maandag

De dag van vertrek. Wilco en ik staan om zeven uur op. Ik heb eigenlijk alles klaarstaan, dus we ontbijten en dan brengt Wilco me naar het treinstation. Hij loopt even mee het perron op. Voor ons zien we een propvolle intercity en een vertrekbord dat niks zinnigs aangeeft. De spoorwegmedewerkers vertellen ons het goede nieuws: door een wisselstoring tussen Almelo en Hengelo rijdt er niks. Maar, om negen uur rijdt er weer een trein en die zal een hele zwik mensen langs dat punt loodsen. Afijn, Wilco’s parkeertijd is om dus we nemen afscheid en ik wacht op de bewuste trein. Die komt en rijdt me naar Hengelo. Daar staat een Duitse trein klaar met bestemming Schiphol. Helemaal mooi! Nu nog rijden. Het gaat van vijf over negen naar tien voor half tien en inmiddels heeft de conducteur al twee keer omgeroepen dat hij geen flauw idee heeft hoe laat we door mogen rijden.

Net als vele andere reizigers bel ik mijn geliefde om te klagen over de voortgang. Wilco neemt geen halve maatregelen en gaat in op mijn verzoek om mij met de auto naar een station voorbij Almelo te brengen. Hij is er binnen twintig minuten en samen racen we zo verder naar Deventer. Wilco stelt voor om me naar Schiphol te brengen. Ach, als het kan, doe dan maar. Hij levert me netjes voor de vertrekhal af en dan moet ik toch echt op eigen houtje verder. Ik geef mijn koffer af bij een KLM-balie en ga door de douane. De juiste vertrekhal is zo gevonden. Na een uurtje ‘Mind your step’ te hebben gehoord mag ik in het vliegtuig stappen. Het is twee uur vliegen naar Helsinki. Onderweg praat ik met mijn buurman, een Ship Engineer uit Birmingham. We eten lunch en praten wat over wat we gaan doen in Helsinki. Voor ik het weet landen we alweer. Nu mag ik 4 uur bivakkeren op een enorme luchthaven. Ik loop vast naar vertrekhal 13 alwaar mijn vliegtuig zal vertrekken. Daar is een duur restaurant en een minstens zo dure hapjeskeet. Met een kipsalade en een koffie ben ik good to go. Misschien was ik vergeten te vermelden dat mijn ‘maandelijkse hoofdpijn’ zich net vandaag aangediend heeft. Daar doet de koffie niks tegen. Na het eten internet ik wat en zie dan dat mijn gate veranderd is naar 19. Kan ik weer terug! Bij die gate heb ik helaas geen internet. Ik lees mijn National Geographic en loop nog even terug naar gate 13 om te checken of Heikki toevallig nog iets gemaild heeft. Niks. Zou iemand me komen ophalen?

Nog een uurtje zitten en dan vliegen we per Douglas-vliegtuig naar Oulu. Het is best wel een zeepkist. We stijgen langzaam op (daarbij moet de verlichting uit?) en blijven eigenlijk de hele vlucht achterover hellen. Het uitzicht is wel erg mooi zo bij nacht. Bij het landen hangen we een kwartier lang steil voorover. Ik betwijfel de vaardigheid van de captain. Ze laat ons met veel gehots naar beneden suizen, veel minder comfortabel dan die Boeings. Dan staan we aan de grond. De steward gooit de achterdeur open en we vriezen allemaal in één klap halfdood. Bij het afdalen van het trapje worden we bijna weggeblazen en dan staan we in 20 centimeter sneeuw. Dat begint goed. Ik heb me ingepakt als een eskimo. Mijn koffer rolt als laatste de band op. Het Bijenkorf-embleem is woest van de voorkant gerukt en het doosje potloden dat voorin zit heeft onder alle heavy load een grauwe afdruk achtergelaten. Ah ja, next time beter inpakken dus.

Ik kijk in de aankomsthal en ja, daar staan twee meisjes met een bordje ‘Heidi’ te wapperen. Wat fijn! Ze rijden de luxewagen voor en we sjezen door de dikke sneeuw naar het centrum. Ze zetten me bij het hotel af en ik bedank ze hartelijk. Ze geven me zelfs nog een routekaartje met hun telefoonnummers en beweren dat dit een stuk beter geregeld was dan de aankomst van de Spaanse exchange student. Ach, leer mij kennen!

Mijn hotelkamer is sober maar voldoende om een nachtje in te slapen. Ik internet nog wat (PanOulu doet het vrijwel gelijk!), maak foto’s uit het raam en dan is het oogjes dicht, snaveltjes toe…

dinsdag

Om kwart over vier ben ik wakker geworden van een raar geluid: is iemand het hotel aan het afbreken met een shovel ofzo? Enfin, even uit bed gestapt en gaan kijken. Onder mijn raam rijdt, jawel, op dit tijdstip, een grote gele ijsschuiver heen en weer om de straat sneeuwvrij te krijgen. Tevergeefs trouwens, want de straten hebben hier een permanent laagje wit.

Ik kan redelijk doorslapen, sta om 8 uur op en spring vlug onder de douche. Ik doe een rondje ontbijt en leg de hotelier uit dat ik mijn koffers even op mijn kamer laat. Hij knikt wat. Ik loop naar het Psoas kantoor, dat ongeveer drie blokken van het hotel ligt. Ik moet een nummertje trekken, maar ik hoef niet lang te wachten. Ik vermoed dat dat wel anders zal zijn wanneer er grote hordes studenten komen bedelen om een kamer, vlak na de zomer. De dame aan de balie is blij verrast dat ik alles op papier heb meegenomen. Ze laat me wat handtekeningen zetten en ik krijg mijn kamersleutel plus toegangscodes voor de internetverbinding. Ik schuifel zo snel als ik kan terug naar het hotel: het is al half elf en ik moet haasten, maar de straten en stoepen zijn spekglad. Sprekende van een stoep: die zie je hier niet echt door de hoge sneeuw. Voetgangers en fietsers komen je aan alle kanten voorbij. In het hotel haal ik mijn koffer en tas op en reken af bij de hotelier. Die blijkt helemaal geen Engels te kunnen, maar is blij met het geld. Ik roep hem een bedankje toe en zet koers naar Välkkylä.

Välkkylä staat bekend als een erg mooie campus. Ik vind het ook erg mooi en ben blij dat me hier een kamer is aangeboden. Het lijkt op Calslaan oud in Enschede, maar de huizen zijn van rode baksteen en ze staan dichter op elkaar. Er zijn drie verdiepingen en ik woon op de derde, in een appartement samen met twee andere meisjes. Mijn kamer kijkt uit op een paar rijen dunne berken met daartussen de Pohjantie snelweg.

Ik sleep me naar boven zonder koffer (je wil niet boven aankomen en zien dat je sleutel niet past) maar gelukkig, ik kan mijn huis in. Ik haal de koffer op en krijg enorm veel zin om uit te pakken. Dat gaat niet, want ik moet eigenlijk al in het Oamk zijn. Ik ga lopen, maar vergis me in de wijk. Ik zie voor het eerst een enorme pickup truck met een sneeuwshovel voorop. En dan zijn bullbars in Nederland verboden! Wat een monster is dit! Ik dwaal wat rond, bel Annemari op en ze loopt me tegemoet. Inmiddels zijn er fikse blaren op mijn hielen gekomen, die ik nog ken van de eerste dagen dat ik deze schoenen had en van mijn tripje Stockholm. Stug doorlopen werkt het beste. Ik ontmoet Heikki Timonen, mijn begeleider, en Annemari leidt me rond door de school. Ik krijg zelfs een ticket voor cheap lunches (die zijn standaard wel 8 euro maar kelderen met dit ticket naar 1,60!) Je mag ook warm eten opscheppen, dus voor die paar euro ga ik lunch en avondeten mooi omkeren.

Annemari en ik nemen de bus naar de stad. Ze laat me een aantal haltes zien waar ik uit kan stappen. Ik ga vanaf de stad naar Kodin1, een Finse Kwantum. Ik stap in bus 8 en probeer op mijn beste Fins de naam van de winkel uit te spreken, maar de chauffeuse begrijpt me niet. Toch ga ik maar zitten. De bus gaat gelukkig de goede kant op en ik stap op tijd uit. In de verte zie ik de winkel al liggen. Echter, ik moet nog wel 500 meter over de parkeerplaats door 40 cm hoge sneeuw! De Kodin1 is een leuke winkel, als je alle wanden met designerspullen voorbij loopt. Ik scoor een cheap dekbed van 16,50 en een dikke badhanddoek voor het douchen. Net te laat voor de bus van half vier, dus ik kijk nog even rond en vind een supermarkt. Daar haal ik wat kleine dingen en eten voor de avond. Tijdens de rit terug beland ik in de file. Het is vier uur! Tja, spitsuur hier in Finland.

Mijn huisgenotes zijn thuis. De ene komt uit Lapland en is erg zwijgzaam, ze kan weinig Engels. De andere komt uit Oulu en huist hier tijdelijk, tot haar eigen appartement is bekomen van waterschade. Ze is wat spraakzamer. Het is duidelijk dat ik hier tussen de ‘locals’ zit en dat Engels praten meer voorkomt in de studentenflat Otokylä waar eigenlijk alle exchange students een plekje krijgen. Ach, loopt wel los. ’s Avonds eet ik mijn magnetronmaaltijd en internet wat. Allemaal mensen willen me op Skype spreken. Ondertussen maak ik mijn huur over aan Psoas, want er werd op gehamerd dat het elke vijfde van de maand binnen moest zijn. Na tienen vind ik het echt wel welletjes want ik ben supermoe en wil slapen. Ik hang nog even in de keuken terwijl ik een mandarijn opknabbel, praat wat met Sanna en Marjo en ga slapen.

woensdag

Vandaag rond 8 uur opgestaan en gedouched. Stevige hoofdpijn als gevolg van het slapen op een opblaasbaar kussentje dat het halverwege de nacht begaf. Ontbijt gegeten en naar de supermarkt naast Välkkylä gewandeld. Ze zijn alledrie zo groot als de Makro. Op advies van Annemari kies ik de middelste. Ik werk mijn boodschappenlijstje af en weet redelijk uit te komen met geld. Ja, nu weet ik waarom de hele betalings-handel met het Oamk snel geregeld moet worden. Wat een aanslag op je cash is dit.

Ik maak wat foto’s van de omgeving en loop weer terug. Tijd om even wat te typen en om naar school te gaan. Helaas, de bus komt niet op tijd. Eenmaal onderweg hoor ik dat de chauffeur rustig metal draait terwijl hij rijdt. Rocktown hier, ja, zeker. Ik ben tien minuten te laat bij Heikki. We hebben een goed gesprek en volgens mij worden we het wel eens over de afstudeeropdracht. Dan moet hij écht weg naar zijn college maar gooit nog snel een berg formulieren uit zijn printer, die ik mag komen invullen. Ik neem ze maar mee en ga lunchen. Weer zo’n uitgebreide lunch voor 1,60. Vanavond staan er broodjes op het menu!

Ik ga naar huis met de bus, mijn kaartje is eigenlijk al tien minuten niet meer geldig. Maar ik doe zo moeilijk bij het zoeken naar geld, dat de buschauffeuse het wegwuift en me door laat lopen. Ach, ze was zelf ook al tien minuten te laat, eerlijk is eerlijk.

Inmiddels is het hier nu tien over half zeven. Ik ben naar de stad gelopen, wat op zich niet zo ver was. Ik heb suède anti-slip plakkers in m’n schoenen gedaan (ooit gekocht bij Scapino) maar daar wordt het lopen niet comfortabeler van. Ik ben naar Stockmann gelopen, de grote ‘Bijenkorf’ alhier. Stockmann heeft het nog íets beter gedaan (op conceptueel gebied!) dan ons elite-warenhuis: deze heeft namelijk ook een luxe balie voor het kopen van busabonnementen en allerlei andere tickets. Ik trek een nummertje voor een busticket en evenlater mag ik dan bij een knappe jongen in het Engels m’n verhaal doen. Hij wil even het formulier zien dat ik zojuist van Heikki heb gekregen en dan vindt hij het helemaal goed. Ik krijg een buskaart voor 36 en een halve euro en daarmee mag ik een maand lang overal heen reizen waar ik wil. Ik bedank hem, loop naar buiten en zie bus 8 richting Kodin1 aankomen. Hoei! Zo hard als ik over de bevroren sneeuw durf te rennen sjees ik naar de bus en spring erin. Mijn kaart werkt uitstekend, je hoeft hem alleen maar voor een blieper te houden en een lichtje geeft aan of je kaart bijna verlopen is. Mijne is fonkelnieuw! Reizen! Ik stap uit bij Kodin1 en ploeter weer door de sneeuw. Ik koop het goedkoopste hoofdkussen dat ze hebben en begin dan met twijfelen over ‘gordijnen’. Want serieus, alles is duur. In het kader van lifehacking koop ik twee donkerblauwe lakens, beide zeven euro. Ze passen ruim voor het raam. Ik had ook voor een lap stof van 3×1,5 meter kunnen gaan maar dat had hetzelfde gekost en was dun en zonder zoompjes geweest. Ik heb gezien dat in Välkkylä mensen wel raardere dingen voor de ramen hebben hangen. Eén ding is zeker: ze kunnen toch niet mee naar huis. Ik haast me naar de bushalte, maar de bus blijkt om half zes niet meer te rijden. Het is zeg maar na de spits nu. Ach, dan maar lopen. Een fiks eind, maar als je eenmaal door je blaar heen bent gelopen voelt de pijn alleen maar prettig.

Vlak voor huis, bij de supermarkten, koop ik nog een afwasborstel. Het blijft me verbazen dat ze hier geen theedoeken kennen. Die had ik echt mee moeten nemen van thuis. Anderzijds, we hebben hier een zgn. droogkastje, iets dat ik ken van ons vakantiehuisje in Italië. Je schuift je natte vaat gewoon in een rekje, deurtjes dicht, en wachten maar. Een afdroogmachine, werkt draadloos!

Ik smeer twee boterhammen met jam en ga zitten typen. Inmiddels heb ik mijn gordijnen opgehangen. Okay, ze zijn nog altijd wat dun, maar passen prima en overlappen elkaar een stuk. De buren konden op zich niet bij me naar binnen kijken, en de mensen op de snelweg ook niet echt, maar nu is het tenminste wat knusser hier. Het kussen is ook ontdaan van z’n plastic zak en gevangen in het sloop. Hopelijk een stuk beter dan dat opblaasding!
Verder heb ik net even mijn huisgenotes gedag gezegd in het Fins, het Finse antwoord verstaan jeej en nu ga ik naar een heuse Saunaparty toe waar ook andere exchange students zijn.

Back again. De saunaparty was wel wat ik er ongeveer van verwachtte: een louche kelder onder een winkelpand met wat banken, een TV en oude meubels. Onmeunig veel drank op tafel, en dan ook gelijk sterke drank: cider, gin, meisjes tikten hele flessen rode wijn in een keer weg. Viel me ook op dat iedereen jonger was dan ik. Anyway, ik heb me wel vermaakt, rare toneelstukjes gezien, flauwe anekdotes verteld, geen sauna gezien eigenlijk… en ik miste denk ik wel wat drank om de humor goed te volgen. Nouja, iedereen praatte toch Fins. Niet mijn type feestjes, maar wel leuk dat alle first year students nu mijn neus even hebben gezien. Natuurlijk moest ik ze een berg vloekwoorden aanleren, dus maar gedaan, toen een bus naar huis gepakt. Lekker mijn bed in!

Laatste update: bij inspectie van mijn blaren blijkt dat ze beide nu ‘door’ zijn. Ik heb mijn tanden op elkaar gezet en het velletje bij de ene eraf getrokken, bij de ander zit hij nog vast. Met een laag Purol zalf erop ben ik gaan slapen. Ik zal morgen toch weer moeten lopen…?

donderdag

Ik heb vandaag niet afgesproken met Heikki, maar ik moet hem even een formulier teruggeven. Het is nogal dubbel: het formulier is voor studenten van het Oamk en gaat naar de Erasmus-genootschap om geld aan te vragen. Deze formulieren heb ik ook al in Nederland onder ogen gehad en bewust niet ingevuld vanwege de deal hier, maar had ik dat beter wel kunnen doen? Bovendien zegt 1 formulier dat ik ‘minstens 1 jaar student moet zijn geweest’ bij het Oamk. Eh?

Ik wandel een paar keer langs Heikki’s kantoor en ga dan boven in een werkkamer zitten. Daar is een koffiezetapparaat en studenten lopen af en aan. Ik stal mijn laptop uit en internet wat (gratis Panoulu hier, zonder banners!) Heikki mailt me dat hij om twee uur tijd heeft, en ik meld hem waar ik ondertussen zit. Al voor twee uur loopt hij de kamer binnen, mooi. We kijken de formulieren door en hij zet gauw krabbels; het is allemaal wel goed, ik moet het niet al te serieus nemen. Hij geeft me het adres van een studentassistent, Henri, en haast zich weer weg met de formulieren. Ik pak een bus naar de stad en zoek een apteekki, tenminste een plaats om blarenpleisters te kopen. Ik wandel nog wat rond en pak de bus naar huis. ’s Avonds maak ik broodjes en hang nog wat aan Skype. Dan is het tijd om te gaan slapen.

vrijdag

Ik heb vandaag een afspraak met Henri Turunen om tien uur. Eindelijk eens een schappelijke tijd om op school te komen. Negen uur mag van mij ook wel. Henri blijkt een vaste stek te hebben in een werkkamer op de begane grond. Hij laat me alle projectmappen zien van wat er de afgelopen jaren aan films, tijdschriften en zo meer is gemaakt. Alles wordt goed bijgehouden. Hij geeft me een lijst van alle docenten die ik wil gaan spreken.

Een ander meisje komt binnen, ze heet Jenni. Ik stal mijn laptop uit en schrijf een wekenplanning. Als ik het zo uittel heb ik echt enorm veel tijd om alles uit te voeren. Ik ben gewend aan 4 weken voor een project, nu heb ik het viervoudige. Jenni stelt voor om te gaan eten.

In de kantine ontmoet ik Maarten voor het eerst. Dat is de andere Nederlandse student, die ook van Kunst en Techniek blijkt te komen. Hadden ze mij ook wel even mogen zeggen! We eten onze warme lunch en keren terug naar de werkkamer. Daar ontmoet ik Jussi, een van de docenten die ik ga interviewen. Hij vertelt me dat er al enige concepten op tafel lagen voor dit hele plan en hij zal ze me mailen. Mooi!

In het lokaal vlakbij geeft een van de studentes les in striptekenen. Ik ga erbij zitten en teken mee. Ik mag maandag ook wel weer mee komen doen. Welja, leuk 🙂 . Tegen twee uur pak ik de bus (niet de goeie, die rijdt net weg) en ga richting stad.

Ik stap uit bij Kauppatori (iets van, winkelstraat-poort) en loop noordelijk naar het Psoas kantoor. Onderweg zie ik een stadsplattegrond, dus ik druk m’n neus erop en zoek uit waar ik sta. Een oud vrouwtje roept iets vrolijks naar me. Ik gebaar dat ik geen Fins kan en direct gaat ze over in bijzonder goed Engels (voor een oud vrouwtje dan, hè!). Ze prikt op de kaart en zegt me dat ik vooral rechtdoor moet lopen. Ik bedank haar hartelijk en loop door, een besneeuwd park in (zie foto’s).

Net als ik mijn camera heb weggeborgen komt er een streaker voorbij met alleen sokken aan en een muts op. Lollig, had dat nou even een minuut eerder gedaan!

Ik geef mijn room-check-formulier af bij Psoas en loop weer terug naar het centrum.

Daar dool ik een tijdje rond op zoek naar een cheape electronicawinkel. Ik vind er geen, maar wel een soort supermarkt met een V&D-achtige; winkel erboven. Ze hebben lampen: de goedkoopste is een klemspot van 9 euro. Maar die mag je niet ergens dicht op klemmen, want hij wordt erg heet. Ja, laat dan maar zitten. Ik ga naar de supermarkt en koop eieren en kaarsen. De kaas (4,30 p/pakje!) en de waxinelichtjes (1,50/20 stuks!) laat ik liggen. Het is ongelooflijk hoe zulke gewone dingen hier zoveel kosten.

Ik pak de bus naar huis en stop nog even bij de Euromarket om te pinnen en sponsjes te halen. Thuis gekomen heeft Marjo bezoek van een vriendin en ze eten in de keuken. Ik ga maar even niet daar staan te boenen dan. Ik maak broodjes, praat wat met Sanna en flans een pagina in elkaar waarop mijn hyves-vrienden ook in vertrouwde omgeving foto’s kunnen kijken. Sanna gaat Pulla-broodjes bakken. Ik mag er ook een paar rollen. De keuken ruikt heerlijk. Ze biedt aan me morgen door de stad rond te leiden. Vind ik leuk! Ik eet twee Pulla’s, die veel lijken op broodhaantjes, en ga slapen.

zaterdag

Vandaag doe ik een poging om uit te slapen. Die mislukt. Om acht uur word ik wakker en is het zo licht in mijn kamer dat ik niet meer kan slapen. Dan maar niet. Het is vandaag weekend en ik ga straks brood met gebakken eieren maken.

Eerst lees ik een tijdje in een folder over Oulu, aangezien ik vandaag toch een beetje de toerist ga uithangen. Dan wat laptoppen en het is tegen tien uur. Ik maak in de keuken brood met eieren en kom Sanna daar tegen. Om elf uur gaan we weg, maar eerst loop ik even naar de kelder van flat 2B om mijn doos met kopjes en borden weg te zetten.

Daar aangekomen zie ik dat er een aardige hoeveelheid spullen staat. Stoelen, kasten, veel printers en zelfs een bankstel. Ik pak twee lampjes en een wasrek mee en loop weer terug. Vooral dat wasrek is een uitkomst: ik dacht er namelijk al over om mijn was over de kastdeurtjes te drogen te hangen. De ene lamp heeft een Chinese stekker en de andere geen peertje, dus de eerste gaat terug en voor de tweede ga ik een lampje zoeken. Misschien ligt er nog wel eentje in de keuken.

Sanna en ik nemen een achteromweg richting de stad. Zij fietst en ik loop. Fietsen, zegt ze, gaat hier echt stukken beter dan lopen, zo met die gladheid, omdat je gewicht op een plaats blijft. Allez, misschien koop ik dan volgende maand een fiets, als het echt zo gemakkelijk is.

In de stad komen we langs allerlei koffiehuisjes en winkels totdat we bij de boekwinkel komen. Die heeft maar drie kaarten van Oulu, waaronder een heel toeristische. Die ene gaat zeker mee. Sanna staat erop om naar meer boekwinkels te gaan opdat we een ruimere keus hebben.

Eerst moet ik de Marimekko zien, de winkel waar Finland trots op is. Bij de Kodin1 zat er ook al een. Ze hebben allerlei designgoods en textiel voor in huis. Een soort van designer-Zeeman. We doen een rondje door Stockmann en ik koop nog twee kaarten. Dan lopen we naar de zee. Natuurlijk even op de foto met het standbeeld van de politieman en even door de kauppahalli heen.

We lopen een eind de brug naast de plezierhaven op. We staan in diepe sneeuw en alles om ons heen is eigenlijk wit. Sanna wijst haar appartement aan. We lopen terug en doen een rondje langs alle schattige rode houten huisjes. Ik krijg echte Lappi-schoenen en Russische vilten laarzen (Valenki) te zien en de oude verkoper praat honderduit tegen Sanna terwijl ik er niks van begrijp. Hij denkt dat ik dat wel doe, omdat hij af en toe iets heel simpels uitlegt met veel getallen erin (en die ken ik!) en op een detail van de schoen wijst, ja dan snap ik het ook wel. Na een kwartiertje ratelen staan we weer buiten en om eerlijk te zijn: mooie schoenen, maar ik ben geen snars wijzer!

We lopen terug en komen langs een kleine boekwinkel waar je ook koffie kunt drinken. Er zit een jongen te tekenen. Ze verkopen veel strips en kaarten van Kiroileva siili, een zwarte egel die erg veel vloekt. Daar wil ik een kaartje van, maar wel eentje waarop hij niet vloekt.

We drinken een kop koffie bij Bisketti in het centrum (leuk zaakje en dus superdruk) en eten een pulla. Ik heb er eentje met yoghurt en vanille. Je hebt ook huge pulla’s met slagroom en ander zoets erin, maargoed ik moet in m’n kleren blijven passen!

We gaan nog langs een leuk winkeltje dat Lifestyle Kauppa heet en dat veel lokale comics verkoopt, maar ook kleding en kleine sieraden. Ze hebben echt maffe dingen, zoals armbanden van legoblokjes of telefoontoetsjes, t-shirts met hippe prints erop en nog meer zulks. Hier ga ik echt terugkomen. De verkoper zit trouwens heel rustig achter in de winkel strips te tekenen. Wat een leven!

Daarna pakt Sanna haar fiets en gaat richting haar ouders. Ik ga richting een bus en nog even langs de supermarkt voor avondeten. Met wat moeite sprokkel ik kip-kerrie bij elkaar en koop gelijk ook wasmiddel en een magnetronpan. Thuis lekker douchen en eten koken voor twee dagen. Het is niet het beste dat ik ooit gemaakt heb, maar kan er mee door. ’s Avonds werk ik aan de Metal Battle flyer en ga dan slapen.

zondag

Vandaag lukt het me beter om uit te slapen: tot half twaalf! Dat mocht ook wel. Het is allang licht als ik opsta. Ik maak de MB flyer af en doe nog wat kleine dingetjes. Dan ga ik weer op strooptocht naar Valkkyla 2B, voor een kastje. Ik vind er genoeg die mooi zijn, maar te groot om mee te slepen. Ik kies een klein ladenkastje uit dat ik kan tillen en zeul het mee, door de sneeuw, de trappen op…

Ik maak het fornuis schoon (Sanna zegt dat dat echt niet hoeft, maar ach) en mijn andere aanwinst die voor me achtergelaten was: een koffiezetapparaat! Morgen dan maar koffie kopen. Het is grappig hoe je na 2 jaar in een schoon huis opeens zo hard gaat opruimen in een studentenhuis. De vuilnisbak moet ook nodig, maar ik stel dat uit tot aankomende zondag om niet voor te komen als een schoonmaakfreak.

Ik ga weer naar mijn kamer en zoek wat dingen uit voor school. Het begint al donker te worden. Ik probeer Fins te leren met een online cursus en doe daarna de CD-rom met de rijbewijscursus. Wat een fouten zitten er in dat programma zeg, daar zou ik zelf nooit 20 euro voor hebben neergeteld. Met de situaties en stellingen ben ik het overigens wel eens hoor.

Ik ga naar de keuken en warm mijn prakje op, praat wat met Sanna. Het schijnt hier helemaal niet vreemd te zijn om in elkaars bijzijn alleen maar te zwijgen. Goed, dan doe ik dat. Terug op mijn kamer schrijf ik mijn blog en denk ik over alle dingen die ik de komende weken moet doen… best wel veel. Ach ja, tijd te over!

maandag

Vanochtend ben ik echt wel vier keer wakker geworden, omdat ik voor mijn gevoel zo vroeg moest opstaan. Eerst om vier uur, toen om zes uur, toen om kwart voor zeven… om zeven uur ben ik er maar uit gegaan om te douchen. Nog even eten en toen om tien over acht naar de bus gelopen. Lijn 50 zeilde voorbij en ook lijn 20 miste ik, maar toen kwam er nog een lijn 20. Dat was mooi, die haalde ik nog net. Tijdens het ontbijt had Sanna me al gewaarschuwd dat het vandaag extreem koud was: -25, het koudste wat ik zou meemaken hier. Okay. Op het korte stukje van huis was er nog niks te merken maar toen ik van de bus naar school liep bevroor de inhoud van mijn neus. Dat voelde echt heel raar.
Verder is het spekglad. Het was de afgelopen dagen wat milder en de sneeuw begon van de wegen te verdwijnen, maar nu vriest het weer keihard. Alles is opgevroren en de platgelopen sneeuwpaden zijn nu regelrechte ijsbanen. Je moet echt heel houterig lopen om grip te houden. Ik hoef vast niet te zeggen dat dat niet bepaald snel gaat.
Vrijdag had ik een lesje comic-drawing gevolgd van een van de studentes. Vandaag en morgen is er weer les en ik doe beide mee. Maarten volgt het als minorvak, ik gewoon voor de lol. Het vreet wel tijd trouwens, maar ik vind tekenen zo leuk. Ik ben om half twee uit de les weggegaan en heb de bus naar de supermarkt gepakt (da’s 1 halte verder dan mijn huis). Ook hier bevroor mijn neus weer gelijk. Ik heb op goed geluk postzegels voor mijn kaarten gekocht en ze in de brievenbus gegooid. Als er strafport op zit: alvast mijn excuses. Bij de supermarkt heb ik koffiespullen en vleeswaren voor op brood gekocht, maar ik had het verkeerde pakje vleesjes in m’n handen. Dat kostte opeens 2,29 en geen 99 cent. Nouja, misschien smaakt het lekkerder of heeft het bewuste beest vaker buiten kunnen lopen. Op de terugweg naar huis, die ik lopend aflegde, bevroor mijn neus weer. Ik begin eraan te wennen. Ik had beter de stoep langs de weg kunnen nemen, want het pad achter Välkkylä langs was zo glibberig dat ik amper vooruit kwam. Op een gegeven moment ging het pad bultjeaf en ik moet zeggen dat ik op dat moment echt snapte waarom pinguins op de zuidpool af en toe stukken op hun buik glijden. Ik kreeg er hier ook neiging toe! Na zoveel geschuifel over een hellend ijsbaantje wil je eigenlijk niets lievers dan gewoon een aanloop nemen, je schrap zetten en in een rechte lijn op huis aansleëen!
De vleeswaren op brood zijn trouwens wel erg lekker. Vanavond m’n interview in elkaar geklust (met dank aan Sanders kritische blik) en gezellig gemaild en gechat met het thuisfront. Ik meende nog heel even te horen dat mijn onderburen karaoke gingen doen maar gelukkig, dat zette niet door. Tijd om te slapen!

dinsdag

Zo, ik ben vandaag wat later opgestaan – kwart over acht – maar ik heb mooi even de huiswerkopdracht voor comic-drawing zitten doen. Ik heb een soort van ‘criticism’ op Dirkjan getekend; een kort stripje in die stijl waarin je eigenlijk uitlegt wat het idee is van de main characters. Ik heb ze allemaal even flink op de hak genomen.
Het is nogal gek dat ik al de hele dag hard geluid hoorde vanaf de Pohjantie. Alsof een enorme vrachtwagen probeerde een afrit op te komen maar er met alle geweld niet tegenop kwam. Het waren ook vrachtwagens, maar wel van de wegenwacht. Ze strooien nu om het uur grit en komen de weg afschrapen. Met drie van die grote gele kolossen mieren ze rond en houden het verkeer een beetje op. Dat er nog geen ongelukken zijn gebeurd is wel een wonder.
Om twaalf uur heb ik de bus naar de hogeschool gepakt. Ik kom er aan en de comic-drawing klas is net aan het lunchen. Ik had de les geskipt om huiswerk te maken en het interview voor te bereiden. Ik schuif zelf ook even een dienblad vol lekker eten, want voor die anderhalve euro ga je niet ’s avonds nog een keer koken. Bij de lunch kom ik Mari, de docente tegen, en ze vraagt of ik mijn criticism even kan laten zien. Ze vindt hem tof. Ik vind zelf het verhaal beter dan de tekeningetjes, maar je zou zelf eens moeten proberen DirkJan te imiteren; de tekeningen lijken zo knullig maar ze zijn zo geniaal. Afijn, nadat Mari de comic heeft bekeken heb ik eigenlijk niks meer te doen. Ik ga in de werkkamer op de begane grond zitten. De bus is net voorbij dus ik wacht een half uurtje op de volgende. Ik print mijn interviews even uit en kom Jussi tegen, waar ik morgen een afspraak mee heb. Jussi weet weer iemand die lessen geeft in portfolio-design en hij wil haar graag bij de meeting hebben. Ik vind het prima. Ik krabbel nog wat in mijn dummie en ga om half twee met de bus. Jahoor, daar ga ik weer onderuit op de gladde straat, nu heb ik een blauwe linkerbil. De buschauffeur moet lachen en roept me wat toe in het Fins. Ik stap weer uit bij de supermarkten en probeer nu zo lang mogelijke stukken over de stoep te lopen omdat die gestrooid zijn met grit. Gisteren sneed ik af over de parkeerplaats maar dat is één grote ijsbaan nu.
Ik koop een lampje en wat andere spullen. Dan schuifel ik weer naar huis. Ik denk leuk te doen en snij een bocht af door het park. Het gaat leuk heuveltjeop, maar what goes up, must come down… dus sta ik het volgende moment piepend (ik heb letterlijk even gepiept, om mijn drama kracht bij te zetten) bovenaan een gladde ijshelling. Stapje voor stapje hobbel ik langs de kant (waar rulle sneeuw ligt) naar beneden. Een local die me tegemoet komt snapt denk ik niet waar ik zo’n moeite mee heb. Bij de supermarkt heb ik anti-slip-ijzertjes gezien (zie foto’s) maar die waren wel prijzig terwijl ik niet eens weet of ze werken.
Ik heb me ingeschreven voor de wasmachine en om zes uur is het dan mijn tijd. In de kelder is niemand. Alle drie de wasmachines zijn leeg. Ik heb de modernste gereserveerd. Hij kan ook in het Nederlands, dus daar zet ik hem gelijk op. Met een wolwasprogramma van 25 minuten ben ik good to go. Ik mik er wat wasmiddel en wasverzachter in en hobbel over het ijzige paadje terug naar huis. Na het eten gaat mijn wekker: de was is klaar. Hij is ook daadwerkelijk klaar als ik bij de machine aankom. Amazing! En uit alle folders leek wassen nog wel zo’n opgaaf. Drie dagen vantevoren inschrijven, machine bedienen, wachten op je was… ik snap nu waarom Nederlanders zo’n uitdrukking over kinderen hebben. Er is echt niks aan.
Vrolijk glibber ik terug naar mijn flat en hang het over mijn wasrekje. De hele kamer ruikt naar wasmiddel, mmmmm!
Jussi mailt om de afspraak af te zeggen. Zijn kind heeft griep. Dat is geen probleem, want ik kwam er net achter dat Guus deze week vakantie heeft. Nou, dan stellen we alles een weekje uit! Dat betekent dat ik de volgende 3 dagen niets te doen heb, tenzij ik zelf op speurtocht door de school ga. Of ik kan eindelijk mijn notitieboekje erbij pakken en eens al die dingen gaan doen waar ik nooit aan toekwam…

woensdag

Wat een dag vandaag. Het is alweer -23. Ik had het liever in de plus gehad. Gisteren heb ik gehoord dat eigenlijk alles postponed is naar maandag. Dat klinkt als ‘jeej vakantie!’ maar dat is nu net waar ik geen zin in heb. Buiten lopen is nu namelijk een crime zoals ik al beschreef en de hele dag op je kamer zitten is ook maar niks. De lessen comicdrawing gaan pas volgende week weer verder. Mijn interviews heb ik al voldoende voorbereid – ik zou het blaadje met vragen kunnen gaan vormgeven, maar eigenlijk voegt dat niks toe aan de vragen zelf – dus ik heb nu twee lijsten uitgeprint en that’s it.
Ik werd vanochtend om acht uur wakker maar kon m’n bed niet uitkomen, gewoon omdat ik weet dat ik vandaag eigenlijk niks te doen heb. Toch om kwart voor negen maar onder de douche gehobbeld, wakker geworden. Laptop aan, posters maken… what else? Enerzijds voel ik me prima op m’n gemak hier, er knaagt alleen een gevoel aan me dat ik naar buiten moet, mensen moet leren kennen, spannende dingen doen. En om eerlijk te zijn heb ik daar niet zo’n behoefte aan. Ik wil de omgeving wel graag zien, als me dat niet zou interesseren dan zou ik voor niks in Finland zitten. Maar, daarmee kan ik beter wachten tot ik hier wat beter kan lopen en het wat minder koud is. Dus zit ik hier…
Ik ga vanmiddag nog wel naar de stad. Eerst eten bij het Oamk en dan op de terugweg in de bus blijven zitten tot in het centrum. Ik moet nog voor m’n excursie naar de Sampo betalen en ik wil eens gaan kijken of meer winkels die grip-ijzertjes verkopen. Ach, het houdt je bezig…
Mijn humeurtje van vanochtend is gelukkig overgegaan. Mijn dag is maar een beetje anders verlopen dan ik verwachtte. Rond een uur of half drie loop ik naar de bushalte om bij school te gaan eten. In de verte komt een bus aan. Het nummer lijkt 21… of 24… ik denk uiteindelijk 24 en stap in. Echter, bij het ziekenhuis gaat het vehikel rechtdoor. Twijfel. Zou de 24 anders rijden dan de 20? Als hij nou bij het volgende kruispunt rechtsaf gaat? Helaas. Hij gaat linksaf. Ik zit naast een metal-uitziende jongen die wat grumpy kijkt. Ik stoot hem aan en vraag of hij Engels kan. Een beetje dan. Ik vraag of we weer naar het centrum gaan. Nee, het centrum ligt achter ons. Waar we dan heen gaan. Oulu uit? Ja, Oulu uit, 20 km naar een nabije plaats. Oopsie! Ik mompel dat ik op de verkeerde bus zit en hij drukt snel op het knopje zodat ik er bij de volgende halte uit kan. Dan sta ik in de sneeuw. We zijn net over de Oulujoki rivier gereden dus ik laat me deze kans niet ontnemen om eens leuk foto’s te gaan maken. Ik peddel over de brug en maak foto’s van de bandensporen op de bevroren rivier. Dan pak ik een bus terug naar de laatste halte voor het ziekenhuis, waar ook mijn bus naar school komt. Een uur later dan gepland ben ik op school. Pfoe!
Er is gelukkig nog lunch. Ik schep m’n bord vol en neem per ongeluk de vegetarische pasta met tofu inplaats van de overheerlijke pizza die aan de overkant van de balie ligt. Aargh! Ik hap mijn eten weg en weet precies de volgende bus weer naar het centrum te nemen. Daar loop ik wat rond maar ik kan de straat met het Antilla-warenhuis niet vinden. Na wat gehobbel loop ik maar de Stockmann in om op te warmen. Daar hebben ze wel anti-slip-dingen maar die zijn best duur. Ik vraag of ze ze in mijn maat hebben. Nee. Of ze ze dan bij de Antilla zullen hebben. Ja… zegt de dame… maar ik kan ze ook bestellen! Ik bedank en ga naar de Antilla, die ik gelukkig nu wel gauw vind. Daar hebben ze dezelfde dingen inderdaad voor minder. Ik reken ze af, koop nog wat appels bij de supermarkt en hop weer op de bus naar huis. Alvorens ik op die bus hop ga ik precies voor de deuren nog een keer lelijk onderuit. Iedereen roept me medelevende dingen toe. Ik hou er wel wat rugpijn en blauwe plekken op mijn knieën aan over, maargoed.
Na het eten maak ik de studs aan mijn schoenen. In huis moet ik er beslist niet op lopen, want ze prikken in het linoleum en ze lopen nogal wiebelig. Maar eenmaal buiten op het ijs ben ik helemaal gelukkig. Ik kan zelfs rennen over de gladde weg naar de Kajaanintie toe! Nou, ik kan weer wandelen (ik word onderweg naar de supermarkt alsnog door een local ingehaald, ja dank u). Ik koop de nodige zooi bij de supermarkt en zelfs een Finse uitgave van ‘Pirates of the Caribbean: Dead Man’s Chest’ uit een koopjesbak. Het is een kinderboek, maar ik denk dat het moeilijk genoeg is om te lezen. Ik koop nog een postzegeltje, doe een brief op de post en keer huiswaarts. Ik help Sanna met het verplaatsen van haar bed. Ze heeft vandaag een computer gekocht en heeft gemerkt dat ze alles toch wat dichter bij het stopcontact moet zetten. We hebben beide hoofdpijn. Dat is dan ook de reden dat ik maar vroeg m’n bed in duik. Met hoofdpijn valt er weinig te doen, helemaal aan een fel tft-scherm…

donderdag

Ik begin de dag met mijn ontbijt en praat wat met Sanna. Haar hoofdpijn is ook over, net als de mijne, maar ze heeft het vannacht erg koud gehad. Ze heeft alleen een slaapzak hier (de rest ligt in haar apartement, afgetaped) en ze had haar bed bij de vewarming weggeschoven. Ze heeft het geloof ik minder riant dan ik hier. Ik hoop dat ze snel weer terug kan naar haar eigen apartement – of eigenlijk hoop ik dat ook niet, want dan ben ik mijn gezellige huisgenote kwijt.
Ik werk wat aan de Atak prijslijsten en bedenk me hoe laat ik naar het Oamk zal gaan voor mijn lunch. Er was 1 dag waarop ze maar tot 14.00 hadden… maar ik ken al die weekdagen niet van afkorting dus ik heb geen flauw idee welke. Nouja, als ik het niet haal ga ik naar de stad en eet bij de Subway of ik eet broodjes en kook ’s avonds. Tegen 13 uur pak ik de bus naar school. Ik ben een van de weinigen die nog zit te eten maar dat is maar goed ook, want de rij om twaalf uur is elke dag fors. Ik zit tegenover een jongeman die niet echt wat zegt. Wel maakt hij af en toe mompelgeluiden. Dat doen wel meer Finnen hier. Ik denk dat het een alternatief is voor een gesprek aanknopen met ’n ander.Ik zit nog even in de werkkamer beneden, laat Henri en Jenni me toevoegen aan Facebook en ga dan naar de bus. Ik wil naar Osako (van de bustrip naar Kemi) om te betalen, maar het adres staat nog in een e-mailtje. Eerst maar naar huis om dat op te zoeken.

