Helsa 4

Voor de vierde keer naar Helsa!

Ohrid

Tien dagen naar Ohrid.

Helsa 3

Met Michel naar Helsa

Vrijdag naar Helsa

Het is vrijdagochtend, tegen achten. Ik word wakker en besef, dat ik nu echt een paar dagen op vakantie mag. De afgelopen weken ben ik erg druk geweest – met werk, bestuur van theatersport, afspraken hier en daar… ik mag er wel weer eens tusenuit. En nee, in een jaar als dit – met wat wisseling van werk, is er geen ruimte voor lange zonovergoten vakanties in exquise oorden. Ik ga dit jaar lekker ‘dicht bij huis’ weg. Helsa in het voorjaar, Luxemburg in de zomer, en … Helsa in het najaar. Maar ditmaal ga ik niet alleen!

Ja, dit nieuws doet Adventura wel wat op zijn grondvesten trillen, niet? Maar niets is minder waar. Ik heb een fervent solo-reiziger gevonden, die geïntrigeerd was om wel eens met mij een weekendje weg te gaan. Dus hebben we plannen gemaakt, een datum geprikt, en vertrekken we deze ochtend naar het idyllische huisje nabij Kassel. De gegadigde: mijn buurman Yvo. Met amper 500 meter tussen onze appartementen pakken wij deze ochtend apart van elkaar in.

Yvo heeft me geappt, dat hij voor twaalven kan vertrekken. Dat stelt me natuurlijk iets teleur, want ik ben een vroege vogel die op een reis naar de Alpen al met genoegen om zes uur al in de trein zit. Maar, Yvo heeft een bepaalde gereserveerdheid, waar ik mij door de jaren dat we elkaar kennen, in heb aangepast. Een zekere rust ook. Ik zet de klok op elf uur en pak gemoedelijk in. Natuurlijk heb ik ook voor een kort tripje als dit een paklijst. Die volg ik op de voet, alles afstrepend wat ik op het bed klaarleg. Wat het bed weer verlaat krijgt een uitroeptekentje.

Ik ruim het huis op, voer de katten, app wat met Yvo. Krijg van theatersportvereniging Pro Deo allemaal vragen die ik links en rechts delegeer. Om kwart voor elf ben ik helemaal klaar. ‘Ik was om 9 uur al klaar’ appt Yvo me terug. Goed! Dat weet ik dus voor de volgende keer.

Mijn bagage bestaat vandaag uit 3 tassen: mijn vaste trekkingrugzak, een rugzak met spelletjes en eten, en een tas met mijn veldbed. Of ik dat laatste ga gebruiken weet ik niet; dat hangt af van hoe gemakkelijk het bed in de woonkamer dagelijks in- en uit te klappen is. Yvo slaapt in de slaapkamer.

Yvo rolt de auto voor (makkelijk, hij stond dichter bij mijn huis, dan bij het zijne) en we leggen de tassen achterin. Voor dit tripje heeft Yvo de auto van zijn vader te leen gekregen. Een robuuste Mercedes stationwagon, die lekker geruisloos over de Duitse snelwegen kan zoeven.

De trip verloopt spoedig. We kletsen wat af en bereiken weldra Dortmund. Wat me opvalt is dat de route ernaartoe niet veel verschilt van die van de trein. Er is geen brede snelweg; er is een typische Duitse autobaan met op- en afritten en een gedeelde derde baan in het midden. Van tijd tot tijd moet iedereen op zijn helft invoegen, omdat dan de tegenliggers vanaf daar een dubbele baan hebben. Al met al zorgt dat dat je een beetje behouden blijft rijden.

Vanaf Dortmund hebben we wél een echte snelweg, om zo maar te zeggen. Met echte Staus, natuurlijk. Kilometerslange wegopbrekingen, soms met ernstig smalle betonnen sluizen waar je maar doorheen jakkert. Bijna geplet worden door gezellig links rijdende vrachtwagens is de orde van de dag. Gelukkig laat Yvo zich niet gek maken en rollen we lekker door.

Als we Kassel naderen, tegen tweeën, overkomt ons opeens een klein ongemak: de motorkap springt open. Een heel klein stukje maar, maar met 120 kilometer per uur willen we natuurlijk niet dat het ding opeens verticaal in ons gezicht klapt. Dus we sturen de auto braaf naar de vluchtstrook en Yvo wringt zich uit de auto – daarbij een laderkabeltje meepakkend, waarin hij verstrikt raakt, en een ongemakkelijk dansje moet doen terwijl de vrachtwagens langs hem heen scheren en ik de laderkabel binnenhaal. Gelukkig kan hij eenvoudig de motorkap dichtdrukken en kunnen we weer verder. Wel wordt er even een notitie naar zijn vader gestuurd.

Enkele tientallen kilometers verder, op een rondweg om Kassel, begint het te regenen. We praten wat, en voordat ik het doorheb stuurt Yvo de auto abrupt weer naar de vluchtstrook. Hij wijst op de enkele ruitenwisser, die midden op de ruit stilstaat. Regen gutst al gauw overal en vertroebelt ons zicht. We staan stil. Weer stapt Yvo uit de auto; ditmaal weet ik net op tijd het laderkabeltje weg te pakken. Yvo beweegt de ruitenwisser: dat gaat. Hij probeert het nog eens vanuit de auto: dat werkt niet. We staan stil.

Terwijl de regen over de ruiten stroomt, appt Yvo zijn vader. Wist hij al dat de ruitenwisser stuk was? ‘Ja’ luidt het antwoord van de thuisbasis. ‘Achterin ligt ook al een nieuwe ruitenwissermotor.’ Ik weet niet of ik blij of triest moet zijn met dit nieuws. Op de achterbank ligt inderdaad een simpel rood-wit doosje dat mij nog niet eerder opgevallen was. Daar staan we dan.

Yvo start de motor weer en rolt de auto rustig aan naar de volgende afrit, die gelukkig net voor ons in het verschiet ligt. Naarstig kijkend door de vertroebelde voorruit nemen we twee afslagen naar links en staan we op een parkeerplaatsje in een buitenwijk, op ongeveer een half uur van Helsa. Het internetbereik is hier ronduit matig. We bellen de ANWB. Ze kunnen op deze vrijdagmiddag een wagen sturen, maar die moet vanuit Nederland komen: over drie uur kan hij bij ons zijn. Met onze bestemming zo dichtbij vinden we dat een stom idee. Ik zoek met moeite naar een garagebedrijf en vind er één, maar aarzel om hem aan Yvo te melden. Maar; het is net tien minuten droog, dus lijkt het hem de beste keus. We rijden naar het adres, twee straten verder. Het blijkt het postadres van een online bandenservice te zijn. Pech…

Inmiddels is het weer gaan regenen. Zonder enig zicht door de voorruit rollen we het wijkje uit, voorzichtig een doorgaande weg over, op het parkeerterrein van een drankenhandel. Yvo kijkt me aan. Hij is er klaar mee. Het is onverantwoord om zo nog maar één meter verder te rijden. Ik heb dat zelf nog niet ervaren, dus ik heb moeite hem direct te geloven. We stappen uit – het is zowaar weer heel even droog – en op aanraden van Yvo’s TomTom lopen we naar een garagebedrijfje twee straten verderop. Uiteraard belemmert een ongelukkige wegopbreking ons een snelle doorsteek naar dat straatje. Maar we komen er.

Achter de balie van de kale, lege showroom met witte plavuizen zit een bourgondische Heinzl. Hij kijkt me aan en leunt achterover in zijn verschoten bureaustoel. In het Duits leg ik hem uit wat we hier doen en dat onze ruitenwisser kapot is. Heinzl wijst op de open deur rechts van hem. ‘Iedereen is naar huis, het is vrijdagmiddag’ verzucht hij. Ik kijk in de richting van zijn gebaar en zie zeker één monteur met een vies overall staan. ‘We hebben het onderdeel bij ons’ zeg ik stellig ‘en we kunnen het zelf, maar we hebben gereedschap en een droge werkplaats nodig. Bitte?’ Heinzl zucht en gaat rechtop zitten. ‘Feierabend’ zegt hij kort. Om de hoek zit een ADAC, de Duitse wegenwacht. Die zijn tot acht uur open en zullen het voor ons oplossen.

Zuchtend verlaten we de garage. We gaan eerst de auto halen, want de ADAC is wel een eind verderop. Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Slim rollen we de auto van parkeerterrein naar parkeerterrein, zo drukke straten en verkeerslichten vermijdend. Maar dan moeten we toch echt de weg op. We voegen in naar links en rijden mee met het verkeer. De regen stroomt over de voorruit en alles wat ze zien zijn vage, troebele grauwe vlekken. Elke andere minuut steekt Yvo zijn arm uit het raam, beweegt de ruitenwisser op en neer, en tuurt dan door het schoongeveegde hoekje de weg op. Je hoofd uit het raam steken gaat niet – daarvoor regent het te hard. Plotseling bumpsen we aan de rechterkant over de stoepband. Oké, nu vind ik het ook officieel onverantwoord. Laten we die ADAC snel bereiken.

Dat doen we. Het is een zo mogelijk nog kleinere garage. We zetten de auto in een vrij hoekje en ik loop op de monteurs af, die met zijn drieën onder een auto op de brug staan. Eén van hen, een enorme beul met een vierkante kaak, stapt naar buiten toe op ons af. Hij zegt niks, hij gromt alleen wat. Ik steek van wal en leg weer uit wat we hier doen en wat er kapot is. Zijn blik flitst naar de Mercedes. ‘Schade’ zegt hij, ‘wij kunnen het onderdeel bestellen, dan is het er maandag. Wij mogen geen onderdelen inbouwen die u zelf meebrengt.’ Ik knipper met mijn ogen. Wat is dit! Ik snap hem wel – maar dit is de omgekeerde wereld! Ik bal mijn vuist achter mijn rug en snuif om tot een kalm antwoord te komen. ‘Hebt u een alternatief voor ons?’ glimlach ik. ‘Wij mogen geen spullen van derden inbouwen.’ Hij draait van me af en loopt weg. ‘Zo krijg ik problemen met mijn baas.’ voegt hij er zacht aan toe. ‘Ga nu weg. Tweemaal links, deze straat uit. Daar vindt u garage Elan. Die doet het wel.’

Verbolgen kijk ik naar het gele bordje van de ADAC. Met zo’n behandeling kom je als ANWB’er niet op de voorkant van de Kampioen, meneer. Ik hoef echter ook geen dreun van deze knul, dus stappen we maar weer in en gaan we op weg. Yvo weet de ‘tweemaal links’ wonderwel snel te vinden. Het regent weer zachtjes, nog altijd moet hij om de zoveel meter met zijn arm de ruitenwisser bewegen. Zo ook als we een volgende hoofdweg naderen en er een politiebusje recht voor ons optrekt. Ze rijden gelukkig door.

Garage Elan is zo gevonden. We rollen de ruime parkeerplaats van het tankstation op en parkeren onze auto achteraan tussen de andere wagens. Een goedlachse, drukke Turkse man komt ons tegemoet. Weer doe ik mijn verhaal. Hij glimlacht. ‘Eén uur – dan help ik jullie. Hierachter is een Kaufhaus – ga maar winkelen. In één uur help ik jullie.’ Ik brief het door aan Yvo. ‘Goed’ zegt die. Het aanbod om te gaan winkelen slaan we af. We installeren ons in de auto op de voorstoelen en pakken elk een boek. Zo lezen we het uur weg. De garage-eigenaar komt geregeld langsdrentelen. Hij praat met vrienden, rookt sigaretten, regelt de werkuren van het meisje van het tankstation, rookt nog wat sigaretten, prutst aan een auto, en keuvelt met zijn werknemers. Ik loop even heen en weer naar het tankstation en sla wat chocolade in. Als je dan toch moet wachten…

Ik SMS met Jonathan, de eigenaar van de Airbnb. Die vraagt of hij ons kan komen ophalen. Yvo schudt nee. We hebben veel losse baggage (maar Jonathan een grote SUV!) en hij wil liever bij de auto blijven. Ik ook, eigenlijk.

Na een klein uur komt de monteur op onze auto af. Hij gebaart Yvo de auto met zijn neus de garage in te rollen. Het gaat nu toch echt plaatsvinden! De man is blij dat we onze eigen vervangende motor meegebracht hebben. Als ik rondkijk in de smerige, overvolle werkplaats zie ik inderdaad her en der soortgelijke doosjes liggen. Voor de rest is de werkplaats typisch, en ook wat nostalgisch; afgezien van de enorme chaos ruikt het er als in de metaalwerkplaats waar mijn vader vroeger lesgaf. Een geur van olie, warm metaal, stof, op de achtergrond een blikkerige radio. Gereedschapskasten overal, schoonmaakpapier op rol, werktrolleys. Ik sta er rustig bij en tolk voor Yvo, terwijl de garagehouder schroefje voor schroefje de kappen van de motorkap af haalt. Ondertussen rookt hij sigaretjes, wuift hij klanten weg, plant hij nieuwe klanten in, en betaalt hij de tankstationmedewerkster uit. Vast een typische vrijdagmiddag voor hem.

Terwijl ik wat met hem praat over Duitsland, Turkije, en god weet ik wat, heeft hij opeens de motor te pakken. Hij haalt hem er voorzichtig uit en doet een nadere inspectie. ‘Ahaaa…’ zegt hij met een glimlach. Hij pakt een tang en draait een grote moer voorop het blad aan. Plaatst de motor terug. Gebaart Yvo dat hij de auto mag starten. Yvo zet de ruitenwisser aan en jawel, die slaat weer als een molenwiek over de ruit. We zuchten eens diep. ‘Ik maak ‘m weer dicht, rij ‘m er zo maar uit’ lacht de monteur hartelijk.

Als alles weer op z’n plek zit is het mijn beurt om naar voren te stappen. ‘Vertel, wat mag het ons kosten?’ ‘Vijftig euro’ lacht de man. Ja, daar zou ik ook om lachen. Met al zijn kunst- en vliegwerk tussendoor heeft hij net een kwartiertje onder de motorkap gekeken. Dat is snel verdiend. Maar Yvo en ik zijn beiden wel klaar met dit avontuur. Yvo betaalt, ik vraag een kwitantie, en zwaaiend rijden we weg. Kan de vakantie nu eindelijk beginnen?

