffers even op mijn kamer laat. Hij knikt wat. Ik loop naar het Psoas kantoor, dat ongeveer drie blokken van het hotel ligt. Ik moet een nummertje trekken, maar ik hoef niet lang te wachten. Ik vermoed dat dat wel anders zal zijn wanneer er grote hordes studenten komen bedelen om een kamer, vlak na de zomer. De dame aan de balie is blij verrast dat ik alles op papier heb meegenomen. Ze laat me wat handtekeningen zetten en ik krijg mijn kamersleutel plus toegangscodes voor de internetverbinding. Ik schuifel zo snel als ik kan terug naar het hotel: het is al half elf en ik moet haasten, maar de straten en stoepen zijn spekglad. Sprekende van een stoep: die zie je hier niet echt door de hoge sneeuw. Voetgangers en fietsers komen je aan alle kanten voorbij. In het hotel haal ik mijn koffer en tas op en reken af bij de hotelier. Die blijkt helemaal geen Engels te kunnen, maar is blij met het geld. Ik roep hem een bedankje toe en zet koers naar Välkkylä.

Välkkylä staat bekend als een erg mooie campus. Ik vind het ook erg mooi en ben blij dat me hier een kamer is aangeboden. Het lijkt op Calslaan oud in Enschede, maar de huizen zijn van rode baksteen en ze staan dichter op elkaar. Er zijn drie verdiepingen en ik woon op de derde, in een appartement samen met twee andere meisjes. Mijn kamer kijkt uit op een paar rijen dunne berken met daartussen de Pohjantie snelweg.

Ik sleep me naar boven zonder koffer (je wil niet boven aankomen en zien dat je sleutel niet past) maar gelukkig, ik kan mijn huis in. Ik haal de koffer op en krijg enorm veel zin om uit te pakken. Dat gaat niet, want ik moet eigenlijk al in het Oamk zijn. Ik ga lopen, maar vergis me in de wijk. Ik zie voor het eerst een enorme pickup truck met een sneeuwshovel voorop. En dan zijn bullbars in Nederland verboden! Wat een monster is dit! Ik dwaal wat rond, bel Annemari op en ze loopt me tegemoet. Inmiddels zijn er fikse blaren op mijn hielen gekomen, die ik nog ken van de eerste dagen dat ik deze schoenen had en van mijn tripje Stockholm. Stug doorlopen werkt het beste. Ik ontmoet Heikki Timonen, mijn begeleider, en Annemari leidt me rond door de school. Ik krijg zelfs een ticket voor cheap lunches (die zijn standaard wel 8 euro maar kelderen met dit ticket naar 1,60!) Je mag ook warm eten opscheppen, dus voor die paar euro ga ik lunch en avondeten mooi omkeren.

Annemari en ik nemen de bus naar de stad. Ze laat me een aantal haltes zien waar ik uit kan stappen. Ik ga vanaf de stad naar Kodin1, een Finse Kwantum. Ik stap in bus 8 en probeer op mijn beste Fins de naam van de winkel uit te spreken, maar de chauffeuse begrijpt me niet. Toch ga ik maar zitten. De bus gaat gelukkig de goede kant op en ik stap op tijd uit. In de verte zie ik de winkel al liggen. Echter, ik moet nog wel 500 meter over de parkeerplaats door 40 cm hoge sneeuw! De Kodin1 is een leuke winkel, als je alle wanden met designerspullen voorbij loopt. Ik scoor een cheap dekbed van 16,50 en een dikke badhanddoek voor het douchen. Net te laat voor de bus van half vier, dus ik kijk nog even rond en vind een supermarkt. Daar haal ik wat kleine dingen en eten voor de avond. Tijdens de rit terug beland ik in de file. Het is vier uur! Tja, spitsuur hier in Finland.