Thuis is het kwart voor vier. Ik lees in het mailtje dat het kantoor maar tot vier uur open is. Bummer, dat haal ik niet meer. Ik wil anyway nog naar de stad, dus ik bind de studs weer onder en klos richting bus. Alle bussen die langs Kajaanintie komen stoppen wel in de stad en dat is mooi. Wachten op de juiste bus is hier namelijk geen pretje: stilstaan is langzaam koud worden. In de stad ga ik wat rondneuzen. Ik doorkruis de H&M;, maar zoals ik al had verwacht is dat nou geen zaak om iets nieuws in te verwachten. Ik was twee weken geleden nog in die in Enschede en hier hebben ze precies hetzelfde. Ik kan niet doelloos shoppen. Ik ga maar eens een papieren tas zoeken voor m’n was. Na wat winkels te zijn afgekuierd vind ik een mooie linnen boekentas met opdruk van de boekwinkel in de Stockmann. Ik vraag gelijk aan de verkoopster of het vreemd is om met studs aan door een winkel te lopen. Daar moet ze om lachen. Ze vindt van niet, maar ze zegt dat het inderdaad wel opvalt omdat je zoveel herrie maakt.
Ik klikketie-klak weer naar de uitgang en probeer Bisketti te vinden. Die lijkt verstopt te zijn, maar als ik het een voorbijganger vraag blijk ik er haast voor te staan. Ik ga naar binnen, neem een broodje en koffie, verover een kruk in een zithoek voor drie en begin te tekenen. Ik probeer op een stripfiguur uit te komen dat ik gemakkelijk teken maar dat toch niet zo gewoontjes is. Er moet ook wel een reden achter zijn vorm zitten. Zo krabbel ik wat bladzijden vol. Er komen twee mediterraanse jongens naast me zitten. Ik volg geen hout van hun gesprek (vast in het Fins) tot ze me vragen wat ik aan het tekenen ben. We raken aan de praat. Ze blijken Spaans te zijn (en dat ook al de hele tijd te spreken, ahem) en studeerden hier ook, maar zijn hier blijven wonen. Marcos wil graag wat in mijn dummie tekenen en tekent een karikatuur van hem en David. Ze zetten hun e-mailadressen erbij en ik beloof dat ik ze mail wanneer mijn strip klaar is. Ze gaan weg en ik zie verbaasd dat het alweer half zeven is. Ik heb anderhalf uur met ze zitten kletsen!
Nou, op naar huis dan maar. Ik smeer wat broodjes en laptop wat. Om tien uur krijg ik toch wel zin om even een kijkje te gaan nemen bij Hevimesta. Ik kleed me aan en hobbel naar de bus. Die komt niet meer. Dan maar lopen. Met een kwartiertje ben ik in het centrum. Bij Hevimesta trek ik de deur open en sta tot mijn verbazing eigenlijk gelijk midden in het café. Er staat een brede kerel met een stel securitybadges voor mijn neus. Hij brabbelt wat tegen me en ik wil mijn jas ophangen. Hij brabbelt weer. ‘ID and four euros please’. Ik vraag hem waarvoor dat is. ‘Entree en ik wil zien hoe oud je bent’. Oooo. Beschaamd (ik was de kerel namelijk al half omver gelopen…) trek ik mijn ID en hij ziet dat ik ouder dan 21 or whatsoever ben. Ik betaal hem vier euro en daarna is de garderobe gelukkig kostenloos. Ik zet koers naar de bar en bestel een bier. Eén euro maar omdat het happy hour is tot 1.00. Ik staar wat rond. Leuke tent, waar is de karaoke? De barmannen zijn erg druk dus een gesprekje daarmee aanknopen heeft weinig nut. Er zit echter wel een jongeman naast me. Hij begint tegen me in het Fins te brabbelen. Ik zeg dat ik hem niet versta en hij ratelt in het Engels verder. Hij heet Arto en hij is hier al lang niet geweest omdat hij druk was met werk. Nu is hij op goed geluk hier binnen gelopen. We praten wat en hij laat me de kelder zien, waar een nog grotere bar en een verdiept stuk met een podiumpje is. Het lijkt nog het meest op de Metropool in Hengelo, afgezien van de verdiepingen dan. Ik vertel Arto over mijn band en dat ik hier ook wel eens op het podium wil staan. Nodig bandleden zoeken dan maar. Ik vind het tot dusver heel aardig dat Arto me even de zaak heeft laten zien en ga weer aan de bar zitten. Maar, Arto heeft ook niks te doen dus we praten verder. Hij zit aan de grappa’s en ik krijg nog een bier (alas, voor 1 euro…) hij zegt al half dronken te zijn, al is z’n Engels nog prima. In Europa, zegt hij, hebben ze nergens goede alcohol zoals hier. Bovendien is niemand aan de rappe Finse drink-snelheid gewend. Ik moet hem wel gelijk geven: hij tikt zijn grappa’s weg alsof het ranja is en hij wordt er niet waziger op. Achter de bar krijgt een jongen de microfoon aangereikt. De tekst op de monitoren in de zaak begint te lopen en de jongen zingt vals mee. Ik wil ook! Er worden nog wat nummers gedaan en dan zingt een meisje Sleeping Sun van Nightwish. Dat schijnt hier een klassieker te zijn omdat zowel jongens als meisjes hem kunnen. Ze doet hem helemaal niet verkeerd – of ze zingt gewoon niet mee en we horen de band – daar zijn we nog niet over uit. Ik twijfel of ik Nemo zal zingen maar ik durf niet. Voordat ik he weet heeft Arto het nummer en mijn naam al op een inschrijfbriefje gekrabbeld en roept de barman mijn naam om. Heeeiidii… Nemoooo! Nou, goed dan. Ik pak de microfoon en schud Nemo uit mijn mouw. Er gaat iemand voor de monitor zitten maar ik ken de tekst toch uit mijn hoofd en zing er vrolijk op los. Voordeel is dat de helft van het café niet doorheeft wie er aan de microfoon zit en dat de andere helft het eigenlijk niet boeit. Na het zingen ben ik helemaal blij. Zingen is zo leuk! Ik probeer Arto nog over te halen om ook een nummer te doen maar – ondanks dat hij eerder op de avond nog zei dat hij best wel kon zingen – wil hij nu niet meer. Ook niet als ik meezing. Er komen nog wat nummers van Amorphis tot Aerosmith voorbij en dan vind ik het tijd om naar huis te gaan. Ik bedank Arto voor het goede gezelschap en ga de kou weer in. De bustijden die aangegeven staan zijn bedroevend: om half zes komt de eerste bus. Ik ga maar weer lopen, het is goed te doen bij -10. Met een kwartiertje ben ik weer thuis, lekker m’n bed in!

vrijdag

Vandaag kom ik redelijk op tijd mijn bed uit. Ik doe een verbouwing aan de Atak prijslijst en zet hem weer op de FTP-server. Dan slinger ik Editplus aan en begin aan de fancy versie van mijn wekenplanning. Die had ik tot dusver in Word, maar ik vond hem te lelijk. Nu ga ik een leuke in HTML bouwen met wat bijzondere extra’s. Ik bouw tot een uur of twee en doe tussendoor wat losse dingetjes zoals ontbijten en douchen. Ik moet naar het Oamk om te eten, maar volgens mij hadden ze op vrijdag maar lunch tot 14.00 … ik moet echt eens leren om de namen van de dagen in het Fins te gaan begrijpen. Ik besluit het er niet op te gokken en ga niet naar het Oamk maar naar de stad. Onderweg loop ik even langs de wasmachine-kelder. Daar kom ik Teddy tegen, hij is erg spraakzaam (en rap van tong ook), hij komt uit Ethiopië. Hij checkt de tijd op zijn telefoon en ik zie dat hij daarop een foto van hem met een gitaar heeft. Ik zeg dat ik kan zingen. Op mijn vraag of hij gitaar kan spelen antwoordt hij nee; hij vindt een gitaar gewoon tof. Oh, bummer. Hij wil me pers sé zijn telefoonnummer geven, ja mag hoor. Dan haast ik me naar de bus.
Eerst langs de ‘Osako’ om mijn tripje naar het IJskasteel van Kemi en de ijsbreker Sampo te betalen. Ik moet in de Albertinkuja zijn, een piepklein straatje met maar 2 grote huizenblokken. Het ene lijkt een hospitaal, het andere lijkt een school… wel van het OAMK. Waar zou dat verrekte kantoor zitten?
Ik check voor de zekerheid even de volgende straat maar dat is de Albertinkatu. Jaja, dat maakt verschil. Ik keer terug naar de twee grote gebouwen. Vraag aan een dame die buiten rookt of zij weet of het OAMK-gebouw nummer 20 is en waarom de deur dicht zit. Ik moet harder aan de deur trekken, zegt ze. Dat werkt. Ik bedank haar en spoed me naar binnen. Vier prachtige trappen op (zie foto’s) en ik sta bij een gang met een zijdeurtje. OSAKO -> staat er voordat ik de gang in loop. Oh, wacht, ik moet het zijdeurtje hebben. Ik kom inderdaad in een kantoortje en de jongen (die me eerst in rap Fins aanspreekt) vraagt me direct of ik mijn tripje naar Kemi kom betalen. Ja, dat doen we dan maar hè? Binnen vijf minuten sta ik weer buiten. Ik ga naar de Subway en haal een half kalkoenbroodje. Het meisje kan maar slecht Engels, maar dat kan niet op tegen mijn afschuwelijke Fins: bij het ontvangen van het wisselgeld zeg ik niet ‘kiitos’ (bedankt) maar ‘anteeksi’ (sorry) terwijl ik haar glimlachend aankijk. Zij kijkt uiterst verward terug. Tijdens het eten van mijn broodje snap ik pas wat er daar misging. Ik ben nog steeds zo’n kluns hier en dat zal ik nog wel even blijven ook. Ik hobbel nog wat rond in de stad en ga naar de H&M.; Ik wil namelijk beenwarmers kopen… om armwarmers te hebben. Ze hebben inderdaad beenwarmers en ik ga blij weer de winkel uit. Kijk, dáár is een H&M; hier dan wel weer handig voor: je weet gewoon dat ze het hebben, simpel. Ik pak de eerstvolgende bus naar huis en eet nog een broodje. Dan frunnik ik nog wat aan mijn amazing online afstudeerplanning en stuur hem naar Guus, in het kader van ‘kijk dit doe ik als ik tijd over heb’. Ik wil in bed nog wat gaan tekenen aan mijn cartoonfiguur maar mijn pen is na twee kantjes leeg. Shit happens, ik moet vast niet doortekenen nu. Slapen dan maar.

zaterdag

Vandaag word ik zo rond negen uur wakker. Ik heb gedroomd dat mijn bankrekening leeg was en dat er allemaal rare dingen gebeurden. Nou, niet meer zodra ik mijn ogen opendoe. Het is tijd om broodjes met ei te maken. Ik overweeg om vandaag om een noordelijk eiland heen te gaan lopen, het ziet er ook uit alsof de zon lekker schijnt, dus… why not. Nou, omdat het vijf minuten later alweer dik bewolkt is, daarom. Ik hobbel naar de supermarkt en sla benodigdheden in voor de Beef Chimichurri die ik van huis mee heb genomen. Na drie minuten heen-en-weer drentelen voor het vleesschap moet ik het accepteren: 240 gram biefstuk kost zeven euro! Nou, dat wordt 1x Beef Chimichurri hier… thuis haal ik de schade wel weer in, waar bieflappen prima voldoen en gewoon 3 of 4 euro kosten…

Ik heb tijdens het lopen naar de supermarkt wel gemerkt dat de sneeuw vandaag zo hoog opwaait dat het niet leuk meer is. Rondom het eiland lopen is daarmee helemaal van de baan. Ik ben langs het zwembad gelopen en heb een folder met prijzen en tijden meegepakt, maar eigenlijk heb ik helemaal geen zin in zwemmen. Het is vast lekker warm en ontspannend maar ik ben niet zo’n zwemmer… constant hetzelfde uitzicht, dat leidt maar tot oeverloos gepieker. Bovendien zijn het gespetter en die chloorlucht eigenlijk ook niks voor mij.

Terug op mijn kamer voel ik me toch wat saai en neem ik bus 9 naar de Olujoki-rivier, dezelfde plek als waar ik laatst overhaast ben uitgestapt toen ik de verkeerde bus nam. Ik wil wat foto’s maken van de rivier en van de wijk die hier ligt. Ik kan om .50 zelfs een bus nemen die enkele wijken doorkruist en dan in de stad uitkomt. Dapper wandel ik de besneeuwde hellingen van de wijk op en fotografeer hier en daar huizen. Mijn handen worden al snel kouder en fotograferen – dat is met handschoenen aan niet te doen. Mijn camera sputtert tegen door te laten weten dat zijn batterij op is. Bullshit, je hebt het gewoon koud. Nou afdrukken.

Na een half uurtje buiten trek ik het echt niet meer. Mijn pinken zijn gevoelloos en als ik ga wachten op de bus van .50 dan verlies ik vast het gevoel in nog vingertjes en teentjes. Ik hobbel de brug weer over in de richting van de Kajaanintie. De plotselinge wind op de brug overvalt me en laat me vergeten dat ik nog een foto van de bandensporen in de sneeuw wilde maken voor Els. In de verte staat een meisje te wachten bij de bushalte. Fijn, dan komt er vast een bus. Ik ga bij haar staan en de goede bus komt gelukkig al rap. En zo laat ik me terugrijden naar mijn huis. Bij de halte waar ik uitstap kan ik net het LED-bord van de supermarkten zien: -16 graden. Okay, mijn camera had reden tot klagen.

Thuis warm ik op en maak een aardige Beef Chimichurri. Vanavond ga ik films kijken.

zondag

Vandaag ga ik weer een wandeling maken, maar dit keer poog ik daarbij niet half dood te vriezen. Ik vertrek om één uur en loop zuidwaarts. Ik kom langs de sporthallen en ook de enorme koepel waarbinnen zich iets van een voetbalzaal bevindt. Aan de zuidrand van het sportterrein loopt een pad dat onder de snelweg doorgaat. Ook stroomt er een klein beekje onderdoor. Als ik onder de bruggen uit ben steek ik het beekje over en loop verder zuidwaarts. Ik kom op een lang pad met aan de ene kant parkeerplaatsen en aan de andere kant bomen. Daarachter ligt een grote provinciale weg. Na een kilometer of wat parallel te hebben gelopen aan de weg ga ik er met een tunneltje onderdoor. Nog even lopen en dan sta ik toch echt bij de achteringang van de school! Dat was leuk.
Maargoed, de school is op zondag dicht, dus keer ik maar weer om. Ik loop dezelfde route terug en maak nog wat foto’s. Ik kom onder het viaduct allemaal skiërs tegen, die met een rotvaart over het pad aan de andere kant van de beek suizen. De blaren op mijn hielen zijn intussen – onder de Compeeds – weer lekker rauw aan het worden. Ach, dat zal wel zo blijven. Ik heb eigenlijk nooit schoenen hoeven inlopen dus ik ben wel benieuwd of deze blaren nou voor altijd zo blijven zolang ik deze Dr. Martens draag. Geen prettig vooruitzicht, maar wel een reden om er een lange-termijnoplossing voor te vinden.
In twintig minuten ben ik weer thuis. Ik zou dit elke dag met plezier lopen als ik dat probleem met die schoenen niet had. Ach, ik weet de weg nu tenminste, en als ik over een maand een fiets koop heb ik echt een supersnelle route naar school. Thuis zit ik nog wat aan mijn laptop, ontwerp een printversie voor mijn wekenplanning en wacht tot ik kan gaan koken. Echter, Marjo is in de keuken en bakt koekjes ofzo… samen met een vriend waarvan ik nog niet echt heb uitgefiegolierd hoe hij haar kent. Om zeven uur claim ik dan toch maar m’n plekje aan het aanrecht. Marjo en de jongen blijken ook al pulas te hebben gebakken, want het is vandaag en dinsdag een soort van feest voordat het vasten begint. Ik krijg ook een pula aangeboden, dit maal met de keuze om hem uit te breiden met minstens drie soorten jam en vanilleslagroom. Terwijl ik begin met het maken van een betere Beef Chimichurri dan gisteren worden achter mij nog enige pula’s verorberd. Mijn Beef Chimichurri smaakt aardig vandaag, de saus is dikker en ik heb niet zoveel fraiche bij mijn rijst gemikt. Ik geniet van de laatste happen en verzucht dat ik dit nu zeker 3,5 maand niet ga eten. Gezien de prijs voor de biefstuk is dat overigens ook geen slecht plan. ’s Avonds verstuur ik de invitaties voor de interviews met de docenten en update nog wat aan mijn wekenplanning. Time for bed…

maandag

Vandaag verzet ik mijn wekker naar negen uur maar besef dan dat ik zou Skypen met Guus. Ik kom mijn bed maar uitgerold en zet de laptop aan. Guus is er de komende uren toch nog niet want het is in Nederland pas acht uur. Ik draai een nieuw visitekaartje in elkaar – eentje met wat handige contactgegevens voor hier en ruimte om mijn telefoonnummer en adres op te schrijven… iets wat niet iedere halve zool in een café of gemeenschappelijke ruimte zomaar van me hoeft te krijgen. Guus is online en we Skypen wat. Dan moet ik me haasten om de bus te halen en op tijd op mijn afspraak met Jussi te zijn.

Het gesprek met Jussi is leuk en leidt tot nieuwe ideeën. Eigenlijk wil hij dat ik ook een website ga maken voor de World Airguitar-championships waar hij board member van is, maar ja, dat mag natuurlijk niet in een afstudeeropdracht hè…

Het klinkt wel als een vette opdracht, een goede naam en een goede grondslag: wie Airguitar speelt kan geen oorlog voeren, dus Airguitar staat voor vrede! Wie weet kan ik daar op een andere manier nog aan werken. Na het gesprek smikkel ik even een maaltijd weg en interview dan de screenwriter Tomi. Aansluitend daarop ga ik naar huis.

Ik blijk trouwens wel een uitzonderlijke student te zijn door studs te dragen en ze dan ook nog aan mijn tas te hangen. Jussi vertelt dat deze zooltjes met studs eigenlijk alleen gedragen worden door locals die minstens boven de 40 zijn en dan ook nog broze botten hebben. Ik heb een ander excuus: ik ben een buitenlander en ik ging té vaak op mijn muil de laatste dagen.

Ik stop even bij huis en check of er al een briefje bij de post zit dat ik iets kan ophalen van het postkantoor. Niks. Ik hop weer op de bus en ga de stad in om een kaartje voor mijn oma te kopen. Deze keer zie ik in de boekhandel dat ze best wel mooie sneeuw- en winterkaartjes van Oulu hebben die me de eerste keer echt niet waren opgevallen. Ik koop een mooie voor mijn oma en een beroemde kaart met dansers van Jack Vettriano. Dan loop ik naar Valve, het filmhuis in de stad. Ik pluk wat folders mee van films die de komende weken draaien, ga langs de tourist office voor een kaart van de buslijnen want ik wil de komende dagen eens een rondritje gaan maken.

Ik loop door de winkelstraten terug en pak de bus naar huis. Daar maak ik broodjes en ga eens op onderzoek uit naar de sauna. Die schijnt vanavond van zes tot acht open te zijn voor de dames van onze flat. Ik ga de kelder van huize 2A in en knips de lamp aan. Juist, een deur ‘sauna 1&2’. Die ga ik door en sta weer in een halletje. Hier kan de lamp niet aan: is-ie stuk? Geen idee. Omdat het stikdonker is wanneer de deur achter me dichtvalt houd ik die open door er een stuk tapijt tussen te slepen. Met een kiertje licht vanuit het eerste halletje speur ik de ruimte af. Links en rechts zit een deur met een kastje ernaast. Het kastje is geel, heeft wat knoppen en een flitsend rood lampje. Het ziet eruit als een kastje dat je ook wel vindt in douches op campings… of waarmee je schrikdraad op een paardenwei zet. Achter de linker deur van sauna twee hoor ik meisjes praten. Ik morrel aan de deur. Op slot. Dat is leuk, dat wordt dus geen sauna zo te zien.

Ik stommel terug naar huis. Zal ik het Marjo vragen? Zou die ooit naar de sauna hier gaan, en dan nog, kan ze het me uitleggen in het Engels? Ik vraag het Sanna wanneer ze thuiskomt. Die kent de sauna hier niet, ik moet het Marjo maar vragen. Tja… dan mail ik liever Psoas eigenlijk. Ik slijt de rest van de avond met wat geskype en het schrijven van de ansichtkaart.

dinsdag

Vandaag sta ik op om half negen, douche en zet mijn laptop aan. Een uurtje of wat later is Guus op Skype. We skypen tot elf uur of half twaalf en bespreken mijn voortgang en mijn foto’s. Ik sta er wel goed voor en de foto’s zijn impressive. Mooi.

Ik twijfel of ik eerst naar de supermarkt zal gaan of eerst naar school, maar hongerig door een supermarkt lopen is niet goed voor je uitgavenpatroon dus het wordt de school. Ik mis bus dertien, blijf even met Sanna staan praten en mis ook bus 20. Er komen drie vrolijke jongens voorbij die een paars bankstel op ski’s meeslepen (gevuld met blikjes bier overigens). Ze gaan duidelijk meedoen aan de slee-race. Ik vraag ze hoe laat die begint. Om twee uur. Ik check op mijn horloge en zie dat ik dan wel rap mag eten en terugkomen, het is al een uur. Maar bus 24 laat zich niet zien dus wacht ik nog maar tien minuten en stap op de volgende nummer 13. Mijn poging om snel te eten mislukt, ik haal de bus van half twee niet. Ik lummel wat rond, luister het Duitse gesprek een tafeltje verder af (de Finnen aan de tafel begrijpen niks van het verhaal, ik wel, en ze hebben het echt over niks). Dan hop ik op de bus naar huis en stap uit bij de supermarkten. Ik sla wat eten in en wandel weer naar huis langs het Raksila park. Al van verre hoor ik de muziek en de juichende studenten. Ze staan in drommen op de sleeheuvel (te zien op eerdere foto’s). Er is niet echt een parcours: er liggen drie sleetjes bovenaan de heuvel, een forse kerel met een mobilofoon wijst aan van welke teams er drie man op het sleetje mogen plaatsnemen en dan duwen twee andere teamgenoten ze naar beneden. Per keer gaan er drie sleetjes de heuvel af en belanden onderaan, waar een rood olievat staat. Daar moeten de teams plus slee omheen en dan zo rap als het kan weer terug de heuvel op. Het team dat het eerste boven is wint en gaat door naar de finale. Ik breng snel mijn boodschappen naar huis en loop gewapend met mijn camera terug naar de heuvel. Ik schaar me tussen de bierdrinkende en barbecuende menigte en fotografeer en film erop los. Er komen nog wat teams voorbij, afgewisseld door roekeloze individuen op sleetjes die even two minutes of fame willen tussen de races door. Na de finale, waarin een team hun slee plus teamgenoot heuvelop moeten trekken, komen de originaliteits-racers. Achtereenvolgens zie ik een acrobatische piramide, een kartonnen Nokia-schoen, een bankstel met televisie en een koelkast de heuvel afsleeën. Allemaal natuurlijk bezeten door mensen. Na het fotograferen van het bankstel is mijn rechterhand echt bijna blauw, maar de koelkast moet ook nog even op de foto. Daarna is mijn hand zo koud dat het me beter lijkt om terug naar huis te gaan.

Ik maak eten en bedenk me of ik zin heb om de cultfilm te gaan kijken. Eigenlijk niet, ik heb meer zin om te Photoshoppen. Daar heb ik al dagen zin in. Dus surf ik naar Worth1000, zoek een leuke contest uit en leef me de rest van de avond uit op een mooie plaat. Morgen draait de film ook nog en dan kan ik daarna prima door naar de Hevimesta als er een leuk bandje is.

woensdag

Ik ben vanochtend vroeg opgestaan, heb de usual dingen gedaan. Wat mail gecheckt en gewerkt aan m’n afstudeerverslag. Om twaalf uur schiet ik in mijn jas en haast me naar buiten, opdat ik met de 20 of 24 van kwart over mee kan. Na een kwartiertje te hebben gewacht begint het koud te worden en vraag ik me af waar mijn 20 blijft. Twee kinderen spelen in een sneeuwhoop. Lijn 3 komt eraan en ze gaan gelijk mee. Er komen nog wat mensen aanschuifelen. Lijn 6 en 9 komen aankachelen. Ook niet mijn bus. Het wordt kouder. Lijn 4 komt voorbij! Ik zie ze al een paar honderd meter vantevoren van de Ratakatu de Kajaanintie opdraaien en vanaf dat moment kun je dus gaan hopen en gaan turen dat het je bus is. Maar nu zijn er al minstens 4 bussen voorbij gekomen, de internationale lijndiensten nog niet meegeteld – en geen ervan is mijn bus! Ik vernikkel hier!
Eindelijk, om vijf over half, komt er dan een lijn 13 aangegast. Die had ik eigenlijk niet willen hebben want die stopt verder van de school af. Maar liever een bus dan geen bus. Verkleumd zet ik me – zonder op de lokale etiquette hier te letten – op een bankje naast een oude meneer. De oude mensjes op de bankjes rondom me kijken me met argusogen aan. Het is hier nou eenmaal niet zo gewoon dat je naast iemand gaat zitten. Ze stappen uit bij het ziekenhuis, ik bij school, en ik kom Annemari tegen. Ze is verbaasd dat ze me weinig ziet (dat vermoedde ik al, ze zullen de Spaanse wel fulltime op sleeptouw hebben) en nodigt me uit voor een saunaparty vanavond. Ik draai er wat omheen en bedenk me dat ik de film of de dansvoorstelling die Sanna vanochtend oplas toch veel leuker vind dan zo’n zuipfeestje. Ik ga lekker richting kantine. Er is vandaag moussaka! Blij schep ik mijn bord vol. Het smaakt verrukkelijk. Naderhand loop ik naar de students room. Jenni en nog wat anderen zijn aan het werk. Jenni heeft reactie van de lerares die over de audio rooms gaat: ik mag ze gebruiken mits de bordjes op groen hangen. Blij bedank ik haar en ga kijken wat die rooms inhouden. Er is er echter maar eentje vrij op dit tijdstip. Ik piep om de hoek van de dubbele isolatiedeur en zie een microfoonstandaard, een tafel en een piano. Geweldig! Nu kan ik overdag gewoon even gaan zingen voor een half uurtje – tenminste, als ik kan zingen op commando. Het komt meestal vanzelf en dat zijn vaak net die momenten dat ik thuis zit en mijn huisgenoten niet wil storen. Ik heb nu dus ook eigenlijk geen zin (en tijd) om te gaan zingen, dus ik wandel naar de bushalte. Gelukkig staat er eentje te wachten. Thuis is er geen post. Bummer. Ik snap echt niet waar alles blijft. Mijn pakketje kan ik volgen met een Track&Trace-code;, maar een ansichtkaartje had er nu allang kunnen zijn. Sanna zegt dat Oulu best wel off-center ligt en dat het daarom nogal lang kan duren voordat alles er is. Ze gelooft niet dat ze ooit al iets is kwijtgeraakt. Ik ga maar aan mijn verslag en deskresearch werken en zo gaat de mooie, redelijk zonnige middag voorbij. Als het hier ietsje warmer was (en dat verandert hier heel snel, zegt Sanna) dan was het prima te doen buiten. Maar ja, warmte betekent geen sneeuw. En dan ziet de stad er vast al een stuk gewoner uit. Tussendoor update ik deze pagina en kijk dan maar weer wat er allemaal moet gebeuren…
Inmiddels heb ik gehoord van de vliegtuigcrash nabij Schiphol. Na een beetje topics op Tweakers te hebben gevolgd en stukjes nieuws te hebben gezien begrijp ik dat Nederland nu wel in rep en roer zal zijn. Rond zes uur ga ik naar de supermarkt, ik loop dit keer eens de K-Citymarkt in. Allemachtig, het is alsof je de Mediamarkt binnenkomt, en net als je de handstofzuigers gehad hebt sta je opeens in het pad met shampooflessen, waarna de echte supermarkt begint. Er was ook nog een kelder en als ik me niet vergis ook een tweede verdieping. Ik ben zo overdonderd dat ik vergeet daarheen te lopen, ik struin langs het bierschap, verbaas me dat het hier 3,50 euro per flesje kost – en neem dan maar een cheap uitziend flesje van 1,50 mee. Sixpacks van een bekend uitziend merk kosten hier 24 euro. Amazing. Yoghurt voor het ontbijt erbij, en ik ben good to go. Ik overweeg om te gaan zwemmen vanavond, omdat ik wederom de film gemist heb, maar weer bedenk ik me dat zwemmen er alleen leuk uitziet, en dat het al sinds m’n jeugd echt geen hobby meer van me is. Toch jammer, ik heb namelijk het toeval dat ik vaak dicht bij zwembaden woon.

Na even thuis te hebben gezeten en een stukje Alice in Wonderland te hebben gekeken, verveel ik me toch wel erg. Ach, even naar het zwembad, gewoon proberen. Dus ik pak in, vraag de laatste tips en walkthroughs aan Sanna en hobbel naar het zwembad. Het is allemaal vrij gemakkelijk te vinden. Wel is het opvallend dat de dames-omkleedruimte gelijk begint met bankjes en kluisjes en dat de dames ertussenin zich zonder blikken of blozen uitkleden tot ze poedelnaakt zijn. Met een handdoekje, shampooflesje en soms een badpakje onder de arm hobbelt dik en dun dan richting douches. Ik trek mijn bikini aan en hobbel erachteraan. Even douchen, altijd netjes… maar waar is het zwembad? Naast me zijn vier grote saunahokken. Daar mag je met je badpak niet in, vertelt een pictogram me. Op goed geluk wandel ik verder en jahoor, na twee zigzagmuurtjes sta ik opeens in een gigantische hal. Wel jaren ’70 overigens, dit is dan het grootste en mooiste zwembad van Oulu: nou, qua stijl zou ons Slagmanbad er niet voor onderdoen.

Ik ga baantjes zwemmen en stap daarvoor in het grote vijftig-meterbad. Ik kies een baan uit waar men redelijk rustig zwemt en peddel mee. Aan het andere eind van het bad zijn hoge duikplanken. Een jong meisje staat op de laagste plank en krijgt van haar trainer instructies om een weloverwogen sprong te maken. Elke keer maakt ze aan het eind van de plank abrupt een noodstop en loopt zuchtend terug. Haar trainer gaat steeds verder onderuit zitten en brult af en toe wat naar haar. Toch springt ze wel een paar keer. Om haar heen zijn jongens kunstjes aan het doen vanaf de duikplanken: handstand, achteroverslaan, schroef in de lucht en dan met een plons het water in. Wel apart om een keer te zien.

Na een half uurtje krijg ik het koud en krijg ik ook kramp in mijn muishand (?) en ga ik het water maar uit om te gaan douchen. Na de douche loer ik wat om me heen en als ik zie dat het niks abnormaals is, volg ik de kledingvoorschriften en duik een sauna in. Lekker! Daarvoor kwam ik nou eigenlijk hier. Ik zit een tien minuten en denk lekker na. Dan is het douchen, aankleden en op naar huis.

Ik drink mijn biertje, internet nog wat en ga slapen.

donderdag

Bijtijds opgestaan, gedouched, ontbijt gemaakt. Ik moet om 13.00 bij Veikko zijn, dus ik heb deze ochtend om nog wat werk te doen. Ik lees de afstudeerverslag-richtlijnen en pijnig mijn hersens over de bijzondere vorm waarin ik dat verslag ga gieten. Ook haal ik mijn handtekenpapieren weer tevoorschijn en teken een paar indrukwekkende heavy-duty radio’s. Dat is nog niet gemakkelijk, ze lijken allemaal op FisherPrice en My First Sony apparaten bij mij. Stug teken ik door, tot het wel tijd wordt om richting het Oamk te gaan. Dit keer ga ik speciaal voor de 13 en die komt er dan ook in vijf minuutjes aan. Ik ben vroeg op school, wat me de gelegenheid geeft om eerst te gaan eten of eerst eens te gaan zingen. Ik besluit dat zingen leuker is. Er is gelukkig een kamer vrij en ik sneak erin. Naast mij spelen mensen enorm mooi gitaar of dwarsfluit. Kom ik aan met mijn hamerversie van ‘Thoughtless’ – het enige nummer waarbij ik mijzelf, hetzij nogal roekeloos, op de piano kan begeleiden. Schaam, schaam. Anyway, zingen zonder piano gaat wel lekker, al merk je heel snel dat de ruimte erg ‘dood’ is gemaakt. Je stem komt niet terug zoals je dat verwacht in een andere kamer. Na een half uurtje kom ik weer naar buiten en verbaas me er enigszins over dat er geen woedende menigte met staken en brandende fakkels staat. Ah well, eten dan maar. Om 13.00 ga ik naar Veikko. Hij is er nog niet. Petri, zijn kamergenoot, is er al wel. Hij zegt niet veel, maar tekent aan een stuk door. Zijn muur hangt vol met psychedelische kronkelmannetjes en zelfs een paar mooie portretten van de vrouwelijke geslachtsdelen. Ah well. Veikko komt binnenstommelen en ik neem het interview bij hem af. Het is goed te merken dat hij zich liever in het Fins uitdrukt dan in het Engels. Petri zegt niks (ik vraag hem ook niks) maar als hij wat zegt is dat in het Fins. Later kom ik erachter dat hij ook op mijn interview-lijst staat maar nog helemaal niet gereageerd heeft. Misschien kan hij wel geen Engels….?

Na een erg lang gesprek met Veikko – waar overigens wel veel informatie uitkomt – hobbel ik richting mijn bus. Ik stap uit bij de supermarkten, want ik heb me voorgenomen om nou eindelijk eens een lamp te kopen – de uitgaven aan kaarsen werden hoger dan het bedrag voor de lamp. Dus stommel ik de Euromarkt binnen en zie daar voor een tientje een foeilelijk limegroen bureaulampje. Die gaat mee. Ik ga nog even mutsen passen op de damesafdeling maar kan niks leuks vinden. Het ding moet wel goed over je oren kunnen en zodra ik dat doe, zit elke baret of alpinopet raar. Een rond mutsje heb ik al, dus daar ga ik geen tweede van kopen. Mutsen zijn hier wel echt trenddingen. Je wordt er buiten mee gezien dus is het echt een show-off item, zo anders dan in Nederland.

Thuis ga ik eten en dan is het wasmachinetijd. Ik hobbel met mijn mooie linnen tas vol was naar de kelder en kom daar Teddy tegen. Nadat ik mijn wastijd van zondagochtend naar nu had verzet, had ik niet verwacht hem nog te zien. Maar, Teddy is een trouwe Ethiopiër; en laat niet zomaar een afspraak gaan. Hij heeft zondagochtend om negen uur op me staan wachten bij de wasmachine om erachter te komen dat ik me had uitgeschreven – en nu is hij hier vanavond. Ik vind het erg aardig van hem. Ik weet niet of dat aan zijn cultuur ligt, maar hij probeert enorm aardig te zijn. Hij wil mijn tas dragen, helpt me in mijn jas. Ik stop mijn spullen in de wasmachine, zet een timer op 25 minuten en ga weer naar huis. Teddy heeft me verteld dat er vanavond nog een slee-race op de heuvel in het park is en wil graag dat ik daarheen kom. Na een klein halfuur pluk ik mijn heerlijk fris ruikende was weer uit de machine en hang het op. Dan ga ik op goed geluk naar de heuvel. Warempel, er is een provisorisch opgezette slee-race aan de gang. Teddy staat bovenop de heuvel met zijn vrienden (nu zie ik pas dat ze allemaal erg ’touchy’ zijn, ze staan gewoonlijk heel dicht op elkaar en omhelzen elkaar bij elke leuke gebeurtenis, cultuur dus…). Ze hebben een blauw sleetje en gaan zo ook. Er komen absurde teams van de heuvel af glijden. Het gaat er hier alleen om of je leuk naar beneden komt, je hoeft niet terug. Beneden staat een jury die bordjes met cijfers ophoudt. Ik zie van alles gaan; zandbakken, plastic sleetjes, kont-sleetjes, zelfs mensen met een vuilniszak rond hun middel gaan de helling af. Mensen gaan achterstevoren, ondersteboven, met z’n drieën boven op elkaar naar beneden. Je had er echt bij moeten zijn. Dan gaat Teddy met z’n vrienden. Ik moet opeens aan de film Cool Runnings denken. Jamaica has a bobsledteam… ja, en Ethiopië heeft een slee-team in Finland, ik ben er getuige van. Joelend gaan ze naar beneden. Prachtig. Er komen nog wat luchtbedjes, rubberbanden en papieren zakken met mensen erop en dan vind ik het welletjes. Mijn vingers bevriezen, zelfs in mijn handschoenen.

Thuis ga ik nog wat internetten. Opeens is er iemand aan de deur. Het is de jongen die in het weekend bij Marjo was. Ik versta er niks van, maar het gesprek is snotterig en droevig en soms wat haperend. Ik hoor dat Sanna erbij komt staan en op adviserende toon dingen zegt. Ik kom maar niet voor ramptoeristje spelen dus ik wacht het relaas in mijn kamer af. Naderhand zitten de dames in de keuken en ik kom erbij staan. Sanna legt me uit dat ze inderdaad wat relatieadvies heeft gegeven aan Marjo en haar vriendje – exvriendje, corrigeert Marjo haar. Maar hij sliep hier wel zondagnacht. Ja, dat wel. Marjo volgt het in het Engels niet zo dus gaat naar haar kamer. Ik kook noedels op, praat nog wat met Sanna en ga dan maar slapen.

vrijdag

Ik heb vandaag helemaal geen zin om wakker te worden. Geen wonder: ik schuif m’n gordijnen open en de bomen zijn spierwit, evenals de straten in de verte. Amazing, was het daarom gisteravond zo koud? Ik hobbel richting douche en Marjo waarschuwt me dat het vandaag -15 of -50 is (ik hoop het eerste) en dat ik me echt goed moet aankleden. Allright.
Ik werk wat aan m’n blog en dan is het na tienen, tijd om naar school te gaan voor een interview met Pasi Särkelä.

Ik ben wat vroeg op school dus bestel eerst een kop koffie. Ik geef 80 cent en de caissière loopt zomaar weg. Een andere kantinemedewerker legt me uit dat ik nu gewoon zelf koffie uit de kan moet pakken. Hij wijst me ook even de melk en de roerstaafjes. Great. Dit zouden ze op het Saxion ook moeten hebben zeg, gewoon een nette kantine.

Pasi is een zwijgzame Fin. Hij heeft een kantoor voor zichzelf. Hij leest mijn vragen door en reageert zoals de anderen reageerden; hij probeert alle vragen in één keer te beantwoorden. Ik weet hem daarvan te weerhouden door elke vraag apart te stellen en krijg zowaar nog interessante antwoorden ook. Dat is later in mijn verslag wel te lezen. Ik ben echt blij dat ik deze interviews houd en ik ben trots op de keuze van mijn vragen. Ze zijn voor de Finnen soms wat moeilijk te begrijpen, maar met uitleg van mij erbij geven ze hele verrassende, goede en creatieve antwoorden. Zo kan ik er wel wat mee.

Verder is Pasi niet zo leuk om mee te kletsen. Hij kauwt op iets dat kauwgom lijkt, hij smakt als een gek en hij kijkt heel nors. Daardoor laat ik me niet uit het veld slaan. Aan het einde van het gesprek vraagt hij nog wat gewone dingetjes over mijn verblijf, over Nederland. Hij is er wel eens geweest, net als de andere docenten: in Amsterdam. Hij denkt dat ik het hier wel saai moet vinden, dit is het platste gedeelte van Finland – maar als ik hem zeg dat Nederland zo mogelijk nog platter is, is hij wel verbaasd. Serieus, Oulu heeft leuke heuvels, al mag ik ze van Pasi niet zo noemen.

Ik bedank hem voor het gesprek en ga naar de kantine. Lekker, eten. Ik let er nu goed op of ik het menu voor 1,58 opschep, want ik had laatst dat van 2,60. Op zich geen ramp, maar ik heb vaak slechts een twee-euromunt in mijn portemonnee. Gelukkig staan alle menu’s ook in het Engels genoemd en als je dan iets van de ingrediënten in de bak herkent zit je wel goed. Vandaag heb ik ovenschotel met zalm, superlekker. Ik ga nog even bij Henri, Jenni en de blonde jongen zitten en praat wat over het kleuren van mijn haar. Dat wil ik vanavond gaan doen. Ik zie opeens dat het heel is en dat ik nu net mijn bus kan halen. Ik wens ieder een prettige vakantie en hobbel naar buiten. Ik haal de bus gemakkelijk. Thuis stap ik uit. Ik heb me zojuist tijdens de rit verzucht dat ik vandaag echt nergens meer heen hoef. Geen supermarkt, geen stad, niets.

Dan komt de post. Er zit een brief voor mij bij! Het lijkt op een rekening, maar is het niet. Hij komt van de posterijen; mijn pakketje is er. Een vriend van me heeft me een klein cadeautje gestuurd dat eigenlijk met Valentijn aan moest komen. De Finse posterijen hebben dat duidelijk niet begrepen. Het ding is ergens in Turku aangekomen en heeft meer dan een week ergens tussen depots en sorteercentra geslingerd alvorens het nu in Oulu ligt. Ik zoek het adres op en wandel naar de straat. Het adres lijkt onvindbaar. Ik vraag het een dame die erg goed Engels spreekt. Ze wijst me naar het busstation. ‘Waarschijnlijk’ zegt ze ‘is je pakketje hier per bus gekomen ofzo’. Afijn, ik loop daarheen, ga naar binnen en trek een nummertje zoals iedereen doet. Maar als het mijn beurt is blijkt dat ik bij het verkeerde loket sta: ik moet een kilometer verder bij het pakketjesdepot zijn. Okee…
Ik wandel het busstation over en inderdaad, bij het pakketjesdepot snapt de mevrouw mijn brief wel. Maar ho – ze wil even mijn identiteitskaart 2x checken, want mijn naam is toch echt Heidi, en op het pakket staat Heid… afijn, ik kom kennelijk zo vertrouwensvol over dat ik het gewoon mee mag nemen. Het is een fiks ding van wel 2,5 kilo. Ik schuif het met moeite in mijn Campzonetasje en hobbel weer naar huis, onderwijl vrolijk ‘Daar komen de Kabouters’ van meneer Teeuwen zingend.

Thuis aangekomen bewerk ik het pakketje met mijn broodmes bij gebrek aan beter (ik heb een schaar, besef ik later). Er komt een groot fotoboek over Jugendstil en een leesboek uit. Ik ben uitermate verbaasd. Mijn eerste gedachte is ‘hoe krijg ik dit ooit mee terug?’. Desondanks ben ik heel erg blij met de boeken. Dat zal een moeite hebben gekost…

’s Avonds maak ik broodjes en fix ik mijn weblog. Ik bereid alles in de douche voor en verf mijn haar donkerrood. Omdat ik hier nog geen oud t-shirt of vieze handdoek heb, knip ik een grote plastic tas van de Euromarket tot een t-shirt. Sanna ziet me voorbijlopen met mijn plastic zak-mode en knalrode verfcoupe en ze kan haar lachen niet inhouden. Ze maakt een foto van mijn outfit. Na een tijdje spoel ik het uit en wacht tot mijn haar gedroogd is. Sanna komt nog even kletsen. Ze vertelt dat ze al naar Amerika en naar Duitsland is geweest, beide voor een taalstudie van dat land. Dat bewonder ik erg. Zodra mijn haar droog is, is het bedtijd.

zaterdag

Vandaag slaap ik door tot half tien. Ik hoor wat gestommel in de keuken en mijn hersentjes beginnen langzaam te kraken. Vandaag was toch niet de trip naar Kemi? Nee, vast niet. Zeker niet. Moet zeker weten van niet…
Ik trippel naar de agenda in mijn jaszak en check. Nee, 14 maart pas. Goed, dan lekker ontbijt maken. Ik heb nog net genoeg voor deze ochtend, maar er moet vandaag some serious shopping gedaan worden aan levensmiddelen en avondeten voor dit weekend. Dat later.

Ik leg de tas en het boodschappenlijstje klaar en ga met handtas de deur uit. Eerst shoppen voor een leuke nieuwe muts. Ik heb namelijk gemerkt dat mutsen hier best wel trendgevoelige dingen zijn. Mijn huidige muts (door Sanna trouwens eerder een Navajo-muts dan een Lappen-muts genoemd) kan er prima mee door, maar ik wil ook een trendy dingetje. Dat moet een baret worden in een passende kleur. Ik struin de H&M; af, maar daar hebben ze niet de juiste kleur. Ik ga naar de Stockmann maar die hebben niet de juiste prijs… (eerder het drie- of viervoudige). Bij Antilla hebben ze weer geen leuke kleur.

Ik loop langs de boekwinkel waarvan Guus zei dat ze op de eerste verdieping veel tekenmaterialen hebben. Ik kan hem geen ongelijk geven; ze hebben inderdaad veel, ook Pro-markers en handige dingen voor het concepttekenen. Ik neem een setje schaatsmallen mee en een heuse Marimekko-map (met roze bloemen, want in die kleur komt het Marimekko-gevoel het beste uit). Dan ga ik naar Bisketti voor een grote kop thee en een lekkere appel-kaneelpulla. Toegegeven, ik ben een beetje een einzelgänger, maar ik kan me zo prima vermaken. Ik besefte dat pas terwijl ik vanmiddag zeker een uur over mijn thee en pulla deed en al die tijd gefascineerd naar de beige muur voor me keek, met de overschilderde leidingen en de gloed van de bollampen erop. Ik ben prima gezelschap voor mezelf, nooit te langzaam, nooit te gehaast. Altijd in de gelegenheid om ter plekke mijn plannen te veranderen en iets compleet anders te gaan doen.

Ik hobbel nog wat rond in de stad en pak de bus naar huis. Ik drop mijn spullen af en ga gewapend met mijn grote rugzak naar de drie supermarkten. Bij de Prisma kijk ik even voor een baret, maar ze hebben geen leuke kleuren. Ik reken mijn boodschappen af en loop nog een extra rondje voor een potje crème fraîche. De caissière maakt een grapje tegen me waarop ik zeg dat ik Engels ben (niet echt, maar het werkt wel) en ze maakt het grapje nog eens in het Engels. Grappig, dat mensen me hier best wel voor een local aanzien. Ik vind het wel goed om hier niet zo de vervelende exchange-student of de toerist uit te hangen. Ik heb trouwens nog een leuke baret gekocht, een antracietkleurige. Hij zit leuk en ik kan niet wachten om er mee rond te lopen!

Ook heb ik bij de K-Citymarket, waar ik de baret heb gekocht, gezien dat mijn tripje naar de Kodin1 misschien wat overbodig was. Alles wat ze daar hebben, hebben ze in de supermarkten hier ook. Ik snap nu waarom locals me raar aankeken toen ik zei dat ik eerst naar die woonmalls moest…

Met mijn rugzak afgeladen vol sleep ik mezelf de heuvel op richting Välkkylä. Thuis maak ik pasta met tomatensaus en gehakt. Dan update ik mijn blog. Sanna komt aankloppen, ze wil weten of ze me via internet kan bereiken. We wisselen Skypenamen uit en Sanna geeft me een aantal links naar het gratis leren van andere talen. Leeukkk!!!

zondag

Vandaag hoor ik in mijn roes van wakkerworden opeens de brievenbus. Nog steeds op ‘ik krijg post’ toer weet ik mezelf uit mijn bed te slingeren en beland ik voor de voordeur. Er liggen reclamefolders op de mat. Ik kijk naar de tijd. Het is kwart voor negen! Op zondag!

Ik duik mijn bed weer in en doe een poging zo lang mogelijk uit te slapen. Het wordt elf uur voordat ik er weer uit kom en ontbijt maak. Ik lees de reclamefolders door. Vooral de folder met de computers heeft een leuke vermelding (zie foto’s). Muistilla!
Dan spreid ik de buskaart over de tafel uit en check welke bussen er vandaag naar Nallikari gaan. Dat is een strand, of een heel eilandje voor de kust, dat zo genoemd is. Op zaterdag rijdt de bus elk uur, vandaag maar een paar keer. Bovendien zie ik als ik goed kijk dat de bus alleen op een paar wazige momenten doordeweeks voor mijn huis langsrijdt, op andere dagen rijdt hij om via de brug over de Olujoki. Daar wil ik niet helemaal heenlopen, dus die bus nemen we maar niet. De 20, de 4 en de 6 gaan wel, richting centrum. Ik kan allicht die pakken en vanaf daar het eilandje rondlopen. De reden dat ik eerst de bus pak is dat ik nog steeds huiverig ben voor blaren, en als ik die dan toch krijg, liever tijdens de wandeling op het eiland dan tijdens de poging daar allereerst te komen…

Wat ik trouwens erg goed merk is het volgende. Ik denk de laatste weken eigenlijk constant in het Engels en dat gaat lekker, maar daardoor gaat je zinsbouw en woordsamenstelling in het Nederlands wel helemaal aan gort. Ik moet nu echt langer nadenken bij het schrijven van zinnen in mijn eigen taal dan in het Engels. Gaat wel weer over als ik weer in Nederland ben…

Ik praat in de keuken wat met Sanna. Ze raadt me aan om ook het park achter het Psoas-kantoor eens in te lopen, want het is daar erg mooi. Ze wil me haar winddichte Goretex-broek lenen, maar ik denk niet dat ik die nodig heb dus ik bedank. Op naar de bus. Twee nummers zoeven me voorbij terwijl ik probeer de brede Kajaanintie over te komen. Nu komen er vast meer, denk ik blij. Maar die hoop blijkt ijdel. Ik zit voor een kwartiertje, maar geen bus. Een meisje – ik denk een local – schaart zich bij me en wacht ook. Dan checkt ze haar busschema. Demonstratief sta ik op en ga maar wandelen richting stad. Als ze daar al stond te wachten omdat ze dacht, dat ik wel wist wanneer er een bus kwam, dan heeft ze nu vast wel begrepen dat ik ook geen bal snap van de dienstregeling hier. Ik wandel vrolijk door langs de supermarkten en net als ik bij de volgende halte ben komt er een lijn vier aan zeilen. Het meisje zit erin. Okay, aangezien hij naar het centrum gaat stap ik ook op. Scheelt toch wat lopen. Ik stap weer uit bij Torikatu en loop naar de zee. Ik schiet nog wat plaatjes van de huisjes hier, de vorige keer was het zo bewolkt, nu schijnt de zon heerlijk.

Ik loop tussen de schouwburg en de bibliotheek door en ga de brug over naar Pikisaari-eiland. Prompt sta ik op de brug uit de foto die ik zo lang hier naast op mijn Finlandpagina heb gehad. Blij maak ik de foto vanaf ongeveer dezelfde locatie opdat ik hem nu als eigen creatie op mijn site kan tonen. Ik vind het pad om het eiland direct en begin lekker met wandelen. De zuidzijde van het eiland is lekker zonnig. Een enkele keer ga ik van het pad af maar dat moet je eigenlijk niet doen, je staat dan gelijk tot aan je knieën in de sneeuw. Het lukt me zelfs om onderuit te gaan mét de studs onder m’n voeten. Au, weer een blauwe plek op mijn kont. Ik maak foto’s en wandel het rondje af tot ik weer aan het begin van het eilandje sta. De huisjes hier zijn heel klassiek en hebben een prachtig uitzicht op het water – alleen jammer van die kolossale fabriek aan de overzijde van het water.