We stellen de TomTom weer in en zetten vaart naar Helsa. Inderdaad, we zijn er zo. Oooh, die drie uur dat we hebben rondgereden in deze voorstadjes… het is inmiddels ook weer droog. Daar hadden we ook op kunnen wachten natuurlijk, maar dan had Yvo dit weekend nog eigenhandig de ruitenwisser moeten fiksen. En daar is vakantie niet voor.

We zetten de auto onderaan de weg onder de carport (ik vergeet even dat het gezin twee auto’s heeft) en klimmen omhoog. Jonathan staat al met hun dochtertje in de voortuin en duwt haar op de schommel. We worden hartelijk onthaald. Het huisje is al warmgestookt, het bankbed is opgemaakt (onpraktisch, want we willen eerst nog een paar uurtjes zitten). Het bureautje is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de tafel uit de keuken. Ik vind het heerlijk om weer terug te zijn. We maken de kachel verder aan en pakken rustig uit. Tijd voor avondeten.

Yvo biedt spontaan aan te koken, iets waar ik nu helemaal geen sjoege meer aan heb. Prima. Er zijn nog steeds niet bijster veel lampen in de woonkamer (behalve de oogverblindende plafonnière…), dus ik scharrel wat uit de slaapkamer op en zet die op de eettafel. Als we met z’n tweeën willen eten, of bordspelletjes spelen, hebben we toch wat degelijk licht nodig. Na het eten drinken we chocomel en thee. Yvo game’t op zijn Nintendo DS, ik schrijf in mijn boekje en internet wat. De zon gaat onder in het dal, het wordt langzaam schemerig.

We lopen in het donker nog even naar beneden, naar de auto. Ik trap bijna op een prachtige vuursalamander – gelukkig dat Yvo net even bijlicht. Naast wat praktische spullen haal ik ook Yvo’s kampeerstoeltje naar boven, opdat we meer comfortabele zitplaatsen hebben. Voor een beetje personal space wil je niet continu als sardientjes in blik naast elkaar op de bank zitten, en de witte caféstoelen bij de tafel zijn wel mooi, maar niet erg goed voor de rug. Boven bij het huisje lopen we over de veranda en zetten ons er even neer. Het is vanavond helder, dat zal het de komende avonden niet zijn. Daarom heeft Yvo zijn telescoop ook niet meegenomen. Ach, we kijken zo met het blote oog, en dat is ook al erg mooi. We benoemen wat sterrenbeelden, kijken naar de gloed in het dal, waarschijnlijk afkomstig van de lichten van Kassel. Dan gaan we naar binnen, maken beiden ons bed gereed, en gaan slapen.

Op weg naar Luxemburg

Het is donderdagochtend, half zes. Ik word vroeger wakker dan normaal, omdat ik weet dat ik nog aardig wat bagage moet inpakken. Mijn kat Meisje ligt niet naast me op bed, dus ik roep haar. Met een fijn getik van haar pootjes komt ze de slaapkamer in en springt naast me op bed.

Ik lees routineus mijn e-mail en favoriete websites, aai Meisje, en stap uit bed. De kattenbak moet schoon, de katjes moeten voer, ik moet ontbijt… en er moeten allerlei klusjes gedaan worden.

Het vervelendste, na alle vaste klusjes, is wel het legen van de groenbak. Dat komt omdat het de laatste weken voor Nederlandse begrippen erg heet is geweest. Het metalen groenbakje staat op het voorbalkon en is elke dag verschrikkelijk warm geworden – een perfecte broeiplek voor vliegen. Ik zal jullie de details besparen, maar het eruit tillen van de vuilniszak verdient echt een aparte studie in de fijne organismen.

Op slippers, in mijn oudste verfkleding, ga ik naar beneden en gooi ik het dubbel verpakte zakje weg. Meestal combineer ik het met de rest-afvalbak, maar daar heb ik nu echt helemaal geen zin in. Daarna spuit ik met de tuinslang het afvalbakje schoon, waarbij ik zelf ook aardig nat word. Zo. Die kan weer mee naar boven, lekker een paar dagen drogen in de zon.

De verpakkingenzak zet ik bij de voordeur, en dan kan het inpakwerk beginnen.

Zoals gewoonlijk heb ik een paklijst opgesteld, maar die voor dit keer ook uitgebreid met kampeer- en hackerspullen. Denk aan een tent en mijn nieuwe veldbed, maar ook kabels, een tang, ijzerdraad en ProtoPlast korrels. Als ik alles ingepakt heb komt het, exclusief tent en toebehoren, op twee plastic kratjes en een paar handen vol losse spullen uit. Dat doet mij de alarmbellen rinkelen dat ik veel te veel meeneem. Ik kan het namelijk niet allemaal zelf dragen. Maar hush: dit is een hackerkamp en we gaan met de auto, die regel mag ik nu laten varen.

Via WhatsApp hoor ik dat ik niet half elf, maar half tien word opgepikt. Oei. Ik moet mijn laptopje en een bestand daarop nog controleren. Ik vraag uitstel tot tien uur en pak haastig door. Shit – mijn laptopje heeft ongemerkt aangestaan vanaf dinsdag. Te laat om op te laden, ik moet vertrekken met 12% batterij. Het bestand is leesbaar, al is mijn werkveld piepklein. Tot overmaat van ramp heb ik onlangs mijn cloud-opslag verkeerde geconfigureerd en stampt die nu bij synchronisatie mijn hele hardeschijf tot de laatse MB vol. Oops… tijd om dingen naar een andere plek op mijn NAS over te hevelen heb ik niet. Dit moet ik op Haxogreen maar fixen. Als de auto met Michiel en Leroy voorrolt kan ik alles net naar beneden sjouwen. Ook uit de berging moeten wat grote zaken mee. Ik laat Michiel alles in de auto puzzelen terwijl ik zelf boven een rondje huis afsluiten doe. Ik aai de poezen beide nog één keer en beloof ze echt met een paar dagen terug te zijn. Opdat het maar niet te warm voor ze wordt.

Met de zak verpakkingsafval uit het raampje bungelend rollen we het park uit. Daar gooi ik de zak weg in de oranje container en kunnen we echt vertrekken. Op naar Haaksbergen om Martijn, onze laatste passagier, op te pikken.

Binnen een half uur zijn we echt onderweg. Met Michiel aan het stuur scheuren we Duitsland in, zuidwaarts. Het wordt langzaam warmer in de auto, die door technische aanpassingen niet meer over werkende airco bezit. Michiel en Leroy voorin hebben ruime zitplaatsen, maar worden gegeseld door de brandende zon. Martijn en ik achterin hebben krap twee derde van de achterbank tot onze beschikking. Gelukkig zijn we niet zo breed.

We jakkeren de Duitse snelwegen af. Tegen de middag gaan we autogas bijvullen. Dat kan niet bij elk tankstation, dus we moeten slim kiezen. Bijkomend voordeel van de schaarsheid van autogas is wel, dat niemand achter ons in de rij staat. We kunnen de auto na het tanken rustig nog even onder de schaduwgevende overkapping laten staan. Ik loop allang in het winkeltje, maar daar is het niet al te veel koeler dan buiten. Martijn wijst slim naar het dak, waar we een provisorisch vastgemaakte waterslang een straal water op de airco zien gutsen. Iets zegt ons dat dat ding niet optimaal werkt vandaag.

Gelukkig kunnen we even naar de wc en kan ik een espresso drinken. Hehe. Ik doe de hele dag al niet veel actiefs en reageer op de meeste gesprekken met een diepgaand ‘uhuh’ omdat met minimale hersenkracht de tijd sneller voorbij lijkt te gaan. Ik klap de laptop even open en doe iets aan mijn (vertaal)werk, maar in een ongemakkelijke houding zitten terwijl je wegsmelt op de achterbank is een enorm slecht plan. De laptop gaat weg, ik ga de komende dagen wel vertalen.

Suf en duf sjezen we door naar onze bestemming. Martijn rijdt vanaf de autostop. Tegen half vijf komen we in het mooie heuvelachtige Dudelange aan. Ik herken het van twee jaar geleden. We laten de volbepakte auto voorzichtig de berg op klimmen naar het scoutingterreintje. Eerst slaan we een paadje te vroeg af en staan voor de voetgangerstoegang. Die is overgroeid met gras en struikjes, dus we zijn zo slim om onze kaarten te herzien en de volgende weg omhoog te pakken.

We mogen met de auto niet meer helemaal het terrein op. Wel mogen we even kort op een hellinkje parkeren en uitladen. Dus doen we dat. Ik kies een plaats uit die goed gelegen is. We passen er net. Ik zal mijn tent tegen het hoger gelegen terras achter de tent van de jongens opzetten. Dan moet er nog een Duitser met zijn slaaptentje naast, en dan is het echt wel vol. We parkeren de auto op het hellinkje, zien hoe hij het met handrem én in de eerste versnelling niet houdt… en zetten hem ietsje lager. Zou toch vervelend zijn geweest als hij tijdens het uitpakken naar beneden was gerold!

Ik zet mijn tent op, de groene Eureka! waar ik al jaren erg content mee ben. Het is mijn kleine kasteeltje voor onderweg geworden. De jongens, vijf in totaal, slapen in de grote opblaasbare Karsten-tent van Michiel. Het is een joekel van een ding, maar dat heeft weer een voordeel: hij verschaft mij in de ochtend een klein tijdje schaduw, en is een goede buffer voor het licht, geluid en feestgedruis rond de maintent.

Dorst nekt me. Ik ben een kameeltje: ik heb het niet gauw warm, heb niet vaak dorst, maar deze dagen begin ik mijn limieten te voelen. Dus sjok ik naar de maintent, en kom erachter dat ik zonder contant geld alleen aan een fles koud water kom. Dan die maar. Tot plots Paul van een ander hackerspace achter me staat, en een lekkere Apfelschorle voor me wil betalen. Graag! De fles water was toch gratis dus die neem ik er ook mooi bij.

Tegen zevenen zijn we geïnstalleerd en gaan we op zoek naar avondeten. Daar is wat discussie over. Zelf koken werd de afgelopen keer niet gewaardeerd, is gezegd. Maar nu we toch onze eigen barbecue mee hebben, en er nog geen andere tent een goed eetvoorstel heeft gedaan, lonkt het toch om even zelf vlees en salade te halen (dit schijnt standaardvoedsel te zijn als je kampeert). Dus voor ik het weet zijn er twee van mijn ploeg terug met tassen vol eten en drinken, en gaan we barbecuën. Prima. Ik eet een hapje mee.

In de avond ben ik erg moe. De lange reis was uitputtend, juist omdat ik mezelf op standje onbenullig had gezet. Ik ben gaar, het is nog warm, ik wil m’n bed in. Maar nieuwsgierigheid naar alle hackers die ik een tijd niet gezien heb houdt me wakker. Ik krijg van Bas een Tschunk aangeboden en meng me in het feestgedruis rond de maintent. Ik spreek met leuke mensen in Duits, Engels en een beetje Frans.

Tegen half één ga ik toch echt slapen. Eens zien hoe mijn nieuwe veldbedje bevalt!

De voorbereiding

Deze vakantie boekte ik, als een kort weekje weg tussen twee jobs in. Lekker vier dagen naar een bungalowtje in the middle of nowhere, op vier uur treinen van Nederland.

Ik heb deze reis heel kort van tevoren geboekt, en dat betekent dat alle voorbereidingen ook geen weken kunnen duren. Ik heb om precies te zijn één zaterdag voor het hoognodige, en dan moet ik al gaan. Vrijdagavond nog met oud-collega’s op stap, zaterdagochtend ontbijten met Sander. En dan maar inpakken.

Na het ontbijtje in de stad kijk ik nog even uit naar een hoofdlamp. Die lijkt me inmiddels wel bijzonder handig – niet alleen voor deze, maar ook toekomstige reizen. Helemaal naar de Hema lopen vind ik te ver, en de Perry Sport – wat Sander oppert – lijkt me te duur. Ik wil gewoon een verschrikkelijk goedkoop lampje van de Action! Dus ga ik naar de Action. Na alle paden doorgestruind te zijn, plebs ontwijkend, constateer ik dat de Action geen product heeft, dat de naam hoofdlamp mag dragen. Ze hebben fietslampjes, werklampjes, handige druppelvormige lampjes: maar alles heeft geen elastieken band, en juist die heb ik niet thuisliggen. Bovendien heb ik geen tijd en zin meer om deze zaterdagmiddag nog achter de naaimachine te kruipen voor een provisorische redding. Dan maar niet.

’s Middags print ik mijn verplichte paklijst uit en ga braaf aan het inpakken. Ik heb alles in huis, tot de versnaperingen voor onderweg aan toe. Snel doe ik nog een wasje voor alle warme wollen truien en vestjes. Dat moet maar tot morgenochtend drogen en dan in de tas. Na het eten ga ik even theedrinken bij Yvo. Renze komt ook nog langs en zo staan we al gauw een half uur te kwebbelen. Ik moet gaan. Yvo geeft me zijn hoofdlamp mee. Wat aardig! Hopelijk ga ik hem dan ook echt nodig hebben.

Ik leg de laatste spullen klaar en duik lekker mijn bed in. Mijn poezen heb ik al dagen vantevoren geïnformeerd over mijn op handen zijnde vertrek, maar uiteraard snappen ze er geen snars van. Ach, het is maar voor vier dagen.

Tweede Kerstdag

Ik pak in, we eten taart, we zoeven naar Leipzig en vinden Renze’s hotelletje, dan de beurs, dan ons eigen hotel. Lekker douchen en een biertje drinken, oogjes toe en slapen.

Tweede Kerstdag breekt aan. Anders dan andere jaren vul ik de dagen niet met familiebezoekjes en lekker eten rond de kerstboom. Dit jaar staat voor het eerst Chaos Communication Congress op de planning. Ik ben meegevraagd door mijn vrienden van TkkrLab. Ik heb met geluk een plekje in een hotelkamer kunnen regelen, en ik heb de herinneringen aan leuke outdoor events als Haxogreen en Still Hacking Anyway. Dus daar gaan we!