Mijn huisgenotes zijn thuis. De ene komt uit Lapland en is erg zwijgzaam, ze kan weinig Engels. De andere komt uit Oulu en huist hier tijdelijk, tot haar eigen appartement is bekomen van waterschade. Ze is wat spraakzamer. Het is duidelijk dat ik hier tussen de ‘locals’ zit en dat Engels praten meer voorkomt in de studentenflat Otokylä waar eigenlijk alle exchange students een plekje krijgen. Ach, loopt wel los. ’s Avonds eet ik mijn magnetronmaaltijd en internet wat. Allemaal mensen willen me op Skype spreken. Ondertussen maak ik mijn huur over aan Psoas, want er werd op gehamerd dat het elke vijfde van de maand binnen moest zijn. Na tienen vind ik het echt wel welletjes want ik ben supermoe en wil slapen. Ik hang nog even in de keuken terwijl ik een mandarijn opknabbel, praat wat met Sanna en Marjo en ga slapen.

donderdag

Het is donderdagmiddag in Bolzano. Ik heb mijn nieuwe, mooie rode zomerjurk aangetrokken, en ben naar het stadspark gelopen. Dat ligt aan de oostkant van de rivier de Talfer, die globaal van noord naar zuid door Bolzano stroomt, en daar ook uitmondt in de iets meer bekende Etsch. Het park is een glooiende groene grasstrook parallel aan het water. Net als andere zomergasten vind ik het een prima plek om de middag met een boek door te brengen.

Ik ben zojuist al vanaf het hostel door de stad gelopen. Met mijn grote zwarte zonnehoed, zonnebril, en natuurlijk de rode ‘can can’ zomerjurk, krijg ik wel wat bewonderende blikken. Dat weet ik. Dat maakt de vakantie leuk.

Ik strijk neer onder een lage fruitboom halverwege het gras. Er staan er niet veel, maar de zon is onverbiddelijk, dus ik verkies dat boven een plek midden op het veld. Onder de boom liggen wat stapels stenen, waarop op dat moment nog een paartje in de schaduw zit te genieten.

Ik tuur het veld over. Voor me, in het zuiden, de Talferbrug, en het dal met de route naar Merano. Achter me, in het noorden, de bergen van het Sarntaler Hufeisen, en het bergdorpje Jenesien. Het is een zonnig plaatje, al met al. Ik pak mijn e-book uit mijn tas en ga lekker zitten lezen. Nu en dan komen mensen bij me onder de boom zachtjes zitten praten of bellen. Het blijven Italianen, hè.

Dan komt er een hippe jongen aanlopen. Casual spijkerbroek, bloesje, witte fedora, gitaartas op zijn rug. Hij draagt een rode draadloze speaker bij zich waaruit funky R&B tettert. Hij gaat zitten op een steen vlak naast me. Ik kijk hem met een scheef oog aan en vraag me af wat hij van me moet. Hij is te jong en te goed gekleed om een straatverkoper te zijn. Hij kijkt naar mij. Waarom gaat hij precies hier zitten? Moet dat nou?

‘Say’ begin ik langzaam. ‘I don’t really like your music.’ Hij knikt. We kijken elkaar aan. Dit is een openbaar park, maar toch. ‘Could you… sit somewhere else?’ ik gebaar naar het uitgestrekte groene veld om ons heen. Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Ja, juist, dit is het moment waarop je doet alsof je geen Engels verstaat. Hij mompelt wat in het Italiaans en kijkt op zijn telefoon. Ik zucht. De muziek uit zijn speaker verstomt gelijk en hij knikt nogmaals. Ik knik maar terug. Hij draait zich een kwartslag van mij af en kijkt uit over het veld. Ik twijfel over weggaan, maar laat het even op z’n beloop.

Vijf, tien minuten gaan voorbij. Ik lees weer. Zolang hij zijn muziek uit laat, heb ik geen problemen met hem. Dan pakt hij langzaam zijn gitaar uit de tas. Een mooie, glanzend witte gitaar, met rode accenten en een donkerrode kast. Hij werpt een korte blik op mij en zet dan de gitaar op zijn knie. Ik twijfel nog even of hij hier gewoon zit om geld aan mij te verdienen, maar hij heeft zijn gitaartas niet bijzonder open liggen om muntjes te vangen. Bovendien zit hij hier wel op een heel onaantrekkelijke plaats om veel toeristen te behagen.