Ik loop naar een koffiehuisje op de de kade van het vasteland en bestel een thee en een pula. Ik schijn mezelf zo slecht verstaanbaar te kunnen maken dat de eigenaar van de zaak maar gelijk in vloeiend Engels begint. Ach ja, dit is toeristisch gebied. Na het verorberen van mijn lunchje wandel ik naar de bushalte. Ik heb een nogal dunne sokken aan dus mijn tenen beginnen te bevriezen (toch niet slecht, na 2,5 uur lopen). Er komt niet direct een bus dus ik wandel nog even door de winkelstraten naar de volgende halte. Zondag is de perfecte dag voor wat windowshopping zonder dat de verkoopsters je gelijk naar binnen staren. Thuis ontdooi ik mijn handen en voeten. Ik plaats mijn foto’s in de gallery en maak avondeten. Dan nog even lekker douchen en het is alweer tegen bedtijd. Morgen weer hard aan het werk… (al vieren de Finnen om mij heen vakantie).

maandag

Vandaag kost het me echt moeite om wakker te worden. Om half acht snooze ik, om acht uur druk ik de wekker uit en om half tien rol ik dan eindelijk slaapdronken mijn bed uit. Ongelooflijk, dat is wel een reden om weer lekker thuis te zijn: iemand die je keihard je bed uitschopt.

Ik maak ontbijt en laat bewust de laptop uit als ik aan mijn bureau ga zitten. Er moet vandaag getekend worden, hoe moeilijk ik dat ook vind. Ik sleur de papieren tevoorschijn en begin met het inkten van de heavy duty radios. Al gauw ben ik aan het inkleuren toe. Bij de tweede plaat merk ik dat mijn Cool Grey 3 het loodje legt. Er komt alleen nog inkt uit als ik eerst met de Cool Grey 1 voorstrijk. Ja, dat is dubbele verspilling. Waarschijnlijk zal ik eerdaags een pakje Greys moeten halen bij de Kirjakauppa. Hoewel in een voordeelverpakking, is het kopen van vijf stiften tegelijk nooit leuk voor je portemonnee.

De post komt en brengt mijn businesscards, die Wilco opgestuurd heeft. Wat snel! Joepie! Ik spring een gat in de lucht. Marjo, die de rest van de post aanpakt, gromt haast naar me. Zeker een slecht humeur… of het is gewoonte om zo te doen tegen je huisgenotes.

Ik teken nog even verder en een uurtje later meldt Sanna dat ze gaat lunchen bij het ziekenhuis. Ze heeft me al eerder verteld dat ik daar, net als bij het OAMK, gewoon met mijn gele kaartje een cheape lunch kan krijgen. Echter, bijna niemand weet dat. En nu het OAMK dicht zit voor hun weekje vakantie is het een prima alternatief. Ze vindt het prima als ik met haar meega en zo lopen we door de sneeuw twee blokken naar het ziekenhuis. Er is vandaag echt een sneeuwstorm bezig om het land weer wit te maken, zo anders dan gisteren in de zon. We moeten onze ogen dichtknijpen.

Het eten bij het ziekenhuis is lekker. Sanna raadt me af om bij de dokters aan tafel te gaan zitten, want dat is uit den boze. Gelukkig zijn er nog genoeg lege tafels. Ze vertelt over zichzelf en merkt op dat ze al vierendertig is, dat had ik niet verwacht. Ik snap wel dat ze graag terug wil naar haar eigen appartement, ze is waarschijnlijk zo gewend aan alleen wonen. Ze schat onze huisgenote in op iets van twintig en denkt ook dat die daarom weinig zegt. Na het eten lopen we door de sneeuwstorm terug. Sanna gaat naar de stad en ik pak nog even mijn camera om de vage sneeuw-zeeën te filmen die zich over de Pohjantie verplaatsen (zie filmpje: vanaf 1.08!) Daarna loop ik nog even naar de begraafplaats tegenover Välkkylä. Het is een enorme begraafplaats die de Kajaanintie flankeert van ons kruispunt tot aan de stad. Het staat vol met bomen en kleine haast identieke grafsteentjes. Het is er heel stil. Af en toe hoor je een tak boven je ritselen. Na een paar ronden te hebben gelopen keer ik terug naar huis.

Mijn broek is drijfnat van de sneeuw (heerlijk, merk je niks van met hoge laarzen) en ik hang hem te drogen. Ik ga verder met tekenen en doe dat tot het etenstijd is en ik hoofdpijn heb. Gelukkig doen een paar boterhammen me goed. Na het eten trek ik een Odin-biertje open en Skype met Wilco. Dan is het alweer bedtijd…

dinsdag

Vandaag weet ik me wel op tijd uit mijn bed te lanceren. Ik maak ontbijt. Daarna fotografeer ik mijn tekeningen voor Hand30 nog een keer. Gisteren, bij het licht van het bureaulampje, was dat echt geen succes.

Ik ga weer richting ziekenhuis om daar te eten. Het kost hier wel een euro meer dan op school, maar misschien ligt dat ook aan de maaltijd die ik neem. Er zijn hier drie paden om langs te lopen, variërend van louter brood en beleg tot aan de complete avondmaaltijd.

Ik heb enorm veel plannen voor de vorm van mijn afstudeerverslag. Eigenlijk moet ik meer over de inhoud dan over het ontwerp nadenken. Maar het ontwerp vereist wat beeldmateriaal en ik wil graag beelden met veel sneeuw. Aangezien de sneeuw de komende maanden alleen maar minder gaat worden schiet ik nu vast de nodige plaatjes. In eerste instantie wil ik een paar mooie foto’s van de school, het liefst in de zon.

Omdat de zon vandaag geen thuis geeft en mijn blaar weer opspeelt wil ik naar huis. Er komt vast wel een bus, dus ik ga bij de halte staan. Al gauw komen een vrouw en een man met zoontje bij me staan. Hoewel je zou zeggen dat het opeens samenpakken van zoveel mensen toch wel de komst van een bus moet aankondigen, lijkt het erop dat geen van ons weet of er daadwerkelijk wel één komt. Ik bedoel; ik weet het echt niet. De bussen die hier het meeste langskomen gaan door totaan de school, en hoewel er niks in de dienstregeling vermeld stond lijkt het me niet onaannemelijk dat ze deze week wat minder zullen rijden. De dame naast mij loopt te ijsberen en kijkt soms bedenkelijk naar het haltebordje. De man met het kind loert bedrukt in de richting van de bus, probeert zijn kind in bedwang te houden en belt voortdurend met allemaal mensen. Volgens mij weet niemand hier zeker of er een bus gaat komen. Ik schat de kans eigenlijk niet zo groot, omdat ik er om 13 over ging staan en alle buslijnen normaal om ongeveer 9 over hier stoppen. Resoluut stap ik daarom bij de halte weg, kijk nog één keer om – de overige kluit vernikkelende mensen beduusd achterlatend – en zet aan tot een wandeling naar huis.

Ik ben nog maar net om de hoek als ik lijn 13 over de Kajaanintie zie aanzeilen. Hij komt op me af en gaat richting de school. Ha, een goede kans om toch nog foto’s te gaan maken, bewolkt of niet. Ik stap in en laat me naar het OAMK rijden. Ik krijg gelijk: foto’s met louter een wolkenlucht zijn niet bar interessant. Ik moet hier echt eens op een zonnige dag heengaan. Bijkomende irritatiefactor zijn de installatiebusjes die pontificaal voor de hoofdingang parkeren, omdat daar deze week druk geklust wordt aan de toegangsdeuren. Ik wil geen lelijke busjes op mijn foto. Als het aantal ‘weg te Photoshoppen’ items boven de vijf komt, geef ik het maken van een stijlvolle foto maar op en loop naar de achterkant, waar het pad naar huis begint. Lekker wandelen. Ik maak aan de achterkant nog een foto van de gevel en het naambord en dan komen de 20 en de 24 aanzeilen. Fijn! Die had ik niet verwacht. Ik ploeter door een golf sneeuw heen naar de weg en stap in. Lekker wandelen is voor nu even: lekker lui zijn.

’s Avonds eet ik broodjes en ik praat wat bij met Sanna. Ik klaag dat ik weinig uitga en dat ik vanavond saai aan een poster zit te werken. Ach, ik ben ook niet de doorsnee exchange student. Morgen ga ik bandjes kijken in de Hevimesta. Ik blijf nog lang aan de poster prutsen en ga veeeeeel te laat naar bed.

woensdag

Vandaag rol ik actief mijn bed uit, al is het wel om half negen. Ik spring onder de douche en probeer zo stil mogelijk te zijn want de andere dames slapen nog. Vrolijk kleed ik me aan, ruim mijn kleren op en verzamel wat was. Dit weekend ga ik eens een serieuze was draaien, waarbij de trommel echt volgaat. Ik heb nu al een halve tas was en aangezien ik hier dit weekend een maand zit moet mijn beddengoed in de was. Daarmee heb ik net één trommel vol. Ik snap niet waarom andere studenten zich op een tijd op alle wasmachines inschrijven. Je kunt toch niet zo lang je was opstapelen dat je drie trommels vol hebt?

Ik ontbijt en ga dan naar de supermarkt. Ik sla eten in voor de komende dagen en koop een pakje pennen, want sinds ik hier ben hebben al mijn fijne pennen het begeven. Misschien is het te koud hier? Mijn handen drogen ook al verschrikkelijk uit. Ik heb een hekel aan crèmes, maar mijn handen zien er nu uit als die van een oud omaatje, dus ik smeer al elke avond met het kleine potje huidcrème dat ik voor ‘uitzonderlijke gevallen’ had meegenomen. Volgende week haal ik bodybutter bij de Bodyshop, wel duur, maar tenminste niet van die vettige smurrie.

Het zijn die kleine dingen hier die je gewoon niet vantevoren voorspelt. Wanneer ik een volgende vijftien euro aan de kassa heb uitgegeven, check ik mijn saldo. De stem aan de Rabofoon vertelt me plotseling dat ik behoorlijk rijk ben. Als ik later op Internetbankieren kijk blijkt dat het OAMK me mijn hele vergoeding in één keer heeft gestort. Wegzetten maar, en blij wezen dat ze niet nalatig zijn met dat soort dingen. Tijdens mijn wandeling naar huis ben ik nog onwetend van de herkomst van mijn fortuin, dus geniet ik van het moment dat ik voor mijn gevoel miljonair ben en dat ik het waarschijnlijk mag houden. Thuis regel ik snel mijn bankzaken en maak mijn huur over. Psoas is nogal strikt met betalingen innen op de vijfde, dus volgende keer maar een dagje eerder overmaken.

Nog steeds in een opruimerige bui – het is inmiddels half twaalf – slinger ik de stofzuiger uit de kast en stofzuig de gang, de keuken, de wc en mijn kamer. Hè, dat ruimt op. Wat moet er vandaag nog gedaan worden? Nou, wat voor mijn afstudeerwerk, en die poster van Atak. Die moet echt wel af (ook al weet ik dat de deadline op vrijdag ligt). Dus daar vergooi ik ongeveer m’n hele middag aan. Op een rondje door de keuken vertelt Marjo me dat haar tante komt logeren. Tja joh, ik vind het best, ze zal wel geen Engels kunnen dus ik blijf wel braaf lachen. Ik vind het wel positief dat Marjo het me even vertelt. Ze is soms zo stil dat ik gewoon niet weet of ze zich nou gewoon constant ergert aan mijn aanwezigheid.

’s Avonds eet ik een cheape Frutti di Mare-pizza. Zoals ik tegen Wilco zeg ‘eigenlijk alles, waar Greenpeace actie voor voert, ligt er wel op.’ De grap komt niet aan. Okay, dan even in de herhaling voor de mensen die hem ook niet snappen: bij vispizza’s van minder dan 2 euro wéét je gewoon dat alle vis die erop ligt wel illegaal of door middel van overbevissing verkregen moet zijn. Jaja. Ik doneer Greenpeace maandelijks drie euro. Keep the change, guys. Omnomnomnomnom.

Marjo’s tante is er. Dacht ik eindelijk eens een struise Lapse vrouw from the far north in het echt te zien: neehoor. Ze ziet er modern uit en lijkt gewoon op Femke Halsema. Naja, bummer. Ik schrijf nog wat aan mijn digitale afstudeerverslag, want morgenochtend ga ik met Guus Skypen en dan moet hij dit wel kunnen bekijken. Het lukt me niet om de interviews ook nog in een htmlletje gegoten te krijgen, het is al tien uur. Ik pak mijn spullen en maak me klaar om naar de bushalte te lopen. Ik steek nog even mijn hoofd om de hoek van de keuken en zeg tegen Sanna dat ik naar Hevimesta ga. Ik doe dat zodat iemand weet waar ik ben mocht ik spoorloos verdwijnen. Sanna geeft me haar telefoonnummer en leent dan ook gelijk haar fiets aan me uit. Ik stribbel tegen, want ik durf helemaal niet te fietsen in de sneeuw – maar ze geeft me de fiets toch mee. Ze krijgt gelijk, ik kom heelhuids in de stad aan en parkeer het stalen ros bij Bisketti. Vanaf daar loop ik naar de Hevimesta. Het is redelijk druk binnen. Ik bestel een amsterdammertje en ga aan de bar zitten. De barman kon prima Engels toen ik hem om bier vroeg, maar als ik wil weten hoe laat de band speelt, snapt hij er geen hol van. Het is nu elf uur – tikt hij op zijn horloge -en one hour, ja dan spelen ze. Of dat nu over een uur is, of om één uur; het is in ieder geval nog lang wachten. Local tip: kom niet direct bij openingstijd naar een café. Maar waarom opent een café als Hevimesta dan ook zo laat! Ik zat al de hele avond te wachten, kan ik dat hier nog even voortzetten. Om niet geheel te falen zorg ik ervoor dat ik niet zonder bierglas aan de toog zit. Nadeel is wel dat ik in rap tempo wel drie bier wegtik, terwijl ik de laatste weken echt geen druppel heb gedronken. Dat gebrek aan routine voel je al gauw. Het volk om mij heen is afwisselend pushy dan wel terughoudend. Een blond meisje stoot tegen me aan en begint daarna een compleet verhaal in het Fins tegen me te lullen. Als ik zeg dat ik Engels ben krijg ik het zelfde verhaal nog een keer in gebrekkig Engels. Ik zeg dat het goed is, maar ze vindt haar Engels kennelijk zo tof dat ze doorratelt en excuus blijft maken. Evenlater buigt aan de andere kant een langharige jongen langs me heen. Hij wil een bier. Ook hij ratelt tegen me. Ja, whatever, zeg ik, ik ben Engels. Dan begint hij in een onsamenhangend nauwelijks hoorbaar Engels te brabbelen. Hij is duidelijk ver heen. Om vriendelijk te zijn downgrade ik mijn communicatie naar Engels 1.0 en vraag hem of hij voor de band komt. Ja, en hij kent de band ook én hij heeft erin gespeeld. Nu denkt hij dat ik als groupie voor de band kom. Het gesprek gaat nergens heen en hij gaat ook steeds meer tegen me aan hangen. Ik peer hem en zoek ietsje verder een stoel op. Hij laat zich onmiddellijk op mijn barkruk ploffen en lurkt verder aan zijn bier. Yeay. Even wens ik wel dat Arto nu hier was! Hij was dan een volstrekt onbekende (wie niet in dit café) maar hij was niet dronken en je kon tenminste een intelligent gesprek met hem voeren. Ik hang nog wat op de bank en verwonder me erover hoezeer dit een droom van me zou kunnen zijn: de sfeer is hier als een decor van Within Temptation; donkere muren, kroonluchters en barokke stoelen. Overal lopen gothicmeisjes en iedereen ziet er nogal wasted uit. Als ik langer naar mensen gluur, beginnen ze op mensen uit mijn vriendenkring te lijken. Funny.

Tijd om even beneden een kijkje te gaan nemen. De band speelt inmiddels. Helaas is het geluid keihard, ik vrees wel over de 100 dB. Ik sta een tijdje met mijn pinken in mijn oren, maar de zanger begint me steeds moeilijker aan te kijken. Had ik nou m’n doppen maar niet vergeten! Ik loop weer terug naar boven en kom Annemari tegen. Zoals al haar vrienden krijg ik een uitgebreide knuffel (dat is de zien-en-gezien-worden fase). Ik bestel nog een bier maar daarna ga ik ook echt naar huis. Wonderwel weet ik prima thuis te komen met de fiets, zet hem op slot en geef de sleutel terug aan Sanna. Dan m’n bed in… roes uitslapen.

donderdag

Vandaag maar weer om half negen eruit. Ik begin het opstaan echt een ergernis te vinden. Het kan ook aan mijn hangover liggen. Ik maak ontbijt en probeer de interviews nog in te kloppen. Daar kom ik niet aan toe. Guus is al op Skype. We praten tot half twaalf.

Wilco raadt me aan om, als ik de kans heb, naar het concert van Amorphis in Club Teatria te gaan. Ik moet eerst uitvinden of ik daar wel kan komen, volgens Annemari was het heel ver weg. Ik vraag aan Sanna of ze weet waar het is. Ze bevestigt mijn vermoedens: het is inderdaad niet al te ver, maar ik moet er wel een bus heen nemen. Er gaat zelfs een bus heen. Maar niet terug, want na tien uur rijdt hier zowat geen één bus meer. Sanna raadt me aan om een fiets te gaan kopen. Ja, goed plan.

Snel maak ik een paar broodjes en wandel naar de bushalte voor een bezoekje aan de fietsenwinkel aan het begin van de Saaristonkatu. Toevallig is de eerste bus die komt – en die ik neem – de 9, welke net nìet langs die straat gaat, maar een rondje rechtsom rond het centrum maakt. Ik stap ergens in het midden uit en wandel naar de fietsenwinkel. De jongen die er werkt spreekt Engels maar moet me teleurstellen: hij heeft maar één tweedehands damesfiets en die kost 120 euro. Hij raadt me aan vooral via studenten en prikborden in universiteiten te zoeken. Ik neem die raad ter harte en loop weer naar het centrum.

Eerst maar eens een kaartje kopen voor Amorphis, daar wil ik toch heen. Sanna heeft me aangeraden dat bij de Lippupalvelut (kaartjesservice) in de Stockmann te doen en verrek, dat gaat nog supergemakkelijk ook. Ik sneak even een pashokje in op de damesafdeling en plak snel een blarenpleister op mijn rechterhiel. Ik kom echt niet van de blaren af. Ik ga weer bij de bushalte wachten en pak bus 8 naar de woonmall. Daar moet een fietsenhandel zitten. Ik vind hem gauw en vraag wederom naar een tweedehands fiets. De verkoper heeft maar één herenfiets staan en die is 150 euro. Hij verwijst me nog door naar een andere fietsenwinkel, maar zodra ik daar één voet over de drempel zet komt de eigenaar aansnellen: ze zijn pas morgen open en dan kan ik gelijk gebruikmaken van hun openingsaanbieding: een grote gele quasimodo-fiets van maarliefst 199 euro. Ik zeg dat ik het in gedachten hou uche en ga weer. Er is een supermarkt op dit terrein dus ik sla even wat kleine dingetjes in voor een provisorische Bobotiemaaltijd. De bus terug komt prima op tijd en ik vroem via het centrum terug naar huis.

Mijn ansichtkaartenverzameling breidt zich al uit naar 4, allemaal van Doesburg en de Achterhoek. Ik weet niet of mijn huisgenotes ervan gediend zijn, maar ik plak ze vrolijk bij elkaar aan de keukenmuur. Opdat de rest van de Välkkyläanse inhabitanten toch maar kennis mag maken met dit memorabele stukje Nederland. Ik maak Bobotie, die veel te kruidig uitvalt, en zuip me de rest van de avond klem aan ijsthee. Later op de avond join ik nog een Worth1000 contest omdat ik gewoon even van me af wil Photoshoppen. Dat duurt echter tot half drie in de nacht, niet zo slim…

vrijdag

Nou, dat ik gisteren laat ben gaan slapen merk ik wel! Phoe. Ik druk de wekker drie keer uit en dan laat ik het ook maar. Ruim na negenen word ik wakker en slinger mezelf onder de douche. Ontbijtje maken, zo. Ik ben weer mens.

Ik ga eerst aan mijn essay over taalverandering zitten. Dat moet echt gebeuren vandaag. Stiekem zoek ik op internet ook al even naar USB-sticks voor mijn tekenopdracht en schrijf ik me in op een nieuwsgroep om aan een fiets te komen. Om twaalf uur maak ik broodjes. Vanavond ga ik warm eten, want ik wil een bodempje hebben voor het geval ik straks tijdens het concert nog een biertje drink.

Ik doe mijn rokje aan want het is vandaag zowaar 1 graad boven nul. Sanna, die ik in de keuken tref, zegt nog tegen me dat ik meer moet klagen, want zij en Marjo hebben ook al wat te mekkeren gehad. Die kans laat ik niet aan me voorbijgaan en ik klaag direct over de temperatuur: 1 graad boven nul! Wat is dat in Finland, hier hoort het toch te vriezen! Dat is geldig gemopper. Reactie erop is dat het zelfs in mei nog wel eens sneeuwt hier. Na de lunch wandel ik naar de supermarkt en koop weer wat benodigdheden.

Ik kijk even naar een mp3-spelertje van twee tientjes, omdat ik mijn iPod thuis heb gelaten en ik hem hier toch wel erg mis. Met al dat gewandel en gebus overal vind ik wat muziek bij me ook niet zo gek. Helaas zijn de mp3-spelers hier standaard zo’n 50 tot 80 euro en hebben ze alleen maar grote merken. Dat moet toch goedkoper kunnen? Ik loop alledrie de supermarkten af maar ze hebben niet wat ik zoek. Ik kan misschien beter deze wens opzij zetten en wanneer ik weer terug in NL ben mijn antieke iPod eens vervangen door een multimedia-exemplaar en daaraan de 60 euro toevoegen die ik nu niet wil uitgeven.

Zonder studs hobbel ik terug naar huis en ga weer verder aan mijn essay. Het schiet echt voor geen meter op, zo merk ik achteraf. Ik internet ook wat tussendoor en check mijn Worth1000 inzending. Ik comment op wat andere inzendingen en krijg prompt een vlammend bericht terug waarin iemand begint te whinen over alle goede dingen die ik níet opgemerkt heb aan zijn plaat. Ik ben nog zo vriendelijk om hem een belerende trap terug te geven ook – hallo daar, de wereld is niet alleen maar kudo’s en aaitjes over je bol.

Ik maak wederom Bobotie vanavond, nu iets minder spicy en met boontjes erbij. Maargoed, daarna is het voor mij ook weer tijd om te leren: dat essay! Oh, ik haat argumentatiestructuren, omdat ik eigenlijk elke vijf minuten van mening verander en ik die klont meningen ook zonder enige onderlinge prioriteit op papier kwak. En daar haal je geen achten mee, dat weet ik nu wel…

Om negen uur check ik de bustijden en zie tot mijn schrik dat de laatste bus richting Club Teatria om vijf over half tien vertrekt. Snel schiet ik in mijn warme kleren, dof me op en wandel naar de halte. Ik heb geluk dat ik haastig ben geweest, want lijn 4 komt lompweg om 5 voor half tien. Ik let goed op de haltes en opeens zijn we er al. Er stappen nog twee mensen uit en ik vermoed dat ze naar Amorphis gaan. Ik vraag ze even of zij weten waar de ingang is. Jahoor. Ik wandel achter hen aan, onder hekken door, om grote loodsen heen… en opeens staan we dan voor de ingang. Het is inderdaad van alle kanten een oud slachthuis, met de loadingdocks voor vrachtwagens etcetera er nog aan. Op zich even groot als Atak nu, maar kennelijk niet zo goed bij kas want het ziet er van binnen uit als de oude Atak…

Ik vermaak me met mensen kijken, af en toe praten met mensen die amper Engels kunnen en een biertje drinken. Ja, één biertje, want het kost verdorie vijf euro per amsterdammer. De garderobe kostte ook al 2 euro en wie komt met dit weer nu niet met een jas? Before the Dawn speelt en het klinkt wel leuk. Ze hebben alleen geen backdrop dus ik verwar ze even met Charon, wier backdrop er al hangt. Charon is ook wel vermakelijk. Fanatieke zanger en mooie cleane stemmen afgewisseld met grunts. Ja, ik vind ze wel leuk. Als Amorphis in hetzelfde straatje is ben ik blij. Er volgt drie kwartier pauze. De mensen om me heen beginnen wasted te raken en dan is het geen aanrader meer om zomaar met iemand te gaan praten. Ze worden een beetje ‘vervelend hangerig’ en dan schud je je ze weer zo moeilijk af. Dus ik blijf wat observeren en haal nog een glas water. Dat blijkt twee euro te kosten. Ik scheld de bardame uit en zeg dat Finnen gek zijn om zoveel te betalen. Dit alles met een vriendelijke glimlach én twee euro, dus ze heeft geen idee dat de betaling onder luid protest is gegaan. Eindelijk begint Amorphis. Maar, om eerlijk te zijn was Charon leuker en begin ik moe te raken. Na een paar nummers vind ik het tijd voor een toiletbezoekje. De toiletten zijn een regelrechte ramp. Smalle hokjes die niet op slot kunnen, gelukkig geldt er een ongeschreven regel op ‘niet opentrekken’… bij terugkomst heb ik dat hele Amorphis eigenlijk wel gezien. Ik haal mijn jas op en wandel naar huis.

zaterdag

Om half tien word ik wakker: het is tijd om de was te doen! Vandaag ga ik het presteren om mijn beddengoed in één dag te wassen en te drogen. Ik stop alles inclusief mijn normale was in de tas en hobbel naar de machine. De andere wasmachines staan er verlaten bij en iemand heeft duidelijk ruzie gehad met een pak waspoeder. Wederom; ik snap niet dat de studenten hier zo’n probleem van dat wassen kunnen maken. Eén trommel vol en dat één keer in de week, vloeibaar wasmiddel erbij, 25 minuten op de fijnwas en alle zweetluchtjes zijn er weer uit. Ik kan me niet voorstellen dat er hier studenten wonen die wekelijks van die typische Omo-grasvlekken kunnen produceren of ze moeten wel een bijzondere sport ofzo hebben.

Terug in huis maak ik ontbijt, kauw het op en daar gaat mijn telefoon alweer: de was is klaar. Je was inplannen en dan in een uurtje afwerken is echt het beste wat ik hier bijgeleerd heb. Ik hang alles netjes over de waslijn, zet het ontluchtingsluikje open en ga eens kijken hoe ik vandaag naar Nallikari kom. Nallikari is het buitenste eilandje van Oulu. Als je op het strand staat kijk je naar het westen. Heeeeel in de verte ligt Zweden, maar dat zie je natuurlijk niet. Ik zie dat ik elk uur een bus kan nemen, dus dat doe ik maar zo gauw mogelijk. Pluspunt van de dag dat ik nog niet genoemd had: het is prachtig heerlijk zonnig weer. Alsof het weer daar speciaal de weekenden voor uitkiest, fantastisch. Ik hobbel naar de bushalte, stap op lijn 4 (die ook alweer te vroeg is) en laat me door het centrum vroemen.

We steken een brug over naar het eerste tusseneilandje en daar stap ik uit – zoals het op mijn planning aangegeven stond. Wat verbouwereerd sta ik midden op een brug bij een halte waar beweerd wordt dat alle bussen er langs komen. Ik moet 17 hebben. Wat als die nou net geweest is, met al die slordige bustijden hier? Ik sta wat te piepen als opeens bus 17 daadwerkelijk de hoek om komt zeilen. Hij brengt me naar de westkant van Nallikari.

Het strand is niet moeilijk te vinden: het krioelt er van de ouders met kinderen. Waar ’s zomers zand ligt, liggen nu enorme heuvels van sneeuw. Er staat een klein ijskasteel en er worden grillworstjes verkocht. Ik grijp mijn camera en fotografeer er lekker op los. Ik volg het spoor van de sneeuwscooters over het strand richting de zee. Ja, zee. Die is bevroren. Je ziet eigenlijk niet waar de overgang is, maar je weet dat je op de zee loopt als je na een paar honderd meter opeens over een opgevroren golf heen wandelt. Amazing. Hier staat ook het uitkijktorentje waar ik mijn docentes bij heb zien staan. Weer een landmark waar ik nu zelf geweest ben. Ik ploeg wat door de diepere sneeuw heen en ga richting het torentje. Het is prachtig weer. Even het torentje beklimmen, een aantal fotootjes maken, en weer langs het strand terug. Ik kan precies de volgende bus terugnemen. Dat klinkt alsof ik er heel kort ben geweest, maar een uur rondwandelen op een koud besneeuwde vlakte als dit is echt al heel wat.

Ik neem de 17 weer tot aan de brug waar ik eigenlijk op de 4 moet overstappen – dus ik stap heel onverwachts uit – maar ik herinner me opeens dat er op de terugweg geen aansluiting tussen de twee lijnen was. De chauffeuse ziet mijn vertwijfelde gezicht en gooit de deuren weer open, maar ik wuif haar weg. Ik sta een paar honderd meter van de stad, wat hindert het om te lopen? Waarschijnlijk gaat lijn 17 toch direct een richting op waar ik niet heen moet, anders had ik wel dichter bij huis kunnen opstappen. Ik loop in de stad naar de Bodyshop en koop een potje bodybutter. Dat spul is echt waar voor je geld als je niet elke dag met vettige handcrème wil smeren, maar dat had ik al verteld. Ik ga twee deuren verder bij Bisketti zitten en onder het genot van een bosbessenpulla en een kop thee overdenk ik mijn avondeten.

Ik ga nog even bij Antilla kijken voor een mp3-speler maar ook hier weer alleen topmerken en torenhoge prijzen. Arme jeugd hier, zouden ze hier goedkope webshops hebben? Je mag het toch maar hopen. Vijf euro voor een biertje en het twaalfvoudige voor een mp3-speler, ik vraag me af of de ouders van pubers hier nou eerder grijze haren krijgen dan die in Nederland… ik suis de roltrappen weer af naar de supermarkt op de begane grond en sla wat boodschapjes in. Ze passen gelukkig in mijn schoudertas. Ik ga op de bus staan wachten, maar de eerste die komt is een lijn 12 en die gaat niet naar mijn huis. Hij gaat eigenlijk rechtstreeks naar het OAMK.

Gunstig, het is mooi weer en ik moest nog leuke foto’s van de school hebben. Ik vergeet mijn plannen om naar huis te gaan en stap op lijn 12. Bij het OAMK maak ik inderdaad leuke foto’s. Helaas komt er echt geen bus terug op dit tijdstip (goed geregeld: op zaterdag rijden de schoolbussen maar tot het ziekenhuis omdat er toch geen kip verder hoeft dan dat). Ik neem de ‘achteruitgang’ en ga wandelend naar huis. Ongelooflijk, ik ben nu al wel bijna 5 uur aan het wandelen! Ik besluit nog even langs de supermarkten in Raksila te gaan (kleine omweg) voor een blikje erwten. Ik haal gelijk croissants voor morgenochtend, lekker even in de oven met chocopasta (de trouwe lezer weet waarom dat geen kaas is).

Ik ga bij aankomst thuis gelijk koken, want Marjo zegt me dat ze graag pizza’s wil maken vanavond en dan zal de hele keuken voor een paar uur totaal ‘quite messy’ zijn. Okay, leuk. De lucht van frisse was komt me uit mijn kamer tegemoet en zal weldra dus overstemd worden door mediterraanse aroma’s! Ik kom de avond door met nog een inzendinkje voor Worth1000 en met wat schrijfwerk. Zoo… slapen. De foto’s zijn overigens morgen te zien, het zijn er echt heel veel. Morgen!

zondag

Mmmmm warme croissantjes uit de oven met chocoladepasta! Mmmm! Omnomnomnom. Nu snel foto’s uploaden. Alvast excuus voor de scheve horizonnen (de zon was echt superfel) maar ik hoop dat de foto’s ondanks dat nog steeds amazing zijn.

Zo, na wat resize- en uploadwerk staan ze in de gallery. Sommige foto’s laat ik bewust zonder commentaar, ik neem aan dat de kijkers zelf wel kunnen bedenken wat ze zien (sneeuw) zonder dat ik het telkens souffleer (ja, sneeuw).

Ik ben heel eerlijk als ik zeg dat ik de dag doorkom zonder eigenlijk buiten te komen of zelfs mijn laptop met rust te laten. Het is zondag, en zondag moet je vieren. Aan het eind van de dag heb ik een mooie enge 3D-plaat uit Cinema4D geschud en vind ik echt dat ‘lang leve de lol’ er weer op zit.

Grappig detail is dat ik ’s avonds nog even twijfel of ik mijn was zal opvouwen. Nee, denk ik – dat kan morgen wel. Ik ben een chaoot als ik dat nu ga doen (ik sta met minstens vijf dingen in mijn hand die allemaal een bestemming hadden tot het idee van was opvouwen in me opkwam). Alas, ik ga slapen.

maandag

Om half zeven hoor ik herrie in de keuken. Nee, het is niet Herman den Blijker, het is Marjo. Ze is bezig haar gedroogde vaat uit het afwaskastje te slepen. Even hoop ik dat mijn koekenpan uit het kastje stuitert, zodat ze tenminste voor vijf minuten niet in staat zal zijn om herrie te maken.

Nou goed, om half acht moet ik er toch uit, dus ik woel nog wat en dan hobbel ik maar naar de douche. Verder begint de dag wel goed, met ontbijt, de nodige mensen e-mailen en wat werk verrichten. Ik zit net aan een klein stukje ontwerpwerk wanneer er opeens wordt aangebeld.

Er staat een duo vrolijke werklui voor de deur. Ze komen voor mij. Ik vertel ze maar gelijk dat ik geen Fins kan en het verbaast me niets dat zij amper Engels kunnen, maargoed. Ze komen de muren van mijn kamer inspecteren. Ik wijs ze de barsten aan en ze knikken eens. De ene man begint de stickers van mijn muren te trekken en wijst op de posters. De andere man knikt en vertelt mij in Engels 1.0 dat ze nu alles van de muren gaan trekken, want beide zijden worden opnieuw in de latex gezet. Wat, nu?! is mijn reactie.

Maargoed, ze beginnen al met het loshalen van de klimopstickertjes dus ik help ze maar gauw mee opdat ze niks stukmaken. Alles gaat van de muur en de meubels worden in rap tempo naar het midden van mijn kamer geschoven. De ene man stipt alle vergeelde plekken aan (goed werk, want die had ik niet bij Psoas opgegeven en dat had nog wel eens van mijn borg afgetrokken kunnen worden!) en de andere man begint als de wiedeweerga met de verfroller alles te witten. Ik ben overdonderd door hun snelheid. Ik pak in rap tempo letterlijk mijn hele kamer in de kledingkast (aangezien die toch halfleeg is) en prop alle andere losliggende rommeltjes in mijn ladenkastjes. De sprei gaat over het bed en voor de zekerheid stop ik mijn laptop maar in z’n rugzak. Had ik nu gísteren maar mijn was vast opgevouwen…

De mannen zijn vrolijk bezig als ik besluit maar te gaan lunchen. Ze hebben m’n tafel zo ver van de muur geschoven dat ik geen internet heb en de wind staat vandaag verkeerd om Panoulu te ontvangen. De latexlucht maakt je er ook niet echt helderder op. Ik stap op de bus richting OAMK en haal mijn lunch. Maarten zit net met wat Spaanse en Oostenrijkse exchangers te eten. Hij moet snel weer weg, dus ik praat nog even met de anderen. De Spanjaarden vinden het opmerkelijk dat er zomaar werklui in mijn kamer stonden. Ook vinden ze het jammer dat ik niet in Otokylä woon. Dat ik blij ben dat ik er niet woon valt moeilijk uit te leggen. Die werklui vind ik eerder een zegen dan een vloek; mijn studentenhuis wordt gewoon goed onderhouden, daar hou ik van.

Na de lunch ga ik naar boven en gelukkig is er een practice room vrij. Maar mijn stem klinkt hees en ik kan ook niet echt alle oefeningen lekker doen. Naast mij wordt druk vioolgespeeld en klinken er prachtige pianoklanken. Ik hamer een paar keer op mijn stukje Thoughtless en dan vind ik het wel weer genoeg. Ik kan hier niet lekker op m’n gemak oefenen, wat jij van de buren hoort horen zij ook van jou. En hoe zachter ik ga zingen, hoe meer ik mijn stem afknijp en gewoon niet alles mooi kan laten klinken.

Ik neem de dichtsbijzijnde deur naar buiten, haast me naar de bus en vroem naar huis. De werklui zijn weg, de kamer stinkt naar latex maar is prachtig mooi wit. Ik schuif al mijn meubels weer op de plaats en sluit de boel weer aan. Zo, terug naar de orde van de dag.
Ik werk nog een paar uurtjes en ga dan slapen.

dinsdag

Zo, vandaag weer bijtijds mijn bed uit. Ik maak ontbijt en werk wat. Om half twaalf pak ik de bus richting het OAMK. Ik ga eerst maar eens eten, daarna een interview doen. Ik kom Heikki tegen, hij staat achter me in de rij. Hij ziet er vrolijk gebruind uit. Hij is erg blij me te zien en vertelt dat zijn trip naar Australië zo ontzettend goed was – hij is een compleet ander mens geworden en al zijn stress kwijtgeraakt. Zo’n andere omgeving, dat verandert je kijk op het leven. Inderdaad, dat kan ik alleen maar met hem eens zijn! Hij trekt zijn agenda en we maken een afspraak op donderdag. We praten nog wat bij terwijl we onze borden langs de self-service schuiven. Er staat vandaag iets van aardappelen met vleesschijfjes en saus op het menu. De vleesschijfjes blijken hamburgertjes van lever te zijn. Bleeeghhhh! Zo enorm smakeloos als je bij elke hap kruidig gehakt verwacht. Ik ben blij dat ik maar drie van de toegestane vier opgeschept heb.

Om één uur ben ik bij Jussi’s kantoor. Ik vind nog steeds dat hij op een man uit een Duitse krimi lijkt, maar ik weet niet wie. We praten wat bij en beginnen dan met het interview. Het valt me op dat de docenten heel kortaf beginnen met de eerste vragen. Zodra ze bij de vierde of de vijfde zijn komen ze opeens los en beginnen ze te vertellen uit welke achtergrond ze komen, hoe ze hier in Oulu gekomen zijn en wat hun idealen zijn. Blij dat mijn interview dat teweeg brengt bij die stugge Finnen. Aan een lijstje met starre yes- en no-antwoorden heb je niks voor de beeldvorming. Jussi zegt me dat ik eens naar Rovaniemi moet gaan ‘om de kerstman te zien’ maar hij meent het echt – in Rovaniemi staat de brievenbus van de kerstman en is er ook een hoop toeristische zooi ingericht omtrent het kerstmanverhaal. Leuker nog is dat je in die buurt ook een snowscooter-safari kan doen. Je wordt dan ingepakt in fikse skipakken en gaat met snowscooters voor een paar uur de bush-bush in onder leiding van een gids. Dat lijkt me wel tof om te doen. Dus, naast een reisje naar Kemi wil ik dit ook eens met de trein gaan plannen.

Na het interview ga ik nog even boven zitten totdat bus twaalf zal komen. Ik ga vandaag namelijk een fiets kopen van een meisje dat in Alppila woont, een wijk ten noorden van de stad. Bus 12 gaat vanaf school direct naar die wijk en zal – volgens haar beschrijving – direct voor haar huis stoppen. Een kwartier vantevoren wandel ik naar de bushalte en zie dat bus 12 net de hoek omzeilt. Allemachtig, hoezo te vroeg komen! Ik sprint over het kruispunt heen en kan de bus nog net halen. Op naar Alppila dan maar. Ik merk dat ik mijn aantekeningenboekje met daarop de precieze beschrijving van de route naar haar huis ben vergeten. Ook haar naam weet ik niet meer precies. Iets zegt me dat ik er wel ga komen.

Op de aangegeven busstop hop ik eruit en sta langs een grote weg met grauwe autogarages en houthandels. Wat een contrast met het gedeelte van de stad waarin ik woon! Overal is braakliggend modderig terrein en er worden hier en daar oostblokkerige torenflats uit de grond gestampt. Ik wandel naar de dichtsbijzijnde flat die een beetje voldoet aan de beschrijving. De deur zou aan de achterkant zitten, maar de enige deur die tot een portaaltje met brievenbussen leidt, is dicht. Er is geen deurbel. Ik loop even naar een winkel en vraag aan twee houthakkers wat ik zoek. Ze kunnen me niet helpen. Terug naar de flat dan maar – dat is echt het goede nummer… ik klop aan bij een louche grieks restaurant dat onder de flat zit en een vage oostblokkerige kerel staat me te woord. Ik wijs op de deur van de flat en zeg ‘doorbell’ waarop hij zijn sleutels uit zijn broekzak grist en de deur voor me opent. Ik val van de ene verbazing in de andere, maargoed, ik ben binnen in de flat. Nu nog het adres vinden. Op de brievenbussen staan geen namen, maar er hangt een lijst met huurders. Ik zie de achternaam van het meisje en zoek dat appartement op. De flat is echt smerig en er zijn allerlei dingen kapot. Gelukkig vind ik een deurbel bij het juiste huisnummer op de tweede verdieping. Aanbellen dan maar en… jawel! Een meisje van mijn leeftijd komt naar buiten en blijkt daadwerkelijk de juiste te zijn! Ongelooflijk, wat leef ik toch in een vreemde adventuregame. Maargoed, zo te zien ben ik weer een level aan het uitspelen!

Ze haalt de fiets op en ik mag even buiten een rondje rijden. Op zich is de fiets niet meer zo netjes als op de foto die ze me gestuurd had, maar het is een robuuste mountainbike geweest en mijn gevoel zegt dat hij ondanks zijn beschadigingen nog wel wat kan hebben. Ik rijd een kort rondje. Bij terugkomst staat nu ook de louche kerel van het restaurant buiten te loeren. Vage wijk hier, ik zou hier niet willen wonen. Ik koop de fiets en zoek een fietspad op dat bordjes naar de ‘Keskusta’ heeft. Binnen vijf minuten fiets ik alweer in het centrum. De fiets is echt niet meer wat hij geweest is (en ik betwijfel dan ook of hij z’n geld wel waard was) maar alas, een fiets is een fiets en ik kan hem zo schijnt ook weer verkopen aan de tweedehandswinkel zodra ik hier wegga. Ik koop wat spullen voor mijn fiets zoals lampjes en nieuwe handgrepen en ga naar huis. Mijn maandelijkse hoofdpijn belaagt me weer en ik moet echt even stoppen de zwarte vlekken te negeren en rustig aan gaan doen.

Mijn plannen om ’s avonds nog aan mijn fiets te gaan sleutelen laat ik maar even varen. Ik maak een kop warme chocolademelk en ga na nog wat traag werk m’n bed in.

woensdag

Vandaag mag ik van mezelf een beetje uitslapen. Ik heb namelijk geen afspraken voor vandaag. Ik heb wel heel veel te doen, maar dat bedenk ik me pas als ik ’s ochtends om half tien sta te douchen. Stom van me, ik ga echt achterlopen met de dingen die écht belangrijk zijn. Ik maak ontbijt en probeer rap aan dit blog te schrijven, maar schrijven en snel gaan bij mij niet samen. Ik stuur wat mailtjes de wereld in en hoop vurig dat ik vandaag geen hoofdpijn krijg zoals gisteren. Kans is groot van wel.

Ik doe wat werk en ga dan naar beneden. Ik sleep mijn fiets het trapportaal in en stal mijn rommeltjes uit. Ik monteer de lampjes en fix de bagagedrager met een tie-wrap. Na een kwartiertje MacGyveren op mijn fiets ziet hij er weer heel netjes uit. Ik teken wat teststukjes met de Edding-stift en ben blij met het resultaat. Op het vale rode stuur ga ik iets van vlammen maken, of tribals. Ik sloop het handvat eraf – omdat de andere er toch ook al af ligt – en probeer de handvatten die ik gekocht heb. Ze passen niet. Gelukkig heb ik de bon teruggevonden, dus ik ga ze proberen terug te brengen.

Ik fiets naar school – lekker crossen! en haal mijn eten. Het lekkere eten is al op voor vandaag en alleen de duurdere maaltijd en de vegetarische maaltijd zijn nog over. Darn, dan maar vegetarisch – champignonpannenkoekjes met saus. Ik ga bij de exchange students zitten en praat wat met Maarten. Ik heb het aanbod voor een project dat ik van Bastian Fahnrich kreeg, afgewezen, maar ik heb Maartens adres doorgegeven. Daar is hij geloof ik wel blij om, ik hoop dan ook dat Bastian hem mailt. Na mijn karige maaltijdje hop ik weer op de fiets en cross weer naar huis. De gladde stukken – die ik wandelend zo erg vind – zijn op de fiets prima te doen (mits je rechtuit rijdt) – de sneeuwerige stukken zijn juist gemeen, omdat je wiel daar als in mul zand weggeduwd wordt en je fiets uit balans raakt. Al met al kom ik heelhuids aan bij mijn bestemming: de Euromarket. Ik ga eerst mijn handvatten ruilen bij het Infopunt. De dame daar maakt er geen probleem van, spreekt Engels en geeft me een mooi bonnetje dat ik bij de kassa mag gaan verzilveren.

Ik struin nog wat door de winkel, neem een reepje chocola mee en geef bij de kassa het reepje en het briefje af. De caissière kijkt moeilijk. Ze bliept het reepje en vraagt me om zestig cent. Ik wijs haar op het bonnetje. ‘I brought this back… I pay with that money.’ Ze begint te knarsentanden, slaat wat op haar kassa aan. Er blijft constant nul op het display staan. Ondertussen sprokkel ik van mijn laatste kleingeld 60 cent bij elkaar voor het geval ik het niet terugkrijg. Er vormt zich een rij achter me. Gelukkig, ze weet de kassa zover te krijgen haar de 2,95 terug te geven. Ze trekt de 60 cent er weer af en retourneert me 2,35 plus het reepje. Ik knik blij en loop weg, terwijl ze met argusogen naar mijn bonnetje blijft staren. Ah, fijn mens, zoek het uit… als ze klachten heeft moet ze maar naar het Infopunt lopen, die dame weet het nog wel.