In de ochtend werk ik mijn vaste inpaklijst door terwijl mijn reisrugzak op bed ligt. Inpakken valt me moeilijk, omdat constant in mijn achterhoofd speelt dat dit geen gewone reis is. Het belangrijkste is niet, om je eenvoudig te kunnen bewegen in een bergachtige omgeving met de zon op je voorhoofd. Het gaat om een soort van beurs, maar met ruimte voor cosplay, terwijl het buiten onder de tien graden is. Deze set variabelen maken het inpakken ingewikkeld. Ik zit vast, en pak dus maar eerst de dingen in, waarvan ik zeker weet dat ze van pas komen. Toiletgerei, ticket, electronica, slaapspullen. Kleding laat ik even achterwege, want daar twijfel ik te hard over.

Om half elf belt Sander aan. Hij krijgt van mij een kop koffie en de huissleutel, zodat hij op de poezen kan passen. Hij blijft een half uurtje, en we praten over werk. Dan stapt hij weer op en ga ik haastig verder met inpakken.

Bas, met wie ik de komende dagen de auto en de hotelkamer deel, laat weten er om twaalf uur te zijn. Ik werk alle taakjes af die op mijn lijstje staan. Maar wat doe ik nou met mijn kledingkeus?!

Renze belt en appt. Hij heeft nog een bakvorm met een halve appeltaart erin staan. Goed om te weten: Renze woont vlak naast me en gaat straks ook mee met de auto. Ik nodig Renze uit om de appeltaart bij mij te komen opeten terwijl ik verder inpak. Dan laat ik de telefoon weer voor wat hij is en ga ook daadwerkelijk inpakken.

Precies om twaalf uur heb ik alles in de rugzak zitten. En de kleding? Gewoon het lijstje aangehouden. Merinoshirts, warme wollen vestjes, rokjes en leggings. Voor het gemak doe ik vandaag mijn ‘reisbroek’ aan (een hippe flared spijkerbroek, maar wel met elastieken band), want je moet toch zeker wel één broek meenemen. Niet alles in de wereld is geschikt om bestormd te worden met rokjes aan.

Ik steek mijn hoofd naar buiten uit de keukendeur, en zie drie verdiepingen lager Renze en Bas bij de auto staan. Ik fluit ze toe en nodig ze even binnen uit. Met z’n drieën smikkelen we de appeltaart op. Het lijkt wel een kleine verjaardag. Goede appeltaart. Renze heeft er duidelijk een nieuwe hobby bij sinds hij op zichzelf woont. Ik bak nog snel wat champignon-schijfjes en stop ze in mijn superhandige opvouwbare vershoudbakje. We kunnen gaan!

 

Met dank aan Bas’ verouderde TomTom komen we via wat binnendoorwegen op de snelweg naar het oosten. Van nu af aan is het immer gerade aus. De Pet Shop Boys kunnen zingen wat ze willen.

We kletsen, kijken om ons heen naar het grauwe winterse landschap, de heuvels, de dalen. We vergapen ons aan de vele windmolens. Op een gegeven moment rijden we er zelfs compleet tussenin. De zon wil niet echt doorbreken vandaag. We suizen door het schemerlandschap, het licht achter ons latend. Ik herken stukken rond de Harz. Daar wordt het landschap ook bergachteriger, de dorpjes in de verte schilderachtiger. Dit moet ik onthouden voor treinreizen. Als de avond inzet slaat Bas af naar een pompstation. We houden een plaspauze en mopperen op het achterstallig onderhoud aan de toiletten in dit uitgestorven oord langs de snelweg. Dat mijn hokje niet eens dicht kon was vervelend, maar niet problematisch – er was toch niemand anders.

We stappen weer in en zoeven weg. Nu naderen we Leipzig. Renze deelt toastjes met salades uit zodat we niet helemaal verhongeren. Hij moet voor zessen bij zijn hotel inchecken, anders zit de deur dicht. We besluiten daarom om eerst hem weg te brengen, en dan onze tickets bij de Messe op te gaan halen. Omdat de laatste tram vanaf de Messe alweer vroeg vertrekt moeten we dan wel een beetje aanmaken.

Het hotel van Renze is een typisch familiehotelletje in een buitenwijk ten zuidoosten van het centrum. Ik moet terugdenken aan Lichtenfels en aan alle oorden waar ik op autovakanties doorheen ben gekacheld. We zetten onze auto op de parkeerplaats. Er is geen receptie open. Er hangt wel een telefoon. Renze wordt gesommeerd een sleutel uit een sleutelkastje te pakken en zichzelf binnen te laten. Dit voelt als een uitzending van een spannend spelprogramma. Ik vind het wel leuk, en slim gedaan van de eigenaren. Het is immers nog wel kerst, die mensen zitten ook graag thuis.

Als we Renze’s bagage hebben gedropt zoeven we over de snelweg terug naar Leipzig noord. Het is echt een half uur rijden tussen de twee locaties. Wat een gigantische stad is Leipzig!

We parkeren bij het hotel en checken onze eigen hotelkamer. Dit is een heel ander hotel. Een typische strakke lounge, generiek personeel in uniformen met gestrikte dasjes, bordjes in drie talen. Dit hotel is van een franchise, uit de catalogus besteld, en hier op deze kale winderige heidevlakte neergeplant. Naastgelegen zijn een vaal business center en een ander typisch zakenhotel. We checken in onder de naam ‘van Ziesser’n’ – wat de meisjes achter de balie maar moeilijk kunnen uitspreken. Gedrieën gaan we naar boven. Lange kraakheldere gangen, de airco op standje tien. In de lift een stem die elke verdieping opnoemt. Duidelijk een Oostenrijkse dame, weten Bas en ik aan haar accent te herkennen.

We wandelen door het donker naar de Messe. De wind is luw, maar hier op de vlakte tussen de gebouwen ben je overgeleverd aan de kou. Het is gelukkig echt maar vijf minuten lopen. Je ziet het enorme Messe-gebouw al in de verte liggen. Op de gevel zijn de letters C C en L aangevuld met een keurig van kleur wisselend streepje, dat er ‘C C C’ van maakt.

De ingang is ons wat onduidelijk. We zien een bekende bij een zijdeur staan, dus daar gaan we maar naar binnen. Door een heel gangenstelsel in het congrescentrum weten we de weg te vinden naar het grote open trappenhuis. Daar begint het echt op een ‘chaos congress’ te lijken. Diverse rare uitvindingen zijn opgesteld, tafeltjes staan al klaar, medewerkers beginnen hun draai te vinden met de spullen die ze dit weekend aan hun mede-hackers laten zien. We lopen verder naar de hoofdhal: het hart van de Messe Leipzig. Het is een tonvormige hal, helemaal van glas. Immens, als een enorm treinstation. Marmeren vloeren en trappen vallen in het  niet bij de groothsheid van de ruimte. Het is nog wat koud, en leeg. Plukjes mensen dwalen af en aan rond de kassa’s.

We blijven ook in de buurt, want als de kassa’s opengaan kunnen we onze bandjes ophalen. Die tip van Bas zal ons morgenochtend veel tijd besparen. Net als we de hele hal zijn doorkruist zien we dat het rondom de kassa’s drukker wordt. We wandelen terug en sluiten aan in de massa. Na enig schuiven, popelen en mensen kijken staan we binnen een minuut of twee al vooraan. De doorstroom is nog niet heel logisch, maar we komen snel aan ons polsbandje. Let the congress begin!

We lopen nu alle hallen door en verkennen de boel. Bas heeft toegezegd Renze naar zijn hotel terug te rijden, dus we hebben nog wat tijd. De grootsheid van deze locatie, ik zeg het nog maar een keer, is echt niet in te schatten. Het is heel overzichtelijk, dat wel. Aan weerszijden van de enorme glazen hal liggen aan weerszijden twee congreszalen, beide op de eerste verdieping. Door de glazen hal gaan twee loopbruggen, waar je op komt middels enorme marmeren trappen. De mogelijkheden zijn legio, de loopafstand van zaal naar zaal: ongeveer tien minuten bij rust. Ik verzin dit niet.

De hal met de uitvindingen en de hackerspace begint al wat animo te krijgen. We wandelen naar een hoek waar een snackbar, beheerd door de Messe zelf, zijn luiken openheeft. De verkoopster heeft duidelijk een topdag, zo met al deze hongerige early birds. Met maar een fractie van haar hele aanbod weet ze iedereen van een kleffe hap te voorzien. Niet erg goedkoop ook, maar we hebben nu wel een gehaktbal achter de kiezen.

We lopen terug naar het hotel even langs de Kentucky Fried Chicken, die heel handig precies op de driesprong voor de drie hotels zit. De jongens willen wel wat kip-units, ik wil gewoon heel graag het kindermenu. Dat kost me het minste, en heeft de meeste dingen die ik lekker vind. Gelukkig zit er geen leeftijdsgrens op.

Na het eten ga ik terug naar de hotelkamer, Bas brengt Renze naar de zijne. Ik heb nu mooi de tijd om lekker te douchen, uit te pakken, en wat te lezen. Dus als Bas een uurtje later de kamer binnenkomt zit ik heerlijk rozig en duf op bed met mijn Harry Potter fanfiction in mijn handen. Nog steeds niet uit, dat boek? Nee, schade! Nog steeds niet!

Het is nog niet laat, dus Bas en ik gaan even een biertje drinken in de lounge. Ik neem een schwarzes Bier, een type dat ik ook in mijn kerstpakket had, thuis. Hij bevalt goed, maar nadien heb ik wel bijzonder veel zin om weer lekker te gaan slapen. Bas is nog aan tweede biertje bezig, dus ik vul aan met kraanwater. Daarna gaan we terug naar de kamer, en is het echt tijd om te slapen.

Een maandag in Amsterdam

Vandaag heb ik een dagje vrij van mijn werk. Ik ga namelijk vanavond naar de band Apocalyptica, die optreedt in theater Carré in Amsterdam. Dit uitje boekte ik vanuit de trein naar Zwitserland, via een Instagram-advertentie, terwijl ik binnenrolde op station Mannheim. Het was een impulsaankoop. Daarna heb ik er nog een leuke AirBnB voor de nacht bijgeboekt.

Ik slaap een beetje uit, lees mijn e-mail, knuffel Meisje, die als een dolle walvis over mijn bed rolt. Ik geef de poezen een schone bak, en maak ontbijt voor mezelf klaar. Dan app ik AirBnB-hostess Els en ga ik inpakken. Oja, ik moet ook nog een treinkaartje vinden, niet vergeten.

Met een ingepakte baal plunje, en mijn jas al aan, speur ik het internet af. Dat doe ik tegenwoordig altijd zo, voor reisjes binnen Nederland die voorbij Utrecht gaan. Je zoekt een goedkope dagkaart op internet, die je direct online kunt aanschaffen. Vaak bespaar je daarmee de helft. Wie koopt er nog reguliere treinkaartjes, of reist verder dan dat op zijn saldo? Die is echt gek. Ik blaas twee treinkaartjes voor de prijs van één uit mijn printer, en vertrek.

Op het station drink ik een kopje koffie, en manoeuvreer mijn vouwfiets met me mee naar de intercity. Om 11:16 gaat de trein. Op Hengelo stapt een echtpaar in, dat graag vooruit wil reizen. Een man met de naam Frits, die eigenlijk aan de andere kant van het gangpad vooruit reist, geeft zijn plek aan hen op en komt tegenover me zitten.

Er ontspint zich een gesprek. Hij is voorbij middelbare leeftijd, heeft oudere dochters, en een jonge dochter van achttien. En die laatste dochter, daar is hij nu naar op weg. Ze woont in Amsterdam, en hij gaat haar nieuwe studentenkamer bekijken. Of hij even met mijn telefoon mag bellen? Hij heeft namelijk nu al een half uur vertraging, en hij wil haar niet laten wachten. Ik geef hem de telefoon, en als ze niet opneemt, stuur ik voor hem een SMSje erheen. De man schat mij initieel vijfentwintig. Dat hoor ik onderhand bijna elke dag. Ik bedank hem vriendelijk voor dat compliment.

We praten verder, over ouderschap, wat je kinderen gunt, toestaat, toestopt… en over financiële onafhankelijkheid. Rustig converserend met deze man besef ik nog maar eens hoe gezegend ik ben met nul euro studieschuld (pap, bedankt!) en een eigen koophuis. Geen behoefte aan de nieuwste apparatuur, merkartikelen en rages. Ik heb zeker wel dure dingen, maar die gaan gemiddeld vijftien jaar mee. Zie dat nog maar eens bij jongeren van tegenwoordig!

We keuvelen tot aan Amersfoort, dan stapt hij over. Ik moet nog blijven zitten tot aan Duivendrecht. Ik let af en toe op mijn vouwfietsje op het balkon: die blijft prima staan. Het echtpaar naast me waagt de kans om mij iets te vragen over e-mails op een iPhone. Ik antwoord blanco: ik heb geen iPhone, en geen sluitend idee waarom hun probleem (ik gok een feature) zich voordoet. ‘Ik vraag het mijn kleindochter wel’ oppert de man. Ze mompelen een bedankje en we reizen verder. Leeftijdsverschillen…

Op Duivendrecht stap ik over op de sprinter naar Amsterdam Amstel. Ik haal er net eentje van tien minuten eerder, en het is nog een rap boemeltje ook. Ik ben er voor ik het doorheb. Op goed geluk, en met wat Google Maps-planning in mijn hoofd geprent, stap ik buiten het station op mijn fietsje. Ik rijd richting de Amstelkade en volg die. Wat een feilloos gevoel voor richting heb ik toch. Ik meng me tussen het stadsverkeer en zoef over het fietspad aan de Weesperzijde. Kruis bochten, taxi’s, trambanen. Rijd driftig door wanneer de meute om mij heen dat doet, en ga abrupt op de rem als ik moeders met kroost achterop in de ankers zie gaan. Zo fiets je mee in Amsterdam. Eigenlijk niks anders dan in Enschede, gewoon wat drukker en heftiger.