Begrijp me niet verkeerd als ik vermoed, dat het een straatventer is. Die lopen hier in het hoogseizoen echt bij bosjes in de straten. Het valt me eigenlijk gezegd nog mee nu. Maar ze zeggen ‘ciao bella’, sluipen op je af met een bord vol zonnebrillen of een arm vol sieraden, en ze blijven zo’n beetje voor je staan goochelen als een verwarde mug in de avondschemering. Goed wegkijken en ferm ‘no, no’ zeggen wil ze nog wel wegkrijgen. Maar o wee als je kinderen bij je hebt, die de gedragscode nog niet snappen. Dan zit je eraan vast. Ik waarschuw je.

Afijn, de jongen en ik zitten nog steeds twee meter van elkaar verwijderd onder de boom. Ik laat mijn stress weer wat dalen, check of mijn tasje met bezittingen en camera buiten grijpbereik ligt, en lees verder. Al gauw zit ik weer in het verhaal. De jongen tokkelt wat heen op zijn gitaar. Het klinkt wat moeizaam. Alsof hij zich niet voorgenomen had om echt iets te spelen. Of omdat hij zijn begeleidende R&B mist en nu echt wat zelf moet bedenken. In ieder geval, hij zet door, zachtjes maar zeker.

Ik vind het wel fijn, eigenlijk. Ik kijk op, hij kijkt mij aan. Ik steek een duim omhoog en glimlach naar hem. ‘I like it’ zeg ik (kijk, zo geef je dus een echte like!). Hij glimlacht terug en kijkt weer voor zich uit. Zo speelt hij een half uurtje. Ik vergeef het hem dat hij continu hetzelfde loopje speelt, op diverse toonhoogten. Hij maakt vlieguren, zeg ik maar zo.

Ik ben alweer helemaal in mijn verhaal verzonken, gewend aan de zachte vriendelijke gitaarklanken, als hij plots opstaat en zijn gitaar en speaker oppakt. Ik kijk hem aan en glimlach weer. ‘It was nice, thank you! Thank you’ zeg ik. Het spijt me nu zelfs een beetje dat ik hem heb willen wegjagen. Hij knikt, glimlacht terug en loopt verder het veld af, richting rivier. Ik schik mijn rokken en kijk hem na.

Tien minuten later, nog immer lezend. Het volgende gebeurt.

Van links achter me komt een man van middelbare leeftijd aangezwalkt. Mager postuur, ongeschoren, afgesleten spijkerbroek, blauwe houthakkersblouse. Hij lijkt geen kwaad in de zin te hebben, maar ziet er wel behoorlijk teut uit. ‘Signora, signora…’ prevelt hij, terwijl hij inhoudt, en op zijn knieën in het gras neerzijgt. Hij ligt met zijn hoofd net in de schaduw, op het randje van mijn rok. Daar krult hij op en valt in slaap.

Ik ben verbouwereerd. Eh, ja? ‘Signor, could you…’ vraag ik nog, maar hij reageert niet. Met een dronken man kun je ook niet schipperen. Hij ligt er wel grappig, maar helemaal tof vind ik dit ook niet. En dronken man die aan je voeten in slaap valt, wat! Nouja, als ik een man als hij was, zou ik ook op de rokken van een vrouw als ik in slaap willen vallen hoor. Ik geef hem groot gelijk en moet er zelfs een beetje om lachen. Maar ik wil nu wel verder lezen, en het is wel zeker dat hij het komende uur niet overeind gaat komen. Nogmaals: met een dronken man valt niet te schipperen. Dus ik sta moeizaam op, pak met beide handen mijn hachje op, en ga twee meter verder zitten.

Dat is niet zo prettig; de schaduw hier zal zich naar achteren verplaatsen, en ik zit hier midden tussen de bloemen. Dat trekt bijen aan, die ik dan weer moet negeren.

Dan klinkt er achter mij een stem. Het is de hippe gitaarjongen. Hij is van achter op ons toegelopen en staat nu over de dronken slaperd gebogen. Hij sjort hem aan de schouder. ‘Hé, hé!’ zegt hij ferm. De dronken man gromt wat en komt overeind. De hippe jongen zegt kort wat tegen hem en laat hem opstaan. Mompelend loopt de dronkaard weg naar de rand van het park en valt daar op een ander schaduwplekje weer in slaap. De hippe jongen kijkt me aan, en gebaart me dat ik weer terug kan naar waar ik zat. ‘Grazie, ah grazie!’ zeg ik lachend. Hij knikt blij, zwaait, en verdwijnt weer over het gras. Ach ja…