Ik ga langs de Prisma, koop mijn dagelijkse boodschapjes en fiets weer naar huis. Nu moet ik mijn essay schrijven… tijd voor mij om te knarsentanden. Met mijn essay gaat het best hard, maar ik merk wel dat ik echt in de eerste week al had moeten beginnen met stevig aanpoten en gewoon beginnen met schrijven. Eigenlijk zou ik nu namelijk nog wel een week kunnen gebruiken om het te finetunen, maar in mijn planning staat die eigenlijk niet. Goed, ik heb nog een essay te gaan, laat dat een les voor me zijn.

Om half zeven smeer ik een broodje en kom Sanna tegen in de keuken. Ik vertel dat ik een fiets heb en ik zeg dat ik naar de film ga. Ze overweegt om mee te gaan – ha, gezellig – maar als ze hoort dat ik over vijf minuutjes al wegga laat ze het varen. Jammer. Ik pak me in, spring op de fiets en cross naar Valve. We zijn maar met z’n vijven, maar dat is eigenlijk wel doorgaans zo bij filmhuisfilms. We wachten wat op een bankje voor de zaal en ik ontdek een grote bak met opgerolde filmposters. Net als bij Concordia! Ik snuffel er even door maar er zit niks leuks bij. Toch de moeite waard om terug te komen wanneer er wel leuke posters zijn! Het is zo grappig, waar je ook komt ter wereld… er zijn gewoon dingen die heel universeel werken. We kijken de film ‘Blindness’. Op zich niet zo’n enge film, maar hij geeft je wel een heel naar gevoel. Om negen uur is hij klaar en ik stap weer op de fiets naar huis.

donderdag

Vandaag weet ik weer vroeg op te staan. Dat komt ook omdat ik beslist de vorige avond vroeg naar bed ben gegaan. Dat scheelt echt al per uur. Helaas, weer geen zon vandaag. Ik maak ontbijt en lees mijn e-mail. Dan schrijf ik aan mijn essay. Het gaat op zich wel, maar ik heb enorm veel moeite om de hoofdlijn vast te houden. Je leest onderweg zoveel leuke bijkomstige informatie en die wil je ook graag weer met de lezer van jouw verhaal delen. Echter, dat maakt het allemaal maar een chaotische en vrij onleesbare boel.

Om tien voor twaalf spring ik op de fiets en spurt naar school. Negen minuutjes doe ik erover. Amazing! Bovendien is het ook goed voor de gezondheid, dat fietsen. Er zijn nog wel bochten (vooral die met sneeuw) waar mijn wiel in wegslipt, maargoed, je staat ook zo met een been aan de grond, dus het is prima te doen. Ik kom Maarten en een paar foreigners tegen, ze gaan ook eten. De rij voor de selfservice is lang. Ja, dat heb je als je om twaalf uur komt eten. Vandaag is er erwtensoep, niet mijn favoriet. Ik ga maar voor de duurdere maaltijd en heb iets wazigs met kip, paprika en amandelsaus. Maarten meldt dat zijn tafel vol is dus ik ga aan een willekeurige tafel tegenover een jongeman zitten.

Hij ziet er Fins uit dus ik doe maar geen moeite om een gesprekje aan te knopen. Daar zijn ze vaak niet zo van gediend, helemaal niet onder het eten. Na een tijdje peuzelen ben ik toch zo brutaal om te vragen of ik de twee zwarte olijven mag hebben die hij samen met zijn bord netjes aan de kant heeft geschoven. Ja, ja, zegt hij en gebaart dat ik ze op mag prikken. Om mijn voedselkaping ietwat stijl te geven zeg ik dat ik erg van zwarte olijven hou (en dat lieg ik niet, ik had er bewust veel in mijn eigen eten gegooid). Verbazend genoeg begint de Fin een gesprekje met me. Hij was laboratoriumonderzoeker maar doet nu een extra jaar opdat hij leraar kan worden. Hij is vandaag hier om laboratorium-theorieles te geven aan studenten van de technische afdeling hier. Ik vertel hem waar ik zit. Wat gezellig, eens een Fin die terugpraat!

Om half één ben ik klaar en wandel naar Heikki. We praten bij. Hij vindt mijn interview erg goed en de vragen doortastend. Hij regelt gelijk een sleutel waarmee ik de lokalen in kan wanneer ze gesloten zijn. Kost me wel weer 20 euro borg, maar ik vind het prima. Nadeel is wel dat je de sleutel elke week moet activeren, anders werkt hij niet én krijg je 3 euro boete. Sucky systeem indeed, maargoed dan kan ik tenminste de klaslokalen en de kantoortjes in waar printers staan.

Na een half uurtje loop ik naar Iikka Tolonen, de fotografiedocent. We hebben een leuk gesprek. Ook hij vindt de vragen pittig, maar ik heb gemerkt dat ze wel werken om echt de ‘passie’ in mensen naar boven te krijgen. Zo ook bij Iikka. Naast dat ik hem herinner aan de wens voor een grote, ruime doka voor alle studenten – die hij, als liefhebber van de analoge fotografie, in dit gebouw nooit gekregen heeft – krijg ik ook wat bijzondere antwoorden over de instelling van de school en over hoe het leven er hier aan toe gaat. De oogst is weer binnen!

Naderhand loop ik nog even binnen bij het kantoortje waar Henri en Jenni doorgaans zitten en ik print snel even de eerste draft van mijn essay uit. Hier moet ik keihard in gaan strepen. Een tweede kans tot printen heb ik niet (pas na het weekend) dus de tweede helft zal ik van het scherm moeten corrigeren. Dat werkt een stuk minder fijn. Ik spring op de fiets en cross naar huis. Ik schrijf verder aan mijn essay, maar het snijdt niet echt hout. Om vijf uur fiets ik weer naar de stad en doe wat inkopen. Een set Promarkers in vijf grijstonen, nog niet eens zo duur (ca. 3,50 per marker, bij de Bertus Workel zijn ze 5,20 elk). Bij de Lippupalvelut in Stockmann haal ik een kaartje voor Galant Illusium, de goochelshow. Daar ga ik zaterdag heen. Bij de H&M haal ik een zwarte legging, opdat ik mijn rokje kan dragen (mijn panty is te koud). Daarna probeer ik mezelf tegen te houden, maar het lukt niet: in vijf minuten zit ik bij Bisketti op een barkruk een appelpulla weg te werken. Amazing hapjes, maar foei. Dat was dan m’n avondeten.

Ik cross terug naar huis en bemerk dat de legging helemaal niet past. Wat, maat medium! Zwaar beledigd cross ik terug naar de H&M (toch open tot 21.00 elke dag, whatever) en ruil hem voor een Large, die ik wel eerst even pas. Die zit redelijk. Ergens ben ik wel blij dat ze leggings zo gemeen krap maken dat de échte koeien tenminste niet de kans krijgen om in leggings rond te gaan lopen, maar anderzijds vind ik het echt je reinste discriminatie dat ik, terwijl ik doorgaans maatje Small of Medium heb, nu in een Large word gedwongen. Alsof ik groot en dik ben ofzo! Minpunten voor H&M dus.

’s Avonds kom ik nog mijn kamer uit om de afwas te doen. Ik bemerk dat er een koekenpan met olie op het fornuis staat op te warmen. Als hij wel erg warm wordt en begint te walmen loop ik naar de kamers van Sanna en Marjo en informeer naar de pan. Sanna weet van niks maar meldt wel even dat Marjo wel heel veel klaagt. Dat ben ik met haar eens! En nu ga ik even tegen Marjo klagen dan. Nouja, erg beleefd meld ik dat haar pan ready is en jawel, binnen vijf minuten staat ze dan bij het fornuis om een banaan te bakken. Ik heb inmiddels de pit laaggedraaid tot standje 1 en doe mijn afwas. No way dat ik ga slapen als zij hier zo achteloos met brandbare spullen omgaat. Als ze dat vaker doet dan heb ik ook nog wel wat te klagen…

vrijdag

Ik kom vandaag op tijd m’n bed uit en spring onder de douche. Na het ontbijt stort ik me op mijn essay. Ik hoop vandaag alle te behandelen onderwerpen eindelijk eens te vullen met steekhoudende tekst. Echter, ik moet ook voor twaalf uur op school zijn om mijn sleutel te activeren.

Het lukt me niet om de boel voor die tijd af te krijgen. Om kwart over elf grijp ik mijn fiets en cross zachtjes naar school. De wegen beginnen al te ontdooien, her en der is het fietspad alweer door het ijs heen te zien. Echter, nu begint het ijs ook als losse sneeuw aan te voelen en roetsjt je achterwiel nog vaker weg. Ik haal mijn eten en zie Maarten zitten, dus schuif ik bij hem aan. Er komen nog wat andere exchangers bij zitten. Een aantal hebben een opvallend snorretje. Ze leggen uit dat het speciaal voor de moustache-party van vanavond is. Hoe meer jongens er met een snor bij komen zitten, hoe hilarischer het wordt. Maarten baalt dat hij de zijne net heeft afgeschoren, want wie niet met een snor op het feestje verschijnt krijgt er eentje met watervaste stift op gekalkt – dat geldt trouwens ook voor de meisjes. Afijn, voor hem nog 12 uur om er een te regelen. Ik ga niet naar het feestje maar ik vertel wel over mijn karaoke-avontuur als Günther met mijn Sunshinegirl Casper. Daarna willen alle jongens op slag een foute mega-zonnebril voor die avond.

Verder heb ik niks te doen op school dus ik pak weer in en fiets weer naar huis. Om uit te wijken voor een meisje maak ik een korte bocht: slip daar gaat mijn fiets. Gelukkig reed ik niet hard en sta je met zo’n mountainbike eigenlijk direct aan de grond. Als ik bijna thuis ben bedenk ik me dat ik nog langs het OAMK in de stad moet om mijn betaling voor de Kemi-trip terug te halen. Gelukkig fiets ik parallel aan de Kainuuntie, die overgaat in de Saaristonkatu. En die ligt weer vlakbij het OAMK-gebouw…

Een lekker fietstochtje langs nieuwe wegen dus. Ik haal mijn geld op en sta mezelf toe nog even in de stad te kijken naar stickers om mijn fiets mee te pimpen. De decowinkel heeft niks evils maar de Stockmann blijkt prima zilveren klimopstickertjes (ook niet evil…) te hebben, bovendien zijn hier de Promarkers nog goedkoper dan bij de boekhandel én er is meer keus in kleur. Nou, ik weet wel wat er in de koffer mee naar huis gaat…

Ik ga nog even langs de Lifestyle Kauppa maar ze hebben nog geen nieuwe hippe t-shirtjes. Sowieso gaat er een girlie van de Hevimesta mee naar huis, maar de underground custom printed t-shirtjes hier zijn zo ‘echt van hier’ dat ik vind dat ik er eentje moet meenemen. Alleen wel een léuke…

Ik ben inmiddels op de Hallituskatu aanbeland dus fiets ik vanaf daar naar huis. Met veel moeite zet ik mezelf aan het schrijven van het essay. ’s Avonds maak ik mijn inzending voor de 3D-contest ‘Fear’ af en post mijn render. Daarna ga ik slapen.

zaterdag

Weekend, uitslapen! Ik heb geen wekker gezet en pit lekker door tot elf uur. In de verte hoor ik Marjo in de keuken wat rommelen. Ik draai me nog eens om en beland in een hele heldere droom – ik denk zelfs over iets na, en zie het voor me, in mijn droom – achteraf echt absurd dat ik dat kan, zo gecontroleerd dromen. Wanneer ik opeens droom dat ik door een Hollands landschap rijd dat toch wel erg koud en donker aandoet vraag ik me af waar ik ben: in Nederland, om vijf voor twaalf in de ochtnd en met dit weer? Is dat niet wat schraal lenteweer voor een datum als 2 juni? Is het nog geen 2 juni? Wat doe ik dan in Nederland? Is Finland alweer voorbij? Ik was nog niet eens klaar!

Ik piep een oogje open en zie dat ik gewoon in mijn kamer in Oulu lig. Merkwaardig, hoe realistisch dromen kunnen worden als je opeens in je droom beschikt over een heel rationele, controleerbare vorm van denken. Nouja, tijd om wakker te worden dan maar. Ik maak ontbijt maak het aanrecht schoon. Daarna stommel ik naar beneden met het opgespaarde glaswerk, de tas vol plastic-afval en wat spullen voor mijn fiets. Nadat ik het afval heb weggegooid zet ik mijn fiets in het portaal en begin met schoonmaken. De velgen schrob ik, al weet ik niet hoe lang ze weer roestvrij zullen blijven zo met deze natte sneeuw. Het stuur kleur ik zwart met mijn Edding-stift. Daarna plak ik overal op het frame zilverkleurige klimopstickertjes. Serieus: het is een mooie fiets geworden.

Ik ga naar boven, was mijn potzwarte handen en pak mijn tas. Eerst naar school, om mijn essay af te drukken, en daarna naar de supermarkt voor de weekendboodschappen. De school is verlaten, op wat dansers na. Ik loop naar het studentenkantoortje en zie dat de deur open is. Fijn. Ik start de computer en open mijn PDF. Jussi komt binnenwandelen. Verbaasd is hij om te zien dat ik op zaterdag zelfs aan het werk ben. En hij? Ja, ook werk. Hij schenkt koffie in en gaat weer een deur verder naar zijn eigen kantoor. Ik ben er eindelijk achter: hij heeft wel wat weg van Daniel Craig uit de laatste James Bond-films, maar ik denk niet dat iemand die mening met mij deelt.

Terug naar Raksila, waar ik de supermarkt met een bezoekje vereer. Ik haal de broodnodige spullen en sla ook eens kaas in. Ik weet dat in elk weblogbericht nu al het woord ‘duur’ een keer is voorgekomen maar ik moet echt benadrukken: kaas is hier absurd duur. Bovendien staat op de meeste pakjes dat het uit Duitsland of uit Nederland komt en wordt het zeer waarschijnlijk per vliegtuig hier gebracht. Wel leuk dat je het opschrift van alle pakjes dan weer gewoon kan lezen! Vanavond maar weer eens pasta met tomatensaus en strooikaas.

Ik fiets weer op huis aan en maak pasta. Die eet ik op terwijl ik mijn essay doorlees. Wat een broddelwerk is het zeg, ongelooflijk, wat een chaoot kan ik zijn. Nouja, lekker schrappen, pijlen zetten en mezelf voor de kop slaan. Morgen gaat er keihard geschreven worden. Om kwart voor zeven spring ik weer op de fiets om naar de Galant Illusium-show te gaan.

Om vijf voor zeven zet ik mijn fiets voor de glazen pui van het gebouw neer. Het lijkt erg op het Muziekcentrum in Enschede. Binnen in de foyer staat een enorme rij, prachtig opgesteld in een vierkantje. Ik vraag twee rokende mensen buiten het hoe en wat van die rij. Lachend vertellen ze me dat de deuren van de zaal nog niet open zijn en dat ik wel alvast mijn jas kan ophangen. Ik bedank ze en glip naar binnen. Inderdaad, ik kan mijn jas voor een euro kwijt. Dan zoek ik het eind van de rij op en sluit achteraan. Tien minuten wachten, die ik besteed aan wat sms’en met het thuisfront (ik bel hier echt niemand, mijn beltegoed is ten berge gerezen!). In Enschede is het waarschijnlijk nu al dubbel zo druk voor de deuren van Atak, want de band Racoon speelt daar vanavond voor een uitverkochte zaal.

Om tien over zeven openen de deuren van de zaal en stromen we naar binnen. Het is een grote theaterzaal en iedereen past erin. De spanning hangt al in de lucht door de dreigende bastoon die door de hele zaal trilt. De lampen gaan uit en op een beamerscherm krijgen we een Blair Witch Project-achtig filmpje te zien. Figuren in zwarte gewaden (zie foto van goochelshowpreview) overmeesteren de kijker en tot onze schrik sluipen de figuren ondertussen ook daadwerkelijk door de zaal! Ze hebben lange vieze nagels en aaien in het donker onze gezichten. Dan begint de show. De goochelaar – gewoon een student overigens – laat diverse verdwijn- en verwisseltrucs zien. In prachtige scenes van het Monster van Frankenstein, een New Yorkse klassieke nachtclub of gewoon voor een rood fluwelen gordijn verbaast de goochelaar ons telkens weer. Zijn acts worden afgewisseld door dansopvoeringen van 8 studentes, eveneens van het OAMK. Geweldige kostuums, kan ik je zeggen, en de aankleding van elke scene is ook tot in de puntjes verzorgd. De lichtshow is geweldig en ook alle handmatige belichting met volgspots en pyro-effecten wordt gewoon door studenten gedaan. Nou, daar kan Saxion nog een puntje aan zuigen. Zo’n prestatie zie ik de studenten van ons echt nog niet neerzetten. Aan het einde komt er nog een percussie-trio aan bod dat een heel dreigende sfeer neerzet, terwijl we kijken naar een hoepeldanseres en een vervolg op het Blair Witch-filmpje. De goochelaar verrast ons een laatste keer door opgesloten te worden in een kist en het volgende moment twee rijen achter me te staan. Amazing.

Wil je het eerste kwart van de show terugkijken? Dat kan via deze link.

Ik heb vanavond ongeveer evenveel geklapt als ik tijdens een show van Epica doe, en dat zegt wel wat. Ik heb ook gelijk een idee voor een concept her-uitgevonden: als ik deze prestaties zo zie is dat concept ook prima mogelijk. Hij mag de kast in tot de ontwerpfase.

Ik fiets weer naar huis en zie mijn essay op bed liggen. Aaaahhhh niet nog meer correctiewerk. Morgen. Door toeval kom ik een oud plaatje van The Catacomb Abyss tegen op internet en dan ben ik verloren: ik wil dat ding namaken met louter CSS. Ik ga d’r voor, call me stupid. Om drie uur in de nacht heb ik het ding voor 90% nagebouwd en verbaast het mij dat het zo goed gelukt is met mijn CSS-skills. Wel een avond vernacheld…

zondag

Hoewel ik pas om drie uur in mijn bed lag, ben ik om kwart over negen alweer wakker. Dat ga ik vast berouwen, dus ik draai me om en slaap verder. Nee, dat is leuk: ik krijg een nachtmerrie met de nodige foes from the past. Ik ga om elf uur mijn bed maar uit en maak ontbijt. Hmmm, broodjes gesmolten kaas uit de oven. Ik moet vandaag ook eens de ansichtkaarten netjes ophangen, ze zijn allemaal van de muur gedonderd en liggen nu in een mandje waar niemand ze ziet.

Eerst even de wasbakken schoonmaken in de badkamer en de wc. Die zijn weer zo stoffig dat ik het gewoon vies vind. Daarna sleep ik mijn essay naar mijn laptop en ga bewust zonder internet zitten werken. Ik hoor Sanna en Marjo de keuken in- en uitlopen. We lopen elkaar elke keer voorbij. Ik haal thee, ik haal broodjes, en besluit éven te internetten om tenminste mijn log bij te houden. Ik mag nu niet vervallen in oeverloos gezap, want dan kom ik er vanavond tegen elf uur vast achter dat mijn essay nog vrolijk onaangeraakt op me staat te wachten. Mag…niet…

Er viel net regen, voor een tijdje. De regen ging over in natte sneeuw. Inmiddels regent het weer. Wat een pulpweer zeg. Laat nu de shovels maar komen en schuif die wolken ook een stukje opzij. Óf het vriest hier 20 graden, óf het moet strandweer worden: we gaan de komende maand toch alsjeblieft niet elke dag tegen zo’n grauwe bende aankijken?

Het wordt langzaam donker. Ik bikkel verder aan mijn essay totdat mijn maag weer rommelt en het tijd is voor wat pasta. Als een zombie loop ik door de keuken. Sanna is wel blij dat ze geen essays hoeft te schrijven voor haar studie. Na het eten is het alweer bijna zeven uur, tijd om een wasje te draaien. Marjo staat in de keuken en vraagt me nog een keer om uit te kijken met het koken van spullen in de magnetron. Ze vindt dat hij erg heet wordt en ze vertrouwt haar magnetron daar niet zo op. Ik kijk wel of ik een pan kan kopen.

Ik pak mijn was in en ga naar buiten. Eerst even een ommetje langs de tweedehandskelder. Er is geen pan te vinden (die dingen zullen wel gewild zijn) maar ik pak wel twee leuke truien mee. Die gaan gelijk in de was, dan zien we wel weer verder. Er staat wel een magnetron… maar we hebben sowieso geen plek om die te stallen dus die laat ik lekker staan. Ik kijk wel of ik in de supermarkt een pan kan vinden. Ik lurk wat op internet en dan is het alweer tijd om mijn was op te halen.

De truien ruiken lekker fris, mooi, die gaan op de waslijn. Ik schrijf nog wat, maar het wil niet vlotten. Ik wil net gaan douchen als ik hoor dat Marjo eronder staat. Bummer. Ik loop dus maar in pyjama de keuken in en snaai een appel. Sanna is wat late night snacks aan het maken. Ik kauw op mijn appel en vertel haar wat oliebollen en appelflappen zijn. De Finnen hebben een eigen soort oliebol: de brains. De echte naam ken ik niet, maar het is een broodje in de vorm van een brein. Je maakt het door in een pan met hete olie een slagroomspuit met deeg leeg te spuiten. Het deeg kronkelt op en kantelt een paar keer, en dan ziet het er dus zo uit. Ik kan er geen plaatje van vinden.

Sanna wil de koelkast ontdooien, omdat er elke ochtend een laag water in staat. Marjo slaapt al dus we bespreken dat morgen met haar. Ik weet niet of het werkt om de koelkast te ontdooien, maar dat zal toch in jaren niet gedaan zijn, dus ik stem ermee in. Ik wandel terug naar mijn kamer en vind het wel tijd om te gaan slapen.

maandag

Ik wil vandaag doorslapen tot half negen, maar om twee minuten voor acht piepen mijn ogen toevallig toch open. Ja, ik moet douchen, ik heb veel te doen vandaag. Ik sleep mezelf onder de douche en daarna maak ik ontbijt. Sanna en Marjo zijn beide op en ze praten over het ontdooien van de koelkast. Marjo vindt het onzin, zo begrijp ik, maar we worden het eens dat we dinsdagavond na vijf uur de koelkast gaan uitpakken. Alle spullen gaan dan op het balkon in het trappenhuis en na vier uur halen we onze meuk weer op. Ik draag vandaag één van mijn nieuwe truien. Het is een maat XS, maar als ik mezelf er even in wurm zit hij best goed. Sanna vindt hem direct mooi zitten. Voor een tweedehands trui mag ik ook niet klagen. Waarschijnlijk ben ik gewoon zo’n lucky bastard die niet moeilijk doet en veel kleding min of meer altijd wel past.

Na mijn onbijtje schrijf ik wat mailtjes en update ik het blog. Nu moet mijn essay echt af…
Ik pruts nog lang aan het essay. Eigenlijk te lang. Pas om tien voor twaalf spring ik op mijn fiets en kachel naar school. Nu moet ik vast in de rij staan voor mijn hapjes…
De sneeuw is echt horrible nu. Ten eerste woedt er vandaag een nare sneeuwstorm vanuit het zuiden. Laat ik nu net naar het zuiden moeten… Ik bedek mijn ogen zoveel mogelijk met mijn muts en mijn neus met mijn sjaal. Overal ligt natte losse sneeuwtroep zoals we dat in Nederland maar al te goed kennen. Maar, het zou hier Oulu niet zijn, als daaronder niet nog een andere laag ijs zou liggen. In die laag zitten de nodige groeven en daar rijd je continu in. Op een gegeven moment rem ik maar niet meer voor al dat geslip en trap juist dóór wanneer ik begin te stuiteren. Hoewel het nogal risicovol is ga je zo tenminste niet steeds langzamer na elke groef.

De viaductjes zijn best wel eng. Je racet een eind naar beneden en je merkt dat de natte sneeuw ook je remmen nogal lam maakt. Gewoon kaarsrecht naar beneden en vooral niet slingeren dus, anders lig je met volle vaart om. Bochten zijn vervelend: je moet ze heel ruim nemen, alsof je continu rechtdoor wil blijven fietsen. Bovendien ligt er in bochten vaak extra veel losse sneeuw en daar slip je geheid in weg. Oversteekjes van langlaufroutes zijn ook niet grappig. Daar liggen gegarandeerd minstens 4 sneeuwkammetjes waar je zo recht mogelijk doorheen moet. Al met al is fietsen echt een hele geconcentreerde bezigheid.

Ik eet mijn lunch en zit daarbij in mijn eentje aan een bartafeltje dat uitkijkt over de hele eetzaal. Ha, mass observation. My favourite place (evil grin). Na het eten fiets ik weer naar huis. Essay, essay. Met veel moeite ploeter ik me er weer doorheen tot het vier uur is. Veel te laat stap ik op mijn fiets om weer op weg naar school te gaan. Ik heb namelijk Finnish survival course. Bij goed weer deed ik negen minuten over mijn ritje. Ik doe er nu vijftien over. Het is dan ook vijf over half vijf wanneer ik aankom. Geen kip in de hal te bekennen en het lokaal blijkt niet in het Media Department te zitten. Ik ga naar de gang met technologielokalen, maar vind daar ook niemand. Het lokaal vind ik wel, maar het zit op slot.

Een jongen die zit te wachten helpt mij met het lezen van een briefje op een deur, maar dat is ook niet de deur waar ik moet wezen. Ik loop nog wat heen en weer als hij opeens achter me opdoemt. Voorzichtig probeert hij wat te zeggen. Hij raadt me in gebroken Engels aan om bij de conciërge te vragen waar ik wezen moet. Wat lief! De meeste Finnen durven je echt niet aan te spreken hier.

De conciërge weet ook niet waarom er niemand bij het lokaal is. Ik vermoed dat de les is gecanceld door een tekort aan studenten (dat was al eerder zo) en loop de eetzaal in voor een broodje. Daar zit een exchange student met iemand te eten. Ik vraag hem of hij weet waar de class is. Ja, die is wel in het lokaal dat ik noem. Maar ik moet kloppen, zegt hij. De deur valt automatisch dicht. Maar kloppen helpt. Ik stommel verwachtingsvol terug naar boven en inderdaad, na een keer kloppen wordt de deur opengedaan door mevrouw Inkeri Leiber. Ik schuif gauw aan bij de rest (plm. 20 man) en probeer op te pikken wat ze al op het bord gekalkt heeft.

Twee uren gaan voorbij. Eigenlijk alle studenten om me heen komen uit Otokylä en kennen elkaar. Drie Italiaanse meisjes zitten naast me en we voeren wat gesprekjes over hoe we heten, waar we vandaan komen en welke talen we spreken. De taal laat zich vrij gemakkelijk leren, maar dat ritme in de uitspraak is zo moeilijk! Er staat bijvoorbeeld olen en dan moet je òllen zeggen. En als er huuuvaah wordt gezegd moet je hyvää opschrijven. Ook je mental maps voor wat je hoort en wat je moet opschrijven kloppen dus niet klakkeloos. Afijn, ik leer het wel. De meisjes achter mij komen uit België. ‘Ahwel, spreekt ge Nederlands dan??’ hoor ik al gauw. Ja, dat is wel leuk, de Italianen spreken in de korte pauze ook rap Italiaans met elkaar en de Belgen en Nederlanders babbelen voor hun weer onverstaanbare dingen. Na afloop heb ik er ook weer gelijk wat Facebookvriendjes bij.

Ik fiets in het schemerdonker terug naar huis en ga nog even langs de supermarkt voor wat nodige boodschappen. Bij de Euromarkt koop ik een steelpannetje met deksel opdat ik niet meer in Marjo’s magnetron hoef te koken. Ik slip naar huis door de natte sneeuw. Voordeel is wel dat als er natte sneeuw ligt, die ook binnen een dag vaak weg is en je gewoon over het asfalt rijdt. Helemaal als er een sneeuwschuiver langskomt is de troep zo aan de kant. Maar er zijn op mijn vaste routes nog veel stukken waar de sneeuwschuiver alles mooi laat liggen.

’s Avonds krabbel ik een eind aan mijn essay en sla het op. Morgen nog een keer overlezen en dan mag hij de deur uit. Twee dagen te laat en bovendien zijn alle werkzaamheden voor mijn afstuderen echt op 0,0 komen te staan. Dat vind ik naar, want ik vond het al zo traag gaan. Ik heb wel wat concepten bedacht ondertussen maar die interviews moet ik geregeld krijgen, en tot dusver heb ik nog geen mailtje verstuurd. Ik drink ’s avonds nog een biertje en teken wat op een online schetsboek. Mijn tekenkwaliteiten vallen me niet tegen. Ik teken alleen niet graag meer, gewoon omdat het er nooit uit komt te zien als de voorstelling in mijn hoofd. Misschien is dat ook wel wat kunst zo waardevol maakt… het is nooit het ‘perfecte’ plaatje, het is altijd iemands interpretatie plus de imperfectie van iemands motoriek. Maar net als dat ik niet graag naar mijn eigen stem luister, kijk ik ook niet graag naar mijn eigen tekeningen. En waar zang vervliegt en gemaakte fouten voorbij zijn, zijn tekeningen gedocumenteerd – zie je ze terug dan word je constant herinnerd aan de imperfectie. Ik vermijd die confrontaties graag.

dinsdag

Vandaag vind ik dat ik wat mag uitslapen, maar die gedachte wordt verstoord door mijn twijfels over de komst van montagemannetjes. Nee, dat is geen lucide droom, dat is realiteit. Er hangt een briefje in het portaal dat vandaag, morgen en overmorgen monteurtjes met de masterkey onze flats binnen zullen komen. Ze gaan het sanitair checken, zoals de kranen controleren en de wc-bril en de douchekop vervangen. Alles werkt bij ons nog prima, maar hey, kom gerust langs!

Dat kan echter wel van 8 tot 5 overdag, en het is nu 2 minuten voor 8. Mochten ze in mijn kamer willen zijn (ze willen ook zgn. aereators vervangen en dat kunnen de witte luchtroostertjes in elke kamer wel eens zijn) dan sta ik ze liever niet in pyjama te woord. Ik hop mijn bed uit, poets mijn muffe smoel (bier gedronken) en kleed me aan. Ik haal mijn was van het wasrek en maak ontbijt. Zo, de dag is begonnen.

Ik moet mijn essay controleren. En veel mailtjes versturen. Geen getreuzel dus. Ik slobber mijn ontbijt weg en beantwoord ondertussen mailtjes aan Koen en aan allerlei nieuwe mensen van Otokylä die mij op Facebook hebben toegevoegd. Dan moet het essay er toch echt aan geloven. Ik zet Openoffice op leesmodus en scroll door het documentje heen. Enkele zinsconstructies zijn nog wankel en hier en daar draai ik wat woorden om om het wat lekkerder leesbaar te maken. Dan gaat de muis richting de PDF-knop. Klik. Opslaan. Mailen. Doublecheck: opent het bestand? Ja. Weg ermee.

Er valt werkelijk een last van mijn schouders. Ik kijk naar buiten en merk op dat de zon schijnt zoals vorig weekend. De zon schijnt! Happy happy joy joy! It’s a beautiful day! Tijd voor koffie! Ik ben opeens immens vrolijk en stuiter mijn kamer door. Ik moet me inhouden om niet keihard te gaan zingen, want volgens mij zijn Sanna en Marjo gewoon op hun kamers aan het werk. Ik sleep het koffiezetapparaat naar voren en steek bijna mijn vingers in het stopcontact wanneer ik de TL-verlichting erboven wil aandoen. Zou toch een naar einde zijn van zo’n mooie ochtend. De koffie smaakt uitstekend. Zo maar eens naar school door de sneeuwtroep.

Kleine toevoeging: Onderaan elke post stond, in de originele versie, vanaf nu een link om naar de volgende dag te gaan. Ik vermoed dat mensen niet elke dag (meer) mijn blog lezen en om de draad niet kwijt te raken kun je nu aan het eind van een bericht met één klik naar de volgende dag hoppen.

Ik ploeter en cross door de tien centimeter diepe natte sneeuw naar school (onderuit gaan betekent nu een nat pak) en ga voor een smakelijke ‘pittige kip met risotto’-maaltijd. Mijn hoofd is lekker leeg na al dit beklemmende schrijfwerk en het vult zich dan ook gelijk met allemaal leuke creatieve technische snufjes die ik zou kunnen maken. Niet dat ik daar de tijd voor heb, maar ik kán het. In het studentenkantoortje steel ik een blaadje uit te printer en krabbel ideetjes neer. Het is er een komen en gaan: er wordt vandaag een shoot met allemaal jongeren van buitenaf gefilmd in een filmlokaal verderop. In het kantoortje ligt eten en drinken en daar vallen de acteurs dan ook regelmatig op aan. Het loopt tegen tweeën, ik ga maar weer eens. Met veel geschuif en geplons fiets ik terug naar huis.

Ik werk mijn planning bij en verstuur mailtjes. Dan komt Sanna langs en vraagt of ik kom helpen de koelkast uit te ruimen. Ik ben zo klaar met mijn rommeltjes. Ik pak twee schone vuilniszakjes, zet alles er rechtop in en plaats het in een hoekje op het balkon. Sanna en Marjo volgen, maar hebben duidelijk heel wat meer weg te leggen dan ik. Sanna heeft zelfs haar slaapzak opgeofferd om dingen in te isoleren. De koelkast gaat uit en vanaf dat moment is het wachten geblazen. Sanna föhnt de vrieslades en dan laten we het maar. Langzaam hoor je de ijspegels vallen. Na een kwartiertje is het alweer drukte in de keuken omdat mensen het toch niet kunnen laten het ontdooiingsproces een handje te helpen.

We ruimen de hele vriezer uit, maken de koelkast schoon en dan is het tijd voor thee. Sanna tovert pulla’s van de bakker uit de kast, Marjo heeft kerstbroodjes gebakken en we krijgen zelfs een halve bak aardbeien-muntijs. In een uur wordt alles prima weggesnaaid terwijl we kletsen over allerlei Finse gewoonten, dialecten en dergelijke. En zo gaat de avond voorbij…

woensdag

Zo, de dag is weer begonnen. Even lijkt het erop dat we zon gaan krijgen vandaag, maar dat duurt niet lang. Ik sleep me onder de douche en probeer eens zo kort te douchen als mijn huisgenotes. Dat lukt niet. Ik ben benieuwd of de montagemannetjes vandaag komen. Misschien is ons appartement wel goed en komen ze helemaal niet.

Buiten is het troosteloos weer. Google meldt een temperatuur van -7 en lichte sneeuw. Check. Wordt het hier dan ooit lente? Veel tijd om daarover te piekeren heb ik niet. Vandaag moet er fiks doorgewerkt worden want alles ligt ongeveer een week achter op schema.

Inmiddels heb ik e-mails gestuurd naar de tutor-studenten. De eerste e-mails gingen al mis: eerst een verkeerd adres (gelukkig bouncet de server die mooi, no harm done) en daarna stuur ik het tweede meisje de e-mail met in de aanhef nog de naam van het eerste meisje. Good job! Ik stuur er snel een verontschuldigende krabbel achteraan, gelukkig was zij degene die comicdrawing class geeft en ik vermoed dat ze het wel goed opvat.

Ik moet eigenlijk koffie hebben maar ik heb gisteren mijn kevyt kerma (lichte room oftewel koffiemelk) weggegooid omdat die echt al een week overdatum bleek. Niet gek dat mijn koffie gisteren zo raar smaakte. Zo maar eens een mailtje naar de webdesigner van het OAMK en dan moet ik aan wat Atak en Staes dingen opdat die vandaag – resp. te laat en precies op de deadline – nog afkomen. Ik vrees dat het geen lunch bij het OAMK wordt vandaag, ik maak wel broodjes en maak voor vanavond iets van pizza… als ik daarop mijn erwten en mijn tomatensaus parkeer ben ik daar ook gelijk vanaf. Nog een paar dagen voor nop in de koelkast en ik kan het sowieso weggooien. Misschien kan ik er ragoutbakjes mee vullen, maar dat is wat experimenteel.

Komend weekend wil ik – als dank en in return voor de pulla’s en het ijs van gisteravond, wat bakken. Marjo heeft me haar ovenschaaltje aangeboden, maar ik wil kijken of ik iets anders lekkers kan maken (zoals bladerdeeg) dat geen ovenschaal nodig heeft. Dus bij deze, bloglezers… wat voor zoetwaren kun je bakken met een steelpan + deksel en een koekenpan? Ik wou oliebollen maken (lekker Hollands) maar dan staat de keuken gelijk vol vette damp. Afgewezen dus. Elke suggestie is welkom!

Ik ben even naar de supermarkt geweest. Ik heb twee cheape gehaktpizza’s veroverd en wat aanvulling op de ontbijtvoorraad. Waarschijnlijk ga ik in het weekend een kwarktaart maken. Mooie doos ingrediënten van Dr.Oetker en nog wat saus erop. So far de boodschappen. Nu het naar de supermarkt gaan op zich. Het is HELL!

Alle vers gesmolten sneeuw die de laatste dagen papjes en plasjes had gevormd is opgevroren omdat het weer friggin’ -7 graden is! Het is een ramp! Alle fietspaden en wegen die ik normaal ergens heen neem zijn veranderd in kilometers lange ijsbanen! De Finnen schijnen het niet bijzonder te vinden. Zonder ook maar één keer onderuit te gaan verplaatsen ze zich in racetempo overal heen. Zucht. Waiting for summer…

Hoewel het nu prachtig zonnig weer is zal het de komende dagen nog wel even onder nul blijven. Het stemt me niet echt vrolijk (understatement). De zon gaat langzaam onder tegen zessen en ik kijk weemoedig uit het raam. Wanneer de laatste stralen langzaam over het dak van het Nokia-kantoor strijken moet ik opeens denken het moment dat we in Italië op de watervalcamping zaten en het dal al schaduwrijk was, terwijl het bovenste puntje van de berg voor ons nog beschenen werd door het laatste zonlicht van die dag. Vraag me niet hoeveel duizenden kilometers dat zuidwaarts is van waar ik nu zit, maar het lijkt even zo hetzelfde (hoewel ik toch liever aan de voet van die berg zat bij 25 graden dan hier bij -25 aan de voet van het Nokia kantoor…)

Ik beleg mijn pizza’s met erwten, veel tomatensaus en een plakje kaas. Wat over is gaat weg. Hoewel het er verschrikkelijk uitziet, smaakt het best wel. ’s Avonds maak ik me nog even druk over de vraag of ik nu niet mijn Finnish class mis – had Inkeri nu gezegd woensdag of donderdag? Sami heeft woensdag gemaild. Ik mail Inkeri. Ze mailt gelijk terug: morgen is de les. Mooi. Ik hoor Sanna aan komen wandelen en haak even in om mee te lopen naar de supermarkt. Ik ga namelijk, als verandering op al die zielige enkeltjes bier, nu een langetermijn-alcoholvoorraad kopen: een fles Sheridans.

Ik krijg een mail van een docent waarin ik word gevraagd om ambassadrice van de Creativiteit te worden. Dat is een landelijk netwerk waar ik helemaal geen weet van heb. Ik schrijf me maar in, wie weet word ik er nog eens rijk van. Daarna ga ik eens aan de Atak poster zitten. Het idee dat ik wil uitvoeren is nog niet zo 1-2-3 gedaan. Met veel 3d-gepruts kom ik tot een goed elementje voor in de poster. Nu de poster nog. Nouja, morgen dan maar, het loopt alweer tegen twaalven. Staes mailt terug met aanmerkingen op het ontwerp dat ik vanochtend heb gemaakt. Hij wil toch wat dingetjes die ik echt geheid niet wilde. Ik weet dat het wel kán en hij weet ook dat het kan, daarom vraagt hij het ook. Maargoed dan ben ik ook weer een uur prutsen in Photoshop verder.
Ook maar morgen…

donderdag

Weer geen zin om op tijd uit bed te komen. Het was gisteravond dan ook wel laat. Ik klim er om half negen uit en heb een half uurtje later mijn ontbijt achter de kiezen. Ik begin aan de werkzaamheden voor de Atak poster. Er zit een 3D-render van het logo in en dat staat even te pruttelen. Ik heb geen idee waardoor, want meestals floepen mijn renders in een minuut het beeld in. Vast door een één of andere stomme lamp in de scene… maar die lamp is wel essentieel voor de looks.

Rond tien uur hoor ik gestommel op de verdiepingen onder ons. Dan wordt er aangeklopt. De sleutel wordt omgedraaid in het slot en het volgende moment staat er een vrolijke jonge kerel binnen. In rap Fins begint hij tegen me te praten. Ik zeg hem dat ik geen Fins begrijp en dat ik geen Fins spreek (in het Fins). Daarop ratelt hij vrolijk nog een zin terug.

Ik roep iets met Englanti erin en hij schudt nee. Hij zegt iets met bathroom en repair en ik vind het allemaal wel goed. Hij haast zich naar de badkamer en ik hoor hem wat kranen open en dichtdraaien en wat hameren enzo. Dan roept hij ‘It’s done!’ en vliegt hij de deur uit. Ik ga gelijk checken. Nou, geen nieuwe wc-bril zo te zien, maar de douchekop in de badkamer is amazingly new! In plaats van een beige met bruin seventiesding hebben we nu een hippe grijze met groene bolletjes. Ninetiesdesign, maar het kan er nog steeds mee door.

Ik laat nog een render gaan en pak onderwijl m’n tas in. Dan stap ik op de fiets naar school. Ik wilde eigenlijk mijn buskaart opwaarderen maar daarvoor moet ik naar een R-Kioski in de stad, de andere kant op. Ik probeer zoveel mogelijk stukken te fietsen maar dat gaat soms wel op een slakkentempo. Vooral heuveltjeaf is het eng. Ik kom net voor twaalven op school aan en voeg me in de rij voor het eten. We hebben vandaag geweldige salade (waarvan ik de ingrediënten gelijk opschrijf) en iets dat ‘pastis’ heet (maar na check met Google iets heel anders blijkt…) op de lijst en wat ik op zich nog niet kende maar heerlijke zoetige pasta is. Dat moet ik leren maken…

Ik ga nog even bij de exchange students zitten (die net zijn aangeschoven) en hoor dat ze weer een woeste feestavond achter de rug hebben. Dan ga ik naar de werkkamer en verover een plekje aan het bureau met een bureaustoel. Voor de komende uren zit ik daar en klus aan mijn Atakposter. Halverwege de middag krijg ik een e-mail van een professor dat ik voor mijn achterstallige essay een 8- heb gehaald. Dat klinkt geweldig! Ik doe even een dansje, schrik de Finnen op en ga weer verder met mijn werk. Om vier uur ben ik klaar en kan om half vijf zo doorrennen naar taalcursus. Gelukkig, ik ben niet te laat.

We hebben ongeveer een anderhalf uur les en dan is het compleet chaos. Ik probeer nog wat gesprekjes te voeren met de mensen om me heen maar niemand snapt er eigenlijk wat van en nog minder mensen lijken daadwerkelijk echt geïnteresseerd in het leren van de taal. Ik heb geprobeerd de zin ‘Wat maak je me wijs?’ te vormen en laat hem aan de docente lezen. Zij denkt dat ik de vraag stel ‘Wat geloof je’ maar ze denkt dat ik het werkwoord verkeerd vervoegd heb (geloven en iemand láten geloven lijken erg op elkaar, logisch). Enfin, ik leer nog wel of mijn zin nu goed was of niet. Ik kan zo snel geen goede Engelse vertaling van wijsmaken bedenken dus ik laat het maar even zitten.

Naderhand ga ik in de kantine zitten, word half bedolven onder voorbijstuivende kleine balletmeisjes (ja, ’s avonds lessen die hier dus) en nadat ik mijn broodjes op heb ga ik naar huis. Na een glibberig tochtje over de mooi verlichte fietspaden tussen het OAMK en mijn huis parkeer ik mijn fiets in de stalling. Een deel van de fietspaden is trouwens geschraapt; ze hebben er met een grote kiepauto overheen gereden, bak over de grond schurend. Dat zie je wel, maar nu zijn de dikke wielsporen in het ijs tenminste weg. Daardoor kon je helemaal niet fietsen. Het langste stuk fietspad naar de school is nu bijna helemaal ijsvrij. Daar kun je lekker doortrappen 🙂

Ik Skype nog wat die avond en dan is het wel weer welletjes. Lekker een kopje thee en dan gaan slapen.

vrijdag

Zo, acht uur m’n bed uit, douchen. De nieuwe douchekop is waterbesparend (hartstikke mooi toch) maar dat betekent in feite alleen dat je langer doet met een batch water. En wanneer er dan een batch koud water tussendoor zit – omdat de ketel het even niet trekt of iemand anders is ook gaan douchen – dan duurt het nu langer voordat die voorbij is. Nee, verandering is niet altijd verbetering.

Ik kleed me aan en wil ontbijt maken. Hè, de vuilniszak is vol. Ik verwissel hem en ach, waarom niet gelijk naar beneden brengen. Ik ga op slippers naar beneden maar kom erachter dat er vijf centimeter sneeuw voor de deur ligt. Zei iemand ‘onverwacht’? Ik parkeer de tassen naast de voordeur en hol terug om mijn schoenen aan te doen. Poging 2. Ik mik alles buiten weg in de afvaltonnen, klaar. Opvallend is het dat het vandaag heel warm lijkt, volgens mij is het weer 0 graden. Je hoort en ziet ook overal druppels van het dak plonzen. En dan toch die 5 cm sneeuw…

Ik maak nu wel ontbijt, smikkel het op en kijk eens uit het raam. De lucht is grauw, maar er staat een aardige wind en de wolken drijven snel voorbij. Zo af en toe is er zelfs een schaduw hier en daar te bespeuren (en dus zon!). Nou, dit gaat nog het eerste jaar worden dat ik mijn verjaardag in de sneeuw ga vieren. Van twee jaar geleden heb ik nog foto’s, daarop staan Wilco en ik in korte broek en t-shirt in het bos achter ons huis. Er was die week een hittegolf.

Nou goed, an die arbeit, het is alweer half tien. Er komt maar één mailtje binnen en dat is van Guus. In een kattebel van ongeveer drie regels meldt hij dat we niet vandaag gaan Skypen maar aanstaande maandag. Ik werk ’s ochtends aan het invoeren van de interviews en dan wordt het tijd om naar school te gaan. Ik moet mijn sleutel namelijk voor 12 uur activeren, anders krijg ik een boete, zoals ik waarschijnlijk al eerder gemeld heb.