Ik bereik het woonbootje in tien minuutjes. Ik herken het van de foto’s, en bovendien, het ligt schuin tegenover Carré. Kan niet missen. Ik bel aan en word ontvangen door Els: een aardige blonde dame met een lieve, hartelijke uitstraling. We slepen mijn vouwfietsje naar binnen en Els legt me uitgebreid uit hoe het voordeurslot werkt. Dan zeul ik met gevaar voor neerstorten mijn vouwfiets van het steile trappetje af, mijn kajuit in, en leg het ding tegen de kajuitwand onderin het achterschip. Zo, die hoef ik de rest van de dag niet meer te gebruiken.

Mijn kamertje is echt geweldig. Het is het verdiepte deel van het achterschip. Daardoor is het plafond twee keer zo hoog, ten minste, op de meeste plaatsen. Er zijn voldoende raampjes, en een patrijspoortje bij het tweepersoonsbed. Het bed, fris opgemaakt, bevindt zich wel ónder het achterdek, dus je moet je hoofd bepaald niet stoten als je wakkerwordt. Er is een wastafel, een koelkastje, een bureautje… eigenlijk alles dat je nodig hebt. Prachtig. Er is zelfs, bovenaan een trappetje omhoog, een deur naar het achterdek. Daar staat een bankje, met aan de rechterzijde heerlijk uitzicht over de Amstel.

Ik herpak mijn tassen en vind mijn handtas. Die ruim ik praktisch in, met een regenjas, water, en een vest. Dan ga ik van de boot af en wandel ik noordwaarts, over de Magere Brug, naar de grachtenring.

Het is zonnig, fris weer. Wolken drijven voorbij aan de helderblauwe lucht. Het is niet koud; er staat ook niet echt wind. Hier en daar vallen blaadjes van de bomen, want het is wel herfst. De bomen zijn rood en geel verkleurd en hun reflectie schittert me tegemoet in het water. De grachten, kalm en verlaten, met hun hoge smalle grachtenpandjes, zien er werkelijkwaar schitterend uit zo. Ik maak wat foto’s voor later op Instagram.

Eerst loop ik een heel eind de Utrechtsestraat af, richting het Rembrandtplein. Daar wordt het drukker. Ik zwerm met wat toeristen en stadslui mee om het plein, waar een frivole muzikant zijn liedjes laat horen. Een verschoten jas, een vale spijkerbroek, wild haar dat alle kanten op danst. Zijn gitaar, met snaren die aan het uiteind bij de knoppen alle kanten op pieken. De muzikant staat, als ik aan kom lopen, gewaagd bovenop een schuin standbeeld. Een vriend op een cajun zit tegenover hem en slaat een opzwepend ritme. De zanger annex gitarist springt van zijn voetstuk en danst het publiek rond, dat geamuseerd meeklapt. Ik geniet ervan in het zonnetje.

Dan sta ik op en loop ik weer zuidwaarts, richting het FOAM fotografiemuseum. Ik moet regelmatig op mijn telefoon de weg opzoeken, want al die kleine bruggetjes over de grachten lijken op elkaar. Ik ben continu afgeleid, want de middagzon schijnt zo mooi op het water. Ik steek een paar grachten over, loop rechtsaf, en zie in de verte de banieren van het FOAM.

Ik benader het FOAM van rechts, en vergis me eerst in de ingang. Voor mij is een trappetje naar een voordeur, waarboven één van de banieren hangt. Op het naastgelegen trappetje zitten twee werklui te lunchen. Bovenaan de trap bemerk ik dat dit niet de voordeur van het FOAM is. Ik draai me om en loop zo elegant mogelijk weer naar beneden. De werklui glimlachen. ‘Niks gezegd he!’ lach ik ze toe. ‘Nee, nee…’ ze hebben schik. Ik ga naar de ingang van het museum.

Uiteraard maak ik gebruik van mijn studentenkorting, want ik betaal toch een aardige duit voor mijn Campus Card – die moet ik langs allerlei andere wegen weer terugkrijgen! Met vier euro reductie in de pocket stap ik de grote zalen door. Mijn jas heb ik keurig in een kluisje gedropt, voor later. Al met al is het hier in Amsterdam veel gemoedelijker, dan ik het me herinner van vroeger, op schoolexcursies. Mijmerend loop ik langs fotowerk van verschillende fotografen uit diverse landen. Bij het werk van André Kertész sta ik wat langer stil. Wat een oog voor licht en kadering heeft die man gehad, zeg. De foto’s zijn niet heel buitengewoon, maar elk moment is zo mooi, elke stoffige lichtstraal zo juist gevat. En het feit dat de beste man dit allemaal schoot met zware, analoge camera’s. die hij meezeulde in het Oostblok, naar Parijs, door de oorlog, en naar Amerika. En overal komt zijn specifieke kijk op de wereld weer terug.

Ik herken mijn eigen stijl erg in zijn werk, en denk terug aan mijn tijd bij de AKI. Een jaar waarin grafisch ontwerp mij niet gegund werd, maar er voor fotografie nog wel een deurtje openstond. Alleen wilde ik dat niet. Nu ik het werk van Kertész zie, snap ik waarom dit soort werk nog best mijn signatuur had kunnen worden. Maar ik voel geen spijt. Het werk van Kertész is zo veel rijker, doordat het gemaakt is in een moeilijke tijd, met zoveel middelen die ik vandaag niet meer zou hoeven te gebruiken. Ons perspectief mag hetzelfde zijn, mijn foto’s zouden vergeleken bij de zijne waardeloos zijn, omdat ze vandaag de dag zou eenvoudig geschoten en afgedrukt kunnen worden. Nee. Dat was mijn toekomst niet geweest.

Ik doorloop alle zalen en ga naar het cafeetje om te lunchen. Na het bestellen van een espresso en een stukje taart zet ik me vlak bij de keuken op een bankje aan het raam. De kelner en de kok maken grapjes met elkaar. Ik luister er geamuseerd naar terwijl ik van mijn gebak hap en in mijn boekje schrijf. Dan richt de kelner zich schuin tot mij, in een poging de kok een beetje voor de gek te zetten. Ik ga mee in zijn grap en we komen aan de praat. De kelner is duidelijk uit Amsterdam, ‘nooit buite de Bijlmer gewees’ en de kok blijkt uit Haaksbergen te komen, maar zijn accent verraadt dat ook hij al jaren in ’s lands hoofdstad vertoeft. Ze vertellen mij wat leuke dingen over Amsterdam, bijvoorbeeld dat ik echt eens een dag moet besteden aan het bezoeken van de ‘hofjes’ – binnentuinen die zich tussen de huizen bevinden, waar alleenstaande vrouwen woonden en buiten kwamen, zolang als zij geen man hadden, of wanneer hun man langdurig op reis was. En huilden, wanneer hun man niet meer terugkwam van de zeevaart. De hofjes zijn er nog steeds, maar je moet ze weten te zitten, en ze gaan dagelijks om vijf uur dicht. De kok kent er veel. Ik vertel hem en de kelner wat een caffè sospeso is – een uitgestelde koffie. ‘Suspended’, als in, voor later – een koffie die je niet voor jezelf koopt, maar op de rekening laat zetten voor een bedelaar, die later die dag om een kopje koffie komt. In Italië is dat niet ongewoon.

Ik loop het museum uit en begeef me langs de grachten. Ik maak hier en daar foto’s van de mooie schittering op het water. Ik had nog langs het Kattenkabinet willen gaan, maar nog een museum trekt me echt leeg, dus ik zet koers richting de biologische winkel ‘Marqt’. Ik heb de winkel aan de Utrechtsestraat zo weer bereikt, en dompel me onder in alle biologische etenswaren. Hapjes die ze in Enschede niet hebben, kaasjes, bijzondere sapjes. Oké, laat ik nu hier niet helemaal losgaan. Ik pak een mandje en neem wat leuke dingetjes mee. Bij de kassa schrik ik uiteraard even van het bedrag, maar ja. Ik heb wel gelijk avondeten erbij in zitten, wat ik dan weer niet met haast bij een restaurantje hoef weg te happen. Het is ten slotte al tegen zessen, en als ik om half zeven pas ergens aanschuif én nog wil eten, ben ik vast niet voor achten klaar. Je moet een normale eetgelegenheid niet als fastfoodcorner gaan behandelen. Ik wandel terug naar het woonbootje en ga met een lekker warme trui en jas op het achterdek zitten. Mijn huisraad is gelukkig compleet met een vork, prima voor mijn avondeten.

Ik kijk naar rechts uit over het water en zie de zon ondergaan over de Achtergracht. Roeiers komen rustig voorbij in het spiegelgladde water, fietsers peddelen over de stenen boogbruggetjes aan de overkant. Trams rollen over de Sarphatistraat in de verte, en maken een gedempt kletterend geluid als ze midden van de brug over de Amstel gaan. Een jongen staat enige tijd aan mijn linkerhand op de kant, totdat hij me toch maar aanspreekt. Of ik gezien heb dat zijn fiets gestolen werd? Nee, ik keek naar rechts, en heb ook niets vreemds gezien. Hij kijkt sip. Hij had zijn goede fiets hier ook niet buiten moeten laten staan. ‘Het is Amsterdam, ik kom uit het oosten vriend, ik vind dit niet abnormaal’ zeg ik. Ik zeg nog dat ik het echt erg vind voor hem, maar dat doet hem weinig. Ja, tuurlijk. Hij belt even aan bij mijn hostess en vraagt haar ernaar. Nee, ook zij heeft niks gezien. Weg fiets. Dit is Amsterdam. Mijn hostess loopt later nog even naar haar auto en passeert mijn achterdek. ‘Lekker buiten, buurvrouw? Niet stiekem aan het werk, he?’ Nee nee… ik zit lekker in de avondschemering in mijn boekje te schrijven.

Om zeven uur gaat de zaal open, maar ik wil niet al te lang binnen hangen als ik ook hier op mijn bootje zitten kan. Ik ga me tijdig omkleden naar avondtenue. Je gaat wel naar Carré, ja! Keurig in jurk lanceer ik mij om half acht van de boot af. Ik kijk naar links. De voordeur van Carré. Ik kijk naar rechts. Enkele honderden meters verderop begint de wachtrij. Wát?!

Een beetje beduusd loop ik weer over het plankier de woonboot op. Ik pak mijn windstoppervest en mijn sjaal. Moet ik verdorie hier buiten in de rij aansluiten…! Terwijl ik met andere gasten sta te wachten valt het duister snel in. Lichtjes gaan aan langs de gracht, en heel Amsterdam is hier sfeervol verlicht. Ik app mijn hostess. ‘Kom weer naar binnen, meid, en ren d’r snel achteraan als het acht uur is!’ adviseert ze me. Ze is zelf ook wat verbaasd door de rij, omdat dat normaliter alleen gebeurt bij een belangrijke première. ‘Dan staan alle vedetten hier te showen in hun galajurken’ vertelt ze me achteraf nog.

Het zit mee, ik ben in tien minuten binnen. Het oponthoud blijkt te gaan om een tassencontrole. Want oh jee ja, als je metalvolk uitnodigt, dan kan daar zomaar een vervelende gek tussen zitten, is het niet? Nou, leer mij metalvolk kennen…

De keurig geklede piccolo’s wijzen ons naar onze stoelen. Elke keer hoor ik een goedkeurend geluid als ze zien dat ik op een van de beste ringen van het balkon zit. Ja, en of. Ik ga nog even naar het toilet, en dan schuif ik voorzichtig aan op rij vijf van het balkon, stoel tweeëntwintig. Er zit al iemand op stoel vierentwintig, direct links van mij.

Ik zet me naast de man, die zo te zien ook alleen is. Er ligt een prettige glimlach in zijn ogen. We stellen onszelf even kort voor. ‘Bert’ ‘Heidi’. En zo zitten we. Hij komt uit Apeldoorn, is van mijn leeftijd, en hier alleen omdat zijn vrienden niet mee konden. Ik vertel waar ik vandaan kom, en dat ik vanavond hier overnacht. We wisselen nog wat woorden, en dan begint de show. Het is werkelijk erg mooi. Ingetogen, serieus, meeslepend, en dan ineens bombastisch. De tonen zagen door de zaal, de Finse cellisten gaan helemaal los op hun instrument. Zitten is niet genoeg – nee, er wordt rondgelopen, gerold, en zelfs met strijkstokken naar elkaar getikt. De lichtshow doet de muziek veel goeds. Ik doe wel tussendoor mijn oordoppen even in, dan zijn de scherpe kantjes er een beetje vanaf. Zo is het beter genieten.

In de pauze bied ik Bert een drankje aan. We zijn toch allebei hier alleen, waarom dan eenzaam gaan zitten zijn? We begeven ons naar de bar boven de theaterzaal. De prachtige industriële sfeer van de bar trekt onze aandacht. Hij drinkt zijn cola, ik mijn rode wijn, en we praten nog wat. Het is een beetje gek om zo prompt elkaars gezelschap te zijn, maar ik heb het idee dat als één van ons beiden het vervelend vindt, we wel van elkaar weglopen. Dat gebeurt niet, en we lopen weer gezamenlijk terug naar onze plaats. Na de show, die nog doorgaat in een spetterend samenspel van drums, cello’s, en meezingers uit de zaal, biedt Bert mij een drankje aan. Dat doen we, maar wel in de bar beneden. We staan een tijdje, drinken en kletsen. Carré gaat sluiten. Of we onze jassen op willen halen? De garderobe waar ik mijn jas achterliet, is al gesloten. Mijn jas is naar beneden gebracht. Goed. Ik haal hem daar op, terwijl Bert me bij de uitgang opwacht. Zo lopen we langs de gracht. Volgens Bert is een kleine brasserie, die bij Carré hoort, nog open, maar nee. Of ik nog meega naar een ander cafeetje?

Nou. Mijn bootje ligt hier rechts van ons in de gracht te dobberen. Het is rond elf uur, ik had me verheugd op een nachtje lekker slapen en dan morgen fris naar huis. Wil ik nog wel mee naar een café? We lopen iets verder en zien op de hoek van de straat bar Lempicka, die nog open is. Achterin is nog plek. En zo praten we nog een uurtje of wat verder, terwijl ik wijn drink en hij cola. Ik ben bij lange na niet aangeschoten, dus dat gaat prima. Wel een beetje moe inmiddels – maar hey, het is gezellig! En Berts ogen twinkelen nog steeds leuk, dus wie ben ik om dan maar zo naar huis te gaan? Om half één is het echt tijd. We zeggen gedag en wisselen telefoonnummers uit. Ik wandel terug naar de woonboot, terwijl Bert zijn auto opzoekt voor een ritje terug naar Apeldoorn.

Terug op de boot bel ik orgelvriend Koen en praat bij. Prima moment ervoor, zo. Ik praat zachtjes zodat mijn hostess zicht niet aan me zal storen, maar ze slaapt toch geheel aan de andere kant van de boot. Tegen één uur ga ik maar eens slapen.

Tijd om te gaan

Vandaag gaan we inpakken. Wel is Paul nog onderweg naar mij toe. Dus ik pak vast een beetje in, help Yvo zijn tent afbreken, en ga dan Paul ophalen. Samen met Paul pak ik eerst verder in, want tegen 13:00 kan het gaan regenen. De tenten moeten droog mee. Het lukt om alles in te pakken. Wat al weg kan, leggen we in de aanhanger, met een zeil erover. Een losse tas en Pauls spullen kunnen onder de tafel in ons kamp.

We gaan naar de maintent, want ik moet nog munten opmaken. Dat is niet moeilijk met een alleseter als Paul aan je zij. Hij heeft voor mij op Castlefest aardig wat betaald, dus ik return de favor en we gaan wat snacktentjes af. Dan begint het langzaam te druppelen. Wachtend voor Pauls bakje eten doen we even een dansje, tot hilariteit van andere bezoekers.

Terug bij de tent wil men net naar de lezing over de badge toe. Okee, die wil ik ook wel even zien. Paul en ik zitten per ongeluk net in de verkeerde tent, maar we weten door de regen over te steken naar de juiste tent. Ondertussen appt Yvo dat hij na deze lezing zo snel mogelijk weg wil. Ik vind het goed.

De badge is echt een heldenverhaal an sich. Echt, de video daarvan  moet de moeite waard zijn. We zitten de lezing helemaal uit tot aan het vragenrondje, en lopen dan terug naar het kampement. Het is weer een beetje droog, maar we zijn blij dat alles ingepakt is en klaarstaat. Yvo, Govert en ik zijn compleet. Ik neem afscheid van Paul en gedrieën lopen we naar de auto. Vroem, met 90 terug naar Enschede…

Reisinfo

8 dagen Zwitserland en Duitsland, met een concert van Evanescence op het Caribana-festival, en een clubconcert van VNV Nation in Freiburg.

Bekijk hier de foto’s.

Reisinfo

Overzicht van mijn reis rondom de Adriatische zee.
Klik hier voor de foto’s.

Reisinfo

Duur: 8 dagen

Landen: Italië

Go west

Vrijdag: bijtijds van werk weg, met de laatste snel gefixte props voor mijn Thor-kostuum: rode armpads, waar eigenlijk nog zilverkleurige schildjes op moeten. Ik heb ze gemaakt van een rood afgeknipt kindershirt. Goed genoeg.

Ik kom thuis en probeer alles in te pakken. Ik heb zoals gewoonlijk een paklijst, maar die is verre van compleet (met name omdat ik nu niet de standaard dingen moet hebben). Ik pas mijn kostuum aan, keur de staat van compleetheid goed, en trek het uit om het in te pakken. De rode armpaddings laat ik maar zonder schildjes, want die zijn nog net niet droog, en tricky om vast te plakken op de stof. Het is veel te snel zes uur, tijd om richting treinstation te gaan. Katten gedagzeggen, rugzak om, hamer Mjolnir met een karabijnhaakje aan mijn tas, en gaan. Het is een lekker warme zomeravond. De zon gaat onder terwijl ik naar het station fiets.

Fiets in de stationsstalling, op de trein naar het westen. Zoals vroeger, denk ik melancholisch. Ik kom ook precies om 21:07 aan, zoals vroeger toen ik nog wekelijks reisde op het traject Dieren-Den Haag. Ter ere daarvan nodig ik vroegere vriend Jelle uit om even snel gedag te zeggen, maar hij kan helaas vanavond niet.

Onderweg naar Den Haag Centraal en kom in gesprek met een aardige jongen – vooral om de hamer die al de hele reis op mijn tafeltje heeft gelegen. Ik moet een uur wachten op de bus, dus ik loop even een rondje over de Turfmarkt, waar ik het pand van Colour Digital terugvind. Hier was 13 jaar geleden mijn werk. Ik gluur naar binnen en zie door de vuile ramen, dat het een rommel is. De ijzeren brug boven de werkvloer is afgebroken, de enorme printers en bindmachines zijn weg. Het lijkt nog wel gisteren… en ook weer niet. De ruimte lijkt ook veel kleiner dan toen. Er hangt een bord op de ruit, dat Colour Digital vanaf oktober aan de Herengracht kantoor houdt. Ik loop de Fluwelen Burgwal af naar de nieuwe locatie, me onderwijl afvragend welke oktober dan bedoeld wordt. Dit jaar? Vorig jaar? Ik wandel precies de route die ik ooit fietste, destijds met een tekeningenkoker op mijn rug en kunstgeschiedenisboeken onder de snelbinder. Altijd gehaast om van mijn werk naar de KABK te komen, iets verderop aan de Prinsessegracht.

Na het ontwijken van wat toeristen en zwervers bereik ik het nieuwe pandje van Colour Digital – een donkere pijpenla. Tot mijn verbazing staat het eveneens leeg. Ja, het was 13 jaar geleden. Er is inmiddels veel gebeurd. Waarom zouden ze hierheen verhuisd zijn? Er is inmiddels een half uurtje voorbij en het wordt tijd dat ik mijn reis vervolg. Ik loop nog even naar de voordeuren van de KABK en gluur eveneens weer naar binnen. Lang, lang geleden… Ik ga even pinnen aan de Bezuidenhoutsweg en loop weer naar het station. Nog wat dralen rond de stationspiano, waar muzikanten en dromers gepassioneerd wegroffelen op de toetsen, en ik ga naar mijn bus.

Nu, leermomentje. Waarom je bij een advies van 9292 nooit af moet gaan op de kleinste hoeveelheid overstaps, maar op de kortste reistijd. Ik had allang in Noordwijkerhout kunnen zijn als ik met wat meer switchen over Leiden was gegaan, duh.

Ik stap in de bus en merk dat ik nog een uur op deze lijn zit. Oh, gelukkig is het niet de misselijkmakende bergpas van Trento naar Tione, maar een zwierige rit door het lommerrijke Wassenaar, Katwijk en Noordwijk. Ik vergaap me aan de statige panden met lappen voor- en achtertuin. Hier verpoost de beau monde van Nederland. Ik niet.

Eindelijk, 23.15, mijn halte. Ik weet met goed giswerk en een feilloos kompasgevoel het huis van mijn Airbnb-host te vinden. Ik word vriendelijk ontvangen, krijg sleutels voor fiets en voordeur, wifi-password, en trek me dan terug op mijn kamer.

Reisinfo

Duur: 20 dagen

Landen: Duitsland, Zwitserland, Italië

Baltische Zee

Rondje Baltische Zee!

Trentino

Weekje in een huisje met Cecilia.

Parijs

Met Koen (of zonder Koen…) een weekend naar Parijs!

Reisinfo

Lorem ipsum trolololololo

Terug naar huis

Om vijf uur ’s ochtends word ik wakker omdat ik naar het toilet moet. Geen probleem, ik zet niet eens mijn bril op. Ik ga zitten op het toilet en zie voor me in de douchebak een enorme spin. Daar heb ik geen bril voor nodig! Wat een joekel! Dit zijn de spinnen die ik heus thuis wel in mijn berging heb, maar gelukkig zelden in levende lijve aantref. Ook deze jongen is kennelijk per ongeluk in de badkamer beland.

Terwijl ik nog in roes van slaap naar hem zit te staren doet hij verwoede pogingen om uit de douchebak op te krabbelen, in mijn richting. Dat lukt hem niet, maar ik vind het sowieso wel welletjes. Ik ben klaar hier. Snel verlaat ik de badkamer en ga weer in mijn bed liggen. Helder nadenken over deze nieuwe huisgenoot doe ik later op de ochtend wel.

Inderdaad, op een christelijke tijd later die ochtend zit de spin nog steeds in de douchebak. Ik maak voorzichtig een foto. We weten nu wel dat hij er niet uit kan klimmen, maar hij is wel razendsnel. Ook al is mijn angst voor spinnen de laatste paar jaar drastisch afgenomen, oppakken en buiten zetten is niet echt een idee waar ik wild van word. Yvo heeft er ook niet zoveel behoefte aan, dus we laten de spin mooi zitten.

We pakken in, stoken de haard nog een beetje warm, ruimen het huisje op. Tegen tienen brengen we alle spullen weer naar de auto en laten het huisje achter. Ik sms Jonathan dat we vertrokken zijn, en meld hem daar natuurlijk even bij dat er een Riesengrosse Spider in de Duschwanne zit. Dat doe je toch voor elkaar.

Ondertussen is Yvo wat ongerust over de ruitenwisser. Ja, terug naar het begin van deze reis. We zijn keurig bij droog weer vertrokken, maar als het nou gaat regenen hebben we misschien weer een probleem. Die kans acht ik overigens niet zo groot; de moer was het probleem; die was in de loop der maanden of jaren losgetrild, die is nu weer stevig vastgezet. We gaan echt prima thuiskomen, daar hebben we immers ook nog de hele dag voor. Yvo maakt zich er wat meer druk om, dus hij probeert gelijk de ruitenwisser even uit wanneer we wegrijden. Het ding hapert eenmaal en doet het dan prima. Toch zet Yvo hem maar gauw weer uit. We kijken elkaar aan. ‘Hij haperde hè.’ ‘Ja.’ En zo gaan we op pad.

Tegen elven hebben we eventjes een paar spatjes regen, waarop ik grap over het aanzetten van de ruitenwisser. Dat hoeft gelukkig niet. Tegen tweeën zijn we thuis. Rijdend op de Westerval nabij Enschede komt er zowaar weer wat regen uit de lucht vallen. Nu zet Yvo vol enthousiasme de ruitenwisser aan. Die doet het als een zonnetje. Nou, hiephoi, we zijn weer thuis!

Zondag regen

Deze ochtend word ik weer lekker laat wakker, ondanks de wederom schreeuwende haan. Ik heb het rolgordijn aan de zuidkant dichtgedaan en het raam ook, dat scheelt al een hoop. Yvo komt ook zijn slaapkamer uitstommelen, en zo wandelen we de ochtend rond in pyjama. Ik maak weer ontbijt, en snaai wat van Yvo’s brood mee (hij heeft namelijk Nutella!).

Ik ga op de bank zitten lezen, Yvo zit naast me te gamen. Buiten is het grauw, windstil, maar wel echt herfstig. Heel af en toe piept de zon door, maar het wordt steeds minder. Terwijl we zo op de bank zitten hebben we ook wel heel nuttige, en uiterst vermakelijke discussies. Mijn liefde voor chocola is een terugkerend item, al moet ik zeggen dat Yvo onverwacht erg fan is van pretzels. Het smelten van chocola kun je prima vervloeibariseren noemen, maar weer niet liquideren. We hebben geregeld een miscommunicatie, en daar hebben we dan weer een discussie over. Heerlijk om zo te kunnen redeneren en analyseren – en als je een tijdje niets hoort, is de ander weer in game of boek verzonken.

Ik vind het tijd om me aan te kleden. Ik wil namelijk nog een stuk wandelen, ondanks het minder prettige weer. Yvo ziet dat niet zitten (slim) en blijft lekker in huis. Na gewik en geweeg over wat ik meeneem pak ik mijn DSLR wel in. Wandelrugzakje, emergency stroopwafel, water, regenjas. Dat water is eigenlijk direct al overbodig, want dat valt al zachtjes als een fijne nevel uit de hemel. Gelukkig loop ik voornamelijk onder de bomen.

Ik ga op pad. Onderaan de tuin kom ik Jonathan tegen. Hij staat bovenop het spiksplinternieuwe stroomhokje en schept aarde en houtsnippers terug op hun plaats. Hij vraagt me naar mijn mening over wat zaken in het huisje, dus ik geef wat tips en ideeën. Op zich wordt mijn Duits niet beter van iemand toeschreeuwen op een heuveltje in de regen, maar zeg nou zelf: Duits is daar wel weer de ideale taal voor. Jonathan geeft me nog complimenten op mijn leren hoedje. Na ons over en weer-geroep af te hebben gerond loop ik verder.

Eerst bij de gabelung rechtuit, de heuvel op zoals gisteren. Rechtsom met de bocht mee dit keer, niet rechtdoor naar het dorp. Ik maak een grote ronde, die ook een stuk het naastgelegen Ibachtal in gaat. Zo loop ik een half uurtje, drie kwartier. De natte nevel verandert langzaam in een miezerige regenbui. Ik merk het nog niet zo, omdat ik door de bossen loop. Maar mijn camera heeft er al last van, dus die gaat achter in de rugzak. Ik bewaar hem namelijk in een net niet passende filmcameratas, en er kan regen naar binnen sijpelen. Dat zou zonde zijn.

Aan het einde van het Ibachtal hoop ik echt op een scherpe bocht naar rechts, zodat ik bovenlangs terug kan lopen. Gelukkig, die is er. Het is verbazend hoe snel je stijgt in zo’n bocht in het pad. Na een paar honderd meter sta ik boven op de heuvel en kijk neer op het stuk pad waar ik net liep, vlak langs een verlaten huisje. Dat ligt nu echt meters en meters onder me. Hoe fantastisch groot is de natuur, en hoe klein voel je je als mens. Dat maakt dat ik me altijd nog het meest thuisvoel hier, en in de bergen nog veel meer.

Ik stap door, de motregen verandert langzaam in een hoosbui. Ik schuil onder een boom (dat helpt niet) en pak mijn regenjas uit. Stop mijn camera nog wat dieper weg en drapeer mijn buff-sjaal eroverheen. Zo, hopelijk vangt dat allemaal niet te veel regen. Mijn windstopperjack is tot dusver droog gebleven; ik kan me uitsschudden als een eend, en al het water valt van me af. Maar hoe langer ik loop, hoe minder waar dat wordt. Dus ik trek de rode regenjas maar aan.