Ik werk mij door sneeuw en gladheid naar school (voor de zekerheid heb ik vandaag ook maar mijn studs aangedaan bij het fietsen). Daar haal ik de sleutel langs de scanner en loop door naar de selfservice om eten te halen. Jussi komt langslopen. Hij heeft mijn skills en qualities voorgelegd aan het team van de Airguitar people en ze zullen hem laten weten wat ik voor hen kan betekenen. Ah, dat klinkt goed. Ik vind het gewoon wel een toffe naam om aan verbonden te worden, dat World Championship Air Guitar (Grappig is dat Jussi even niet op het woord kan komen en daarom, juist, even airguitar speelt, wat ik direct begrijp).

We eten vandaag weer iets van pasta met hamsaus en een andere lekkere salade. Ik schuif nog even bij Maarten aan en klets wat bij. Daarna ga ik naar het studentenhok. De deur is dicht en op slot. Wat blijkt: met mijn super-RFID-key kan ik de deur niet openmaken, deze gaat met een metalen sleutel! Aaargh. Geen zin om Jussi of Tomi te storen, dus zoek ik het andere studentenhok maar op. Hier zitten duidelijk eerstejaars. Rondom de koffiezet is het een bende, iedereen rent af en aan en schreeuwt door elkaar heen. Ik maak ruimte op tafel zodat m’n laptop er kan staan en een jongen helpt me. Er staat een grote blauwe pluchen knuffel op tafel en ik denk, die kan wel op de bank. Neehoor, na het opruimen wordt die weer pontificaal op de plek gezet waar ik m’n laptop wil laten. Ik kijk even goed. Er staat een stembus bij en er hangt een briefje boven. ‘Ik heb geen naam. Help?’ – ik heb net mijn eerste zin in het Fins gelezen! Wauw, ik begrijp iets hier! 😀

Ik werk een tijdje aan mijn verslag, ga naar beneden om een paar overheerlijke Fazer mintchocolaadjes te kopen en ga weer boven aan mijn laptop zitten. Het loopt tegen vijf uur. Tijd om huiswaarts te keren. Helemaal voordat het donker is, want ondanks de goeie verlichting zie je sommige gladde stukken dan gewoon te laat. Ik heb nu wel geleerd dat je bij lichte oneffenheden in hard ijs gewoon moet grommen en door moet trappen (mits er geen bocht aankomt), maar niet te enthousiast, want dan raak je uit balans en lig je alsnog om. En zo zijn er ook stukken die mij aan ritjes op Pablo doen denken: dreigt het mis te gaan, dan hang ik gelijk vol op de rem en blijf dat doen totdat ik besef dat ik al een paar honderd meter te pletter trap met ingehouden remmen. Het geeft wel wat leermomentjes…

Ik kom thuis, maak nog wat broodjes, doe de afwas. Ook maar gelijk voor Sanna want die heb ik ook al twee dagen niet meer gezien. Morgen maar eens sms’en. Het wordt al snel duidelijk dat het beneden mij een avondje feest is. Mijn onderbuuf houdt van dansnummers met een stevige bas erin. Ach, ik zet mijn koptelefoon op en ga aan het werk, er moet nog een website voor Staes IT aangepast worden. Af en toe draai ik de koptelefoon van mijn hoofd om te luisteren of er mensen bij mijn deur staan of dat de muziek al gestopt is. Om tien uur hoor ik een enorm kabaal beneden. Yes, de clubs gaan open, de feestgangers gaan weg. Helaas, om kwart over zijn ze weer terug. Koptelefoon weer op. Om elf uur vertrekken ze weer. Tegen twaalven ga ik maar eens slapen. Voor de zekerheid maar oordopjes in.

Om drie uur in de nacht word ik wakker. Weer muziek! Vast niet voor lang. Wel voor lang. De hele feestmeute dendert rondjes onder mij. Dan kun je twee dingen doen: er bij Psoas een melding van maken of gewoon even vragen of het uit kan. Dat eerste is niet netjes, dus dan het laatste maar. Ik hijs me in trui en spijkerbroek en bel beneden aan bij kamernummer 3. Het duurt even alvorens een buurvrouw uit kamer 2 of 1 opendoet. Ik vraag of de muziek uitkan, of dan tenminste de bastonen lager. Ik verwacht een helse tirade (iets met jeugdervaringen en buren…) maar het meisje vindt het helemaal prima. Ach, het is ook wel weekend, maar ik wil toch graag slapen, voeg ik eraan toe. Ze vindt het helemaal best en als ik boven ben is de muziek dan ook uit. Geez. Ik ben zo verbaasd dat het me nog 10 minuten kost om te beseffen dat ik het netjes heb opgelost en dat ik weer kan slapen.

zaterdag

Ik probeer uit te slapen maar het lukt gewoon helemaal niet. Negen uur, tien uur… half elf weet ik het te maken en dan rol ik mijn bed uit. Ontbijt maken, mail checken. Nog geen reacties op mijn ontwerpsels. Er hangt een nare grieplucht in huis.

Ik maak een boodschappenlijstje en ga lekker naar buiten om een frisse neus te halen. Op de langlaufbaan achter Välkkylä wordt een wedstrijd voor kinderen gehouden. Ik moet even goed opletten bij het kruisen van de baan, opdat er geen aansuizend kind tussen mijn spaken belandt.

Enkele meters verder ga ik heuveltjeop langs het zwembad. Daar moet ik toch echt even stilhouden, want er doemen massa’s zwarte vlekken voor mijn ogen op. Ik gok op een combinatie van te weinig gegeten en de slopende effecten van die grieplucht (geloof me!). Anyway, trillerig en misselijk ga ik verder. Nou, dat is leuk, ik zit niet echt op griep te wachten.

Bij de supermarkt voel ik me nog steeds belabberd en dizzy dus haal ik eerst even een banaan en peuzel hem op op een stoeltje bij de klantenservice. Ik heb vandaag veel ‘zoek’boodschappen te halen dus moet ik niet als een zombie rondlopen, dat gaat mis. Ik check even in de spiegel boven de bloemenstand en verrek, ik zie er inderdaad geweldig lijkbleek uit. Maar, ik voel me na de banaan alweer goed genoeg om mijn boodschapjes te doen. Ik haal pannenkoekenmix voor het avondeten (yeay, Koopmans Shaker!) en haal bakmix voor een kwarktaart.

Thuis smeer ik wat broodjes want ik voel me nog steeds rillerig. Dan sms ik Sanna eens, in het Fins, jawel. Ik vraag haar of ze weer thuis woont, dat is zo ongeveer de moeilijkste zin die ik kan formuleren. De stortvloed aan Fins die ik terugkrijg moet ik dan ook even door Google Translate halen voordat ik begrijp wat ze me te zeggen heeft. Ze woont weer thuis en komt morgen al haar spullen ophalen. Nou, dat is nieuws. Donderdagavond zei ze nog dat ze niet wist wanneer ze wegging. Nu ben ik toch wat meer op Marjo aangewezen dan.

Gelukkig wordt Marjo ook met de dag gezelliger, dus dat komt wel goed. Ze had me al aangeboden om bakspullen te lenen voor de taart, maar nu hij toch in de koelkast gaat zal dat niet nodig zijn. Ik begin aan de taart en sms Sanna terug dat ik nu wel taart maak, maar dat we die morgen kunnen opeten als ze er is. Kwarktaart maken met weinig huisraad is verrekte gemakkelijk. Voor ik het weet heb ik twee mooie zilverfoliebakjes vol zitten met bodem en aardbeienkwark. Daar gaat later nog bosbessenjam overheen, om het mooi af te maken. Hop, in de koelkast.

Ik check mail – nog steeds geen verwachte e-mails – en ga pannenkoeken maken. Helaas heeft de fles Shaker te lang in het schap gestaan. Het poeder zit vast op de bodem en mijn eerste uitgegoten pannenkoek is dus ook niets anders dan een melkdrabje. Marjo biedt me een beslagkom aan. Ik giet alles over en meng het met de lepel. Pannenkoeken bakken op een electrische gaspit is trouwens ook geen doen: de eerste pannenkoek wil niet gaar worden, de volgende zijn allemaal abrupt zwart zodra je ze de pan in giet. Toegegeven, ze zijn wel eetbaar. Maar het is maar genoeg voor 1 avond. Morgen dus wat anders bedenken.

Na het eten werk ik nog wat aan de Atak poster en zet de flyer vast op, zodat ik er gelijk mee doorkan zodra de wijzigingen in mijn mailbox vallen. Dan belt Koen op mijn mobiel. Het zit hem allemaal niet zo mee, dus breien we het gesprek tot een half uur. Dan vrezen we de hoogte van zijn telefoonrekening zo dat we maar ophangen. Mijn onderbuurvrouw zit driftig met haar lampen te knipperen. Zou ze seinen dat ik m’n klep moet houden? Nee, zij dan!

Het is ook alweer twaalf uur. Ik wil even snel mijn weblog updaten maar ik schrijf er te lang aan – zo raak ik dus mijn inlog-sessie kwijt. Mijn weblog waarschuwt niet, maar laat domweg een nieuwe inlogpagina zien. Mijn zojuist getypte epistel is weg. Dat leidt ertoe dat ik nog een half uur mijn vingers blauw typ…

zondag

Vandaag kom ik rond elf uur mijn bed uit. Ik wil vandaag naar het Tietomaa wetenschapsmuseum gaan, maar er heeft eigenlijk niemand van Otokylä gereageerd op mijn oproepje tot meer museumgangers. De noodzaak om alleen te gaan houdt mij eigenlijk nergens in tegen hier, sterker nog, ik vind het leuker om niet overal met iemand rekening te hoeven houden. Maar vandaag vind ik het wel een moeilijke keus, omdat het Tietomaa een museum met heel veel doe-dingen is. Dat is gewoon niet leuk in je eentje, dat is zelfs triest.

Ik slinger de laptop aan en mail Wilco het voornemen om samen met hem naar het museum te gaan. Hij vindt het een goed plan. Ik bedenk wat anders voor vandaag. Sanna heeft me een keer aangeraden om in het Hupisaari-park te gaan wandelen. Dat is een relatief klein park ten noordwesten van het centrum. Nou, bij deze dan, ik ga er vandaag heen.

Echter ik heb gisteren in de avond nog de andere helft van mijn hoopje pannenkoeken opgegeten en zit voor vandaag zonder avondmaal. Ik ga daarom naar Pannu, een klein restaurantje onder Stockmann, bekend om zijn lekkere Panpizza’s. Ik stap op de fiets en rijd achter Välkkylä langs naar de supermarkten. Ik steek de Pakko Teuvonenkatu over en daar begint het gelazer: het paadje naar de Tehtaankatu is één grote ijsbaan. Ik rijd er voorzichtig op maar hoe recht ik mijn stuur ook houd, de diepe groeven in het gladde ijs halen mijn fiets direct onderuit. Ik zet mijn linkervoet op de grond maar die glijdt ook gelijk weg. Ik weet mezelf staande te houden maar mijn fiets ligt om. Dit alles ging stapvoets hoor, dus er zijn geen rampen gebeurd. Maar zo onbegaanbaar zijn de wegen nu.

Gelukkig is het fietspad langs de Tehtaankatu helemaal geschraapt. Daar kan ik mooi doorracen. Ook het stuk onder het station door is droog en ruw, maar net bij de tunnelingang is een hoop water en sneeuw naar beneden gekomen dus daar ligt weer een prachtige plas ijs. Ook maar weer even fikse remmen en er stapvoets overheen.

Bij Pannu schuif ik aan een tafeltje en bestel een Panpizza ‘Finlandia’ met rendiervlees. Ik neus wat door mijn aantekeningenboekje heen, zie dat ik eigenlijk best veel van mijn to-do-list hier af heb gemaakt, en schrap vrolijk wat blaadjes. De panpizza is heerlijk. De gastvrouw doet haar uiterste best om Engels tegen me te praten. De serveerstertjes weten niet dat ik geen Fins versta dus die vragen alles in het Fins. Luckily stellen ze in een restaurant altijd op de vaste tijden de vaste vragen! (kaart is gebracht, komt meisje aan, “hlafweflwlajfjelyyjfkjslafjld! Jwejlfyjowafjp?” “If I would like something to drink?” “Eh, kyllä…” “Hyvin, jus d’orange, kiitos.” En zo krijg je gewoon een jus voor je neus!

Na de overheerlijke pizza fiets ik naar het Hupisaari-park. Op meer plaatsen ligt gewoon een gladde ijsplak op de weg, eroverheen fietsen is volgens mij gewoon ondoenlijk. Locals zie ik trouwens overal overheen crossen en ze gaan nergens onderuit, frappant. Ik parkeer mijn fiets tegen een hekje en wandel het park in. Wel even mijn studs onderdoen, want dit park is één gladde bende. Wel gestrooid maar na de dooiperiode dus glad opgevroren. Het is hier eigenlijk niet zo bijzonder, afgezien van wat mooie doorkijkjes op bruggetjes en dichtgesneeuwde beekjes. Ik probeer wat foto’s te maken maar elke keer staat er een stom informatiebord of kinderklimtoestel in zicht.

Ik loop nog een rondje helemaal richting de noordkant van het park en dan keer ik weer terug. Ik fiets terug langs de Heikinkatu en maak nog een extra bochtje om even uit te vissen waar de printshop nou zit. Ik wil namelijk ook wat dingetjes in kleur printen en ik weet niet of dat zomaar op school kan – het lijkt me frappant, dat kost een vermogen. Ik vind de printshop waar ik hem zocht en fiets door. Het is zo glad op de stoep dat ik maar op straat ga fietsen. Als ik vol in de remmen ga voor een plas ijs die daar voor mijn wiel komt heb ik pardoes een auto achterop me zitten. Good heavens, nouja, ze rijden hier ook als gekken. Ik ga maar over de stoep wandelen dan. Bij de hoek met de Kajaanintie kan ik weer fietsen.

Als ik thuiskom is Sanna aan het inpakken. Ik had haar verkeerd begrepen: ze neemt alles in delen mee. Nu is ze al haar etenswaren in twee vuilniszakken aan het stoppen. Of ze met de auto is. Nee, met de fiets. Volgens haar moet het te doen zijn met twee tassen aan het stuur. Okay, zij liever dan ik. Ik maak koffie en thee en snijd de taart aan. We eten en praten wat. Sanna belooft mij nog een keer mee te nemen naar het ballroomdancen in Oulu. Nou, klinkt leuk 🙂

’s Avonds werk ik wat aan mijn 3D contest en aan mijn afstudeerverslag en ga dan mijn bed in.

maandag

Zo, vandaag lekker om 8 uur eruit, even douchen en dan in de kleren. Ik ontbijt met de laptop aan en check of Guus al Skypt. Nee, het is ook nog maar half acht in Nederland. De uren gaan voorbij, ik werk wat op een nieuwe ontwerpwebsite waar ik een profiel heb aangemaakt. Guus smst: Het Saxion zit zonder internet. Dan bel ik hem maar, ik kom toch om in het beltegoed. Hij biedt aan om terug te bellen en dat accepteer ik gelijk.

We praten even over mijn plannen en hij belooft mijn thesis-aanzetje en de interviews te lezen. Goed, dan kan ik weer verder. We hangen op en ik pak mijn spullen in. Het is alweer half twaalf en ik wil niet in de rij staan voor het eten. Met vijftien minuutjes ben ik op school. Naast de sporthal op het eerste stukje van de route was er nu eindelijk geschraapt, maar op het weggetje onder de viaducten door is het nog steeds knudde. Er past wel een graafbak onderdoor, want er rijdt er eentje rond als ik erlangs kom. Hopelijk is op de terugweg alles geschraapt dan. Het lange stuk parallel aan de grote weg is prima ijsvrij, doorcrossen daar. Onder het tunneltje door is het weer een gladde bende (het is dat ik absurd langzaam fiets anders had ik het niet eens gemerkt en was ik er vol in gereden) en het laatste stuk parkeerplaats totaan de school wordt niet geschraapt, dus daar mag je ook op goed geluk overheen. Aldus!

We hebben vandaag aardappelen met vleessaus…en vlees. Wel weinig vlees. Ik doe mijn uiterste best om zo min mogelijk saus tegenover zoveel mogelijk vlees te bemachtigen, maar daar is het gerecht van vandaag waarschijnlijk niet voor bedoeld. Dan maar een aardappel extra, anders heb ik thuis wéér honger. Ik schuif aan bij wat exchangers maar ze zijn nogal stuk van de vorige avond dus daar komt geen geluid uit. Na hen komt er een jongen uit Spanje tegenover me zitten. Hij is wel erg spraakzaam. Hij heeft veel pijn aan zijn schouder omdat zijn bed zo hard is en hij op zijn zij moet liggen om zijn computer te bedienen. De voorstellingen die ik me van Otokylä maak worden met de dag minder vrolijk. De jongen vraagt hoe ik woon, maar ik zeg er maar niet al te veel over en voer het gesprek richting cocktails. Een voltreffer, want hij blijkt barkeeper te zijn en praat honderduit.

Na het eten zoek ik het studentenhok beneden op. Echter, het is ijzig als ik daar aankom: de achterdeur staat open om een slang naar binnen te laten waarmee men een toilet ontstopt. Enerzijds de geur, anderzijds de kou drijven me regelrecht terug naar waar ik vandaan kwam. Ik ga de trap op en ga dan maar in de firstyears-kamer zitten. Ik ruim wederom de enorme bende aan pizzadozen en kranten van tafel – het knuffelbeest laat ik vandaag eerbiedig staan – en begin aan het uitwerken van de puntjes die ik vanochtend met Guus heb doorgenomen. Helemaal niet leuk om zo met je neus op de zaken te worden gedrukt. Anyway alles wat ik op moet schrijven zat toch de laatste weken al in mijn hoofd, dus ik heb het zo op papier staan.

Ik zit nog een tijdje te werken en om vier uur ga ik naar huis. Ik heb eigenlijk geen zin omdat ik weer over die spekgladde weggetjes moet maar ja, als je je daardoor laat tegenhouden kom je helemaal je huis niet meer uit hier. Ik bereik Välkkylä snel en verorber nog een stuk van mijn taart. Dan wordt er gewerkt, Guus belt nog een keer, het avondeten komt voorbij en er wordt weer wat gewerkt. Na nog wat babbelen met Wilco is het dan bedtijd…

dinsdag

Nou, het wordt steeds moeilijker voor me om elke dag boven het blog de weekdag in de juiste taal te zetten. Ik wilde eerst al Tiistai schrijven, toen werd het Tuesday, en uiteindelijk herinnerde ik me dat het voor jullie Nederlandse lezers Dinsdag moest zijn. Mijn drietaligheid begint me al redelijk in de war te brengen hier hoor!

Ik sta om acht uur op en maak ontbijt. Er staat nog altijd een plasje water in de koelkast, ondanks het uitruimen van laatst. Ik maak me er niet zo druk om, maar probeer te onthouden dat ik eens moet Googlen naar dat probleem. Misschien is er wel een hele simpele oplossing. Na het ontbijten ga ik direct naar de supermarkt. Er moeten even wat boodschappen worden gehaald en ik heb vanavond vast geen zin meer om daarvoor om te fietsen. Met de nodige hapjes in de rugzak fiets ik weer op huis aan. Het is op verschillende plekken glad. Ze hebben het stukje voor de supermarkten nu weer geschraapt, maar ook dat begint alweer op te vriezen.

Het is overigens wel prachtig lenteweer, en dat is het gekke: je hebt constant zin om op een bankje in de zon te gaan zitten, maar het is wel friggin’ -10. Na mijn supermarktbezoekje schrijf ik nog wat aan mijn afstudeerverslag. Ik doe niet zoveel als ik had wíllen doen en dat stoort me. Veel te snel moet ik alweer naar school om mijn lunch te claimen. Ik heb Maarten al een paar dagen niet gezien, één van de jongens zei dat hij buikgriep had. Ik hoop dat het niet erg is. Links van me zitten Duitsers, rechts zitten Fransen en tegenover me zit een Belg. Ik zeg dat het voelt alsof ik op het Drielandenpunt zit. Ik probeer met elk oor een ander gesprek te volgen (de Belg zwijgt gelukkig). Na het eten ga ik apart zitten en werk nog wat door aan mijn verslag, om toch wat te compenseren. Ik ben benieuwd wie ik zo ga interviewen, want ik weet niet eens of het een meisjes- of jongensnaam is. Ik peil even bij een meisje aan mijn tafel en hoor dat het een meisjesnaam is. Ik heb afgesproken bij een deur, dus ga daar vlakbij zitten. Binnen vijf minuten loopt er een meisje langs dat zoekend rondkijkt en voor mijn neus blijft stilstaan. Nadat ze me tien keer aangekeken heeft vraag ik maar of zij het dan is. Ja, gelukkig. Nou, beginnen met dat interview.

Onderwijl vraag ik ook nog waarom anderen niet reageren. Ze zegt dat veel mensen het gevoel hebben heel druk te zijn en dat ze het moeilijk vinden om een tijd te kiezen om af te spreken. Eigenlijk, zegt ze, zou ik Heikki gewoon eens moeten vragen om in een les binnen te vallen, vooral bij de eerstejaars. Dan kan ik er zo een paar uit de les plukken. Feit is dat dat eigenlijk niet mijn stijl is, en dat het interview veel te lang duurt om zomaar even iemand uit de les te plukken. Bovendien denk ik dat 9 van de 10 eerstejaars nog helemaal geen zinnige bijdrage kunnen leveren. Ik moet die tutors hebben, maar waarom zijn ze allemaal zo laks?

Na het interview ga ik in de studentroom boven zitten werken. Anne-mari zit er ook, ze maakt een poster. We praten even wat en ik word alweer uitgenodigd voor een saunaparty. Ik hou het even wazig of ik ga, maar ik heb er eigenlijk niet zo’n zin in. Ik stoor me er eigenlijk best wel aan dat alle studenten om mij heen alleen maar hele dagen lopen te pochen dat ze feestvieren, elke avond veel drinken en pas om drie uur in hun bed liggen. Ik doe het niet en heb echt geen saai leven. Ben ik oud aan het worden? Ik moet zeggen dat ik 4 jaar geleden in mijn AKI-tijd ook niet echt een geregeld leven had en dat er avonden zijn waarvan ik niet meer weet hoe ik ’s nachts de Hengelosestraat over ben gestoken. Om eerlijk te zijn: op een dag is dat hele lam worden om het lam worden gewoon niet grappig meer. En dat vinden de studenten hier nog duidelijk wel… of het hoort gewoon bij het exchange-studentenleven.

Om half vijf gaat mijn timer niet, want die heb ik per ongeluk op half zes gezet. Dat klokkijken met digitale cijfers zit er bij mij gewoon niet in, maargoed, links en rechts ook niet, dus ik ben gewoon een heel bijzonder exemplaar. Ik had vrijdagnacht zelfs al mijn nachthemd binnenstebuiten aan, het moet echt niet gekker worden.

Ik ga naar de Finse les. We gaan de les van de vorige keer herhalen: Ik moet mijn familietekening erbij pakken en aan het meisje naast me gaan vertellen wie het allemaal zijn. We babbelen wat over en weer. Ze is Italiaanse maar ze woont zover in het noorden dat haar moedertaal Duits is. Bijzonder. Een vriendin van haar zet ons nog op de foto. Nou, dan zal ik eerdaags wel op Facebook te vinden zijn 🙂
Ik schiet aardig op met mijn Finse les. Ik ben zelfs zo’n eager beaver dat de docente me nu al voor de tweede keer aanraadt om in de bibliotheek een Fins woordenboek te gaan lenen waarin ik van alle werkwoorden de juiste verbuigingen kan vinden. Ze zegt al dat geen haan er in haar survival-course er ooit naar kraait, maargoed, ik McGyver zoveel rare woorden en zinsconstructies aan elkaar!
Op zich vind ik de taal wel grappig, als ik wat meer simpele werkwoorden zou weten plus een idioomboek zou hebben om zelfstandige naamwoorden te leren, dan zou ik Fins best onder de knie krijgen. Echter… doe ik dat in 4 maanden? En als ik het dan eenmaal kan ben ik weer terug in Nederland, dan gebruik ik het niet meer en vergeet ik het echt weer direct.

Na de les fiets ik naar huis. Het is schemerig en de straatlantaarns zijn nog niet aan. Het is tegelijkertijd spekglad en je ziet dus geen glinstering, niks. Het is volgens mij een wonder dat ik thuiskom zonder te vallen. Ik eet een lekker stukje taart en ga eens aan het werk. Er ligt een briefje naast de koelkast. Het is een handgeschreven kattebel van Sol Palvelut (Sol Woningservices, die hier ook de trappenhuizen schoonmaken). Sanna had inderdaad een klacht over de koelkast ingediend bij Psoas. Ik dacht al dat ik vandaag mensen in het appartement hoorde lopen… ik kaap het briefje mee en haal het door Google Translate. Het is inderdaad een kleine notitie van Sol Palvelut, ze hebben de koelkast nagekeken en het waterafvoertje aan de achterkant ontstopt. We mogen het nu niet meer laten verstoppen (hoe dan?). Anyway, het is gemaakt! Wat leven we hier toch als vorsten…

Er zijn een flink aantal dingen bij in geschoten vandaag. Morgen weer vroeg een afspraak met Heikki. Ik zal mijn avond tenminste niet verkwisten aan het rondhangen op de nieuwe designcommunity waar ik me voor had aangemeld: er geldt een puntensysteem en met 0 punten mag je niets publiceren, en rara, ik ben de afgelopen dagen zo fanatiek geweest dat ik nu bankroet ben. Punten verdien je door veel rond te hangen, random mensen complimentjes toe te schuiven en veel forumposts te doen… jaaaa niet dus. Het was op zich een best leuk uitstapje (naar modeontwerp) maar daar ga ik dus mooi niet mee door.

Er beginnen langzamerhand al ideetjes in mijn hoofd te ontstaan voor de documentatiewebsite van het OAMK… layout en constructie… maargoed, ik mag nog helemaal niet designen alvorens ik de designfase bereik! Ik design illegaal!

woensdag

Vandaag sta ik extra vroeg op omdat ik het gesprek met Heikki nog moet voorbereiden. Om zeven uur gaat de wekker, om half acht… ik maak steeds meer concessies (over douchen, over wat ik ga laten zien) en dan sleur ik me toch eindelijk mijn bed uit. Ik maak ontbijt en krabbel vast in mijn dummie welke schetsen ik op papier wil zetten. Het komt uit op 4 blaadjes van mijn markerbloc, die ik zorgvuldig uit elkaar scheur.

Ik heb echter niet veel tijd meer, dus ik schuif de lege bordjes en schaaltjes van het ontbijt resoluut aan de kant en teken als een bezetene de vier blaadjes vol. Ik vind het er persoonlijk wat knullig uitzien; symbolische mensfiguurtjes, een paar keer met zorg het kaartje van Finland, een beeldscherm met een muis om een indicatie van ‘internetten’ te geven. Ik heb niet eens tijd om ze in te kleuren, dan is het al vijf voor negen.

Gezien de traagheid waarmee ik de route afleg moet ik nu echt gaan. Ik steek alles in mijn tas en ben precies op tijd bij Heikki. We praten, ik vertel hem van mijn onderzoek en ik leg hem mijn concepten voor. Hij is er blij mee! Hij lijkt goed tevreden over de resultaten van mijn interviews en klinkt zelfs een beetje spijtig dat hij zelf niet geïnterviewd is. Mijn geweldige concepttekeningen vindt hij interessant. Hij zegt dan ook dat alle vier de concepten (de website natuurlijk als eerste) prima ideeën zijn. Niet allemaal direct uitvoerbaar, maar dat is het met concepten. Ik ga er hier niet teveel over schrijven, jullie gaan het echt nog wel zien als het af is. Heikki regelt nog wat formele dingen en dan is het weer tijd om op te stappen.

Huppelend en blij ga ik het kantoor uit en bel gelijk Wilco. Na vijftien minuten mijn telefoontegoed erdoor te hebben gejaagd hang ik op. Nog even internetten en dan is het tijd voor de lunch. Ik eet aardappel- met hamblokjescasserole. Er zitten nog geen exchangers dus ik kaap een mooie bistrotafel aan het hoofd van de eetzaal en ga lekker mensen zitten kijken. I’m king of the world!!!

Goed, time to pop the bubble, er moet nog veel werk gedaan worden. Maar, eerst maar eens naar huis, lekker douchen. Ik fiets met slakkengang naar huis en weet daarmee vreemde situaties te creëeren. Sommige locals zuchten diep en halen me in (met gevaar voor eigen leven maken zij dus een bocht en gaan over een extreem glad stuk) en een lokaal uitziende dame die me tegemoet komt is zo onder de indruk van de manier waarop ik de glibberbocht voor me bestudeer, dat ze prompt afstapt wanneer ik dat ook doe. Thuis ga ik lekker een half uur onder de douche staan. Niemand klaagt hier ooit, maar toch. Marjo doucht als een razende. Meestal als ik net denk ‘hè staat ze er nou onder, nou kan ik mijn pil niet pakken’ hoor ik de douche uitgaan en het volgende moment loopt ze al naar haar kamer. Misschien een gewoonte uit Lapland.

Ik voel me echt enorm easygoing op dit moment. Ik klooi wat aan op internet en ontwerp een betere uitvoering van mijn tekeningen van vanochtend. Ik heb het idee helemaal in mijn hoofd, het is alleen heel wat knip- en plakwerk. En is het het wel waard, want dit worden alleen de mockups voor de docenten. Voor ik het weet is het alweer vijf uur. Snel zet ik mijn timer om zes uur, opdat ik op tijd naar de wasmachine ga. De wasmachine heet trouwens pesukone, en de kamer waarin hij staat de pesukonehuone. Leuk toch!

Ik mik mijn spul in de machine, zet hem aan en wandel weer naar mijn kamer. Daar drop ik de flessen zeep af, zucht twee keer en mijn timer gaat alweer: de was is klaar. Hop, snel uit de machine en op de lijn. Het ruikt heerlijk fris en het is al bijna droog. Waarom doet mijn wasmachine thuis er 2 uur over als het hier in 25 minuten gepiept is?

Ik werk nog wat verder aan de ontwerpen van mijn concepten en zo vliegt de avond om.

donderdag

Omdat ik gisteren zulke geweldige successen heb geboekt en zo vroeg op moest mag ik van mezelf vandaag eens lekker uitslapen. Om half acht word ik wakker omdat ik Marjo in de keuken hoor, maar nee, ik wil doorslapen. Ik hoor Marjo vertrekken. Opeens gaat de wekker: het is tien uur! Okay, genoeg uitgeslapen. Lui kom ik mijn bed uit, maak ontbijt en ga weer aan het werk. Opeens loopt Marjo door het huis. Ik dacht dat die weg was? Ik ga verder aan wat mockups van de tekeningen die ik gisteren had gemaakt.

Omdat ik zo laat op ben gestaan is het in een mum van tijd half twaalf. Ik werk nog even door en dan is het zelfs al half één. Het is nu echt de hoogste tijd om naar school te gaan anders is het eten koud, of is er gewoon helemaal geen eten meer! Ik spring op de fiets en probeer zo goed als het kan naar school te racen. De eetzaal is nagenoeg verlaten. Fijn, lekker veel plek voor mij. Ik werk mijn pasta naar binnen en diep de details van één concept nog wat uit. Na het eten bel ik Guus. Ik stoor hem kennelijk, maar weet het bericht over te brengen dat het ‘uitermate goed gaat’ en dat we morgen bellen. Hij is totaal verbaasd en wil natuurlijk gelijk weten wat er dan allemaal is. Ja, mooi niet. Morgen gaan we bellen.

Ik vermoed sterk dat hij – in tegenstelling tot de vorige keer – nu geen afspraken ertussenin laat komen. Later passeert mij nog de gedachte dat ik eigenlijk voor alle afspraken wel een bombastische aankondiging kan geven, dan weet ik altijd zeker dat de afspraak niet verzet wordt. Maargoed, we leven nou eenmaal niet in een wereld met louter halve zolen dus dat was een naïef plan.

Ik ga naar boven en zie dat er een heleboel oefenruimtes vrij zijn. Dat kan ik natuurlijk niet op me laten zitten. Er moet even gezongen worden. Ik doe wat oefeningen, doe ‘Far From the Home I Love’, Breathe no More en Even in Death. Het gaat allemaal niet zo lekker. Dan zet ik even de karaoketrack aan en probeer Hello van Evanescence. Het lukt me niet, ik raak schor. Ik weet wel zeker dat de gehorigheid hier me enorm tegenhoudt, maargoed, maar ik moet me gewoon voorstellen dat ik op een podium sta, daar zing ik toch ook voluit. Het wil gewoon niet, mijn zangtalent is vast niet weg maar zit wel heel goed verstopt deze dagen. Ik verlaat de oefenruimte en ga ietwat gedesillusioneerd aan het werk.

Vanavond weer Finse les… laat ik daar maar goed op oefenen. Ik skip nog wat door Overhoor heen en weet weer hoe het vroeger ging: altijd denken ‘als ik het maar in Overhoor heb staan dan is het okay’ maar nee, daarna begint het echte leren en drillen nog. Gelukkig heb ik wel de spirit erin zitten, ik ben wel degene in de klas die altijd de moeilijke dingen vraagt en nieuwe woorden probeert te vormen 🙂

Het is al gauw half vijf en ik haast me naar de andere kant van de school. Gelukkig, ik ben nog te vroeg. Er zitten wat Italiaanse meisjes in hun eigen taal te wauwelen. Al gauw komen er wat Belgen en andere Otokylänen binnen en hobbelt de lerares achter hen aan. Zwarte kleren met een knalroze sjaal en zwarte sportschoenen. Ik vind haar wel bijzonder. Vandaag leren we, na het kennen van de cijfers, klokkijken. Het is ontzettend moeilijk omdat de cijfers er nog niet goed in zitten, maar op zich is het wel een logische taal. Ze hebben bijvoorbeeld ook de wijze van ‘half vier’ zeggen inplaats van ‘een half na drie’ zoals de Engelsen doen. We worstelen ons door de gekopieerde blaadjes met voorbeeldklokken heen en leren dan nog wat zinnetjes om in officieel en hip Fins te vragen hoe laat iemand waarheen gaat.

Vanavond maar weer alles in Overhoor invoeren en dan stampen…
Na de les ga ik nog even zitten internetten in de eetzaal. Wederom komen er allerlei kleine balletmeisjes langs me heen gestormd. Ze hebben in twee zalen balletoefeningen en zijn verkleed als boompjes, elfjes en andere natuurlijke figuurtjes.

Ik doe wat werk en ga dan naar huis. Het is kwart voor acht, de lantaarns zijn net aan en het begint donker te worden. Ja, het is hier wel raar. Heikki had echt gelijk toen hij zei dat ze er per dag tien minuten licht bij krijgen. Ik denk dat we nu al langer licht hebben dan in Nederland. Het voelt ook, als je naar buiten kijkt, alsof het een hele zomerse dag is. Ja, lezers, dit is voor mij een rare gewaarwording. Je weet namelijk in je hoofd denk ik ongeveer hoe lang het licht is en welke temperaturen en welk jaargetijde daar ongeveer bij hoort. Nou, goed, mijn hoofd zegt nu dat het juni is en dat het per dag ongeveer 20 tot 25 graden moet zijn. Dat merk je gewoon aan de stand van de zon, de hoeveelheid zon per dag. Maar kijk je dan buiten, of kom je buiten, dan ligt er een pak ijs op de grond waar je U tegen zegt en is het -15. Als het morgen nog zo zonnig is, zal ik eens een illustratieve foto maken van de keuken in de ochtend of van het trappenhuis (waar overigens de verwarming goed hoog staat en waar je echt het idee hebt dat je straks +30 graden in gaat lopen)…

Al met al begint die kou hier gewoon een hele jammerlijke factor te worden. Anderzijds genieten jullie in Nederland nu van dat barre kwakkelweer, regenbuien, bomen die maar niet groen willen worden en bewolkte weekenden. Hier is het gegarandeerd grotendeels wit tot aan juni, dan stap ik op het vliegtuig en kom in Nederland in een lekkere groene en hopelijk warme zomer terecht. Hell yeah!

Thuis eet ik nog stiekem een broodje gesmolten kaas. Ik kom Marjo in de keuken tegen. Ze vraagt of het al goed gaat met mijn Finse lessen. Ik zeg dat het goed gaat (omdat ik het woord voor slecht niet ken!!!) en ze biedt me aan om me te helpen als ik iets niet snap. Ik vraag direct het verschil tussen mitä en mikä, maar dat blijkt moeilijk uit te leggen. We praten nog wat, dan ga ik weer naar mijn kamer en na wat internetten is het tijd om te slapen…

vrijdag

Deze ochtend word ik om zes uur wakker. Ik heb mijn gordijn gisteravond aan de linkerkant iets opengeschoven, in de hoop deze ochtend wat zonlicht op te vangen. Jawel, dat zonlicht heb ik nu. Om zes uur in de ochtend is het fel verlicht. Beter dan een Philips Wake Up-light denk ik! Ik stap mijn bed uit en pak mijn camera. Er volgen wat foto’s van mijn slaapkamer en de keuken om te laten zien hoeveel zon er wel niet is.

Ik dommel weer in slaap en de zon schuift naar rechts, voor mij achter het gebouw. Het wordt weer schemerig in mijn kamer. Om acht uur sta ik op en maak ontbijt. Eigenlijk moet ik douchen maar daar heb ik helemaal geen zin in. Ik lees wat e-mailtjes, schrijf wat nieuwe en check wat fora. Dan gaat de telefoon. Het is Guus. Ik vertel hem van mijn woordenbrij, van de vijf kernwaarden en van mijn vier concepten. Hij is niet zo enthousiast als Heikki, maar hij is blij. Nog even een krabbel onder deze concepten (en een stempel!) en dan vindt hij het helemaal best. Of ik dat vandaag nog wel even voor wil bereiden, dan blijf ik op schema. Ik zei toch, pop the bubble, want er moet nog hard gewerkt worden. Ik krijg trouwens, als ik mijn Finse taalles goed afrond, drie studiepunten. Dan wil ik wel graag mijn persoonlijk reflectieverslag inruilen voor die punten, aannemende dat ik me wel door een taalcursus heensla. Over de invulling van die drie puntjes staat toch nog niks in mijn afstudeerplanning. Guus vindt het ook wel goed, dus dat klinkt al enorm positief.

Ik schrijf nog wat, babbel met Wilco en dan is het tijd om naar school te gaan. Ik vergeet bijna dat ik om twaalf uur een afspraak met ene Emmi heb. Ik zet even goed de vaart erin en ben om tien voor twaalf op school. Ik wacht, en wacht, en wacht. Ik sta bij de electrische deur en overzie de hele kantine. Geen meisje (in veronderstelling dat Emmi een meisje is). Om tien over twaalf vind ik het wel best. Misschien ben ik wat nonchalanter over dit interview omdat haar input nu toch niet echt meer terzake doet. Ik verwissel mijn aantekeningenbloc voor mijn portemonnee en sluit aan in de rij om mijn dagelijkse hapjes te claimen.

Ik ga expres van de deur af zitten opdat ik niet de hele tijd blijf loeren of ze toch nog verschijnt. Dan opeens komt er een lange jongen tegenover me zitten. Ik heb hem een paar keer in het studentenhok boven gezien. Hij begint eerst wat tegen de Finse meisjes naast me te praten, dan begint hij in het Engels tegen mij. Hij vraagt mij wat ik studeer en ik vraag hem wat hij studeert. Klassieke zang! Hij heeft dan ook een hele lage stem. Hij is eerstejaars, zingt Duits en Italiaans en heeft zo nu en dan een concert. Ik vraag of ik hem een keer kan horen zingen. Zondag treedt hij op in een plaatsje nabij, maar dat is te ver om heen te gaan. Nouja helaas dan. Ik zeg hem dat als hij nog een keer in Oulu of in de school optreedt, ik dat graag wil zien. Daarop merkt hij geheel onverwachts op dat hij aanstaande dinsdag een optreden in de konserttisaali in de school heeft, met verschillende stukken plus een aria. Oh! Had dat gelijk gezegd. Ik schrijf zijn naam gelijk in mijn agenda, dinsdagvond na de Finse les ga ik kijken hoe Jakob kan zingen.

Ik verhuis naar boven en type mijn blog op de openbare computer in het studentenhok. Daarna is het het plan om even een lijst te maken van mijn nog te leren Finse woordjes… opdat ik die straks in een keer in Overhoor kan invoeren. Ik kom er eigenlijk niet aan toe. Ik word overvallen door een enorme afterlunchdip (die Wilco later gewoon time-for-weekend-dip noemt, heel terecht). Ik zet een pot koffie en haal een brownie en een Fazermint. De koffie is klaar als ik terugkom. Een stevige bak leut wil me niet helpen wakker te worden en ik schenk ook al het laatste beetje melk uit het pak in de koelkast. Ik zwoeg op een klein briefje met daarop ‘Er is geen melk’ (over de juiste gebruiksvorm van het woord ‘meer’ blijft mijn woordenboekje wazig) en hang dat aan de koelkastdeur.

Ik zoek nog wat op op internet, hang wat op de bank en slurp mijn koffie op. Dan ga ik vanuit school naar de supermarkt. Ik sla de nodige dingen in en koop eten voor het weekend. Het wordt lasagna, die ik ga maken in mijn zilverfolieschaaltjes. Ik ben op zich door het fietsen wel wat wakkerder geworden. Shoppen doet me helemaal goed, maar toch blijft het vrijdagmiddag en ben ik duf. Thuis pak ik mijn spullen uit en werk wat. Ik had de conciërge een e-mail gestuurd met de vraag hoe de saunas hier werken want m’n laatste poging was dus gestrand in een donkere kelder. Daarop heb ik geen antwoord gehad. Ik heb het mailtje opnieuw verstuurd aan Psoas en daar is nu reactie op: Psoas weet het niet en stuurt het door aan de conciërge. Yes. De OAMK webdesigner die ik voor mijn project heb aangesproken geeft ook geen thuis: hij stuurt me door naar zijn collega, die zegt over 2 weken ofzo weer in Oulu te zullen zijn. Daar ben ik niet echt mee gebaat.

’s Avonds voer ik mijn Overhoor-woordjes in. Kloktijden en werkwoorden vliegen voorbij. Als de hele lijst in het programma gestampt is trakteer ik mezelf op een lekker kwartier douchen met als toetje een kop warme melk en een Chau’colat. Ja, dat is een heel leuk ding. Hier een linkje ernaartoe: Chau’colat. Het is een pure chocoladelolly op een stokje die je in een beker warme melk moet dopen. De chocolade geeft af waardoor je chocomel krijgt en tegelijkertijd moet je hem rap opeten zodat hij niet afbreekt en onderin je beker belandt. Aangezien ik even een sfeerfoto van het ding wil maken is mijn lolly in mum van tijd gesmolten en moet ik de rest door mijn melk roeren. Het smaakt wel lekker, maar op het stokje was-ie beter. Marjo ziet me bezig met de Chau’colat en wil weten wat het is. Ze wil het gelijk ook hebben, dus ik leg uit waar het te vinden is. Ze vertelt me van Earth Hour. Ik vind het wel leuk en wil ook mijn lampen wel uitdoen. Met veel moeite roept ze de tijd ‘half past eight!’ tegen me en vrolijk roep ik terug ‘puoli yhdeksan!’ waar ze heel blij mee is. Zie, klokkijken in het Fins leer je zo.

zaterdag

Vannacht weer mijn gordijn opengelaten in de hoop door de zon gewekt te worden, maar die hoop blijkt ijdel. Ik pit rustig door tot een uurtje of tien. Dan sleep ik me mijn bed uit, maak ontbijt en lees wat mailtjes. Ik ga zitten 3d’en in de hoop dat ik nog op een idee kom voor mijn essay over een toekomstige technologie…

Een paar uur later ben ik weer uitge3D’d en prijken er op mijn scherm een lekker glas cocktail en een sappige schijf watermeloen. Er moet nog een hoop aan gebeuren maar we hebben nog iets van 2 weken tot aan de deadline van de 3D contest dus dat krijgt weer even uitstel. Inmiddels zit ik met Wilco te chatten en nadat we beide onze was opgevouwen hebben wordt het maar eens tijd om naar de supermarkt te gaan. Voor mij omdat ik nog een voorraad drank in zal slaan voor het feestje van vanavond.

Ik hop op de fiets en zet koers naar de Euromarkt. Daar hebben ze een Alko slijterij, maar die gaat wel om vier uur dicht volgens hun website. Ter plekke blijkt het vijf uur te zijn. Anyway, ik heb toch besloten dat ik geen fles wijn ga halen en het gewoon bij blikbier hou. Eén plastic flesje bier mee, omdat daar een schroefdop op zit en dat kan op feestjes nog wel eens handig zijn. Ook neem ik twee cheape hawaiipizza’s mee voor wanneer ik een keer om lunch verlegen zit. Twee voor een euro. Bij de kassa slaat de caissière de pizza’s echter voor 1,90 aan. Ik wijs haar op de pizza’s. In een verhaspeling van Duits, Engels en Fins weten we het er over eens te worden dat de pizza’s inderdaad wel in de aanbieding zijn.

Thuis ga ik nog wat nadenken over mijn essay – ik heb nu een onderwerp, maar het aantal woorden – 8000 – schrikt me echt af. Bovendien vind ik het onderwerp nog teveel naar speculeringen neigen… ik zie verbaasd dat het alweer zes uur is en dat ik dus rap aan de lasagna moet wil ik nog om zeven uur op het feestje zijn. De lasagna wordt wonderwel erg goed. Om half zeven kan ik hem uit de oven halen en oppeuzelen met gevaar voor het verbranden van mijn tong. Het beste ingrediënt is nog wel de pot tomatensaus ‘ala oliva’ waar dus gewoon echte halve olijven, groene en zwarte, in zitten. Die ga ik hier vaker door de pasta gooien!

Dan kleed ik me om, spring op de fiets en race zuidwaarts richting Otokylä. Het is gemakkelijk te vinden: ik hoef maar één wijk door te fietsen (waar overigens niet geschraapt is en dat is wel een groot gemis) en eigenlijk continu rechtuit. Ik vind de flat met de iglo ervoor ook snel. Maar er zijn geen mensen te bekennen. Ik bel een Belgisch meisje en ze zegt dat ze nog in de stad zijn, om naar een ijshockeymatch te kijken. Maar als er iemand de flat ingaat, kan ik wel mee naar binnen lopen en op de vijfde verdieping (= feestverdieping) wachten. Dat doe ik dan maar. Otokylä valt me niks tegen. Het zal in de zelfde tijd gebouwd zijn als Välkkylä, maar het is gewoon iets sjofeler. Van de gang met kamers word je wel behoorlijk claustrofobisch. Het lijken wel cellenblokken. Overal hangen wel vrolijke tekeningen en posters met vrouwelijk naakt. Ja, dit is meer een ‘dormitory’ dan een studentenflat. Ik wandel terug naar het trapportaal, waar op elke verdieping een balkon met een groot raam zit. Met de woorden ‘Als daar maar geen poëzie van komt’ ga ik voor het raam staan en kijk uit over flats en huisjes. De automatische verlichting achter me gaat uit. Ik sta in het donker en overzie hoe de schemering bezit neemt van het campusterrein dat Otokylä heet. (daar heb je het al, poëzie).

Om het nuttige met het aangename te verenigen probeer ik een goede invulling van mijn essay te bedenken. Maar, zoals ik tegen Wilco ook al zei – de meeste kennis in mijn hoofd is nu nog te karig, ik moet gewoon eens wat onderzoekjes vinden. Dus hier zo voor het raam staan en langs de bekende weg feiten recyclen brengt me eigenlijk niet verder. De lift komt omhoog, de deur vliegt open en een meisje sprint de gang in. Rui, Rui! roept ze. Ik weet wie het is en ik weet om wie ze roept. Let’s get the party started.

Eigenlijk wil ik hier voor het raam blijven staan filosoferen, maar zojuist is Annelore achter me langs geraced die ik even hiervoor aan de telefoon had. Er is volk. Het ’trouw’feest van Rui en Sofie gaat beginnen. Ik hobbel naar Rui’s kamer en word uitbundig begroet door bierdrinkende studenten. Rui is netjes in blouse en gilet. Ik ga mee naar beneden waar de meisjes wonen, om te zien hoe de bruid zich inmiddels voorbereidt. Ze heeft een mooie jurk aan en wordt van alle kanten opgemaakt. Kanttekening: de bruid heeft in Nederland gewoon een vriend, het is wel frappant om dan hier te gaan trouwen! Ik loop weer even naar het raam in het trapportaal en zie dat er al een hele meute Otokylänen buiten rond de iglo staat. Ik opper dat we maar snel naar buiten moeten, dan kan ik tenminste aan m’n bier. Van die opmerking staat iedereen paf.

Goed, de trouwerij in de iglo verloopt gezellig. We passen er wonderwel met z’n allen in! Kaarsen op tafel, een priester met een halve liter bier erachter, trouwen maar. Er wordt een heldhaftige ceremonie neergezet en er zijn zelfs ringen. We wurmen ons daarna allemaal de iglo weer uit en bedelven het paar onder rijst en bellenblaas. Dan gaan ze op een sleetje met ‘just married’ erop tweehonderd meter richting de pizzeria. Hoewel ik net gegeten heb en ik bier in mijn tas heb zitten schuif ik even aan en bestel ook een biertje. Het is gezellig, we bezetten ongeveer de halve ruimte en er wordt druk pizza gegeten. Om tien uur gaan er een aantal mensen richting stad, anderen gaan naar de vijfde verdieping van de flat om feest te vieren. Ik ga mee naar boven en trek mijn biertjes weer uit mijn tas. Ergens in mijn achterhoofd is het wat tegenstrijdig om mee te doen aan een feestje na 10 uur waar ik zelf zo fel over kan zijn als het onder míjn kamer gebeurt, maargoed, dit is Otokylä. We zitten in de keuken van Rui’s kamer en drinken bier en wijn. Het wordt echt propvol. Deze kamers zijn maar de helft van mijn flat en hebben 2 slaapkamers waar in elk 2 bedden staan. Het is echt piepklein en druk. Dit is een goede plek om te hangen, maar ik zou hier echt niet kunnen wonen, dag in dag uit.

De avond vliegt om, in het trapportaal wordt muziek gedraaid en gedanst. Net als ik weg wil gaan sleept een Nepalees me de vloer op en aangezien ik toch al de hele avond zin had om te stijldansen (wat niemand hier kan, zwaar zonde!) roep ik hem toe wat cha-cha te doen. Hij heeft geen idee waar hij aan begint, maar hij volgt prima en we hebben denk ik wel een imposant uitziende experimentele cha-cha neergezet want de hele dansvloer is daarna ‘cleared out’. Ik werk me snel weer uit het middelpunt van de belangstelling maar vond dit toch wel even smashing, dit zie je normaal alleen in dansfilms 😉 … en dat terwijl ik tussen echte latindansers een behoorlijke prutser ben (credits gaan naar mijn danspartner Jochem, die het er desondanks altijd weer mooi uit kon laten zien).

Ik blijf nog even hangen en stap dan op de fiets naar huis. In het donker terug door het woonwijkje met de glibberige straten, gelukkig is alles verlicht. Zo, tijd om te gaan slapen.

zondag

Ik ben verbaasd dat ik voor zondag nog geen log had geschreven, maargoed, here comes. Ik heb uitgeslapen tot een uur of elf (eigenlijk tien, maargoed, daylight savings time). Ik ben duf, heb geen zin om me aan te kleden. Maar rondwandelen in je slaapkledij verandert je in no-time in een stinkend monster dus noodgedwongen kleed ik me aan.

Ik probeer vandaag op een onderwerp voor mijn essay te komen. Wireless werken? Hotelling? Die laatste term heb ik eens gehoord als de naam voor hét nieuwe netwerken, dwz. je rijdt niet meer in je ronkbak van je huisje in ’t groen naar de Randstad, maar je rijdt naar een soort satellietkantoor in je wijk en gaat daar met je lokale collega’s lekker via het netwerk voor je bedrijf in Amsterdam zitten werken. Wat een utopie.

Ik zie mij dat al doen, blokhut bovenop een berg, internetkabeltje erheen, lekker ontwerpen met uitzicht op de dennentoppen. Zover is het echter nog niet. Zodra ik begin te zoeken op ‘hotelling’ blijkt er een absurd schrijflustige en geciteerde mijnheer Hotelling te zijn die minstens de eerste vijftig onderzoeken in de lijst op zijn naam heeft staan. Zoeken met meer keywords brengt me nergens want mijnheer Hotelling is van alle markten thuis. Bah, kerel, verander dan je naam ofzo. Volgens mij zijn zijn broers ook al zulke liefhebbers van de pen. Ik geef het op in die richting. De meeste wireless- en werk-op-afstand-onderzoeken komen uit op allerlei verschrikkelijk oninteressante verhandelingen over netwerkstructuren en casussen van bedrijven waarin het arbeidsethos eens goed onder de loep is genomen. Daar kan ik echt geen 8000 woorden aan kwijt. Ik kijk eens naar buiten. Het sneeuwt. Hard.

Ik hoor Marjo opruimen. Het klinkt alsof ze het hele huis aan het doen is. Gegeneerd stap ik dan ook maar eens naar buiten en informeer wat ze al heeft schoongemaakt, opdat ik iets anders kan schoonmaken. Nou, zegt ze, eigenlijk heb ik tot nu toe alleen mijn eigen kamer gedaan, maar ik wil de wc wel doen (reuze aanbod!). Goed, zeg ik, dan doe ik de badkamer. Ik trek een moet-in-de-was-spijkerbroek aan, stroop de pijpen op en ga gewapend met spons, schoonmaakmiddel en doek de badkamer in. Na een kwartiertje is alles weer picobello. Gelijk zet ik het spul in mijn kamer neer en boen ook de vieze rubberstrepen van mijn schoenen van het zeil af. Het zeil blijkt wel viezer te zijn dan dat, dus aanrader: doe nooit een klein stukje. Ik zet gelijk op de planning voor volgende week: hele vloer dweilen. Stofzuigen is kennelijk niet genoeg. Een blik naar buiten maakt me niet vrolijker: het sneeuwt echt keihard.

Ik doe wat ontwerpdingetjes en ik probeer hardnekkig te zoeken naar leuke onderzoekjes over technologieën. Geïnspireerd door een techfilmpje van Ted pieker ik langzaam eens over fotografie. Wat betekent het voor mij, en ga ik in de toekomst fotograferen zoals in het filmpje? Met vier vingers een kader uitzetten en dan clickety, foto gemaakt? Waarom heb ik een compactcamera en nog altijd geen digitale spiegelreflex? Hoe lang en hoe vaak heb ik ook alweer nagedacht over overstappen, maar dat toch nooit gedaan? Wat waren mijn beweegredenen? Zijn die in lijn met de toekomst van het fotograferen met je vingers? Hier kan ik wel een essay over schrijven, vermoed ik.

Ik ga lasagna maken, smikkel die op en schrijf nog wat. Ik heb echt meer onderzoekjes nodig, maar de zoektermen zijn moeilijk. Zodra je op photography zoekt kom je ook heel vaak op onderzoekjes naar de werking van chemicaliën op foto’s uit. Ik merk inmiddels dat mijn website down is gegaan. Geen idee waarom. Mail komt nog wel binnen. Als het morgen nog zo is prik ik Hugo wel even. In de keuken zijn er vandaag wat flessen bijgekomen. Marjo kon ze niet meer kwijt op haar kamer, zegt ze, en daarom wil ze ze in de vensterbank van de keuken hebben. Het ene uur staan er vijf wijn- en wodkaflessen wat verloren op de vensterbank, het volgende uur zijn ze netjes gerangschikt en vormen ze een mooie wave. Nog een uur later besluit ik dat dat leuker kan. Tijdens het chocomel maken zet ik een absurd lelijke plastic 2 liter sinasfles naast de mooie flessen. Grinnikend ga ik op mijn kamer chocomel zitten drinken. Ik hoor Marjo de keuken in komen. Ze doet onder andere iets met de plastic fles. Nadat ze de keuken heeft verlaten loer ik om de hoek. De fles staat er nog. Ze heeft ‘m omgespoeld! Wat? Dacht ze nou serieus dat ik dat lelijke ding erbij wilde zetten? Kennelijk. Ik mag mijn niveau wel drastisch aanpassen wil ik nog een goede één-aprilgrap met haar uithalen…Ik maak het niet lang meer deze avond, neem mijn aantekeningenschrift mee naar m’n bed en schrijf daar nog wat ideeën op voor het essay.

maandag

Zei iemand ‘daylight savings time’? Ik heb op goed geluk mijn gordijn opengelaten maar het mag niet baten; er hangen dikke sneeuwwolken boven Oulu en de lucht is grauw, grauw grauw. Het is wel zo -5 tot 0 graden dus ik hoop dat de echte kou niet weer terugkomt. Dan vriezen de fietspaden weer op en duurt het minstens weer twee weken voordat het weggehaald wordt. Ik was eerlijk gezegd namelijk hartstikke blij met die geschraapte stukken fietspad waar je gewoon over het asfalt kon rijden.

Ik sleep me mijn bed uit en ga onder de douche staan wakkerworden. In de badkamer gooi ik eerst nog met luid kabaal de handdoekstang van de verwarming af. Oeps, nu is Marjo ook wakker. Ik maak ontbijt, check mijn mail en check mijn website. Mail werkt, website nog altijd down. Ik sms Hugo. Krijg minstens vijf smsjes met de vraag ‘wat is er precies mis dan?’ terug. Dan pas komt mijn smsje aan hem aan. Ik mail er maar even achteraan om de boel goed uit te leggen. Nog geen tien minuten later krijg ik nóg een smsje met dezelfde tekst. Ik vrees dat het netwerk in Finland een beetje hikt.

Ik ben nog steeds verschrikkelijk moe. Ik probeer mezelf ertoe te krijgen om onderzoekjes te zoeken maar het gaat gewoon niet hard. Eerst maar koffie…
Na de koffie probeert Guus zijn Skype aan te slingeren. Dat gaat niet echt. Hij belooft een betere oplossing te zoeken. Inmiddels is het al hard tijd om te gaan eten, dus ik pak me in en spring op de fiets. Het eerste wat ik merk is dat er overal weer sneeuw ligt. Een fris dun laagje dat net genoeg is om al het gladde ijs te bedekken. Ik weet niet of het tussen de oren zit, maar ik durf nu gewoon weer vaart te maken en overal overheen te fietsen. Ik ben dan ook in tien minuutjes op school, heerlijk.

Ik eet lunch en ga daarna in het firstyears-hok boven zitten. Even wat dingen op internet zoeken… er komt een meisje naast me zitten en probeert de computer voor haar neus aan de praat te krijgen. Hij gaat niet aan dus ik bied haar mijn computer aan. Ik ga op de bank in mijn dummie zitten schrijven voor mijn essay. Wanneer het meisje klaar is ga ik weer even internetten en zoeken naar papers op Google Scholar. Weer komt er een meisje aan, ook zij probeert tevergeefs de computer. Ik laat haar weer aan mijn pc (ik was toch al weer klaar) en zet even op de achterkant van haar computer de voedingsschakelaar om: ha, de computer gaat weer aan. Het meisje zit wel met een UTP-stekker in haar handen. Eh, ja, die zal toch achterin moeten. Maar hoe ik ook kijk, er zit geen RJ-45 gat. Er zitten op zich wel twee vierkante gaten maar netwerkkaarten zijn over het algemeen vrij standaard en ik steek mijn vingers niet zomaar in een draaiende computer. Ik zeg haar dat ik het ook niet weet maar dat ze op mijn computer wel kan internetten, toch?

Ik zet me weer op de bank en schrijf verder. Een jongen met lang zwart haar zit op de andere hoek. Hij leest een tijdschrift en zucht enorm hard (maar dat doen Finnen eigenlijk bij alles wat ze doen). Op mij komt het over alsof hij zich verschrikkelijk aan het tijdschrift, de schrijfstijl en de foto’s en ergert, maar ik weet het te negeren. Jakob komt binnenlopen en blijft hardnekkig Engels tegen mij praten terwijl de zwartharige jongen nog harder begint te zuchten en duidelijk niet aan deze taalverandering wil meedoen. Ik check weer even wat Google Scholar-vondsten op internet en zie dat Jakob midden op de bank bovenop mijn tas is gaan zitten. Gelukkig, er zat niks breekbaars in. Erg helder vind ik het niet van hem. Ik ga weer op de andere hoek zitten en zo zitten we onderuitgezakt in de bank. De zwartharige jongen zucht hard, Jakob schijnt het ook niet ongewoon te vinden om te doen alsof hij net een flinke sprint heeft gelopen en ik – ja ik zit er stil naast, waarom zou ik zo zuchten. Ik word wel ongelooflijk moe van ze. Jakob heeft koffie gezet en hij vertelt in het Engels over een tijd waarin hij in Oostenrijk woonde en ‘bovenop een berg woonde en in het dal in een steenfabriek werkte’. Om zijn verhaal kracht bij te zetten gaat hij over in vloeiend Duits en (nog altijd zuchtend) spiegelt hij mij een poëtische versie van zijn leven daar voor. Ik begin hem met de minuut merkwaardiger te vinden, maar je hebt gewoon van die mensen. Ik sta uiteindelijk op, het is kwart over drie en ik zit hier letterlijk mijn dag te verlummelen. Laat ik dat ergens anders gaan doen.

Ik spring op de fiets en sjees weer vrolijk richting huis opaan. Bij de sporthallen ga ik rechtdoor en beland zo via de Saaristonkatu in de stad. Wat is er lekkerder dan een middagje shoppen wanneer je al dat geschrijf even moet laten bezinken? Ik voel me na al dat gezucht en gemijmer van de twee jongens op de bank zo normaal en zelfverzekerd dat ik ongeveer elk wazig uitziend winkeltje binnenstap dat ik maar ken. Het zijn die winkeltjes met vaak maar 1 persoon achter de toonbank, die dan speciaal voor jou rechtop gaat zitten, het leesboek aan de kant legt en je gaat zitten bestuderen. Sommigen spreken je ook nog aan en blijven vrolijk doorlullen terwijl je ze in helder Fins vertelt dat je echt, echt, echt geen Fins spreekt. Ik weet mijn verstand op nul te zetten en elk winkeltje in en uit te komen zonder me opgejaagd te voelen of in een lang gesprek met de verkoopsters verwikkeld te raken. Vroem, op naar huis, en als ik toch onderweg ben, even kijken of er nou bij het busstation echt een tweedehandsshop zit. Ja, die zit er. Ik neem een rokje van Vero Moda en een shotglaasje voor mijn Sheridans mee en ga blij weer naar huis.

Ik eet mijn broodjes, check mijn mail en zie een nieuw bericht van de Nepalees. Hij wijst me hoe de sauna’s werken en maakt me erop attent dat het vandaag van 18.00 tot 20.00 voor de dames van mijn flat is. Het is half zeven, dus ik eet mijn broodjes ga maar eens. Dit keer doet de lamp het wel in het voorhalletje en is de deur naar de sauna ook niet op slot. Blij stap ik binnen. Eén meisje is zich net aan het aankleden. Ik kleed me om, ga de houten deur door en sta in een kleine, maar nette sauna met twee douches, wat emmers voor ’n voetbad en natuurlijk het saunahok zelf. Nou, er kunnen hooguit zes personen in, maar het is een puike sauna. En ik zit er lekker alleen. Na wat cycles van douchen en zitten vind ik het wel weer best, ik douche af en wandel naar huis.

Sanna is er, ze neemt weer wat dingen mee. We praten wat bij en ze belooft me op een zaterdag mee te nemen naar het ballroomdansen. Ik maak chocomel en ga weer aan het werk. Genoeg afdwaalgedrag vandaag, er moet weer gewerkt worden.

dinsdag

Oef, vandaag is een lange dag geweest.

  • essay bronnen zoeken
  • lunch eten
  • essay outline schrijven
  • Finse les
  • Jakobs optreden plus andere klassieke vocalisten + celliste
  • latindansen gekeken in school
  • naar de supermarkt
  • Belastingaangifte invullen met Wilco
  • snel even ontwerpsite checken
  • slaaaaaaaaapen (weer niet voor 12 uur mn bed in, dank u Belastingdienst)

Morgen schrijf ik hier meer over, I promise.

woensdag

Gisteren heb ik tot twaalf uur aan mijn belastingaangifte gezeten, dat was wel erg lang. Daarom mag ik vandaag van mezelf een ochtendje uitslapen. Echter, de zon schijnt en omdat we nu met daylight savings time een uurtje eerder behoren wakker te worden (en het hier per dag wel 6 minuten langer licht is) heb ik om iets van 8 uur de zon al lekker in mijn kamer staan. Toch weet ik op wonderbaarlijke wijze mijn wekker voor vandaag het zwijgen op te leggen en om kwart voor tien word ik pas weer wakker. Oeps!

Ik spring onder de douche en eet daarna mijn ontbijt terwijl ik mijn mail lees en probeer aan mijn essay te beginnen. Het is zwaar. De zonnigheid houdt echter wel aan dus ik kan regelmatig vrolijk naar buiten kijken. Tegen twaalf uur is mijn essay-outline klaar en stap ik op de fiets naar school. Er is nog maar 1 rij van de catering open maar gelukkig is er nog wel genoeg eten. Ik leg een Spanjaard naast mij uit dat de naam van het eten ook in het Engels op de bordjes staat. Ja, dat maakt nogal wat uit als het ene 1,58 kost en het andere 2,60. Ik heb vaak net gepast geld bij me!

Ik ga bij de exchange students zitten en praat een beetje mee. Helaas gaat het over alle ranzigheden die zich in de sport- en saunaruimtes van Otokylä voordoen en dat interesseert mij niet zo. Zoals ik al zei, ik praat mee. Daarna ruim ik mijn dienblad en rommel op en ga naar de eerstejaars-kamer. Ik zie een jongen met een matchbox-pinholecamera lopen. Wat een fascinerend ding! Hij legt me uit hoe het werkt en ik ga gelijk even op internet kijken hoe je zo’n ding bouwt. Leuk, in Nederland ga ik proberen er eentje te maken. Simpel gezegd zijn het twee filmrolletjes in kleur of zwartwit die je met elkaar verbindt via een lucifersdoosje. Fikse wikkel tape eromheen, een stukje folie voorop, daar een speldenprik in en je hebt een pinholecamera die op filmpjes belicht die je gewoon weer bij de fotozaak kunt laten ontwikkelen.

Ik beland op Tweakers.net waar speciaal vandaag een huishoudforum geopend is. Ik ben moderator, dat wist ik nog niet eens. Er komen allerhande huishoudelijke apparaten voorbij die ‘getweakt’ moeten worden en ik doe ook een duit in het zakje. De reacties overal zijn hilarisch en weldra zit ik dan ook te snikken van het lachen achter de pc. Dan komen er weer Finse studenten binnen en moet ik het even droog houden, ze snappen namelijk geen hol van zo’n Nederlands forum. Ik zeg maar dat het om 1 april gaat en dan kijken ze wel weer wat normaler. Tijd om weer wat nuttigs te gaan doen.

Ik print mijn essay-overview uit en ga naar huis. Het is lekker weer, maar omdat het nu nog -5 is beginnen alle routes weer te bevriezen en moet ik goed opletten of ik over zacht of hard ijs fiets. Soms kun je ook gewoon een local achterna racen, die weten precies welke stukken ze moeten pakken.

Wanneer ik thuis ben lees ik nog even wat op internet en plant mijn essay-overzicht in het standaardje (vindt iemand het gek dat ik van huis een papierstandaardje mee heb genomen omdat ik sowieso dingen van papier moet typen hier? En ja, ook mijn perforator is meegegaan. Mijn nietmachine mis ik enorm, ik steel die op school dan ook van iedereen). Anyway, voordat ik er erg in heb is het alweer half zeven. Om zeven uur draait er een film in Valve, genaamd ‘Burn after Reading’. Het moet een grappige film met Brad Pitt, George Clooney en nog wat mensen zijn. Die maar eens gaan zien dan, na Blindness van laatst zou ik toch wel graag weer wat leuks op het witte doek willen hebben. Ik race richting Valve maar kom toch net een minuut te laat binnen rennen. Geërgerd pakt de filmmeneer mijn kaartje aan en ik kan in het donker een plekje opzoeken. Er zitten met mij maar 3 mensen in het zaaltje.

De film was kortgezegd gewoon hartstikke verwarrend en totaal niet goed. De film was hier en daar grappig, humoristisch, flauw, maar er zaten zoveel rare wendingen in dat je aan het einde gewoon opeens dacht ‘wat? is dit het nou?’. Er zit geen ontknoping aan en alle personen doen zulke rare dingen (en ook allemaal met elkaar) dat het gewoon geen steek houdt. In de film ‘Me and you and everyone we know’ heb je ook wel zo’n vaag verband tussen iedereen maar daar doen ze gewoon ook nog wat zinnigs. Hier niet.

Ik eet mijn broodjes op (ja ik had zoveel haast, ik had mijn broodjes maar ingepakt en heb tijdens de hele film met ronkende maag gezeten) en word me bewust van de prachtige ruimte (een glazen atrium tussen twee oude gebouwen) Valve eigenlijk is. Enorm mooi. Waar Concordia heel druk en heel binnen is, is Valve heel open en heb je het idee dat je buiten op een plein zit. Het is tien voor negen, het begint wat te schemeren. Ik klik mijn lampjes op mijn fiets en rol voorzichtig naar huis. De afgelopen dagen lag er genoeg sneeuw en waren de wegen lekker begaanbaar; vandaag is het naar aan het worden. De sneeuw is platgetrapt en de gladde plekken worden weer glad. Ook heeft op wat drukke plaatsen een aantal uur de zon gestaan dus zitten er weer diepe groeven in het ijs. Alsof dat nog niet genoeg onheil was is er net ook een wedstrijd van de Kärpäts geweest en rara waar die allemaal lopen? Juist, van de ijshal naar het station.

Ik moet recht tegen ze in. Ze lopen breeduit over het fietspad en zijn allemaal dronken. Na een half fietspad lang ploeteren denk ik slim te zijn door linksaf te slaan en tussen de supermarkten door te gaan. Maar nee, ook al zijn de supermarkten net dicht, ook daar loopt een hele stroom ijshockeyfans. Volgens mij hebben de Kärpäts verloren, ze zijn allemaal niet vrolijk. Eindelijk weet ik dan de grote exodus te ontsnappen en beland ik op het fietspad achter Välkkylä langs. Er is geen licht dus fietsen daar is alleen nog maar nog enger. Gelukkig kom ik heelhuids thuis. Morgen zijn de fietspaden nog meer een ramp. Kan iemand weer gaan schrapen aub?

Om het 1-aprilgevoel nog even mee te maken hang ik nog wat op Tweakers. Iedereen gedraagt zich wel. Buiten staat een lange rij auto’s te knipperen (afkomstig van de ijshal dus). Het wordt later. Ik voer mijn essay-outline in in Writer en dat is het dan voor vanavond…

donderdag

Vandaag sta ik bijtijds op, maak ontbijt en ga aan het werk. De outline van het essay staat weer fier in het standaardje en hoewel hij vrij klein geprint is gaat dat mijn richtlijn worden. Ik zal vandaag geen lunch halen op school, ik ga echt een hele dag schrijven.

Het wil niet erg vlotten met het essay. Ik vul alle kopjes wel, maar het is gewoon niet zoals mijn vorige essays. Als een zwaard van Damocles hangt het woordenaantal van 8000 woorden boven mijn hoofd. Was het nou 300 woorden of 800 woorden per pagina? Langzaam druppelt de dag voorbij. Voor lunch maak ik een cheape pizza warm in de oven. Ja, gelukkig maar dat die vijftig cent kostte.

Om vier uur is het dan tijd om richting school te gaan, naar Finse taalcursus. Natuurlijk ben ik vreselijk traag en kom ik pas om tien over half vijf daar. Ondanks dat heb ik me te veel gehaast om broodjes voor het avondeten mee te nemen, dus ik koop maar een pulla en twee chocolaatjes. Als ik in de les kom blijk ik nog niet erg te laat. We gaan vandaag memory doen met bijvoeglijke naamwoorden.

De Italiaanse meisjes waar ik aanvankelijk naast ging zitten willen mij erg graag in hun groepje hebben. ‘Is she a teacher?’ ‘no but she’s good! she can teach us!’ Oke… ik wil wel bij het groepje blijven, maar er is aan een andere tafel missen ze iemand dus daar ga ik bij zitten. We hebben een Tsjech, een Duits meisje en een nieuw Italiaans meisje. We gaan eerst woorden en plaatjes bij elkaar zoeken en daarna proberen we te memory’en en te kwartetten. Ik vraag het nieuwe Italiaanse meisje wat dingen. Ze blijkt helemaal geen Engels te kunnen. Die gaat het moeilijk krijgen hier, denk ik.

De Tsjech speelt met de etui (een gele eend) van het Duitse meisje en we doen eigenlijk geen klap meer. Om het nog erger te maken komt de docente aan met twee grote gele tassen van de ‘Drie Dwaze Dagen’ van Stockmann (serieus, die hebben wat met de Bijenkorf!). Snoep is nu heel goedkoop, meldt ze blij en pakt twee grote dozen vanille- en aardbeiennegerzoenen uit. We mogen er allemaal één kiezen en daarna staan de dozen op tafel om vrij van te pakken. Oh my god. (note to self: ik had mijn Duitsertjes in de Sprachkurs op stroopwafels moeten trakteren…)

Natuurlijk wordt er flink gesnaaid, helemaal als de docente niet oplet en als ze de klas uitgaat om papieren te kopiëren. Ik vind dit nog steeds maar een frappant klasje. Sowieso variëren we van dag tot dag in aantal en samenstelling. Dan waren mijn Duitsertjes toch heel wat gehoorzamer. Maargoed, ik liep dan ook rond met een presentielijst, gnagna. Wel gek om zelf een half jaartje geleden nog zo’n taalcursus te hebben geleid, en er nu weer in eentje te zitten. Nouja, het geeft waarschijnlijk wel aan waarom ik zo braaf mijn best doe in deze taalcursus. Ik was zelf ook het meeste blij met de leerlingen die echt keihard werkten, ik zou ze er nu nog zo tussenuit kunnen pikken.

Misselijk en met een berg nieuwe woordjes ga ik naar huis. Eigenlijk moet er werk gedaan worden. Het essay staart me aan vanuit de taakbalk. Ik wil niet. Ik open de ontwerpwebsite en lever die avond nog twee ontwerpen in. Een stemmetje in mijn hoofd zegt dat dit niet goed is. Een ander stemmetje zegt dat ik nou eenmaal geen robot ben.

Ze blijven doorvechten in mijn hoofd wanneer ik een uurtje later – net voor twaalven, bravo – naar bed ga.

vrijdag

Ik weet me vandaag om kwart over acht mijn bed uit te slingeren. Het is zonnig, jawel, maar zodra ik me heb gedouched is het bewolkt. Het gaat snel hier. Ik maak ontbijt en dwing mezelf om aan mijn essay te gaan schrijven. De mailtjes zijn afgehandeld, ik moet er nu aan. Ik lees het eerste stuk over en het stelt me teleur. Gebazel, waardeloze halve feiten, geen bronnen (ja wikipedia, algemene kennis) … geen wetenschappelijke waarde.

Ik schrijf nog een alinea. Het overtuigt me niet. Het gaat ook mijn professor niet overtuigen. Nee. Ik kijk er nog eenmaal naar, wandel wat door mijn kamer en besluit dat mijn essay gecrasht is. Als ik dat aan Wilco schrijf levert dat wat verwarring op, maar hij snapt dat ik gewoon opnieuw moet beginnen. Ik voel me nu echt dubbel zo rot als toen ik nog aan het schrijven was. Voor woensdag moet het af zijn – eigenlijk vandaag al – maargoed, voor woensdag zéker, want dan is Wilco er en schrijven met Wilco over mijn schouder gaat niet. Bovendien zou ik dan geen tijd hebben om Wilco heel Oulu te laten zien, dat mag niet.

Ja, ik ga naar school. Ik ga mijn sleutel activeren voor dit weekend en ik ga lekker eten. Ik spring op de fiets, neem mijn usb-stick en aantekenschrift mee en rijd behoedzaam naar school. Na het eten ga ik naar het firstyears-hok en loop direct door naar de productiekamer. Ik print het origineel van mijn essay uit, maar weet eigenlijk al dat ik er niet meer naar wil kijken. 2 dagen weggegooid werk. Net nu ik het niet gebruiken kan… maargoed, wie haast gaat fouten maken.

Nu is het tijd om fouten te herstellen. Ik blijf nog even zitten aan de superstoere Macintosh met scrollballetje en surf over het net. Het valt me op dat ik in deze sterk gekoelde productieruimte geen last van mijn after-dinnerdip krijg. Zouden koele ruimtes werken tegen het effect? Een paar minuten later en een stapeltje uitgeprinte artikelen rijker weet ik het. Ik hang op de bank in het firstyearshok en voel de slaap gewoon bezit van me nemen. Tien gapen verder en ja: echt: een zachte bank en een warme ruimte, hop daar ga je. Het kost me de grootste moeite om van mijn nieuw verworven informatie een logisch verhaal te maken. Eigenlijk kost het me steeds meer moeite om sowieso positief te denken. Woensdag af, 8000 woorden, woensdag af, maandag naar Heikki, en hem vertellen dat ik geen nieuws heb aangaande het project, 8000 woorden, woensdag…

Ik stuur Guus een kattebel dat ik geen zier opschiet en dat ik waarschijnlijk vertraging ga krijgen met mijn concepten. Daarna loop ik naar beneden, maar Heikki is waarschijnlijk al naar huis. Zucht. Het is ook al vier uur, ik moet ook gaan. In het firstyearshok doe ik echt helemaal niks en mijn motivatie is gedaald tot het nulpunt. Ik zucht maar eens diep, spring op de fiets en ga naar huis. Ik heb zelfs geen zin meer om naar de supermarkt te gaan. Dat komt morgen wel.

Ik ga thuis zitten, voer mijn overige woordjes in in Overhoor. Eet een broodje. Mis de sauna, mis de film die in Valve draait. Hang wat op internet. Ik zie de zon ondergaan en de avond beginnen. Tijd voor een biertje, misschien zet dat me van mijn stress over de 8000 woorden en de deadline van woensdag af. Niet. Ik ga muziek luisteren, want mijn onderbuurvrouw heeft weer eens een feestje. De beat staat hard. Ik hoor Bring me to Life en ben opeens helemaal blij: ik wil m’n eigen versie van Bring me to Life horen! Ik ga lekker Rock Bottom luisteren. Euforie. Het verjaagt mijn dip. Hiermee hebben we op een podium gestaan. Achteraf klinkt het best wel brak. Ik zou nog veel meer kunnen verbeteren. Maargoed, Rock Bottom is passé…

Ik weet in ieder geval wat ik morgen ga doen (om de buurvrouw wakker te maken!) en om mijn humeur weer in de plus te krijgen: ons Rock Bottom repetoire lekker zonder koptelefoon doornemen en dan aan mijn essay gaan schrijven…!

maandag

Have no fear, I’m still here!

Het woord van de dag (of eigenlijk van het hele weekend al) is ‘essay’.

En ter verduidelijking: “The best way out is always through.” (Robert Frost).

dinsdag

Voor vandaag zal ik weer proberen om een klein log bij te houden. Echter, beste lezer, misschien is het je onderhand ook wel gaan vervelen, om te weten wat ik van moment tot moment doe. Ik heb enkele keren al geprobeerd korter te schrijven maar dan verval ik weer in die beschrijvingen… ach. Lees het ook maar gewoon.

Hoewel ik gisteravond laat ben gaan slapen moet ik nu vroeg weer op. Nouja, wat heet vroeg. Acht uur, half negen gaat mijn wekker. Ik hop uit bed en begin me aan te kleden en was bij elkaar te verzamelen. Ik had namelijk gruwelijk veel was in mijn was-tas zitten en daarom heb ik in het weekend een extra wasdagje gereserveerd: vandaag van 9 tot 10. Met de tas onder mijn arm huppel ik naar buiten en bemerk dat het nog wel koud is – ik blaas stoomwolkjes uit – maar dat het aanvoelt als 20 graden. Serieus!
Ik denk dat het nog steeds die misleidende zon is, die je doet denken dat het midzomer is.

Snel de was in de machine, timer aanzetten en weer naar mijn appartement. Thee zetten, brood smeren en crispies in de kom. Oplepelen, kauwkauw. Timer gaat af: was is klaar. Hop naar beneden, wasmachine checken: hij is klaar. Snel het bakje van de wasverzachter ontstoppen en dan een nieuwe lading was en wasmiddel erin droppen voor een tweede run. Die mag echter niet teveel uitlopen want om tien uur mag de volgende. Binnen enkele minuten is het zover. Ik hobbel weer naar de wasmachine, zie dat hij nog 4 minuten moet centrifugeren. Ik staar uit het kelderraam en wacht. Het is prachtig buiten, ongeveer zoals op deze foto (wat overigens een foto van mijn appartementenblok is, mijn voordeur is links naast de lantaarnpaal). Het ligt natuurlijk nu nog helemaal onder de sneeuw, en er zijn geen groene blaadjes, maar de zon staat er al wel zo lekker op. Ik staar nog wat dromerig uit het raam als opeens een Ethiopiër met een enorm volle wasmand het beeld doorkruist. Ah, dat moet George zijn, die maarliefst 3 wasmachines tegelijk heeft gereserveerd. Gelukkig is mijn pesukone klaar en kan ik hem uitruimen. Ik groet George en ga naar boven om de boel op te hangen.

Nu is het tijd voor wat minder keiharde actie. Ik heb gisteren de kladversie van mijn essay niet afgekregen en nu moet het vandaag. Dan snel printen en dan naar school voor hapjes. En dan schrijven maar weer…

Vrolijke noot om half één! Ik zie constant vogels voorbij vliegen die op zoek zijn naar takjes en nestmateriaal. Vogels zijn nesten aan het bouwen! De winter is voorbij! Lente!!!!

woensdag

Vandaag ben ik weer lekker vroeg opgestaan. Het gaat deze week een stuk gemakkelijker dan de vorige week! Misschien ook omdat ik weet dat ik iets te doen heb. Ik begin de ochtend met ontbijt en sleep daarna mijn bed naar de hoek van mijn kamer. Ik heb een paar dagen terug twee bankkussens meegeplukt uit de ruilkamer en ik heb kussenslopen in mintgroen. Past lekker bij mijn hoeslaken dat gifgroen is. Zo, kussens op de bank, slopen erover (want de kussen zijn te groot om ze erin te stoppen) en ik heb een bank. Er is nu ook ruimte voor een luchtbed. Nu Wilco en de spullen nog 🙂

Ik heb het tegen mezelf gezegd: vandaag ga ik aan dat essay schrijven. Goed, het is even pezen maar ik ben aan het einde van de ochtend al een heel eind. Echter, ik moet nu naar school om te eten, het is half twaalf. Om kwart over twaalf heb ik een ‘bibliotheekuitleg’ van een docent van de techniek-afdeling, eens kijken of ik daarna ook boeken hier kan lenen.

Ik kom om tien voor twaalf op school aan en de moed zakt me in de schoenen (nouja, voor eventjes dan). Er staat een loei van een rij voor het lunchbuffet. Ik kom nooit meer voor kwart over twaalf aan het eten! Nouja, dan ga ik maar rondstruinen in hoop mijnheen Kimmo Pajaanen te vinden, die ik van Heikki nog moet spreken over eh…ja wéér een website… die mensen weten wel waar ik m’n skills heb zitten hè? Anyway hij draait een webradio, heeft wat te maken met Neoarena en ze hebben ook weer troubles. Of ik snel contact met hem op wil nemen, had Heikki gezegd (net nadat ik hem had verteld dat ik 2 weken achterliep met mijn opdrachten!)

Kimmo blijkt niet op kantoor te zijn, die is lunchen. Ja, dat was wel een behoorlijk grote kans. Ik loop terug en passeer de grote bibliotheek (nouja, groot….ehm). Ik neus wat rond, veel softwareboeken, systeemarchitecturen, dat leuke boek met de dinosaurus erop… afijn, veel computertech. Niet echt wat ik zoek maar toch leuk als ik hier boeken zou kunnen lenen. Ik informeer eens bij de balie en ja, dat kan, ook als exchangestudent. Ze wil al bijna een pasje voor me maken. Ik hou dat af, maar krijg wel een foldertje mee en ze wijst me de plek van de bieb op internet. Service! Geweldig.

Ik loop terug naar de lunchhal en besluit de uitleg over de bieb dan maar te skippen. Ik kom gelukkig de jongens tegen die er ook heen zouden gaan (hun goede daad van de dag, zo noemen ze het) en ik zeg dat ik er niet bij kan zijn. Zo, netjes afgezegd, nu eten.

Na het eten hang ik nog wat maar ik móet gewoon terug naar huis, schrijven. Dus ik fiets terug, bijna alle fietspaden tussen huis en school zijn nu ijsvrij! Zelfs tussen de viaductjes is flink geschraapt. Er zwemmen eendjes in het beekje. Lente, ja! Thuis ga ik weer aan het schrijven. Maar het schiet niet erg op. Het gaat wel goed – ik bedoel, ik ben op de goede weg. Maar ik ben zo snel afgeleid, helemaal met lekker zonnig (maar koud) weer buiten. Het wordt langzaam avond, ik wil mijn bammetjes gaan eten. Maar het brood is bijna op. Dan nog maar even naar de supermarkt. Ik kijk gelijk even voor bestek voor Wilco. Het is schreeuwend duur in de supermarkt, alsof alles van zilver is en direct geimporteerd uit de verste uithoeken van Rusland zeg. Ongelooflijk. Ik besluit dat ik de stap ga wagen om Marjo wat te leen te vragen. Ik sla wat eten en drinken voor de komende dagen in plus ijs voor bij de Mämmi. Dat is een soort van vloeibaar roggebrood dat alle Finnen als toetje na het paasmaal eten. Je doet er vanilleroom en suiker bij en dan smaakt het als… roggebrood met suiker. Oplepelen maar. Ik heb een halve doos mee naar huis gekregen van de Fins lerares, we hebben in de klas wat gegeten en daarna moest ze het kwijt. Nu ga ik het aan Wilco voorschotelen 😀

Thuis type ik nog wat aan mijn essay en dan hou ik me even bezig met het weer opplakken van mijn bladerstickertjes. Die zaten sinds het verven van mijn muren al weken op mijn kast gekleefd in de meest onooglijke patronen. Oh, nu ik aan het schrijven ben hoor ik de eerste al naar beneden komen…

Enfin, alles is klaar, typen wordt niet echt meer wat dus ik bedenk me nog even om wat foto’s hierbij te plaatsen. Dan belt Wilco. Hij is in Oulu en hij zal zo op de bus stappen. Yeeeay!

Ik fiets naar de bushalte en blijf staan wachten. Het is wel weer enorm koud, erger dan ik verwacht had. Gelukkig, na tien minuten komt bus 19 aanzeilen en Wilco zit erin. Na een hoop geknuffel zetten we koers naar mijn huis. Dat is nog wel een heel eindje zo met een koffer (maar alas ik heb het ook eens gelopen). We blazen het luchtbed op, hangen nog wat op de bank en gaan slapen.

donderdag

Vanochtend om 8 uur scheen de zon! Heerlijk zo wakkerworden. Helaas is de zon daarna ook weer in de wolken verdwenen. Ik hop mijn bed uit, ga douchen en maak ontbijt, Wilco pit lekker door. Aan het werk dan maar… als Wilco toch nog wel een tijdje slaapt kan ik net zo goed weer aan mijn essay gaan schrijven. 🙂

Van dat schrijven komt niet veel, Wilco wordt wakker. We zijn op donderdag naar school gelopen en hebben daar lunch gehaald. Daarna een rondje door Otokylä en terug door een wijkje met gekleurde huisjes naar de supermarkt. Wat we die avond hebben gedaan ben ik vergeten.

vrijdag

We staan op, ontbijten en stippelen een wandelroute uit. We lopen over het kerkhof tegenover Välkkylä en komen weer uit bij de Rautatienkatu. Vanaf daar lopen we door een wijk heen, langs het Tietomaa en zoeken het Huupisari-park op. Het is blubberig nu, de sneeuw begint te ontdooien. Het parkje is nog wel mooi.

We lopen wat rond en gaan dan naar de stad, waar we rendierpizza eten bij Pannu. ’s Avonds sms ik Sanna, we gaan daar om half negen heen. Na eerst lekker bessentaart te hebben gegeten bij haar thuis gaan we naar de dansavond.

Dat is wel een bijzondere ervaring, die dansavond. Er lopen alleen maar mensen van +40 rond eigenlijk en de dansen die ze doen herken ik niet helemaal als wat ik heb geleerd. Anyway, de band speelt af en toe een nummertje tussendoor en we krijgen nu te horen wat echte ‘Humppaa’ is. Wilco en ik proberen te dansen maar de meute gaat zo hard dat we telkens van de dansvloer afgemanoeuvreerd worden. Daarom waag ik me tijdens een soort van quickstep-nummertje ook nog even aan een dans met een vreemde jongeman. Gelukkig kan hij dansen, want ik raak telkens de tel kwijt. Hij probeert wat dingen in het Engels te vertellen maar hij kan niet dansen en Engels praten tegelijk, dus dat schiet niet op. Wel leid ik uit zijn verhaal af dat het vandaag ‘ouderen’avond is en morgen ‘jongeren’avond. Oopsie, nouja. Als ik terugkom zien we Sanna zitten kletsen met een jongen dus we gaan even langs de kant van de dansvloer staan kijken. We laten dat maar eventjes. We drinken een biertje en aangezien we toch niet kunnen dansen, besluiten we maar terug te gaan lopen naar huis. Sanna is bang dat we niet thuiskomen, maar ik weet exact waar we zijn, we redden ons wel.

We maken er een lange wandeling van, over Pikisaari-eiland, door de stad. Na een uurtje zijn we thuis. Ik drop Sanna nog een sms dat we ‘kotona’ zijn en hoop dat ze een leuke avond heeft (met of zonder de jongen…). Daarna gaan we slapen.

zaterdag

Vandaag staan we heel vroeg op! Zes uur rollen we van het luchtbed. We kleden ons aan en wandelen naar het treinstation. We gaan vandaag naar Rovaniemi!
Een hele trip is dat. De trein doet er 2 uur en 45 minuten over. Maar – dan zijn we ook in Rovaniemi, de grote plaats die vlak bij Napapiiri oftewel de Poolcirkel ligt.
Zie vooral ook de foto’s! We blijven niet lang in Rovaniemi zelf maar stappen direct op bus 8 naar Napapiiri. We worden, met een hele meute andere toeristen, langs de kant van de weg gedropt. Voor ons ligt Santa Claus Village!

We komen er echter al snel achter dat een park dat gebouwd is rondom een figuur dat alleen maar met rendieren rondvliegt en cadeautjes geeft, ook niets anders te bieden heeft dan een weitje rendieren en massa’s cadeauwinkeltjes. Desondanks lopen we vrolijk rond. De sneeuw ligt hier nog lekker, iets meer dan in Oulu, en de zon staat er vol op.

We eten een hapje, ik koop een stukje rendierhoorn en we gaan naar de ‘Artic Snowmobile Safari’ blokhut waar we voor een ritje gaan. We doen samen met een gezin een korte safari van 20 minuten. We maken natuurlijk enorm veel herrie met de snowmobiles dus er is geen beest in het bos te bekennen, maar dat geeft niet. Het was leuk racen op die dingen.

Daarna knabbelen we een mandarijn op en kijken hoe laat de bus gaat. We hebben nog net tijd om op een uitkijktoren te klimmen (wat Wilco natuurlijk graag wil). Als we weer beneden zijn is het tijd om bij de bus te gaan wachten. Die komt gauw. We stouwen ons met alle Chinezen, Japanners, Italianen en Spanjaarden in de bus en laten ons terug naar Rovaniemi voeren. Op het station eten we nog wat en dan gaan we weer bijna 3 uur in de trein terug…

We zijn rond 8 uur in Oulu, we maken eten en we kijken Trainspotting op mijn laptop. Daarna is het tijd om te slapen.

zondag

Ik kan het niet anders zeggen, vandaag is een hangdagje. Eigenlijk stond er op de planning om met Wilco naar Hevimesta te gaan vanavond, maar dat heb ik op zijn verzoek gecanceld. We eten ontbijt en de ochtend gaat voorbij. Ik download een film van campusnet, wat bijzonder goed gaat. Rond drie uur gaan we warm eten maken, het wordt lasagna. Na de lasagna kijken we de film (Control Room, aanrader!)
We eten nog wat broodjes en gaan vroeg slapen, want morgen moeten we er bijtijds uit.^

12-04-09Zondag
Vandaag zijn we na het ontbijt naar het Tietomaa wetenschapsmuseum geweest. We hadden al lekker uitgeslapen, daarna wat van de lekkere zon genoten en daarna hebben we 4 uur in het museum gespendeerd. Veel leuke dingen te doen! Zie ook de foto’s.
Allerlei wetenschapstestjes enzo, natuurkundige dingetjes, heel mooi opgezet. Zowel voor kinderen als voor ons (ahum) valt er genoeg te klooien daar. Om zes uur zijn we dan ook de laatste gasten die weggaan (eigenlijk hadden we nog wel een uur knopjes kunnen drukken bij alle tentoongestelde dingen).