Er komt een splitsing in het pad. Ga ik links of rechts? Beide wegen lijken goed. Ik heb gelukkig tegenwoordig gewoon data onderweg, dus ik pak Google Maps erbij. Mijn telefoon vindt de regen ook niet leuk: de nattigheid op het scherm zorgen ervoor dat zowel mijn vingers als druppels herkend worden als aanraking. Met moeite kan ik de kaartfunctie ertoe krijgen mijn locatie op te zoeken. Elke aanraking zorgt ervoor dat mijn telefoon als een malle schermen en apps laat zien. Ik stop de telefoon maar weer terug in mijn broekzak en hoop dat hij geen blijvende schade hieraan overhoudt.

Ik moet rechts. Later leer ik, dat links een weg is die als een slakkenhuis omhoog kronkelt, naar de top van de heuvel. Dat is leuk, maar niet voor nu. Ik vervolg mijn route om de heuvel heen en kom weer in het Lautenbachtal. Met wat goede wil denk ik zelfs de heuvelkam aan mijn linkerkant te kunnen herkennen. Wishful thinking, houd ik het op. Terwijl het om me heen giet van jewelste blijf ik relatief droog en warm. Het wandelt echt heerlijk zo, al moet ik me om de paar meter een beetje uitschudden.

Dan bereik ik weer een samenloop van wegen in het pad. Ik herkende ze als mijn startpunt boven het dorp. Fijn! Het werd onderhand wel eens tijd om weer huiswaarts te keren, niet zozeer voor mijzelf, maar meer voor de inhoud van mijn rugzakje. Ik loop het pad af richting het huisje. Dit pad is nog vrij nieuw, onverhard, en aangedrukt met geel kleizand. De bovenlaag van dat kleizand stroomt nu in twee smalle streepjes regenwater met mij mee het pad af. Het lijken wel riviertjes van koffiemelk!

Bij het huisje tref ik Yvo aan op de veranda. Hij is nog altijd in pyjama. De regen klettert echt mooi op het dak. Ik kom er een tijdje bij zitten. Onkel Sven heeft zich in een raamkozijntje gedrukt en zit daar te pitten, terwijl hij ons een beetje in de gaten houdt. Yvo bekent dat hij buiten zit, omdat hij binnen iets te fanatiek met de kachel aan de gang was. Inderdaad, binnen is het nog steeds zeer aangenaam warm. Maar dat deert niet. Ik wilde toch net douchen, dus dan heb ik het zeer zeker niet koud.

We spelen nog een spelletje Carcassonne, gevolgd door Jaipur. Voor het avondeten maak ik twee borden vol vlees, erwtjes en aardappelpuree. De avond gaat voorbij met nog meer bordspelletjes. We hadden ons voorgenomen ook nog Finding Dory te kijken, maar het wordt al laat. Morgen willen we bijtijds vertrekken. Dus we nestelen ons op de bank, ik drink mijn Schwarzbier.

Yvo game’t, en ik slinger wat internetpagina’s voor Pro Deo’s lustrum het web op. Tijd om te gaan slapen.

Wandelen en bordspelletjes

Deze ochtend word ik vroeg wakker, om zes uur al. Van geschreeuw uit het dal. Eerst dringt het geluid moeizaam tot me door. Is er nou iemand aan het schreeuwen? Heeft iemand de bus gemist? Is er een gek uit de DRK-kliniek losgelaten? Nee, het is een haan, die beneden in het dal kraait. Hoe beter ik het geluid identificeer, hoe meer ik ook echt hoor dat het een haan is. Maar ik heb nooit beseft dat die zo klinken. Wat een streber, zeg.

Van zeven tot negen slaap ik weer verder. De haan houdt vanaf dat uur zijn kop. Om negen uur ruim ik het bed op en stook de haard warm. Yvo komt uit zijn slaapkamer en we doen samen de afwas. Dan bak ik mijn eitjes, terwijl Yvo ook ontbijt maakt.

Tegen half elf zitten we aan de koffie. We pakken wat kleins aan eten en drinken in onze tassen en beginnen aan een korte wandeling. Eerst bovenlangs, de achtertuin uit. Ik herken het paadje nog goed, al is het nu weelderig overgroeid met volle groene struiken. De grond is niet langer besneeuwd, maar overwoekerd met vaalgroen droog gras. Al gauw komen we bij de eerste dwarse boomstam, die er tot mijn verbazing nog ligt. Hier is dus heel de zomer geen zaag bij geweest. Het is even wrikken voordat ik over de stam heen ben. Yvo stapt er met zijn lange benen gewoon overheen. Dat is een gelukje, want voor de res is hij minder outdoorsy gekleed dan ik. Ik hoop vooral dat hij geen natte schoenen krijgt. We zijn namelijk nog even niet op de gewone weg.

We lopen nog een stuk door het woud en komen her en der omgeknakte bomen tegen, die ik ook allemaal nog herken. Ik heb er destijds heel wat foto’s van gemaakt. Eigenlijk dacht ik dat ze in de weken daarna wel rap zouden omvallen, of weggehaald zouden worden. Dat is dus niet gebeurd. We wringen ons een weg tussen de stammen door en komen op het pad dat het dal omzoomt. Daar gaan we rechts. Nog even een slinger het dal in, dan bij de Gabelung weer naar links, en we lopen heuvelafwaarts naar het dorp. Voor mij nog allemaal appeltje-eitje, al ben ik wel wat beteuterd dat het uitzicht naar Helsa toe nu helemaal overgroeid is. In de winter kon je er een prachtige foto maken, nu zie je alleen maar bladeren.

Ik loop met Yvo de route die ik destijds ook wandelde. Bovenlangs het dorp, de bocht naar beneden, tot we bovenaan bij de Fröbelstrasse zijn. Het moet ook niet al te moeilijk worden hè? We lopen de straat af, en ik kijk op naar de enorme witte seniorenappartementen die inmiddels hier verrezen zijn. Wat jammer voor de mensen die er achter op de heuvel wonen. Heel hun uitzicht weg.

Onderaan de weg staan we gelijk bij de Edeka. We halen biertjes, en eten voor zondag. Dan raken we in discussie over paneermeel. We hebben gehakt mee, dus Yvo wil wel gehaktballen. Maar daar moet paneermeel doorheen. Waar vind je dat in zo’n buurtsuper? Na alle rekken te zijn afgestruind vinden we een joekel van een pak onderin een schap. Aangezien mijn kleine looprugzakje al vol zal zitten met flesjes vind ik het geen jofel idee om dat hele pak mee te nemen. Bovendien hebben we maar een scheutje nodig. Yvo bedenkt dat hij ook wel brood in de oven kan bakken, en dat verkruimelen. Mij ook best. Uiteindelijk besluiten we gewoon geen gehaktballen te maken. Ook opgelost.

We rekenen de rest af. Ojee, daar is de kassadame weer – ik ben haar nog niet vergeten. De laatste keer dat ik tegenover haar stond, had ik vijf euro nogwat in contanten nodig, om met de tram mee te kunnen. Dat lukte toen maar net. Ik steek haar mijn pinpas toe en mompel iets van ‘card’. Gelijk denkt ze dat het een creditcard is. ‘Nee nee, EC Karte’ zeg ik er haastig bij. Met een frons steekt ze me het pinautomaatje toe en is werkelijk wat verbaasd als de transactie ook echt lukt. Betalen in Duitse buurtsupers… altijd spannend.

We snacken onze verse lunch op en Yvo is helemaal blij met zijn pretzel. (hij is even later ook helemaal niet blij als zijn pretzel op is…). We lopen het dorp weer uit, heuveltje op. Dat is wel erg steil, dat kun je niet ontkennen. Ik loop wat langzamer dan normaal zodat het voor beiden leuk blijft. Dan bereiken we bovenaan weer de ingang naar het smalle valeitje. We worden weer overschaduwd door hoge boomkruinen.

Naaldbomen zijn maar gekke dingen. Een enorme lange dunne stam, met hier en daar dorre scherpe takken, tot aan de top. Daar, in de top, een parmantig kerstboompje dat heel hard zijn best doet om net boven de andere kruintjes uit genoeg zonlicht te vangen. En dat waait dan maar zo’n beetje heen en weer.

Ik heb nog wel zin in meer wandelingen vandaag, maar eerst even uitrusten. Yvo maakt courgettesoep. Daarbij ontbreekt het hem aan aardig wat keukengerei en -ruimte, wat hij me geregeld laat horen. Ach ja. Als ik hier alleen ben mis ik niks, eigenlijk. Het is in zo’n vakantiehuisje altijd behelpen, en dit vakantiehuisje is duidelijk een aflegplek van alle oude spullen van de eigenaren. Je kunt geen volwaardige keuken verwachten als iemand er niet dagelijks woont. Ik nestel me op de bank en even later eten we soep.

Via een postservice stuur ik een kaartje naar mijn oma, met een kersverse foto van mij op de veranda erop. Daarna schrijf ik alle belevenissen bij in mijn boekje. Onkel Sven, de kat, komt langs. Hij staart zoals eerder weer op een triomfantelijke manier door de terrasdeur naar binnen. Ik haal hem even aan. Als ik naar de lucht kijk, zie ik dat het langzaam betrekt. Dat was alle zon voor dit weekend…

Tijd voor een spelletje. Yvo en ik blijken beide Carcassonne te hebben ingepakt. Ik heb ook Cards Against Humanity mee, maar dat vindt Yvo niet zo’n leuk spel. Dus dat blijft in de tas. We pakken Jaipur, nemen de regels weer even door, en gaan van start. Ik verlies eerst, maar word dan beter. We gaan feller spelen en jatten kaarten van de markt voordat de ander er z’n handel mee kan drijven. De stemming zit er weer goed in!

Na het spelletje trekken we een biertje open en gaan Finding Nemo kijken. Die staat, met heel wat andere (Duitse) films, hier in de kast. Gelukkig heeft de film gewoon Engels geluid. Heerlijk melige film is dat. Naderhand maken we elk ons bed op en gaan slapen.

 

De laatste dag op Haxogreen

Op zondagochtend slaap ik met genoegen een beetje uit. Het enige dat me van mijn veldbed krijgt, is de gedachte dat het ontbijt weldra vergeven zal zijn. Daarom werk ik me maar overeind en maak me klaar om naar buiten te gaan. Door het doek hoor ik de Duitsers links en rechts naast me praten. Ik sta namelijk ingebouwd tussen een shelter en een partytent, en in beide zitten delegaties van onze oosterburen al vroeg te kletsen. Ik vind het wel leuk.

Ik doe weer een rondje wasbak, pak ontbijt. Martijn en Leroy zijn nog niet uit de veren, dus ik haal koffie bij HackSaar. Ik word vriendelijk begroet terwijl ik naar de Senseo achterin de tent loop. Het apparaatje staat er troosteloos bij. Ik moet eerst alle bakjes leeggooien, daarna overstroomt mijn kopje ook nog eens. Ik ruim alles op en ga weer in de maintent zitten eten.

Dan is het tijd om mijn boeltje te pakken en richting dorp te gaan. Er is namelijk twee dagen lang braderie. Ik app de jongens dat ik beneden ben, en dat ze me moeten appen als er iets is. Het is tien minuten lopen naar het dorp, ik verwacht geen onrust. Uit voorzorg neem ik wel de rugtas van mijn veldbedje mee. Je zult maar net iets heel gaafs tegenkomen. Als het in de tas past, past het zeker nog wel ergens in de auto.

Zo loop ik het terrein af, het eerste onverharde pad links in. Al gauw bevind ik me in een tunnel van struiken. Links ontstijgt de achtertuin van het scoutinggebouw me. Rechts zie ik door het dichte struikgewas aangrenzende tuinen van de huizen verderop aan de straat. Al gauw bereik ik het einde van het overgroeide tunneltje en sta ik bovenaan een zijstraat van het dorp. Ik wandel naar het centrum, maak foto’s, let meer op de straatnamen en de omgeving dan ik deed, toen ik met de jongens liep. Ik voel me zowaar een beetje meer ‘Heidi de reiziger’ als op de reizen, waar ik helemaal alleen ben.

De braderie in het dorp is niet moeilijk te vinden. Het centrum is een stuk afgesloten met dranghekken. Ik beland er midden in. Daarom ga ik links, en volg het voetgangersgebied. Het is een markt; niet echt iets bijzonders. Het wemelt er van de kledingkraampjes met gebloemde jurken, harembroeken, oude-damesshirtjes en schoenen van namaakleer. Die hebben we thuis ook wel. Wat me wel bekoort zijn de standjes met hapjes, waar je netjes overal iets aangereikt krijgt. Ik eet het met smaak op.

Dan zie ik de Zeeman. Ja, Luxemburg heeft dus ook al de Zeeman! Wat een fantastische winkel is het toch, ik ga me er ook niet voor schamen. Met een aanbod dat net de pulp van de Action overstijgt vind ik toch altijd weer iets aparts daar, of het nou in Nederland of in het buitenland is. Nieuwsgierig stap ik naar binnen en loop meteen naar de huisraad. Inderdaad, ze hebben verrassende snuisterijen. Ik neus rond, pak hier en daar wat, vind zelfs wat voor Yvo; ik weet niet of hij het al heeft, maar het kost amper wat, dus het gaat mee. Voor de katten vind ik zowaar een juten matje, veertig centimeter in doorsnee, dat precies lijkt op mijn dure nieuwe tapijt. Het gaat mee. Ik sluit de shoppingspree af met de aankoop van een stijlvolle, spotgoedkope witte zonnehoed, en troon naar de kassa. De conversatie gaat gemakkelijk. Het Frans gaat me nog niet zo slecht af.

Met mijn tasje volgeladen wandel ik met hernieuwde blik de markt op. Zo. Ik heb mijn slag geslagen. Nu nog even neuzen hier en daar en ik ga weer terug naar het kampeerterrein.