Daarna lopen we naar de stad en herinneren we ons dat het gehakt niet uit de vriezer ligt. Aangezien we toch nog één dag uit eten moeten (te weinig eten, supermarkten telkens dicht ivm pasen) doen we dat nu maar. We gaan weer naar Pannu en bestellen een lekkere zalmfilet. Om 8 uur worden we er ook daar uitgekickt (restaurant gaat sluiten…) en gaan we naar Kulma, door locals ook wel Kuluma genoemd. Dit is een bar met allerlei drankjes, maar ze zijn bekend om hun cocktails en vuurshows. Jaja.

We drinken een koffie, gaan dan aan de cocktails en het bier en jawel, ongeveer elk half uur doen de barman en het barmeisje een spectaculaire korte act met het gieten van brandende sambucca of het spugen van vuur achter de bar. Hoewel de foto’s eruit zien als een waar inferno is er die avond niks afgebrand in Kuluma.

Rond elven lopen we naar huis en gaan slapen.

maandag

Ik kan het niet anders zeggen, vandaag is een hangdagje. Eigenlijk stond er op de planning om met Wilco naar Hevimesta te gaan vanavond, maar dat heb ik op zijn verzoek gecanceld. We eten ontbijt en de ochtend gaat voorbij. Ik download een film van campusnet, wat bijzonder goed gaat. Rond drie uur gaan we warm eten maken, het wordt lasagna. Na de lasagna kijken we de film: Control Room; aanrader!

We eten nog wat broodjes en gaan vroeg slapen, want morgen moeten we er bijtijds uit.

dinsdag

Vandaag staan we tien voor zes op. Het luchtbed gaat plat, Wilco gaat douchen en ik vouw kleren op. Wilco pakt de koffer in en we proppen alles stevig aan. De twee boeken die ik heb gekregen kunnen er ook nog net in. We eten een kommetje cornflakes voor ontbijt en even na zeven uur wandelen we naar de bushalte.

Er druppelen wat bussen voorbij om kwart over. Om tien voor half komt er een lijn zes. Lijn achttien zal toch wel komen? Gelukkig, de volgende bus is lijn 18. Nadeel is dan wel dat we afscheid moeten nemen. Wilco koopt een kaartje naar het vliegveld en weg is hij.

Ik ga terug naar huis. Mijn bed en spullen staan alweer op hun plek. Ik hang aan mijn laptop en kom een half uur door met wat gehang op fora. Dan voel ik me toch wel heel moe en ga nog maar eens lekker slapen tot elf uur.

Om tien voor elf word ik wakker en ik vind het tijd om naar school te gaan voor de lunch. Het is heerlijk op de fiets: geen ijs, een lekker zonnetje en het is zelfs enigszins warm! Na de lunch ga ik aan het werk. Ik werk tot half vijf en loop dan naar de andere kant van de school voor Finnish course. We moeten vandaag leren een persoon te beschrijven en we gaan na de pauze in het computerlokaal aan ons ‘essay’ (150 woorden 🙂 ) schrijven.

Ik zit naast Honza en kijk eigenlijk meer van zijn indrukwekkende sneeuw-hiking-foto’s dan dat ik schrijf. Ik heb al 135 woorden dus zoveel hoeft er aan dat essay ook niet meer te gebeuren. Na de Finnish course ga ik naar de supermarkt. Honza moet daar ook heen dus we fietsen gezellig samen. Na het rondje supermarkt ga ik naar huis. Ik ben nog steeds duf van de afgelopen dagen (en eigenlijk ook wel wat verwend, want mijn hele workaholic-spirit is eruit). Ik doe niet al te veel. Mijn buik is ook niet zo blij met mijn verorberde eten en dat maakt me alleen nog maar duffer.

Misschien maar eens vroeg gaan slapen…

woensdag

Oef, ik kan vandaag maar moeilijk wakkerworden. Het is rond zes uur al extreem zonnig geweest in mijn kamer dus ik vermoed dat ik al een uur of twee niet echt vast geslapen heb. Een douche doet vast wonderen. Marjo is al richting school dus ik kan er lekker lang onder staan (als zij er is ook wel, maar zij doucht altijd zo absurd vlug dat ik me gewoon geneer) …

Ik kom onder de douche vandaan en ga aan het werk. Ik moet visuals maken van mijn concepten. Nou, daarvoor moet ik Photoshop aanslingeren. Ik zit nog geen tien minuten aan mijn laptop of ik sukkel zo ongeveer in slaap. Dat is niet goed. Ik probeer het nog een half uurtje, maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik niet meer weet of ik in die tijd iets gepresteerd heb. Ik geef het op en duik mijn bed in, waar mijn slaap maar voortzet.

Elf uur gaat de wekker: ik ben nog steeds duf. Maar, het is etenstijd (wat weer voor een afterlunchdip zorgt, way to go) dus ik stap op mijn fiets en kachel naar school. Voor de afwisseling fiets ik eens niet langs de sporthal, maar steek ik direct de eerste weg over en suis ik naar beneden, onder de andere twee wegen door. Ik sta voor Technopolis. Ik weet dat ik hier nu weer naar rechts moet en dan een heel stuk rechtdoor. Gelukkig vind ik een fietspad in die richting en tot mijn verbazing sta ik na amper twee keer trappen al voor het bruggetje over de beek. Amazing, ik heb een nog kortere route naar school gevonden!

Op school aangekomen ga ik eten en zet ik me daarna in de Production Room aan een fonkelnieuwe Mac. Typen, typen typen… ik denk dat ik er wel vijf uur over doe om vier kantjes vol te krijgen met mijn concepten, maar het is het waard. Bovendien krijg ik eindelijk wat gedaan nu ik in een koude stevig geventileerde ruimte zit. Mijn vingers bevriezen half en mijn hoofd staat er ook niet naar om hier in slaap te vallen. Hyvä!

Ik zet alles op mijn USB-stick en print het voor de zekerheid ’n keer of drie uit. Het is alweer vijf uur, tijd om naar huis te gaan. Ik koop nog een Fazer citroen-yoghurtreepje. Getver, in tegenstelling tot de overheerlijke frambozen-yoghurtreep is dit echt een mislukking. Gelukkig ook maar, anders had ik hem vast vanaf nu aan elke dag gehaald…

’s Avonds is het al veel te snel tien uur. Het lijkt nog zo licht buiten dat je gewoon denkt dat het nog middag is… ik moet de visuals nog (af)maken. Ik heb echter vanmiddag tijdens het typen ook even geïnternet en toen een 3D-plaatje gevonden dat ik echt erg mooi vind als inspiratie voor mijn mockups. Nadeel: dan moet ik alle mockups weer opnieuw maken in Cinema4D. Ja.

Ik besluit te gaan slapen en donderdag heel vroeg op te staan (tactiek van mij die nooit werkt, ha!) maargoed, ik ga het er weer eens op gokken.

donderdag

Vandaag word ik inderdaad wakker door zowel het licht van buiten als door mijn wekker. Zes uur begint hij klagelijk te zoemen en Eels’ ‘Daisy Through Concrete’ te spelen (met van die lieve bastonen aan het begin, waardoor ik altijd onder de douche hetzelfde deuntje neurie)…

Ik probeer mijn wekker uit te tikken en kom erachter dat elke toets die je indrukt eigenlijk de sluimermodus activeert. Slimme telefoon! Afijn, om negen over zes is het dan weer raak en besluit ik maar dat blijven slapen echt niet slim is. Ik sleep me in pyjama naar mijn laptop en slinger Cinema4D aan. Hoppa, 3-D’en. Ik heb gisteravond al in mijn schetsboek echt overduidelijk neergekalkt hoe ik elke scene opzet, dus ik hoef nu alleen maar heel simpel die ideeën te volgen. Op zich lukt het me wel om een leuke scene te maken, maar de belichting hapert nog wat. Rond half tien heb ik drie scenes af en gerenderd (want ja, modelleren en echt mooi glanzend voor je neus in beeld krijgen zijn twee aparte dingen).

Ik open InDesign en prop ze snel in een A4’tjesdocument. Hop, PDF er van maken, niet vergeten op de USB-stick te zetten, en op naar school. Het is zo heerlijk dat ik nu zonder dat ijs gewoon door kan racen, helemaal nu ik die verkorte weg heb gevonden. Ik kom om tien voor tien aan en spurt naar de Productionroom, waar ik mijn PDFje met visuals uitprint.

Dan wandel ik door naar Heikki. Hij komt net terug van een kop koffie dus ik ben prima op tijd. Heikki neemt de tijd om de concepten door te lezen en we praten over de details van de website. Hij merkt dat de communicatieafdeling van de school niet zo zit te springen om een website van een student, dus hij belooft nog wat mensen te spreken daarover.
Voor de andere concepten ga ik in overleg met experts van de betreffende afdelingen. Ik heb er zin in! Ik ben gelukkig ook niet meer zo moe.

Ik ga lunchen, daarna voer ik nog even wat Overhoorwoordjes in in een lijstje, opdat ik ze thuis in mijn grote OH-bestand kan zetten. Dan fiets ik naar huis. Ik check wat op internet en voor ik het weet is het alweer tijd om richting stad te gaan. Vandaag gaan we met de club Survivalcoursers naar het Ostrobotnia-museum in het Huupisaaripark. Het is tien keer uitgelegd wáár het is, maargoed ik ben er al 2x omheen gewandeld dus ik weet het zo te vinden. Ik sjees nog even langs een kaartenwinkeltje voor een leuke ansichtkaart en kom precies op tijd bij het museum aan.

Ik wandel met de docente mee en we krijgen een uitgebreide uitleg over alle tentoonstellingen. Vooral de grote maquette van Oulu in 1938 is erg impressive. Ik wist niet dat Oulu zo’n hinder had ondervonden van de Tweede Wereldoorlog, maar ze schijnen Rusland nogal op hun dak te hebben gehad. We gaan in sneltreinvaart aan alle afdelingen voorbij, omdat het museum om vijf uur sluit. We zijn dan nog maar met z’n viertjes over – de andere Survivallers zijn er kennelijk al eerder vandoor gegaan.

We staan weer buiten. Een paar jongens willen het kleine ‘roze’ (ik blijf het oranje) kasteeltje op Linnansaari nog even zien, dus ik wijs ze de weg en zelf spurt ik de stad in. Ik wil namelijk nog een ansichtkaartje kopen, ik heb namelijk gelezen dat de makers van Overhoor het enorm leuk vinden om te horen wie hun software gebruikt. Nou, bij deze dan, vanuit Oulu… ik daas nog wat rond, kan het niet laten om bij Bisketti even een pulla en een kop thee weg te werken. Als ik weer naar mijn fiets loop sta ik oog in oog met een jongen in korte bermuda. Ja, een KORTE bermuda! Ik kan het niet laten om hem even aan te schieten en hem op de foto te zetten (die komt er snel aan in de gallery). Hij stelt zich even voor: hij komt uit Australië en houdt er niet van om in lange broeken rond te lopen. Deze dunne bermuda was echt zijn maximum. Wow, dat vind ik stoer. We kletsen nog wat en dan ga ik weer op huis aan. Daar internet ik wat en eet mijn broodjes. Dan schrijf ik mijn weblog. Zo gaat de avond voorbij.

vrijdag

Zo, vandaag weer eens om half acht wakkergeworden. Om zes uur leek het even zonnig, maar op het moment dat ik echt mijn ogen opendoe is er geen zon te bekennen. Nee, dan dit: een sneeuwstorm!!!

Ik sta echt helemaal verbaasd uit het raam te kijken in de keuken. Wat krijgen we nou? Er ligt inmiddels al een dik pak sneeuw, het moet de hele nacht wel gesneeuwd hebben. De bomen zijn wit en alle plekken die gisteren nog groen waren zijn óók wit. Blije sneeuwvlokken dwarrelen voor mijn raam. Dit is frappant. 17 april en ik sta oog in oog met een sneeuwstorm. Ik ga op de rand van mijn bed zitten en sms het aan Wilco.

Dan ga ik maar eens douchen en aan het werk. Tegen elven is het tijd om de hapjesvoorziening op te zoeken. Gelukkig is het gemakkelijk fietsen door de sneeuw, wanneer je weet dat er geen driedubbele ijslaag onder ligt. Het nare is wel dat de vrolijke vlokken nu keihard in mijn gezicht vliegen, maar dat hindert ook weer niet zoveel. Ik kom op school (rood hoofd, drijfnat) en ga gelijk aan de lunch. Ik ga bij de firstyears zitten: ze praten rap Fins, en hoewel ik het gisteren kon verstaan kan ik dit echt niet volgen. Annemari doet af en toe een vertaling tussendoor en dan blijkt dat ik op zich de woorden wel heb begrepen maar dat ze totaal in een andere context thuishoren dan ik dacht.

Na de lunch wil ik bijna alweer naar buiten lopen als ik me bedenk dat ik nog drie kaarten te schrijven heb. Ik ga even boven zitten, krabbel de kaarten vol met gezellige teksten, schrijf de adressen en stop ze weer in mijn tas. Zo, nu echt naar huis. De sneeuwval is gelukkig gestopt en het zonnetje breekt alweer door. Vrolijk peddel ik naar huis. Daar werk ik voor een uurtje en dan belt Guus. We Skypen een uurtje. Alles gaat goed. Ik probeer zovaak mogelijk de hint te droppen dat ik de 26ste, 2 dagen na onze volgende afspraak, jarig ben, maar hij zal het wel straal vergeten. Ik hoor ook dat Leonie en Onur op dezelfde dag als ik hun afstudeerpresentatie zullen geven. Hmmmmm.

Daarna werk ik weer een uurtje. Ik wil net naar de supermarkt gaan als Wilco me op MSN aanschiet. Of ik de MetalBattle oorkondes al af heb? Oei ja, het is vandaag vrijdag. Gelukkig hoef ik er nog maar een paar kleine dingetjes aan te doen en dan verstuur ik ze naar Wilco. Die print ze uit en dan gaan ze vanavond direct in de lijstjes en mee naar de Metal Battle. Ik hoop dat er weer iemand mee op de foto komt dit jaar, want ik ben wel trots op mijn werk. Dan ga ik eindelijk naar de supermarkt. Ik shop meteen voor het hele weekend, haal alle nuttige folderaanbiedingen van de Euromarkt en daarna het reguliere eten bij de Prisma. We blijven op de kleintjes letten, ja.

Na het supermarktbezoekje neem ik wat Mämmi. Ik weet niet wat het is – of ik net al teveel heb gegeten of wat, maar de Mämmi is verschrikkelijk. Ik zet de helft terug in de koelkast. Goosh. Het is love it or hate it met dat spul, volgens mij ben ik zojuist naar ‘hate it’ gegaan. Eigenlijk heb ik nog wel zin om uit te gaan vanavond – maar ik heb geen zin om weer alleen te gaan. Dus ik por wat mensen en ah we zien wel.

zaterdag

Ik word om zeven uur wakker. De zon probeert naar binnen te piepen maar ik heb de gordijnen dicht vandaag. Oe, geen sneeuwstorm vandaag, maar lekker veel zon! En het is zaterdag, dat betekent uitslapen! Ha! Ik slaap door tot iets voor tienen en word dan weer wakker. Na wat vrolijk gefilosofeer gaat opeens mijn wekker af. Ik grijp de telefoon en wild zwaaiend zing ik het eerste couplet van Daisy Through Concrete hard mee. Arme Marjo en arme buurvrouw. Buuf had haar muziek nog wel zo netjes om 20.00 uit gisteravond. Dan ga ik rechtop zitten en begin maar eens te peinzen over wat ik vandaag ga doen.

Eerst maak ik lekker ontbijt: twee gebakken eitjes met kaas op brood. Kopje melk erbij. Ik pak het woordenboek erbij en vertaal wat dingen die ik in de keuken tegenkom. Dan was ik even wat dingen af en ga ik naar mijn kamer. Aan het werk… ik optimaliseer wat renders en klets wat met een Frenzoo-admin. Voor ik het weet is het alweer half twee, terwijl ik eigenlijk om twaalf uur al het huis wilde verlaten.

Ik grijp de zak met plasticafval uit de keuken, pak me weer helemaal in (ja, jullie lezertjes lopen al in t-shirts en korte broeken, bastards, ik ga hier nog altijd niet zonder muts en sjaal de deur uit…) en daar gaan we dan. Ik dump de hele plastic zak plasticafval in de ton buiten en pak dan de fiets. Op naar het busstation, om eens even bij de 2ehandswinkel te kijken of ze een aardappelschillertje hebben. Algauw kom ik daar aan.

Jawel! Ze hebben één dunschillertje. Vijftig cent. Perfect. Het valt me op dat hier, net als in de supermarkt, alle stuks bestek waarvan ze er zeg maar een stapeltje hebben, verpakt zitten in een zakje. Je kan zo’n heel zakje voor 2,99 kopen. Dan heb je tien messen, tien vorken, tien lepels of tien theelepels. Ik sta werkelijk paf. Er zit echt geen opening aan het zakje. Wat moet iemand nou met tien stuks van hetzelfde? Je wil toch zeker een goedkope bestekset halen?
Ik loop nog even verder omdat ik wil kijken of ze hier misschien een t-shirt hebben dat ik typeer als echt ‘Fins’… dwz met van die absurde Marimekko-bloemen erop. Het is moeilijk om uit te vinden of er kinder- of dameskleding aan de rekken hangt, de maten van de t-shirtjes variëren enorm. Ik zie niks leuks hangen. Even een sneak peak bij de jurken. Daar valt mijn oog op een prachtige lange avondjurk van donkerpaars fluweel. Gevoerd en wel, geen zomerjurk. Hij is prachtig. En maar 6,50. Ik wandel ermee naar de paskamer omdat ik gewoon even moet weten of ik hem pas. Zo ja, dan gaat hij per pakketpost mee naar Nederland. In de paskamer doe ik de jurk aan. Hij gaat dicht, dicht di… en zit vast. Net onder mijn schouderbladen. Hij past niet!!! Ik sta in tweestrijd. Kopen, en de rits vervangen door een veter? Niet kopen, omdat hij toch al niet zo perfect is en ik hem ook na kan laten maken? Ik ga voor het laatste. Ik fotografeer mezelf 2x met de jurk, kom het pashokje weer uit en hang treurig het mooie ding weer weg. Dan ga ik naar de kassa en reken mijn dunschillertje van 50 cent af. Zucht…

Ik stap weer op de fiets en zet koers naar de school. Daar spring ik van de fiets en kijk of het plattegrondje op de deur hangt. Yep. Ik stel mijn camera af en fotografeer het ding een paar keer. Ik heb een plattegrondje nodig omdat ik voor één van mijn concepten een 3d-model van het schoolgebouw wil maken. Ik sta zo een tijdje te prutsen voor de deur als er twee meisjes aan komen lopen. Ze loeren eerst wat naar buiten en openen dan de deur. Of ik naar binnen wil? Ik leg uit dat dat niet hoeft. Beduusd sluiten ze de deur weer. Ik neem nog wat afstand van het gebouw en fotografeer wat aanzichten, zodat ik weet waar de ramen zitten. Daar wil ik nog wat leuks mee gaan doen in de texturemap van het model. Fancy presentatie? Oh yeah.

Dan stap ik weer op de fiets en ga huiswaarts, onder het tunneltje door. Je kunt hier zoveel routes fietsen dat ik vandaag eigenlijk gewoon aan een enorm rondje bezig ben. Ik fiets na het tunneltje rechtdoor en kom bij het fietspad dat naar de wijk Castelli leidt. Daar staat volgens de Finnish teacher geen kasteel meer, maar ik heb er in ieder geval de Honkakuja gespot (Honkaweg) en als een echte liefhebber van Sesamstraat’s Honkers moet je natuurlijk even in die straat geweest zijn. Ik heb geen kaartje bij me, maar ik weet nog wel ongeveer hoe ik moet fietsen. Mijn herinnering blijkt juist te zijn: ik rijd er in één keer naartoe. Ik kom daarbij ook langs de lelijke flats die mooi lijken omdat er zoveel lange bomen omheen staan. Zie foto’s.

Natuurlijk ga ik even op de foto met het bordje Honkakuja. Dan fiets ik nog een rondje door de wijk, fotografeer nog wat huisjes en zoek mijn weg weer terug naar Medipolis, want daar is het fietspad richting huis. Als ik een kaartje had gehad, had ik een experimentelere weg gekozen, maar dat doe ik nu maar even niet. Thuis aangekomen chat ik wat met Wilco en ga dan aan mijn salade beginnen. Ik moet aardappels schillen. Het schilmesje van 50 cent blijkt bot. Shit. Nouja, ik ga het Marjo niet vragen, ik heb vorige week ook al bestek geleend. Dus ik zet mijn pan water weer van de pit en race naar de supermarkt. Afschuwelijk, ik kan geen goedkope dunschillers vinden die gewoon eruit zien als een dunschiller. Alleen maar van die rare dunschillers-in-lengterichting (misschien werken die ook wel beter…) ik breid mijn race even uit richting de K-Citymarkt en ja daar vind ik dan een dwarse dunschiller (ga je gang Koen, verzin er iets leuks bij) … voor een lelijk bedrag van 5 euro. Dat is 10x zoveel als een tweedehandse botte! Afijn, ik koop hem toch maar.

Thuis ga ik rap aan het piepers jassen en dan maak ik de rest van de salade. Kipnuggets in de oven, aardappels afgieten, dressing maken… nou. Uiteindelijk wordt de salade niet half zo lekker als die ik op school heb gegeten, maar het lijkt ergens op. Na het eten ga ik weer aan mijn 3D-modellen zitten.

zondag

Vandaag moeten er wat dingen af en daarvoor moet Photoshop even goed overuren draaien. Allereerst ruim ik de ‘rommel van afgelopen nacht’ op: Cinema4D mag even sluiten en ook de browser mag even dicht. Photoshop mag nog een ronde blijven en Indesign komt erbij. Nou, we kunnen beginnen. Ik klus wat aan in de ochtend en krijg zowaar de poster voor Atak half af.

Het verbaast me dat nog niemand van het ontwerpforum heeft gereageerd, omdat ik gisternacht toch best wel een serieuze bug had gereport. Afijn, hun probleem. Ik ben stiekem wel een beetje benieuwd wat ze gaan zeggen als ze horen dat ik de bug heb gevonden maar er geen misbruik van heb gemaakt… het voelt gewoon goed.

Ik besef me dat het een week voor mijn verjaardag is. Zucht. Deze verjaardag gaat voorbij in sneeuw en eenzaamheid. Ik hoop dat ik veel kaartjes en virtuele groetjes krijg.
Tegen twaalf uur roept Marjo mijn naam en knoopt er gelijk een heel verhaal aan vast. Ik zou wel eens willen dat ze gewoon even wacht tot ik m’n kamer uit kom. Ze heeft een was-shift maar ze kan de wasmachines niet vol krijgen. Of ik er nu eentje wil. Ik zeg haar dat ik vanavond al een shift heb en dat ik nu nog niet wil omdat mijn badhanddoeken meemoeten nadat ik heb gedouched. Iets beteuterd keert ze terug naar haar kamer. Ik roep haar na dat ze ook altijd van mijn shifts gebruik mag maken als ze iets kleins snel gewassen moet hebben.

Demonstratief ga ik daarna maar direct douchen. Daarna zit ik loom in mijn kamer en drink een kopje Danish Blue Cheese soep. Smaakt net als champignonsoep, met wat onherkenbare groene kruiden bovenin. Ach, toch leuk. Ik eet er een broodje bij. Daar word ik echt slaperig van. Jeetje, wat moet ik kiezen? Wilco stelt voor om even te slapen. Maar ik heb genoeg geslapen vannacht? Echt zo raar dat ik eensklaps zo moe word. Ik schuif nog wat aan met de muis maar ik word steeds trager. Fijn, slapen dan maar. Op klaarlicht dag duik ik mijn bed in en slaap de uren weg. Het is zes uur als ik er weer uit kom – nog steeds duf, maargoed, ik moet aan het werk. En omdat het etenstijd is ga ik gelijk maar weer hapjes eten. De salade van gisteren is veranderd in een ranzig naar koelkast ruikend drabje. Ik eet wat happen maar mik de helft weg. De kipnuggets zijn gelukkig wat beter te pruimen. Ik werk me het leplazerus aan de poster, het lijkt voor jullie lezers misschien traag te gaan maar serieus, in al dat schuif- en aanpaswerk gaan heel wat uurtjes zitten. Ik schaam me er zelf eigenlijk voor, dat ik echt een dag zo verlummeld heb met aan een poster prutsen. Maar: die poster hangt straks wel door heel Enschede: de X-It alternative dance poster. Blauwig met een grote wit/zwarte badge met een oranje vlam erop, formaatje A2! Mis hem niet!

Het is wastijd. Ik doe mijn was, sleur ondertussen even wat zakken afval naar buiten (het is tenslotte weekend, dan doe je die dingen) en ik haal mijn was weer binnen. Vergeet ‘m prompt uit de tas te halen en doe dat dus een uur later pas. Maakt niet zoveel uit. De poster is af, nu de flyer nog. Op zich ook geen probleem maar ik raak wat afgeleid, ga zitten internetten enzo. En dan schrijf ik dit blog. Het is inmiddels alweer tijd om te gaan slapen…

maandag

Er is veel gebeurd vandaag, dat moet ik zeker nog even opschrijven. Maar omdat ik de avond eindig met nogal zware hoofdpijn heb ik geen stuk geschreven. Het is zeker lezenswaardig dus ik beloof… dat ik het nog opschrijf.

dinsdag

Vandaag probeer ik door de periode felle zon in mijn kamer van 6.00 heen te slapen maar dat gaat niet erg goed. Ik pak mijn camera van mijn bureau en maak een foto van de schaduw van mijn hand op de kastdeur (ja, zo fel is de zon). Gelukkig draait hij gauw daarna achter de flat en kan ik weer slapen.

Ik heb eigenlijk geen afspraken vandaag, dus ik slaap door tot 9.00. Dan ga ik douchen, maak ontbijt, verwissel mijn lenzen – daar ik denk dat dat mijn hoofdpijn veroorzaakt heeft – en ga eens aan de laptop zitten. Hmm, wat reacties op Frenzoo, op GoT… wat mailtjes… en even met Wilco bijbeppen. De ochtend vliegt voorbij want ik was toch al laat m’n bed uit.

Ik verstuur mailtjes naar de ‘experts’ die ik ga raadplegen voor mijn concepten en nog een mailtje naar Susanna. Heikki had haar onlangs gebeld opdat ze er vandaag voor mij zou zijn om me te helpen. Ja, te helpen met wat… enfin toen had Heikki de telefoon al in zijn handen, ach het was ook aardig bedoeld. Ik zeg haar dat ik niet op de min of meer genoemde tijd daar ben en dat ik eerst ga lunchen. Dan vertrek ik.

Het is heerlijk zonnig weer en het fietsen is leuk, afgezien van de sterke wind icm dat ik vandaag een bril draag. Ik stoor me echt ontzettend aan de bril, ik kan maar niet wennen aan het focussen door twee glaasjes. Morgen de lensjes weer in. Ik kom op school aan en de lunchtafel lijkt behoorlijk uitgestorven. Ben ik zo laat?

Ik ga bij wat exchange students zitten en kom aan de praat met een jongen van de techniekafdeling die ook flyers ontwerpt. We praten wat over Photoshop en Illustrator en ik ben blij eindelijk weer eens met iemand over professionele dingen te praten. Er gaan hier ook zoveel gesprekken over onzinnige dingen… daar heb ik gewoon geen inbreng bij. Ik praat hier over het algemeen weinig, maar als ik dan praat wil ik het wel over wat zinnige onderwerpen hebben. Dat lukt bij deze eventjes.

Na het eten ga ik naar de firstyearsroom en ik pluis weer wat fora af. Ik maak een paar schetsjes voor de website van het OAMK en herinner me dat Susanna me uitgenodigd heeft om even langs te wandelen, ze wil me graag helpen. Ik denk diep na maar ik weet echt niks concreets waarmee ze me kan helpen. Dus ga ik maar naar beneden en vertel haar dat. Een beetje perplex zijn we allebei maargoed, ze zegt dat ik altijd mag aankloppen wanneer ik hulp nodig heb. Ik verwacht ook wel enige hulp aan het einde van mei, dus dat is vast handig.

Ik kom bij ze in het hok zitten en schrijf wat aan mijn conceptdescripties en maak in Photoshop een mockup voor de website. De tijd dwarrelt voorbij. Om vier uur ga ik naar boven en kom langs het schilderlokaal. Daarna haal ik een kop thee in de firstyearsroom en ga ik door naar de Finnish course.

woensdag

De dag gaat redelijk snel om, daar wil ik nog wel meer over schrijven (maar ja de dag gaat zo snel om, geen tijd…) maar als ik op de fiets terug naar huis zit vanaf school kom ik op het idee om eens een fietsritje te gaan filmen. Nu het niet meer glad is durf ik het wel aan om mijn camera voorop mijn fiets te knopen. Bij deze dan: van een weggegooide bonbondoos van Marjo bouw ik een kartonnen doosje en tape het ding goed af. Met wat gaten erin past hij prima voor op een ongebruikt uitsteekseltje van mijn fiets. Gat voorin het doosje… en gaan.

Ik fiets het paadje af naar de grote weg maar de camera hobbelt wel erg. Ik ga even stilstaan bij een hekje en begin een nieuw filmpje. Ik verzeker mezelf dat het bakje echt goed vastzit aan de haak voorop mijn fiets, maar desondanks houd ik bij veel gehobbel het doosje toch maar vast. Ik fiets helemaal tot aan school en bekijk dan de opname. Ohnee! Het ding kan maar 3 minuten opnemen! Nouja, misschien als ik hem op lagere kwaliteit zet. Ik verander de instelling en fiets vanuit de schaduw weer weg – wat mij voor de rest van het ritje een overbelicht filmpje oplevert. Bovendien – zo zie ik thuis – maakt het formaat geen donder uit, de maximale opnametijd is 3 minuten. Maakt niet uit, de filmpjes zijn best grappig. Ik zal ze eerdaags online zetten.

Daarna ga ik aan het werk voor de Tweakers.net Sequence-opdracht. Het ding is al bijna klaar, maar ja, het zijn net die laatste dingetjes… ik heb gelukkig laatst een laatste elementje van internet geplukt, dus ik sleur het van mijn usb-stick en voeg het toe. Nog heel wat digitale veegjes, krabbeltjes en kleurwijzigingen verder is het ding dan eindelijk af. Dat mocht ook wel eens! – het is inmiddels elf uur, tijd om naar Hevimesta te gaan.

Ik kom er tegen tien over elf aan. Gelukkig, half Otokylä is aanwezig, niet te missen. Ik bestel een bier en sluit me aan bij de groep. Overal valt wel wat te praten, er worden heroische foto’s gemaakt. Om twaalf uur begint de band te spelen, dus ik plug mijn oordoppen in en ga eens even luisteren. Er staan nog twee exchange-studenten vlak voor het podium, eentje is nogal mental (maar dat is zijn stijl) en de andere staat heel cool te kijken. Om de mental maar een beetje bij te staan – en om dit bandje wat overduidelijk net uit het ei is gekropen wat te steunen – doe ik fanatiek mee met headbangen en doen alsof ik het enorm goede muziek vind. Het jammere is dat de zanger echt direct na elk nummer ‘kiitos’ roept en niet snapt – ook na commentaar van mij niet – dat je dat moet roepen nádat het publiek geklapt heeft, niet ervóór. Anyway, als hij al dankjewel roept voor het feit dát er publiek is, vind ik dat ze wel erg weinig gewend zijn. Na een paar nummers vind ik het tijd om te pogo’en, want daar leent de muziek zich prima voor. Helaas kan de mental guy niet pogo’en en snapt mijn moves helemaal niet. De coole jongen snapt wel wat pogo’en is maar blijft liever cool dus doet dat ook niet zovaak.

Na een nummertje of vijf is de band klaar en ik ga weer naar boven. Daar is de boel ietsje verder uitgestorven. Er zijn mensen die terug naar Otokylä gaan (wat iedereen overigens keihard Otokiela noemt, het is Ottòkula). Ik sta wat om me heen te kijken als ik gespot word door een oninteressant uitziende jongen links van me. Hij begint in het Fins tegen me te brabbelen (ah fijn: eerste woorden: Mitä kuuluu?) en aangezien ik het wel versta blijf ik in het Fins terugpraten. Pas na een paar zinnen heeft hij door dat ik er steeds minder van begrijp! Dus hij vraagt maar eens welke talen ik dan wel praat. Zijn Engels is niet al te best maar hij weet me duidelijk te maken dat hij C-programmeur is en dat hij het heel tof vindt dat hij daar eindelijk eens over kan praten met iemand. Ik ben ook blij voor hem, maar zodra hij me voorstelt dat ik zijn ‘new best friend’ kan worden vertel ik hem toch even hoe de zaken ervoor staan. Nou, dan mag ik wel zijn ‘new graphic design friend’ worden.

Hij zweert dat hij niet dronken is maar hey, ongeveer half Hevimesta hakt tijdens het Happy Hour (bier van 5 naar 1 euro) zo hard bier weg dat hier níemand reden ziet om nuchter te blijven. Uit deze jongen valt geen zinnig woord meer te praten en met elk woord dat ik over programmeren uitkraam schuift hij dichter naar me toe. Tijd om weg te komen! Ik doe een rondje wc en zet dan koers naar huis, vergezeld door de cool guy die zonder reden helemaal met me mee naar huis fietst, waar ik hem uitzwaai en hoop dat hij Otokylä weet te vinden.

Ik plof in bed en denk: rookvrije ruimtes werken niet. Ugh, wat stink ik. En morgen nekpijn van het headbangen. In twee minuten ben ik onder zeil.

donderdag

Wat had ik gezegd? Juist, ik ben zo brak als een dooie vogel. Nekpijn en oja, die rooklucht. Hevimesta heeft een rookruimte maar het werkt echt niet. Mijn kleren gaan linea recta in de was en ik spring onder de douche. Ik kom eronder vandaan en doe de vaste dingen: ontbijt maken, mail checken. Ik ben doodmoe. Ik probeer over de slaap heen te komen maar het lukt niet. Ik zal m’n dag anders moeten inplannen, want het is nu bedtijd.

En zo lig ik van tien tot twaalf weer te pitten. Kan nou niet zeggen dat dit echt effectief afstuderen is, maar ik wijt het vandaag maar even aan het avondje Hevimesta. De gedachte dat ik dit – zoals andere exchange-studenten – niet elke avond doe, stemt me alweer positief. Ik slaap niet echt – ik peil elke tien minuten zo’n beetje of m’n oogleden al minder zwaar worden en daartussenin slaap ik waarschijnlijk.

Om twaalf uur sta ik noodgedwongen weer op. Van Patrick krijg ik wat tips voor een powernap maar daar waag ik me nu niet aan. Gewoon even koffie en fikse lunch, dan eet ik vanavond wel een pizza. Nu moet er eerst keihard geleerd worden voor de Finse taaltoets.
Eigenlijk is dat niet meer dan een spiekbriefje maken, want de opdracht voor vandaag is in principe simpel: maak met je groepje een gesprekje dat je naar een restaurant gaat en doe een bestelling. Je mag je stencils, je aantekeningen en je woordenboeken erbij houden. Gewapend met mijn paperassen vertrek ik om tien voor half vijf richting school. We zijn allemaal ruim op tijd. Ik wil me aansluiten bij het groepje Belgische meisjes, maar er komen twee Italiaansen aan mijn tafel zitten en later sluiten Honza en Safak zich daar nog bij aan. Oja, samenwerken. Ik zet het idee van me af dat ik het gesprekje in de opdracht in vijf minuten in elkaar kan draaien en stel me in op groepsmodus. Een half uur lang kakelen we door elkaar en verbouwen we elkaars zinnen totdat we toch een behoorlijk lopend gesprek hebben.

De lerares heeft inmiddels al weer eens een smakelijke traktatie voor ons neergezet: Thee, koffie en pulla’s! Stiekem geloof ik dat ze die spullen gewoon meeneemt opdat ze er zelf ook wel van houdt. In ieder geval weet ik nu dat er ook pulla-brood bestaat dus daar ga ik zaterdag eens naar op zoek. We presenteren ons verhaaltje en ja, het is erg leuk. Er is alleen één moment waarop Honza – die al tijdens de hele voorbereiding erop hamerde dat ik voor hem ‘melk van een paarse koe’ vertaalde – zijn drankje mag bestellen en inderdaad ook ‘melk van een paarse koe’ bestelt. Ik schiet zo prompt in de lach dat ik mijn bestelling niet op kan lezen en ik snel de beurt aan de anderen moet geven. Ja, dat is één van die merkwaardige momenten waar Honza goed in is. Geweldig. De lerares had het trouwens ook verstaan en komt na afloop op ons af met de vraag ‘melk van een paarse koe…?’ Nou, chapeau! Ik ga nog op de foto met de lerares en dan ga ik naar huis. Ik moet nog even uitfigolieren hoe ik nu de punten bijgeschreven ga krijgen.

Thuis zie ik Marjo. Enigszins wijfelend vraagt ze wanneer ik wegga. Namelijk, zo vertelt ze – Psoas heeft haar een appartement in Peltola (naburige wijk) aangeboden. Ze drukt me op het hart dat het ech niet erg is om met mij samen te wonen en dat ze het eigenlijk best leuk vindt, maar dat ze nu een appartement voor zichzelf krijgt. Ik juich het ten zeerste toe. Nu blijkt dat we dus tegelijkertijd uit dit huis weggaan. Dat gaat nog schoonmaken worden… Terwijl ik mijn pizza bak vertelt Marjo hele verhalen over waar ze gewoond heeft en over vriendjes en ex-vriendjes. Prompt komt erachteraan ‘oh jeetje wat praat ik veel, sorry!’ Maar ik vind dat eigenlijk wel grappig en zeg dat ze op mij begint te lijken. Ieder mens heeft soms een uitlaatklep nodig en ik ben blij dat Marjo nu naar een leuk eigen appartement toegaat.

Ik eet mijn pizza en ga lekker zitten internetten. Aan het einde van de avond schrijf ik mijn blog – het wordt eigenlijk alweer veel te laat. Ik zie nog een digitale wenskaart van Koen binnenkomen (bedankt!). Dan is het tijd om te gaan slapen…

vrijdag

Vandaag heb ik een afspraak met de dansdocent Anssi. ’s Ochtends na het ontbijt stel ik mijn lijstje met vragen op, herzie het een keer en fiets dan rond tien uur naar school. Ik ga naar de production room en zet een Mac aan. Dan typ ik mijn vragen over en print gelijk van de 3d-mockups de dans-visual nog een keer uit.
Ik hang wat rond tot tien voor elf en ga dan naar beneden alwaar ik bij ‘het aquarium’ op Anssi zal wachten. Nou, daar sta ik dan, naast een jongeman die mij enigszins onderzoekend aankijkt. Hij zegt ‘Hei’ en ik zeg heel beleefd ‘hei’ terug. Zo staan we nog wat voor ons uit te kijken als hij me vraagt ‘are you Heidi?’ Ik sta perplex. Anssi is een man! Oops. Goed, na dat moment van schaamte lopen we maar naar een bistrotafeltje en gaan daar zitten praten. Anssi vindt mijn vragen geloof ik wel leuk. Hij kan ze allemaal prima beantwoorden en op sommige vragen – over finaciën of over de studieuren waar het project in verwerkt kan worden – krijg ik zelfs nog hele positieve antwoorden. Aan het eind is Anssi zelfs zo enthousiast dat hij vraagt of hij mijn visual mag meenemen en in de volgende weekvergadering aan de docent improvisatiedans kan voorleggen! Nou goed, je moet zo’n kans niet voorbij laten gaan, elke promotie is goed! Ik druk hem wel op het hart dat dit nog lang niet de finale presentatie is en dat ik alles nog veel beter uit ga werken, mede met zijn input. Hij vindt het allemaal goed en hij is enthousiast.

We nemen afscheid en ik ga mijn portemonnee halen om lunch te kunnen betalen. Ik zit net aan mijn lunch als ik zie dat het kwart voor twaalf is en ik voor twaalf uur mijn sleutel moet activeren. Mijn sleutel is boven… in mijn jaszak…
Ik twijfel of ik hem op zal gaan halen, maar dan moet ik mijn dienblad met voer hier eenzaam aan een tafeltje achterlaten. Ik weet niet hoe vriendelijk men hier is maar ik vrees dat het dienblad op een volle tafel geschoven wordt en dat ik kan fluiten naar mijn zitplek. Ik zie zo ook geen bekenden bij wie ik mijn blad kan parkeren. Daarom lepel ik maar flink door en heb precies om vijf voor twaalf mijn lunch op. Ik haast me naar boven en om twee minuten voor twaalf activeer ik mijn sleutel. In before the lock!

’s Middags ga ik naar huis en ga aan de slag met mijn Java-appletje om cupcakes te maken. Ook figolier ik wat aan mijn 3D visuals. Je zit alleen al zo gauw te prutsen aan zoiets… dat de uren voorbij vliegen. Gelukkig is de Java-applet ’s avonds bijna af. Daarmee kunnen mensen cupcakes maken op mijn website. De drempel is laag: de cupcake wordt vooraf ingeladen, men krijgt wat smeer- en plaktools en wat leuke decoratie en daarna hoeft er alleen maar op de ‘save’ button gedrukt te worden. Ik hoop dat de drempel laag genoeg is voor iedereen die ik op mijn verjaardag naar mijn site wil jagen. Om 14.00 denk ik met Guus te gaan Skypen, maar die is er nog niet. Wat? Nee, we Skypen pas om 15.00. Oops. Nou goed, ik wacht nog een uurtje. Om half drie belt Guus. Ik maak nog even wat dingetjes af en dan praten we bij.

’s Avonds maak ik broodjes en daarna bedenk ik me wat ik ga doen. Ik kan naar Valve gaan, daar draait ‘The Visitor’, maar ik kan ook naar de sauna gaan. De film wordt op IMDB wel leuk beoordeeld, dus ik sta in de startblokken, maar dan lees ik dat de film op zich wel leuk is maar een einde heeft dat drie keer prut is. Okay, dan gaan we niet, ik heb geen zin om weer net zo teleurgesteld de bios uit te kopen als na Burn After Reading. Ik ga dan maar naar de sauna. Als ik er aan kom heb ik het rijk voor me alleen. Ik hobbel wat heen en weer tussen saunahok en doucheruimte en dan ga ik weer naar huis. Ik heb nogal een pijnlijk oog overgehouden aan het headbangen van woensdagavond. Vraag me niet hoe maar er is een adertje onderin mijn rechteroog gesprongen en dat doet best wel pijn. Het is knalrood en wanneer mijn oog focust voor scherp zonlicht doet het nogal pijn. Een stuk oog is nooit zo goed, maar ik wil het nog even aanzien voordat ik naar een dokter ren hier. De sauna heeft al veel goed gedaan.

Thuis hang ik nog wat op internet en ga dan slapen.

zaterdag

Uitslapen! Oh, wat een luxe. Ik was even vergeten dat dat mag op zaterdag. Om het felle zonlicht in de ochtend te weren heb ik, jaja, twee lange zwarte ski-sokken (die net uit de was kwamen, geen angst) aan elkaar geknoopt en dat gebruik ik nu als blinddoek. Het is even wat McGyveren, maar dan kun je ook lekker doorslapen terwijl de zon je al om 5 uur uit je bed brandt. Niet dat het zo warm is trouwens – de afgelopen dagen was het zo vijf tot acht graden. Ja, je hoort het goed, we zitten alweer boven de nul. En dat betekent geen sneeuw meer, maar wel regen en koude wind.

Gelukkig is de zaterdag een flink zonnige dag en lijkt het me dan ook perfect om te gaan shoppen. Juist ja, met als slecht excuus dat mijn verjaardag op zondag valt en ik het dan niet kan doen. Ik maak even wat dingen schoon in huis en dan spring ik op de fiets (hoewel, met een rokje gaat dat niet zo geweldig leer ik al snel). Ik ga naar de second-handshop om een mooie gekleurde riem te kopen. Namelijk, op de verjaardagskaart van Wilco zit een roze button en die wil ik in stijl kunnen dragen op maandag. Ik ga niemand aan z’n neus hangen dat ik jarig ben, maar als iemand naar de button vraagt, heb ik daar natuurlijk wel aanleiding toe! 🙂

Ik zie een regenboogkleurige riem voor anderhalve euro maar ik vraag me af of ik in de stad nog een leukere kan vinden (the paradox of choice, oh yeah) dus fiets ik de stad in. Daar blijken de meest gangbare riemen al het tienvoudige te kosten, dus ik sjees even snel onder het treinstation door en koop de regenboogriem bij de secondhandshop. Terug naar de stad, want ik wil nog wat bij de Bodyshop kopen! Een tube energizing gel – trust me ik geloof niet in alles wat ze verkopen, maar de 2 dingen die ik tot dusver van ze heb werken bijzonder goed dus waarom zou een derde niet werken? De tube blijkt zelfs nog groter te zijn dan ik had verwacht, nou, dan vind ik hem zeker het geld wel waard.

Ik koop een ijsje bij een ijskraampje (die direct uit de grond lijken te zijn verrezen sinds de sneeuw van de straten weg is, amazing) en ga lekker op een terrasje zitten, pontificaal in de zon. Ik zit daar zo een tijdje als er een oud mannetje naast me komt zitten. Hij buigt over zijn stoeltje heen en begint een conversatie. Hey, blabla, mitä kuuluu? Ehm. Ik zeg maar gauw dat ik hem niet begrijp. Hij praat door. Ik zeg, dat ik geen Fins spreek. Oh, dan wil hij weten wat ik dan wel spreek. Nou, ik spreek Engels, zeg ik, maar ik spreek geen Fins. Jawel, reageert hij daarop prompt, je spreekt nu toch Fins!