Het blijkt, dat ik eigenlijk vrij aan het begin van de markt erin stapte, dus na de hele route terug is er niet zo veel nieuws meer. Ik zoek op mijn telefoon even een brievenbus op. Dat lijkt lastig, maar waar kun je die beter vinden dan bij het postkantoor? Terwijl ik dat opzoek, rollen er WhatsAppjes van vrienden in Nederland binnen. Er is iemand op zijn teentjes getrapt door een voorval van drie jaar geleden, en ik moet het emotionele brandje blussen. Ik zet me op een bankje op het plein voor het Hôtel de Ville, alwaar ik bijna gelijk door een man weer opgejaagd word. ‘Mademoiselle! De bus gaat niet hier! Dit is niet de busstop! De bus gaat niet hier!’ ‘Nee oké’, stel ik de man gerust, ‘ik wil gewoon op een bankje zitten, geen nood’. De man druipt af, blij dat hij de mensheid weer voor groot onheil behoed heeft. Ik pak mijn toestel er weer bij en ga even rustig in gesprek met de gepikeerde vriend. ‘Ik word nooit serieus genomen’ flapt hij er uiteindelijk uit. Hèhè. Zeg dat dan gewoon. Enfin, ik heb geen zin om daar nu hier op in te gaan. Ik doe mijn telefoon weer weg en wandel de twee straten naar het postkantoor. Daar post ik de ansichtkaart aan mijn oma. Zo. En route, terug naar het kampeerterrein.

Terug bij de tent is er een hoop veranderd. Her en der zijn slaaptentjes zijn ingepakt. De maintent staat er wat bedremmeld bij met al zijn flappen omhoog. Mensen lopen driftig heen en weer. Ah ja, het is de laatste dag…

Ik begeef me naar de maintent voor een fles drinken. Daar zit Hugo met twee vrienden. Hij kijkt blij op als hij me ziet. Dat kan ik niet weerstaan, dus na het kopen van een flesje drinken zet ik me naast hem op de bank. Hij is nog steeds druk bezig met het aanzwengelen van prototypes van zijn badge. Ze zien er allemaal nog niet uit zoals ze eruit móeten zien – een witte wolfskop met als ogen twee cijferdisplays. ‘Daarmee kun je straks zien hoeveel mensen er om je heen zijn’ legt hij me enthousiast uit. ‘Oh’. Kun je dat niet gewoon zien dan, denk ik. Dus ik formuleer het als een grapje. ‘Dus als je in een tent naast het doek staat, en de teller geeft vijftig aan, dan… weet je dus dat er naast je buiten die tent heel veel mensen op een kluitje staan?’ Hij kijkt me even aan. ‘Euh, ja.’ Beats me, maar ik zie er het nut nog niet van in.

Een vriend van Hugo wandelt rond met één van de badges aan een powerbank. Hij hangt hem een eindje weg op om te zien of de badges elkaar nog binnen bereik detecteren. Dat lijkt te lukken. Hugo komt USB-poorten tekort om al zijn prototype badges mee van stroom te voorzien, dus kijkt hij mij tot mijn genoegen eens lief aan. Of ik alsjeblieft mijn laptop wil pakken…? Ik kan op die blik geen nee zeggen, dus haal ik mijn laptop uit mijn slaaptent op. Ik installeer me bij de rest en voorzie Hugo van twee extra stroombronnen. Ik kan zelf geen plekje in het stekkerblok krijgen, dus wil ik mijn laptop niet te lang aan houden. Ik moet hem in de auto terug nog gebruiken voor die verschrikkelijke vertaling, en liefst niet weer met twaalf procent batterij.

Dan verzint Hugo wat slims. Althans, dat denkt hij. Hij prikt alle badges in serie op een breadboard, en voorziet dat van stroom. Ik geef hem draadjes aan en prik lustig mee. Als we twee bordjes met elk drie badges hebben liggen ontdekken we een probleem: niet alleen zitten de pootjes muurvast in de gaatjes, ook krijgen de achterste twee badges niet genoeg stroom om goed te reageren. Zuchtend frunnikt Hugo dan maar weer alle badges los uit de bordjes, zonder de pootjes kapot te maken.

Wordt vervolgd…

Zaterdag op het hackercamp

Wederom een lekkere, warme nacht. Als mijn nachten in een tent altijd zo waren, hoefde ik nooit al die isoleermatjes en dekentjes mee te nemen. Dat is nu al jaren een ding, maar desondanks kampeer ik nog graag. De extra isolatieuitrusting die ik dit jaar heb meegenomen, is echter nog niet heel erg van pas gekomen. Het is simpelweg ’s nachts te warm. Na één nacht in mijn merinotrui heb ik zelfs in een t-shirtje geslapen. Dit mag in de krant, mensen.

Als tegen zevenen mijn wekkertjes gaan, hoor ik gespetter op de tent. Lichte regen. Wat is dat fijn! Ook al kan ik niet direct naar buiten kijken, het lijkt bewolkt. De regen houdt de tent ook koel. Tevreden draai ik me weer om en luister naar het geroffel op het doek. Als ik er nu uit moet, trek ik wel even mijn regenjasje aan… met die gedachte soes ik weer weg. Twee uur later word ik echt wakker. Alle sporen van de regen zijn alweer opgedroogd.

Ik wandel weer rustig richting de keurig schone frisse toiletten, maak me enigszins toonbaar, en ga in de rij staan voor het ontbijtje in de maintent. Vandaag staat er een jongen in enkel korte broek voor me. Omdat hij niet opschiet ga ik hem voorbij, en hij daarna mij weer. We raken aan de praat over talen en dialecten, en ik noem de serie ”Allo ‘Allo’. Ik kijk nogmaals naar de jongen. Nee. Hij is te jong, hij kent het niet.

Hij komt bij ons aan tafel zitten, Martijn biedt weer aan om koffie te maken, en zo bevinden we ons een paar minuten later op het midden van het veld, in de brandende zon. We zetten ons in stoeltjes, met onze nieuwe gast in ons midden, en wachten op het gepruttel van de koffiepot. De gast heet Hugo en ik praat een mix van Engels en Frans met hem. Hij blijkt ook te balfolken, en kent typisch al die bals in de Benelux waar ik gewoon nooit heen ga (en zal gaan). Na een goede bak koffie en leuke gesprekken sta ik op om wat anders te gaan doen. Hugo laat ik achter, in verwachting dat mijn groepsgenoten (het aantal is gemaximaliseerd naar 5) de conversatie met hem wel zullen voortzetten. Dat mislukt. Als ik terug ben uit mijn tent blijkt iedereen Nederlands te praten, en is Hugo maar weggelopen omdat hij er geen snars van verstond. Dat vind ik nou best wel jammer…

Daarom loop ik hem even achterna, en ga bij zijn tentje staan praten, een terras hoger. Mijn groepsgenoten kijken veelbetekenend naar me. Oh oh, dit gaat mee in onze Goede Hackers, Slechte Hackers-soap.

Ik ga een tijdje in de maintent zitten werken aan mijn vertaling, die eigenlijk veel en veel te groot is voor het bedrag dat hij oplevert. Maargoed, laat dat dan een les zijn. Ik zit naast onbekende hackers, naast wie je prima even je laptop (wel gelockt) achter kunt laten als je naar de wc gaat. Echt, zo werkt dat hier. Ik maak me geen moment druk.

Bas en ik willen nog wel samen gaan wandelen, maar het komt er telkens niet van. Ik zie een appje van hem te laat, en hij is al onderweg. Gelukkig start er niet lang daarna een half georganiseerde tour over het mijngebied, geleid door één van de organisators. In zijn beste Engels legt hij ons uit hoe hier de ijzermijnen werkten, en waar nog restanten van de ijzerwinning te zien zijn. In een aardige groep van zo’n 15 man wandelen we mee, achter de camping langs, het heuvelgebied in. Hier heb ik twee jaar geleden ook al met Bas gewandeld, toen een beetje op de bonnefooi. Maar juist doordat we toen zo zoekende waren, ken ik nu de verschillende paadjes en landmarks nog goed. Wil degene die mij ‘het navigatievermogen van een zeepaardje’ toedichtte, even zijn hand opsteken? 😉

We wandelen eerst een stuk onderlangs de afgraving in. Ik schiet wat foto’s, want ik heb mijn DSLR dit keer meegenomen. Ook heb ik een lange broek aan en mijn stevige bergschoenen – eigenlijk twee acessoires die ik puur mee heb genomen voor de wandelingen hier boven op de berg. Ze komen nu goed van pas, want we lopen stevig door over rotsige paden en banen ons een weg door het hoge gras vol distels. De wandelaars die mee zijn op hakjes, op teenslippers, en met blote benen, hoor je af en toe een gilletje slaken.

Aan het einde van de vallei besluit onze gids dat we hier steil omhoog kunnen. En steil is het! Terwijl hij nog wat uitlegt, gaan een paar fanatiekelingen hem vast voor. Het wordt echt klauteren naar boven, waarbij sommigen best hard naar beneden roetsjen omdat het kruimelige pad onder hen wegbrokkelt. Misschien is mijn inschatting van de klim door al die ongeoefende klimmers wat verkeerd, en ga ik aanvankelijk heel behoedzaam naar boven. Dat blijkt  niet erg nodig; het pad is stabiel, de klimmers zijn gewoon ongetraind en hebben hun voeten op de verkeerde plaatsen neergezet. Ik zigzag wat om anderen heen en sta dan ook boven op de berg. Met camera en telefoon maak ik wat kiekjes en selfies van het prachtig uitgestrekte landschap hierboven. Je kunt het kampeerterrein niet zien liggen, maar Dudelange wel. In de verte links zien we windmolens – in Duitsland, wordt gezegd. In de verte links zien we de goudgele heuvel met strorollen, en hoog bovenop de rood-witte ‘RTL-mast’ waar we twee jaar geleden nog omheen hebben gewandeld. Fantastisch.

Nu is het vanaf hier vlak, en daar zijn veel mensen wel blij mee. We gaan op zoek naar de laatste achtergelaten mijnkar, zegt de gids. Die is bewust achtergelaten als herinnering aan een lange tijd van ijzerertswinning. Na een paar meter komen we al bij de eerste grote kegel ‘slack’, een restproduct, die halverwege de heuvel is gestort, en daar is blijven liggen. Iets zegt me dat we inderdaad hier op de heuvel lopen, waar ik met Bas lang geleden tegenaan keek. De zon staat goed, de heuvel heeft precies de juiste vorm… jawel. Daar staat de laatste wagon. Onze ploeg stuift eropaf en volwassenen en kinderen beklimmen het enorme ijzeren vehikel. Het is eigenlijk gewoon een joekel van een trommel, opgehangen in twee vorken, op een platte treinwagon. Aan één zijde zit een stookcabine, opdat de ijzererts tijdens het rijden op temperatuur (en dus vloeibaar) gehouden kon worden.

Na wat uitleg en diverse kiekjes lopen we verder. Ik weet dat we nu bij het kleine, later gemaakte spoorbruggetje gaan komen. De gids vertelt dat hier vroeger helemaal spoor lag, tot in het centrum van Dudelange. Op de plek waar nu de grote Match-supermarkt staat, stond toen de ijzerfabriek. Er lagen twee sporen naartoe, omdat er natuurlijk dagelijks een doorlopende af- en aanvoer was. Maar, dat alles is verleden tijd. De sporen zijn weggehaald, de routes waarover ze liepen, overgroeid. We volgen het pad door het bos tot aan het bruggetje. Weer stuiven mensen erop. Ik loop er voor de verrassing eens onderdoor, en daarmee blijk ik geluk te hebben. Als ik omhoog kijk zie ik mensen kermend wegsprinten, van de brug af. Reden: aan weerszijden zitten bijennesten, en diverse mensen worden in hun onderbenen gestoken. Phew, dans ontsprongen.

We lopen verder, en aangezien niemand (aahh) het verhaal in het dorp echt wil gaan bekijken, gaan we gezamenlijk terug naar de camping.

Een bijkomende reden daarvoor is, dat de sushiworkshop zal beginnen (in een uur, beste mensen, maar ik zeg maar niks). Ik kleed me nog even om naar iets warmers, en wanneer ik nog even naar de wc wil lopen word ik al driftig naar de tafel met sushi-pupillen gemaand. Ondanks de inschrijflimiet van 20 personen zitten we toch echt met bijna het dubbele aan de tafels. Workshopleidster Tatiana is zo te zien blij, maar ook wat overdonderd door de opkomst. Snel maakt ze twee potten vol rijst en we kunnen beginnen.

Aangezien ik de workshop twee jaar geleden ook al heb gevolgd, en de tactiek verbluffend snel bij me terugkomt, besluit ik dit jaar gewoon rustig wat groenten te snijden en verder gewoon lekker alles op te eten. Dat lukt goed! Ik produceer wat reepjes paprika en leg me daarna toe op het proeven van alle schijfjes maki. Dat lijkt ook wel het enige type sushi dat dit jaar gemaakt wordt. Ik trek er een pilsje bij open en de avond is compleet. Snaaiend van de bereide rolletjes, de surimisticks en reepjes zalm, komt mijn buik langzaam vol. Ik wacht niet meer op de tweede batch rijst, ik ga weer (met een nieuw biertje) bij de tent hangen.

Daar blijkt ons hackersgroepje gezellig bijeen te zitten, vergezeld door een gezellige Nederlandse hackster uit een andere ploeg. We blijken beiden lang geleden naar Megabit te zijn geweest, en dat schept een band! We praten heel wat af over de tijd van toen, de lanparties, de netwerkkwaliteit, de typische quirks van als vrouw tussen de honderden mannen zitten. Langzaam wordt het donker. De sushiworkshop is achter ons opgeruimd. Ik ga nu echt wat warmers aantrekken, want vanavond is het kouder dan voorheen. Dat merk je. Met een ongeziene merinolegging onder, en een lang merinovest over mijn kleren begeef ik me naar de bar voor mijn eerste Tschunk die avond. Maar oh! De bar is nog niet open!

Ik zet me daarom maar op de bank met een langharige Duitser met een vrolijke lach. Michiel komt aan de andere kant ernaast zitten. Na een tijdje lullen over werk en programmeren heb ik het wel weer gezien, het wordt donker en zeker tien mensen heb ik al bij de bar zien weglopen met een heerlijk glas Tschunk. Ik wil ook, en bovendien ben ik op zoek naar ander gezelschap. Het is tenslotte zaterdagavond en er zijn mannen in overvloed. Hoppa.

Met mijn kersvers vergaarde Tschunk loop ik een willekeurige Duitse tent in tussen die van ons en de otters. Dit is de tent met veruit de meest imposante muziekinstallatie. Door de dagen heen hebben mensen een eveneens zo imposante connectie opgezet, opdat er via een shared playlist mensen zelf muziek kunnen afspelen en toevoegen op deze zeer centraal gelegen speakers. Ik moet zeggen, ik heb niet veel slechts gehoord dit weekend. Een jongen genaamd Nicholas, met wie ik al eerder in het zwembad zat te praten over Wacken Open Air, draait nu zijn playlist. En jawel, ik herken Nightwish! Hij heeft wat leuke nummers, en als vanzelf gaan we meezingen. Doordat ik al wat alcohol op heb ben ik niet zo geneigd hem bijzonder veel te vragen over zijn achtergrond in zingen. Hij zingt in een koor, en dat is fijn om te horen. Samen zingen we wat nummers van Nightwish mee, midden op het veld. Ik krijg het compliment dat ik bij Nemo ‘die ene acapella noot gewoon loepzuiver inzette en aanhield’ – van zijn tentgenoot. Kijk, dat vind ik complimenten!

Als er weer te veel onbekende muziek op komt ga ik weer een tentje verder. Een tweede Tschunk wil ik eigenlijk niet, want ik hoef geen hangover. Dus pols ik Hugo even. Hij blijkt in de maintent te zitten, alwaar hij met twee vrienden driftig aan een badge voor een opkomend event programmeert. Okee. In een keer ben ik weer nuchter. Ik bedoel, gezellig bij hem zitten wil ik nu wel, maar hij doet duidelijk niet aan het feestje buiten mee. Dus zet ik de knop om, haal ik ook mijn laptop, en ga ik maar vertalingen zitten hakken.

Het wordt niet erg gezellig op die manier, en ik word met name alleen maar slaperiger. Dus zeg ik de boys goedenacht en zoek mijn tentje op. Morgen maar weer eens echt wat nuttigs doen, zoals naar de braderie in het dorp gaan, en mijn eenhoorn-hoorn en -staart aan mijn tent bevestigen…

Vrijdag op het hackercamp

Ik hoor mijn wekkertjes één voor één afgaan. Ik heb heerlijk geslapen, ben uitgerust. Dus alleen de eerste om kwart voor zeven tik ik uit. Om acht uur gaat mijn ‘aankleden!’ wekkertje, om kwart over acht mijn ‘vertrek’ wekkertje. Oké, ik word echt wakker.

Rond half negen begint mijn tent al een aardig oventje te worden, dus ik glip in de eerste de beste combinatie van korte broek en t-shirt die ik vind. Mijn t-shirt met puntmuts is een geweldig ding, en ik ben blij hem te hebben meegenomen, maar tegen de zon is hij echt onpraktisch. Mijn schouders zullen in een mum van tijd verbranden, dus dat shirtje trek ik niet aan. Kijkend naar wat ik dan wél aan shirtjes heb is het wat zielig: mijn blauwe Haxogreen-shirt van twee jaar terug is ronduit zweterig van gisteren. Mijn nieuw verkregen zwarte Haxogreen-shirtje wil ik ook niet gelijk aan (lijkt alsof je niks mee hebt genomen). En dan blijft er over… ja niks. Twee merinowollen truien ‘voor als het ’s avonds koud wordt’ en een knalgele navelsweater (ja het bestaat) waar ik zelf ‘CYBER’ op heb gekalkt.

In de maintent, na het tandenpoetsen en opfrissen, vind ik de oplossing. Terwijl ik mijn ontbijt zit op te kauwen zie ik dat er een tafel vol ‘gratis free stuff’ is, met ook twee aardige t-shirtjes in de maat medium. Die gaan mee!
Ik haal een kopje koffie bij de HackSaar tent, maar kom een beetje bedrogen uit. Ze hebben een tweederangs Senseomachine bij zich… maargoed, de koffiepads zijn gratis! en nadat ik het bakje troebel water heb opgeslurpt, is Martijn wakker en zegt hij toe échte koffie te gaan zetten in zijn reusachtige mokacafé. Gelukkig.

Nippend aan die bak sterke koffie komt het besef tot me, dat kamperen bij dit buitengewoon hete weer eigenlijk een slechtere keus is dan thuiszitten bij dit weer. Ik bedoel: in Nederland is het nu dagenlang 30 graden. Maar daar bewoon ik een stenen huis, dat ik met wat slim luchten koel houd op 25 graden. Hier, in Luxemburg, is het even heet – maar zit ik in een nylon tent die 12 uur per dag midden in de zon staat. Geen isolatie, geen schaduw.

Berustend in mijn lot haal ik mijn laptopje op uit mijn groene oventje, pak stroomkabel en muis erbij, en ga in de maintent aan een tafel zitten. De maintent staat grotendeels in de schaduw en waait redelijk door. Ik kan het hier wel een paar uur uithouden. Bijkomend voordeel is dat je omringd wordt door alle andere Haxogreeners.

Nee, er gebeurt niet veel. Ik leen geld van Dave opdat ik meer drankjes dan alleen water kan halen. Tussen wc, laptop en bar kom je aan de praat met iedereen. Belgisch, Nederlands, Engels of Duits, iedereen heeft een verhaal, en met wat geluk ook leuke projecten om te laten zien.

Tegen het eind van de middag wordt de hitte me te veel. Ik zoek mijn witte badpak op en pak een blauw shirtje om mijn schouders bedekt te houden tegen de zon. Merk op dat ik er in deze combinatie uitzie als een smurf in een luier. Ik wandel daarom maar benedenlangs naar het zwembadje toe. Zo, ik zet me in het koele water. Er drijft een dobber met chloortabletten in, een pomp zorgt voor de minimale verversing van het water. Zo hangen we en praten we weer in allerlei talen door elkaar over onze afkomst. Het leuke is (vind ik) dat die gesprekken ook al gauw over linguïstiek gaan. Het badwater koelt echt heerlijk af, ik snap dat mensen met gemak een verschrikkelijk hete dag in een zwembad kunnen doorbrengen tot de schemer valt. Je kan er niks – niet met electronica, niet met papieren boeken, want je bent omgeven door water – maar het koelt wel zo af, dat het gerust smoorheet mag zijn.

Zodra het een tijdje lang betrokken is stap ik uit het water. Tot mijn verbazing heb ik het gelijk koud. Michiel ook. Ik ga douchen. Zodra de zon weer achter de wolken vandaankomt is het ook gelijk weer smerig warm.

Als de schemer valt wordt het gelukkig wat draaglijker op het terrein. Wat eten we vanavond? Een paar mensen willen pizza’s laten bezorgen vanuit het dorp. Een paar anderen, waaronder ik, willen daar wel even heen lopen. Goed, dan lopen we er met z’n allen heen. Het is echt maar een kilometer heuvelaf, dat is wel fijn. De eerste de beste pizzeria aan de straat schieten we in. Wat verlaten staan we binnen in het airco-koele stijlloze restaurantje.

Een meisje van de bediening merkt ons op en troont ons mee naar achteren, waar nog een heel ander restaurant blijkt te zitten. ‘En de prijzen zijn zojuist verdubbeld’ grinnik ik Michiel toe. We mogen buiten zitten onder een overkapping. Voor amusement wordt gezorgd door een enorm grote projectie-TV achter ons. De projectie-TV was de voorloper op de grote flatscreens en plasmaschermen. Deze bij onze tafel is ongeveer 49 inch. Hij geeft niet bijzonder veel licht, maar wel leuk geluid: er staat een non-stop hitzender met muziek uit de jaren ’90 op. Ik swing vergenoegd mee met alle oudjes zoals Snap, Dr. Alban, Vaya Con Dios, en Toto. Als de kastelein de gemiddelde leeftijd van ons zestal inschat, verandert de muziek langzaam naar de hits van deze tijd. Hè, jammer.

De kastelein – een oudere, knokige man met een enorme zwarte bril – merkt op dat ik de enige ben die Frans kan. Dat doet hem genoegen. Enthousiast legt hij aan mij de kaart uit, in verwachting dat ik het de rest wel uit zal leggen. Ik volg zijn snelle Frans redelijk goed, met een verduidelijking hier en daar. De jongens zitten me met klapperende oren aan te horen, terwijl we over specialiteiten als zalm, linguine alla vongole, en koteletten praten.

Als hij wegloopt kijken de jongens me aan. ‘Wat heb je nou voor ons besteld?’ ‘Heb je Leroy verkocht?’ grijnzend vertel ik ze de drie extra specialiteiten op de kaart, en overweeg zelf de pasta te bestellen. In een pizza heb ik niet zo veel trek. Zo gezegd zo gedaan. Als ik terugkom richt de kastelein het woord weer aan mij en neemt hij de bestelling op. Hij kan ook wel wat Engels, gelukkig. Ik neem de pasta.

Al gauw brengt hij voor mij een kommetje, en een keurig verpakt doekje om mijn handen mee schoon te maken. Ik twijfel. Ik kreeg toch pasta? Te zien aan het bestek – een vork en een lepel – is dat ook zo. Linguine eet je prima met dat gereedschap. Maar dat kommetje? Wat betekende vongole ook alweer? Ik wil me niet laten kennen en blijf braaf aan tafel zitten zonder te Googlen. Vooraf krijgen we een bordje met twee bolletjes visprakje, wat duidelijk heel, heel snel op moet voordat het over datum raakt. Goed hoor.

Als alles is opgediend, blijkt mijn gerecht helemaal niet zo gek, voor een restaurant dat faam maakt met visgerechten: alla vongole betekent met schelpen. Hèhè. Blij wip ik de schelpjes open en slurp de inhoud eruit (trivia: wie vond uit dat je dit kon eten en wat bezielde hem toen hij de eerste maal dit deed!?). Daarbij eet ik de lekkere pasta. Heerlijk. De mondbrand die ontstaat door twee tactisch verstopte pepertjes stil ik met mijn bier.

Na het eten, waarbij ik nog netjes de fooi aanvul, want de bediening was keurig – splitsen we ons op en gaat een deel van de groep even pinnen. Bijna haken we af bij de ING in het dorp, want de deuren zitten dicht. Gelukkig weet ik dat je dikwijls gewoon een knopje hebt om in een voorportaaltje bij de pinautomaat te kunnen. Zo ook hier. Anders hadden we nog bij de Sparkasse buiten kunnen pinnen – met als leuke detail dat de naam in het Luxemburgs ‘Spuerkeess’ is. Ik word best blij van Luxemburgs.

’s Avonds blijft het nog lang warm. We hangen voor de tenten, bij de Nederlandse enclave aan de overkant. Die hebben dan weer vrij uitzicht op onze buren: een delegatie van Warpzone. Nou moet gezegd worden dat Warpzone, onze buurtjes in Münster, een prima hackerspace met echte hackers is. Echter, het groepje dat hier op Haxogreen kampement houdt, heeft duidelijk wat aparte sociale voorkeuren. Ik keur niets af, maar heb – en met mij heel wat anderen – af en toe best wel met opgetrokken wenkbrauwen zitten kijken. De Warpzoners hebben een vierkante tent, die van de voorkant open is. Heel mooi, want ze hebben twee slush-apparaten opgesteld. Daarover misschien nog meer. Maar de rest van de tent is nagenoeg alleen bezet door een paar grote luxe luchtbedden, en op de achterwand worden doorlopend videofilmpjes van schattige otters geprojecteerd. Het is niet alleen daarom, dat de jongens al gauw ‘de otters’ worden genoemd. Hun gedrag krijgt al snel de term ‘otteren’. Kijk je op een willekeurig moment op de dag de tent in, dan kun je van het luchtbed 2, 3, soms wel 4 paar jongensbenen en -armen zien uitsteken. De combinatie van jongens is telkens wisselend, maar waar één of meer Warpzoners bij elkaar zijn, wordt er heftig geknuffeld en innig over elkaar heen gerold. Het is geen stoeien. Ja. En het is, als je er niet al te veel door verbaasd bent, best een aandoenlijke aanblik. Er wordt af afgeaaid, gelebberd, en met handen overal hier en daar gezeten. Kleding gaat niet uit, maar er is desondanks genoeg te zien. De otterboys trekken zich er duidelijk niks van aan, maar het begint wel een dingetje te worden. Voorbijgangers besteden er simpelweg maar zo weinig mogelijk aandacht aan – of ze nu een vaatje slushie tappen, driftig zitten te solderen (want ja, dat doen de boys ook daar), of in gesprek met elkaar zijn. Het is wat aparts, op een hackerkamp.

Die avond is ook de maansverduistering te zien. Je merkt het aan de groepjes Haxogreeners die, zo na tienen, samenscholen en allemaal richting het zuiden kijken – een enkeling met een betoeterde camera en statief. Er wordt gepraat, gewezen, en… gegaapt. Want de maan, zoals gezegd bloedrood, wordt verhuld door flarden wolken. Het is geen optimaal zicht. Ik laat mijn DSLR daarom in mijn tent, want ik heb alleen mijn 50mm lens bij me. Daarmee kun je de maan als een postzegeltje op een ansichtkaart krijgen, en met de bijkomende bewolking zie je gewoon praktisch niks. Dus ik ga niet lopen showen met mijn spullen, ik kijk gewoon liever. Omdat het gezelschap op het terrein me niet bevalt, loop ik om de camping heen naar een hoger gelegen punt boven aan de weg. Daar staan nog wat vrienden en onbekenden. Ee kijken hoe de wolken wegtrekken en de maan, waterig en perzikkleurig, langzaam weer zichtbaar wordt. Al met al is het een aardige aanblik. Ik merk op dat het zicht op oostelijk Dudelange vanaf hier wel erg mooi is. Daarom haal ik, als iedereen weg is, toch nog mijn camera en statief. Inmiddels heb ik wel een Tschunk achter de kiezen, dus heel recht fotografeer ik niet meer. Inderdaad, de maan is een zielig vlekje in mijn zoeker. Die laat ik links liggen. Ik fotografeer de lichtjes van de stad.

Even zit ik stil op het rotsblok, en staar lang naar de maan. Mag je op zo’n mooie avond wensen? Om iets, om …iemand? Ik schud mijn hoofd en loop terug naar mijn tent. Slapen maar.