Ik vind het wel grappig maar ver gaat dit gesprek niet komen, dus ik kijk wat om me heen. Hij blijft doorpraten. Waar ik vandaan kom dan. Allerlei landennamen komen voorbij. Engeland? Ierland? Zweden? Ik zeg Holland, maar hij begrijpt me niet. Dan zeg ik Alankomaat. Ah, dat begrijpt hij wel. Ja, dan zijn we geloof ik wel uitgepraat. Nee, toch niet. Hij begint met nog een heel verhaal en ik kijk hem vol bewondering aan en zeg weer dat ik het niet begrijp. Dan zegt hij ‘opiskelija?’ (student?) en ik zeg ‘kyllä!’ om dat te bevestigen. Gelukkig geeft hij daarna de poging tot een conversatie op, want mijn kennis van het Fins bereikt hier wel z’n grenzen. Ik eet mijn ijsje op en groet hem, maar hij is alweer tegen een volgende voorbijganger aan het kwetteren.

Ik besluit dat ik een zonnebril moet hebben om mijn pijnlijke ogen wat te beschermen, en bij de Antilla waren ze 16 euro. Vind ik teveel. Dus loop ik naar de H&M; en scoor voor het eerst in mijn leven een gruwelijk lelijke laskap-zonnebril voor 5,90. Iedereen draagt ze tegenwoordig. Vreselijk. Je zet hem op en prompt zie je eruit als een blije bromvlieg. Twee grote glanzende ogen voorop je hoofd, en als je er dan nog bij gaat grijnzen lijk je helemaal mesjogge. Goed, zo’n ding zet ik nu dus vrijwillig op mijn neus. Gelukkig lopen alle hippe meisjes hier met laskappen dus ik val niet zo erg op. Dat hij me totaal niet staat neem ik maar even voor lief. Ik loop dus spacend als een dolle bromvlieg naar het marktplein aan de zee. Nu ik eenmaal weer in zonlicht kan lopen zonder gelijk pijn aan mijn ogen te krijgen wil ik ook even de zon zien!

Op het marktplein is het ’n drukte van jewelste. De hele Kauppahalli (markthal) is vanwege het lekkere weer naar buiten verhuisd! Wat mooi. Op het plein staan allemaal ‘braderie’kraampjes, je kunt er werkelijk alles halen wat je in Nederland ook vindt. Dan spot ik een zonnebrillenkraam. 4 euro en veel keus! Je kunt me alles vertellen, maar ik ga hier een zonnebril uitzoeken en mijn laskap terugbrengen! Ik snuffel door het rek, vind een mooie zonnebril én de verkoper en regel de deal. De verkoper snapt ergens wel dat ik niet Fins ben maar hij begint een heel verhaal over de afkomst van de zonnebril, dat ik wonderwel nog grotendeels snap ook! Ik bedank hem erg (trust me, verhalen van marktkoopmannen moet je nooit geloven) en reken de vier euro af. Blij met mijn nieuwe, niet zozeer hippe maar wel passende brilletje wandel ik weer richting H&M.; Ondertussen duikel ik de bon en de prijskaartjes op. Zo, alles weer aan elkaar knuppen. Bij de H&M; mag ik de zonnebril gelukkig zonder problemen ruilen. De verkoopster kijkt wel wat raar als ze ziet dat de bon nog maar een uur geleden is uitgeschreven…

Ik kijk nog even bij de knutselwinkel, maar die is al gesloten. Bummer, ik zoek nog een kettinkje voor m’n rendierhoorn. Doordeweeks dan maar ’n keer. Ik fiets naar huis en haal mijn rugzak op voor een supermarktbezoekje. Na een flinke inkoop aan weekend-eten en dagelijkse boodschappen kom ik twee meisjes uit Otokylä tegen. Ze zeggen me dat er een barbecue is vanavond. Leuk! Ik ga naar huis en maak lekkere Griekse salade en daarna pasta met mozarella en olijfjes (op de foto te zien, de dunne draden zijn dus gesmolten mozarella). Om 8 uur feliciteert Simon van Frenzoo me: hij zit in Hongkong en daar is het al 26 april! Marjo komt vragen of ik nog mensen uitnodig. Nee, ik wil naar Otokylä, liever dan alle mensen hier in mijn kamer proppen. Marjo vraagt het omdat ze graag taart wil bakken in de keuken. Omdat het morgen mijn verjaardag is mag ik van beide taarten pakken. Wat lief! Nou, daar zie ik naar uit. Dan ga ik naar Otokylä. Men is al behoorlijk uitgebarbecued en het begint kouder te worden. Het festivalgevoel gaat er snel af als het weer onder de tien graden wordt! Daarom stelt iemand voor de sauna in te gaan. Ik heb geen handdoek, maar ik krijg er een te leen. De sauna van Otokylä is gelukkig wat groter dan die in Välkkylä en we passen er allemaal in. We hebben ook een rasechte Fin bij ons, die ons vertelt hoe je nou het beste van een sauna kunt genieten. Stap 1, een biertje, stap 2 een flinke plens water op de kolen zodat de lucht niet zo droog is! Voor bier zorgt hij, woehoe.

De sauna blijft echter te droog om er lang in te kunnen blijven dus we gaan maar in de kleedkamer af zitten koelen. Het loopt alweer tegen twaalf uur. We wachten tot 1 minuut over twaalf (en tot ik zie, dat ieder degelijk zijn kleren aan heeft) en dan wordt er voor me gezongen. Helemaal blij ga ik daarna naar huis. Morgen ben ik jarig!

zondag

Ik ben jarig! Ik sta rond elf uur op en versier mijn kamer. Slingers aan de muur, 10 metallic balonnen op de vloer. Ik vind het er puik uitzien! Als ik nu niet de hele dag vrolijk blijf, dan weet ik het niet. Ik ga lekker douchen en probeer wat van mijn nieuwe bodyshop-gel uit. Helemaal leuk. Dan ontbijten en dan wat werk verzetten.

Het is alweer gauw tegen 15.00. Een paar mensen uit Otokylä hebben me uitgenodigd om naar een potje voetbal te komen kijken dus ik kan het niet laten om op de fiets te springen en erheen te rijden. Ik neem mijn taart mee, of tenminste, wat er nog van over is. Ik heb Marjo en haar vriend een stuk gegeven, maar daarmee was gelijk de halve taart weg. En de stukken waren niet eens groot! Een ander stuk heb ik zelf opgekauwd dus dan blijft er nog een kwart over. Ik neem het toch maar mee en stal het bij Honza in de keuken. Zijn kamergenoot is verbaasd over de voetbalmatch en vraagt me direct om mee te gaan naar het veld. We fietsen erheen.

Ze zijn net uitgespeeld, maar een paar mensen willen nog wel penaltyschieten. Eén iemand gaat op z’n buik in het gras liggen en fotografeert, de anderen rennen aan en schieten op doel. Zelfs ik waag het nog een trap tegen de bal te geven, jawel daar is bewijs van.

Dan gaan we terug naar Otokylä. Onderweg komt Annelore erachter dat ik jarig ben en ik word door iedereen gefeliciteerd. Joepie 🙂 dan wandelen we verder naar de flats. Ik geef de taart aan Honza – als vorm van bedankje dat hij erop heeft gepast zonder hem op te eten en we drinken thee met zijn kamergenoten. Ik blijf nog een uurtje hangen en krijg nog een bord pasta met tonijn voorgezet alvorens ik naar huis toe ga. Het is alweer 8 uur ’s avonds, jeetje wat vliegt de tijd.

Ik ga thuis nog even aan het ontwerpen en duik dan maar eens mijn bed in.

maandag

Het is een troosteloze dag vandaag. Bewolking en regen. Ik kan ook maar moeilijk wakkerworden. Ik heb zaterdag mijn provisorische blinddoek vervangen door een zwarte haarband en daarmee hou je zo het gevoel dat het nacht is dat ik zelfs niet meer voor de wekker wakkerword.

Om negen uur kom ik dan mijn bed uit, maak ontbijt. Ik sloop alle advertenties voor het cupcakes maken weer van websites en fora en doe wat werk. Daarna is het alweer tijd voor hapjes. Ik fiets naar school en eet m’n lunch. De andere exchangers willen naar de Playstation-room omdat ze die tot 15.00 afgehuurd hebben. Je kunt in die kamer Rockband spelen, dwz. GuitarHero met drums, zang, gitaar en bas. Nou, ik wil wel even mee!

Het is echt zo leuk dat ik maar niet weg kan komen. Telkens doen we nog een liedje. Niemand wil de microfoon meer na een tijdje dus die claim ik mooi 🙂 Na wat Blondie, Creedence Clearwater Revival, Bon Jovi, REM en zelfs No Doubt vind ik het wel weer genoeg. Het is inmiddels ook stikheet in het hokje, net als bij een normale oefenruimte. Het is echt wel een grappig spel. Het is drie uur als we weer naar buiten komen. Daar ging mijn middag…

Ik fiets naar huis. Het is inmiddels begonnen met motregenen. Ik wil hard aan het werk, maar ik word opgehouden door mail en door wat klusjes in huis. Uiteindelijk ga ik maar aan mijn weblog schrijven. Moet toch ook. Het kan toch zomaar zijn dat je 2 dagen je weblog niet update en dat mensen dan gelijk gaan denken dat je van de aardbodem verdwenen bent…

dinsdag

Waah, moeilijk om uit bed te komen hoor. Acht uur er dan maar uit. Onder de douche, proberen wakker te worden. In slaap vallen onder de douche. Wéér wakkerworden.
Ontbijtje maken. Ik herinner me dat ik om 10 uur een wash-shift heb, dus ik zet een timer op mijn telefoon. Daarna ga ik mijn ontbijt oppeuzelen en mijn mail checken. Ik kwam Teddy gisteren tegen, hij was erg blij om mij te zien en feliciteerde me nog met mijn verjaardag. Op zich vond ik dat aardig, maar sindsdien probeert hij me echt op alle mogelijke manieren te spreken te krijgen en ik heb echt geen tijd. Nu mailt hij weer, hij heeft me ook al op Facebook toegevoegd, mama mia. Ik moet hem maar even uitleggen dat dit gedrag niet zo gewoon is voor Nederlanders.

Ik werk wat en dan ga ik stofzuigen en schoonmaken. Ik word niet echt wakker vandaag. Daarom besluit ik maar naar het postkantoortje te fietsen om te zien of het pakketje van Lucie al is aangekomen. Ik heb geen brief, maar ik weet de beambte aan de hand van mijn naam te laten zoeken. Hij vindt niks en zegt dat ik maar een weekje moet wachten…

Ik fiets weer terug en ga even langs de supermarkt. Hé, ze hebben hersenbroodjes! Ja, schrik niet. Ze hebben hier voor deze tijd van het jaar – speciaal voor Walpurgisnacht oftewel Vappu – weer eens speciale broodjes met de naam Tippaleipä (druppelbrood). Ze zien eruit als hersentjes! Tippaleipä dus.

Ik ga weer aan het werk maar de slaap overvalt me telkens. Daarom ga ik maar wat minder vermoeiends doen, namelijk dit blog updaten! Om zes uur moet ik bij het restaurant op Pikisaari zijn. Wat zal ik tot die tijd doen? Slapen of werken…?

woensdag

Na een lekker druk ochtendje werk aan mijn thesis ben ik even langs school geraced en was echt de één na laatste voor lunch… daarna doorgeraced naar de tweedehandswinkel en een trainingsjack in de goede kleur (wijnrood) gekocht voor een paar euro. Toen nog wat bier ingeslagen…

Toen naar huis gegaan, post opengemaakt 🙂 dankjewel Koen! mooie kaart, nog meer papieren cakejes 🙂

Mannetje van Sol Palvelut binnengelaten, die kwam de kamer van Sanna inspecteren. Misschien vanaf deze maand een nieuwe huurster dan?
Daarna even de laatste wijzigingen op de Atak X-It Phoenix poster doorgevoerd… geüpload… en toen maar eens alle cakejes weer teruggeupload naar mijn FTP, opdat ik er een gallery van kon maken. Het eerste wat je dan te horen krijgt is ‘waar is mijn cakeje???’ tsk tsk, mensen die hun cakeje niet meer herkennen… maar wel leuk.
Je vindt ze hier: pagina met cupcakes (nu niet meer).
En anders kijk je even in het menu, daar staat ook een linkje naar ‘cupcakes’ (ook niet meer).

Daarna ga ik Vappu vieren in Otokylä. Het is niet moeilijk te vinden: in het gras voor de flat hebben alle studenten zich verzameld. Iedereen host rond in gele overalls, de traditie wanneer er ergens in Oulu een studentenfeest is. Alle studenten hebben hun eigen kleuren overalls, afhankelijk van hun studie. De techniek-afdeling van het OAMK heeft gele overalls, maar Kultti (waar ik officieel bij hoor) heeft bordeauxrode. Vandaar mijn trainingsjasje. Ik laat mensen teksten op het jasje schrijven maar helaas zijn ze niet zo goed leesbaar als op de gele overalls. Anyway, we zitten op het gras, drinken bier en maken flauwe foto’s. Ik heb het wel naar m’n zin. Als ik naar de wc moet loop ik lukraak een flat binnen en zoek de wc die normaliter onderin tussen de sauna’s zit. Dat is bij deze flat niet zo, maar de saunadeur staat wel open. 10 Finse jongens nodigen me al brullend uit om bij hen in de sauna te komen zitten. Ik weet niet wát me bezielt, maar zonder problemen roep ik in het Fins terug dat ik geen hol van hun geschreeuw versta en dat ik gewoon op zoek ben naar een toilet. Nee, dat hebben ze hier niet. Flat C, wordt me aangeraden. Daar vind ik inderdaad wat ik zoek. Het heeft wel ’n hoog festivalgehalte.

Om kwart over negen – 3 biertjes verder – vind ik het wel weer best met het feestgedruis. Ik ben moe. Dus pak ik de fiets en rol ik weer naar huis. Vanwege mijn moeheid denk ik even te gaan slapen – een uurtje – en dan kan ik wel naar Hevimesta. Helaas mislukt dat plan en slaap ik de hele nacht door. Ach ja, ik heb waarschijnlijk niks gemist…

donderdag

Vanochtend maar eens lekker bijtijds m’n bed uit. Douchen, ontbijtje eten. Ik surf een beetje op internet en check dan even of ik echt wel zeker weten om 11 uur de afspraak met Bastian Fähnrich heb. Nee, het is om tien uur! Het is kwart over negen dus ik moet me wel even fiks haasten. Snel stel ik alle vragen op en gooi ze op mijn iGoogle account.

Dan fiets ik om ’t hardst naar school en ben om tien uur bij Bastians kantoortje. Hij verwelkomt me vrolijk en zegt dat ik mooi op tijd ben (je moest eens weten). Ik mag van hem even de vragenlijst uitprinten en dan kunnen we aan de praat. Bastian komt uit Duitsland, zo dacht ik al uit zijn naam op te maken, en hij woont nu al 7 jaar in Finland. Waarschijnlijk spreekt hij dus vloeiend Duits, vloeiend Fins en ook zijn Engels is uitmuntend. Geweldig. Hij praat soms zo snel Engels dat ik moeite heb het te volgen. Daar raak ik nou van onder de indruk!

Hij vertelt me over een aantal andere filmprojecten van de afgelopen jaren en zonder al te vaak de draad van de vragenlijst kwijt te raken weten we een uurtje vol te babbelen over de mogelijkheden van mijn concept. Ik merk wel sterk dat Bastian niet op alles antwoord kan geven, maar dat wist ik op voorhand al een beetje. De meer filmgerichte dingen zal ik toch aan Heikki moeten vragen. Na het gesprekje met Bastian zitten er alweer 2 exchange students in het kantoor te trappelen voor hun afspraak. Wat een druk bezet mannetje is het toch. Ben nog steeds blij dat hij tijd had om me aan deze afstudeeropdracht te helpen!

Ik wandel door de school en zie tot mijn schrik dat het Kultti-restaurant gesloten is – van 30 april tot en met 30 augustus! Wat! Gelukkig is al het personeel en het eten verhuisd naar het Techniek-restaurant om de hoek. De keukens zitten eigenlijk ook gewoon aan elkaar, maar er zijn 2 aparte eetruimten. Eerst loop ik even langs Heikki’s kantoor, want daar moet ik toch even wezen. Zoals gewoonlijk zit hij met zijn rug naar me toe te werken en ik begin mijn gesprek in het Fins. Pas wanneer ik Engels begin te praten heeft hij door dat ik het ben. We spreken een tijd voor een afspraak af en ik vertel kort dat ik bij Bastian ben geweest. Dan ga ik naar het Techniek-restaurant.

Een beetje onwennig bemachtig ik een dienblad en loop langs alle hapjes. Ik neem wat ik normaal neem en kom gelukkig uit op 1,60. Ik ga aan een tafeltje zitten eten. Een Spanjaard en zijn vriendin komen naast me zitten. Hij spreekt heel slecht Engels, zijn vriendin misschien net ietsje meer. Hij liet me gisteren zijn stukke laptop zien – hij had het ding laten vallen, nu zat er een barst binnenin het scherm – en ik heb hem geprobeerd uit te leggen dat hij een monitor moet vinden met een blauwe stekker, opdat hij daarop nog beeld kan krijgen. Ik heb hem aangeboden dat hij wel een monitor uit de ruilkamer van Välkkylä kan meepakken als hij mij even belt. Vandaag vertelt hij dat hij gisteren naar een computerlokaal is geweest waar iemand hem geholpen heeft met – inderdaad zoals ik het zei – het aansluiten van een monitor. Wat hij daarna heeft gedaan weet ik niet, maar volgens mij is ’t gefixt. Er komen meer exchangers aan tafel zitten, maar allemaal aan de andere kant. Het zijn ook niet echt mensen die ik ken dus ik blijf lekker op mijn hoekje zitten. Na het eten ruim ik op en vind ik het wel weer tijd om naar huis te gaan.

Ik ga thuis aan mijn afstudeerverslag zitten. Af en toe loer ik op Facebook om te zien of er al nieuws is over Vappu-vieringen in Otokylä. Niks. Zelfs Honza is offline (terwijl die meestal keihard websites aan het bouwen is terwijl de anderen feesten). Dat moet wat zeggen. Ik lummel nog te lang rond, ik typ wat aan mijn verslag, plaats wat feestfoto’s op Facebook. Marjo en haar vriendje komen thuis en hangen in de keuken. Ik kom even broodjes halen en Marjo vraagt of ik nog Vappu ga vieren. Ja, zeg ik, ik wil om 8 uur ’s avonds even naar het openluchttheater in het Hupisaari-park. Terwijl ik op mijn broodjes kauw zie ik dat het al kwart voor acht is. Ah, bummer, ik wil nog even wat typen.

Uiteindelijk ga ik dan om kwart over negen van huis weg. Ik draag mijn bordeauxrode trainingsjasje waar ik vanochtend stukken OAMK-productietape op heb geplakt en waar ik de Kultti-mascotte op heb getekend met witte stift. Het is niet zo goed als een overall (die 30 euro was, ammehoela) maar ik vind het prima kunnen. Ik fiets eerst naar Otokylä, maar dat ligt er verlaten bij. Ik maak rechtsomkeert en cross naar de stad, naar het parkje. Ik parkeer mijn fiets bij het kunstmuseum en loop naar het openluchttheatertje. Nou, dat is niet te missen. Er wordt harde housemuziek gedraaid en het is één bonte hossende kudde van studenten in overalls. Het doet me een beetje denken aan de foute eindfeesten van Campzone. Ik herken wat ‘yellow people’ (Otokylä had gele overalls van 15 euro, maar ik weiger in een Otokylä-overall te gaan) en loop met ze mee naar het midden van het theatertje. Terwijl ik geniet van mijn blikjes bier dans ik een beetje mee en maak foto’s van alle maf uitgedoste mensen. Om elf uur vind ik het wel weer tijd om naar huis te gaan.

Marjo en haar vriendje maken ruzie. Ze slaan met deuren en Marjo huilt. Ik kan niet zeggen dat ik het leuk vind, maar het is wel vermakelijk. Ze zijn 20, dan zijn die ruzies nog behoorlijk onschuldig. Ze maken ook weer niet zoveel lawaai, dus ik kan rustig gaan slapen.

vrijdag

Vandaag geen afspraken, alleen maar werk! Hoehoe.
Het zonnetje schijnt lekker buiten (maar het is nog steeds maar 5 graden, vergis je niet) en ik krijg echt zo’n zin om lekker in t-shirt op een terrasje te gaan zitten en in mijn dummie te gaan tekenen. Helaas, het ziet er wel grappig uit buiten maar het is gewoon te koud. Ik mis Nederland!!!

Na mijn ontbijt begin ik hier te typen. Moet toch ook weer eens bijgewerkt worden. Ik vind het nog steeds frappant dat ik 4 maanden blog heb bijgehouden – het gaat nu wel vervelen dus ik zal blij zijn als dat weer over is. Anderzijds is het leuk om van een paar weken geleden terug te lezen wat ik toen deed en het is gemakkelijk om mensen te kunnen zeggen ‘lees mn blog’ in plaats van ze aan hun neus te gaan hangen wat ik die dag heb gedaan.

Mijn goals voor vandaag zijn – naar de supermarkt, eten voor vandaag en eten voor het weekend – en naar de stad, bij de H&M; een paar leuke armwarmers kopen (in veronderstelling dat die in de koffer gaan passen) en dan lekker op de kade aan zee gaan zitten.

Nou, ik kwam er net achter dat ik mijn goals moeilijk zal kunnen halen. Namelijk, het is MayDay en alles is hier dicht. Na wat piekeren stap ik dan maar op de fiets naar het hospitaal, waar ze vandaag wel lunch maken. Voor 2,60 heb ik een lekker bord met twee zalmmoten, aardappeltjes en broccoli. Hmmmm!

Ik stap daarna weer op de fiets en rijd een stukje om door het park dat in het OYS-gebied ligt. Ik fotografeer her en der wapperende Finse vlaggen, want die heeft iedereen natuurlijk gehesen voor vandaag… en er waait een straf windje dus ze wapperen flink. Als ik terugkom zie ik zelfs voor Välkkylä een mooie Finse vlag wapperen. Vanmiddag nog even naar de haven, misschien naar Bisketti voor een pulla als avondeten. Hopen dat morgen de supermarkt gewoon open is, want ik moet nodig weer inkopen doen.

zaterdag

Jahaa, het is weer een uitslaapdag. Oh geweldig. However, het lukt me niet echt om lang uit te slapen dus om half tien sta ik maar op. Ik betwijfel of de supermarkten vandaag open zullen zijn, maar ik gok van wel. Ik kan het Marjo vragen maar of ze nu ja of nee zegt, ik ga toch zelf kijken of ze open zijn. Ik slinger mijn laptop aan en klus wat aan een deel van m’n concept. Sandeep begint tegen me te praten op de Facebookpagina. Of ik zin heb om vandaag thee te drinken. Eh, jahoor, maar eerst big shopping doen bij de supermarkt. Dat vindt hij goed. Ik zeg dat ik in Välkkylä 1B woon. Hij zegt daarop terug ‘I’ll be waiting at 6.’ Goed geregeld.

Ik kleed me lekker warm aan want gisteren stond er wel een straffe wind. Dan loop ik naar buiten en stap op de fiets naar de supermarkt. Maar … wtf! Het is warm! Geen koude wind, alleen een warm zonnetje! In de supermarkt is het op zich wel weer koel, maar het is echt absurd warm buiten. Mensen lopen in t-shirtjes en korte broeken. Na een half uurtje supermarkt waag ik het er dan ook maar op om mijn jas open te doen, ik zweet peentjes.

De terugweg naar huis is heerlijk. Ik werk thuis nog wat aan mijn concept en dan maak ik een schaaltje rucola-sla. De olijfjes die ik erin had willen doen zijn helaas wrang geworden. Ik knikker ze allemaal maar weg. Hmm, nu heb ik geen olijfjes voor morgen, mits ik nog even naar de supermarkt ga (wat bij dit weer hélemaal geen probleem is, snap je!) Ik neem het schaaltje mee naar buiten en vind een mooi houten bankje vlakbij mijn huis. Ik sleep het pal in de zon en ga lekker mijn salade opknabbelen. Dan sleep ik de bank weer een stukje verder (ik had inmiddels schaduw) en ga lekker een half uurtje languit liggen. Zonnebaden in Finland, ha!

Dan is het tijd om weer verder aan ’t werk te gaan. Het is alweer vier uur. Ik werk nog een uurtje, het 3d-model waar ik mee aan de slag was is nu bijna af. Ik besluit nog even naar de supermarkt te lopen voor het potje olijven. Daar neem ik ook gelijk een ijsje uit de diepvries mee: een blueberry-cake-vanilla hoorntje (zoals een Cornetto, maar dan met blauwe bessen en koekjesdeeg-smaak). Het hoorntje is slappe hap, maar het ijs is vreselijk lekker! Wat erg, dat ze dit niet in Nederland hebben. De ijsjes in de supermarkt zijn spotgoedkoop (0,70 of 1,10) vergeleken bij wat je aan de kraam koopt (2,50 voor voorverpakt tot 3,50 voor schepijs) en ze hebben nog veel lekkerdere combi’s ook!
Serieus, al deze regels tekst was het ijsje wel waard. Ik ga er gauw nog één halen…

Ik loop zo van mijn ijsje te genieten dat ik helemaal vergeet dat ik een fiets bij me had. Halverwege de route kan ik dus terug om mijn fietsje op te halen bij de supermarkt. Lalala…

Om zes uur loop ik weer naar buiten, naar Välkkylä 6. Damn, dat gebouw heeft wel 4 ingangen. Ik ga een eindje voor de flat staan en kijk naar mensen die Jeu de Boules spelen. Geen Sandeep. Zou hij het vergeten zijn? Of had ik misschien… verkeerd begrepen… waar hij zou wachten? Wacht! I’ll be waiting at 6! Natuurlijk, niet flat zes maar zes uur! Domdomdom. Ik wandel terug naar 1B en daar staat Sandeep inderdaad al te wachten. We wandelen naar de stad. Het is nog steeds heerlijk zonnig en ik wil eigenlijk mijn zonnebril opzetten, maargoed dat vind ik niet al te beleefd in een conversatie. We lopen de stad door naar een eilandje naast de bibliotheek en gaan daar tussen de andere studenten (die een soort Vappu-afterparty houden) op het gras zitten. Na een hoop verhalen en maffe anekdotes over cultuur en leven in Nederland en Nepal wordt het koud, dus gaan we bij Bisketti theedrinken. Daarna lopen we weer naar Välkkylä. Ik ga weer aan mijn concept werken en net als ik dan eindelijk op het idee kom om avondeten te gaan maken, zie ik dat het kwart voor twaalf ’s nachts is.

Hmm, bad idea om nu nog te gaan koken – dat zou ’n veel te grote maaltijd worden zo’n korte tijd voor het slapengaan. Daarom maak ik een dubbele boterham met kevyt lauantai en dan is het tijd om dit blog te schrijven en te gaan slapen.

zondag

Deze ochtend word ik om half negen vrolijk wakker. Ik ben alweer een week 25! Wat gaat de tijd toch snel grin. De zon is mijn kamer al gepasseerd. Het was vannacht nog zo licht dat ik besefte dat het nu al niet eens meer helemaal donker wordt ’s nachts. Als je in de kamer een lamp aanhebt lijkt de hemel wel zwart, maar zodra je in het donker staat is de hemel nog gewoon schemerig. Toen er nog sneeuw lag weet ik het daaraan – sneeuw reflecteert namelijk een hoop licht van lantaarnpalen naar boven. Maar nu de sneeuw weg is moet het gewoon wel de hele nacht licht blijven. Het wordt nu al steeds moeilijker om te slapen, iets waar Sandeep me al voor gewaarschuwd had. Ik slaap nu met de hoofdband om mijn nek, als ik ’s ochtends bij het vroege licht de behoefte krijg aan donkerte, dan trek ik die gewoon over mijn ogen. 🙂

Anyway, ik word lekker wakker, kleed me aan en maak een lijst van wat ik over een paar weken allemaal moet gaan verkopen of weggeven. Dan is het tijd voor ontbijt. Ik heb gisteren geen avondeten meer genomen dus ik verrek van de honger. Toch neem ik gewoon mijn normale boterham met kommetje bran-flakes, geen gezeur. Het is heerlijk zonnig in de keuken. Ik neus de folders door – ik zweer je ik kan ze tegenwoordig gewoon voor driekwart gewoon al lezen – en dan ga ik nog even op een luie stoel voor het raam zitten. Ik leg mijn benen op het lage tafeltje en geniet van de heerlijke zon.

Aaaahhh zomer. De thermometer wijst eerst 18 graden aan als de zon er vol op staat, maar daarna zakt hij terug naar veertien. Is toch ook lekker! Even tussendoor, wat me trouwens wel verbaast is de mensen die me vragen ‘of ik nog steeds doodvries hier’ – ehm hallo! Kijk eens goed, er staan al een maand lang bovenaan mijn weblog twee afbeeldinkjes die de temperatuur plus het weer en de tijden van de zon en de maan aangeven. Hoe duidelijk wil je het hebben? Het is echt geen fabeltje hoor, als er op de linker een twaalfje met een zonnetje staat, is het hier echt geen weer om sneeuwballen te gooien! En die ‘vier uurtjes licht per dag’ zijn we ook allang voorbij, we hebben hier nu zelfs langer licht dan in Nederland, beat that! Dus, eerst plaatjes checken, snap je ze dan nog niet, dán vragen!!!

Na het zonnebaden vind ik het wel tijd om even mijn hoopje vaat af te wassen. Zodra dat gebeurd is begin ik de tassen met afval naar beneden te slepen. Dat klinkt erger dan het is. We hebben gewoon in de hoek van de keuken papieren tassen staan waar we blik, glas en tetrapacks in scheiden. Nog een plastic zak voor de plastics, en dan nog een vuilnisbak voor de doorgaanse rommel. Ik sleep eerst de plastic zak naar buiten en neem gelijk de tetrapacks mee. Het is heerlijk weer buiten. Op slippers en in t-shirt steek ik het weggetje over naar het afvalhok. Omdat het zo heerlijk lekker warm is loop ik nog maar een keer de trappen op en af en gooi ook het blik en het glaswerk weg. Zo, wat zal Marjo blij zijn als ze straks uit haar kamer komt. Ik moet wel zeggen dat ze een ontzettende sloddervos is geworden sinds haar vriendje elke dag bij haar zit. Er liggen pizzadozen, de vaat staat her en der op het aanrecht en ik weet niet hoe ze het doet maar ze laat overal sausklodders en plenzen water achter. Ah, voor die vier weekjes ruim ik nog wel even voor haar op. Straks woont ze alleen en dan weet ze vast gauw genoeg hoe het is als niemand dat voor haar doet. Komt vanzelf.

Vanmiddag om vier uur wil ik naar Otokylä omdat een hele club mensen dan gaat voetballen. Sandeep wil mee, maar alleen als hij klaar is met zijn werk. Ik vind het prima, dan lopen we gezellig samen. Ik heb zelf ook nog werk te doen namelijk. Jaja, mijn essay moet af! Sinds pasen heb ik het van me afgezet, ha! Dat is alweer bijna een maand geleden joh. Ik voel me vreselijk schuldig als ik eraan denk. Gelukkig ben ik ondertussen wel goed aan m’n afstudeerproject bezig, al voelt het wat dubbel omdat het werk dat ik nu doe gewoon het renderen van een 3d-model is, dat voelt aan als hobby.

Oh en natuurlijk is de beste inspiratie voor mijn werk de laatste dagen het nummer ‘June Afternoon’ van Roxette. Je moet hem echt eens luisteren, je komt er in vijf minuten van in zomerstemming!!! Luister een stukje June Afternoon op Last.fm.
Helaas is het vandaag niet zo zonnig als gisteren. Sterker nog, even voor vieren begint het zelfs te regenen. Sandeep meldt me dat hij moet werken en dat hij pas vanavond naar het feestje gaat komen. Daardoor word ik wat slordig met de tijd en pas om kwart voor vijf fiets ik naar Otokylä. Geen nood, ze hebben me toch niet nodig voor het voetbalteam en ze blijven nog wel een tijdje voetballen. Dacht ik. Als ik in de straat voor het veld fiets zie ik een groepje studenten met een voetbal lopen. Het zijn de Otokylänen. Ik tringel met mijn fietsbel en voeg me vrolijk bij het groepje. Ze gaan terug omdat beide voetbalvelden bezet waren en ze niet zo’n groot team hadden. We hobbelen naar Otokylä en ik ga mee naar binnen. Ja, waar zal ik eens heengaan? Annelore loopt naar de derde verdieping en ik ben uitgenodigd om op hun kamer te gaan zitten, maar ik ga eerst even bijkletsen bij Safak en Honza. Die zijn gelukkig beide thuis. Safak is zo gastvrij dat – ook al kom ik totaal ongelegen binnenvallen – hij me een stoel aanbiedt. Honza komt onder de douche vandaan. Safak moppert dat hij fatsoenlijke kleren aan moet trekken als er gasten in huis zijn. Honza biedt me een kop thee aan en we praten wat bij. Dan gaat Honza weer naar zijn kamer om te werken (hij is daar duidelijk lomper in dan de over-vriendelijke Safak) en ik blijf eenzaam met mijn kop hete thee in de keuken zitten. Als ik die op heb ga ik naar huis. Pasta eten en vanavond weer terug want dan is er een afscheidsfeestje hier.

Thuis maak ik pasta met champignonsaus. Het is me weer gelukt – het is weer van die ranzige bospaddestoelensaus. Ik weet nog steeds niet wat ik verwacht van champignonsaus bij pasta (volgens mij bedoel ik gewoon carbonara, dat is ham/kaasaus) maar elke keer kom ik weer op die meuk uit die gewoon veel beter bij een stevige lap vlees smaakt. Enfin, ik lepel het op en praat ondertussen met Marjo (ze moet in de keuken blijven omdat haar aardappels koken). Het is een wonderlijk gesprek over onze toekomsten, plannen, gezinnetjes stichten en familietradities. Het verbaast me elke dag weer dat de gesprekken met Marjo steeds langer worden. Had ik niet verwacht.

Ik haal mijn blikje gekoeld bier uit de koelkast en pak mijn tas voor de tweede keer vandaag in. Dan vertrek ik naar Otokylä. Oeps, ik kan er niet in. Wie zou z’n telefoon bij zich hebben? Ik bel Honza maar weer. Ondanks het gemopper van Safak heeft hij nog steeds geen fatsoenlijke kleren aan. Ik vind het zo grappig, twee van die tegenovergestelde karakters in één flatje. Ik neem de lift naar de bovenste verdieping en daar zit het hele volk al op banken en stoelen op de gallerij. We praten, we drinken bier en het wordt langzaam avond. We slepen Annelore van haar kamer want die wilde een besloten feestje houden en stilletjes morgen vertrekken. Dat lukt haar niet. Martin de Oostenrijker die morgen ook weggaat krijgt een t-shirt met ‘The Fart(in)’ erop en allerlei ranzige teksten en bedankjes van iedereen. Dan komt Adrien met zijn laptop aanlopen: hij heeft Singstar! We scharen ons rondom de laptop en het microfoontje wordt doorgegeven. Nou, dat hoef je mij geen twee keer te zeggen! Ik zing vrolijk liedjes mee. Omdat het een opensource programmaatje is zitten er ook veel onbekende liedjes van bijvoorbeeld Nightwish en Evanescence bij, dat is mooi! Het valt niet al te veel op dat ik telkens aas op de microfoon want Adrien is al net zo happig om telkens te mogen zingen. Dan gebaart Adrien wild naar mij en zoekt een specifiek liedje op. Nightwish, Wishmaster, of ik dat kan zingen. Ik begin te stralen. Ja, natuurlijk, geef hier die microfoon!

Het nummer start en ik – zittend op de vloer tussen de mensen – zet uit volle borst in. Heerlijk om zo’n nummer wat zo in mijn stembereik ligt mee te zingen. En om even serieus te zijn, I don’t care dat ik een menigte van totaal onbekende mensen achter me heb zitten. De twee coupletten knal ik eruit met een dusdanig volume dat – zo hoor ik de volgende dag van twee Duitsers – mijn stem duidelijk te horen was op de begane grond van de flat! Vet, ik kan het nog steeds, en het klinkt helemaal niet gek. Ik zie een paar mensen verschrikt opkijken vanwege mijn tornado-sound. Misschien moet ik toch weer eens wat Nightwishnummers gaan zingen. Zelfs Adrien steekt verbaasd twee duimen op. Zangeres nodig? Jammer dat hij zijn band helemaal in Frankrijk heeft zitten!!!

Okay, genoeg veren in m’n kont. De liedjes erna doen we weer met z’n allen en hoe dronkener we worden, hoe meer mensen hun microfoon-angst kwijtraken en op het laatst brult iedereen mee met hits van YMCA tot aan My Immortal. Annelore beweert al uren dat ze naar bed wil gaan maar ze blijft toch maar telkens nog een liedje hangen. Ik krijg zowel haar camera als Honza’s camera in mijn schoot geworpen en zo ben ik in mijn element: hangend op de bank, iedereen fotograferend en filmend. Sandeep ziet me zo zitten en ik hoef maar ‘observing’ te zeggen (hij vond mij gisteren een observing person, iets dat ik moest beamen) en hij vindt het heel grappig.

De nacht gaat voorbij, plotseling is het half drie. Maarten komt binnenlopen met twee Nederlandse vrienden. Ze zijn vanaf Helsinki hierheen gereden met een huurauto. Maar nu heeft één van de twee vrienden de flatdeur van Maarten dichtgegooid en zijn sleutels lagen binnen… dus moeten ze op de gallerij ’n andere flatgenoot wachten. We praten nog wat, ik verbaas me erover dat het alweer bijna licht is. Annelore kondigt aan nu echt te gaan slapen. Ze doneert me nog wat postzegels opdat ik haar cijferbriefjes naar huis kan sturen en laat me uit de flat. In het schemerlicht fiets ik naar huis toe. De vogels fluiten als bezetenen, de lucht is warm en in de verte lijkt de zon al op te komen. Ik maak een filmpje om mijn ervaring vast te leggen. Thuis aangekomen probeer ik te gaan slapen. Echter, het is al licht. Ik kan al helemaal over de Pohjantie kijken. De gordijnen sluiten helpt ook niet. Nouja, gelukkig ben ik moe genoeg van het feestje om – zodra ik in m’n nest lig – gelijk in slaap te vallen…

maandag

Het was een leuk feestje gisteravond… maar dat je daarna zo kort slaapt is niet echt een pluspunt. Ik voel me kortweg brak en hobbel daarom eerst maar naar de douche. Zo, schoon en vrolijk, met een lik Energizing Smurrie van de Bodyshop op me kom ik er weer onder vandaan. Tandjespoetsen, ontbijt maken. Ik kan de wereld weer aan, vermoed ik.

Ik ga vandaag hard werken. Ja. Wacht. Hoe laat is het? Het is alweer tien voor elf. Ik moet verschrikkelijk haasten. Ik ga dus maar aan het werk, maar algauw ben ik alweer duf. Nouja, nu weet ik tenminste waarvan het komt. Met een flinke kop koffie sleep ik me door wat schrijfwerk heen. Dan is het kwart over twaalf. Ik fiets naar school. Hé, is de kantine weer open? In joviaal Engels spreek ik de dame achter de balie aan. Gelukkig praat ze Engels terug – sommige kantinedames kunnen namelijk geen Engels, zul je net hebben. Nee, de kantine voor studenten is vandaag alleen in het techniek-gedeelte, hier is een conferentie. Ohja. Ik zag ook al allemaal blije mensen met keycoards rondlopen, die hadden ze vast niet voor niets.

Ik word aangeschoten door één van de exchangestudents die met een dikke microfoon rondloopt. Hij weet dondersgoed dat ik een hangover heb maar hij vindt het prachtig. Ik krijg een camera in mijn smoel gedrukt en de jongen begint vrolijk ‘Ha, hier hebben we een exchange student! wat vind jij van de tuition fees?’ Ik denk op volle snelheid na. Tuition fees? Dat waren toch die schoolgelden… Bastian Fähnrich had het er laatst over in ons interview, ik begreep toen niet helemaal wat hij bedoelde maar het kwam neer op schoolgeld. En nu wil men weten wat ik er van vind. Ik mompel er wat omheen, dat ik ze prima vind… en vraag dan wat hij precies met de tuition fees bedoelt en of hij er wat meer over kan zeggen. De jongen vertelt me kort (nog steeds met het idee dat ik precies weet wat hij bedoelt) dat mensen van buiten de EU die gelden moeten betalen als ze hier komen studeren, en hij wil weten of ik het daarmee eens ben. Ik zeg maar dat ik vind dat als iedereen het moet betalen, dan zij ook, maar anders vind ik het overbodig. Aargh, wat een slecht shitinterview zeg. Niks geen inleiding ofzo. Slecht jongens, slecht. Gelukkig vraagt hij daarna hoe ik studeren in Finland vind en ik vertel dat ik het hier prima vind. Hij vraagt of ik me thuisvoel op de school. Ja, zeker, en ik voeg eraan toe dat dat niet alleen aan de huidige studenten ligt maar vooral aan de lunches die ik wel nu ga halen! De jongen moet lachen en laat me gaan.

Ik loop met mijn dienblaadje langs alle schapjes en pak mijn eten. Gelukkig weer 1,60. Het is hier wat moeilijker te zien en er is ook minder keus dan in het Kultti-restaurant. Maar hey, voor die prijs… Ik zoek een tafeltje in de felle zon (beste plek om van je hangover af te komen) en zie dat er twee Duitse exchangers precies naast me zitten. Ik ga bij hen zitten. Er komt een gesprek op gang dat ongeveer het midden is tussen Duits, Engels, Nederlands en dan nog wat slang. We hebben het ook maar over slang want het wordt al gauw duidelijk dat de combinatie van deze drie talen niet tot echt grammaticaal correcte zinnen leidt. Dan verloopt het gespreksonderwerp naar militaire dienst (waar beide jongens een jaar in gezeten hebben, Duitse plicht…wow) en over de civil services en de scheve regels in het land. Okay… hier was ik nog niet wakker genoeg voor…

Even verderop gaan meer Otokylänen aan een tafeltje zitten. Ik wil eigenlijk graag even met ze bijkletsen maar om nou te verhuizen… dus ik zwaai maar. De Duitsers halen een koffie terwijl ik mijn lunch oplepel.

Na het eten stap ik weer op de fiets naar huis en wil weer aan het werk. Het lukt niet, ik ga zitten designen – noch voor mijn afstuderen, noch voor handtekenen, en van een essay-design kun je al helemaal niet spreken. De hoofdpijn trekt langzaam weg en ik voel me beter worden, dat is een gelukje. Dan gaat de bel van mijn kamer. Hoei!

Ik loer door het kijkgaatje van de deur. Een mannetje met een pakketje! How wunderschön! Ik doe open en roep vrolijk Terve! De man geeft me het pakketje – het is voor mij! Het doosje van Lucie! En nog wat post. Hoei, dat scheelt mij weer een rondje naar Matkahuolto – al vermoed ik dat het deze keer ook niet langs die weg kwam. Blij post ik even op Lucie’s Hyve dat ik het ding heb ontvangen en webcam dan even met Wilco op Skype. Natuurlijk moet je cadeautjes uitpakken nooit in je eentje doen. Het wordt een groot uitpakfeest en ieder cadeautje wordt uitgebreid voor de camera gekanteld en gedraaid. Ik krijg een theedoek, een douchesetje, waxinelichtjes, een lippenbalm en een stuk Cote d’Or chocolade (dat hebben ze hier trouwens helemaal niet). Groot feest! Wilco moet aan één stuk door lachen van mijn enthousiaste gedrag.

Dan gaat de bel weer. Weer voor mij. Ik loer weer door het kijkgaatje. 2 Dames. Ik doe open, niet zo ver. Ze staan me breed grijnzend aan te kijken. Eerste gedachte: Jehova’s. De dames beginnen in het Engels tegen me te praten en vragen of ik Duits spreek. Nee, ik spreek Engels, zeg ik. Of ik dan Heidi Ulrich ben (ze wijzen vol bewondering naar mijn gekalligrafeerde naambordje). Jajaja dat ben ik. Dan steekt de voorste dame van wal. Ze heeft een boekje met een rits in haar hand en ik had het goed gezien – dat is geen portemonnee. Het is een bijbeltje. Ze laat me een bladzijde zien en zegt dat ze daar vragen over heeft voor mij. Ik zeg dat ik niet religieus ben. Ze knikken eens. De achterste dame vraagt nogmaals of ik Heidi heet, en of ik dan uit Duitsland kom. Ik zeg nee, ik kom uit Holland. Ah, Holland. Ja, maar wel een Duitse naam (dankjewel pap en mam, even fyi, dat zeg ik zo ongeveer m’n hele leven al…) ze vinden het leuk dat ik uit Holland kom. Ze knikken eens en dan vraagt de voorste vrouw weer of ik met haar naar het bijbelstukje wil kijken. Ik zeg dat ik echt niet religieus ben. Ze begrijpen mijn hint, ze zeggen bedankt en ze maken aanstalten om de trap af te gaan. Ik vind het prima. Gelukkig, Finse christelijken zijn niet zo opdringerig. Geen voeten tussen de deur.

Ik ga weer terug naar mijn Skypegesprek met Wilco. Ook dit vindt hij grappig. Nou, het wordt weer over en sluiten. Ik wil aan het werk maar ik kan me er niet toe zetten, mijn gedesign is te leuk en de chocolade die ik van Lucie heb gekregen is te lekker. Met het avondeten geef ik Marjo een stuk, voordat ik hem helemaal zelf opeet. Marjo heeft me laten weten dat ze van pure chocolade houdt, maar we zijn het er geloof ik over eens dat Fazer (de Finse chocoladegigant) niet echt snapt wat nou goede donkere chocolade is.

Ze komt me even later melden dat ze het wel lekker vond. Verder zijn we de hele avond niet zo spraakzaam. Ik ga weer aan mn laptopje zitten en weet zowaar nog wat te werken. Dan is het alweer bedtijd…

donderdag

Mmmm. Na om kwart voor drie mijn bed in te zijn gerold staat om vijf uur de zon alweer in mijn gezicht te branden, door de gordijnen heen. Nu ik vandaag vroeg op moet (heb het de laatste dagen wat laten verloederen…) merk ik opeens dat de zon niet meer zoals voorheen opkomt en achter het gebouw verdwijnt. De zon komt nu op, staat pal op mijn raam en draait daarna een cirkel, óver de hoek van de flat naast me heen. Hoe anders is dit in vergelijk tot de winter! Ik zou hier waarschijnlijk geen herfst willen meemaken…

Ik huppel mijn bed uit en ga douchen. Daarna maak ik ontbijt. Marjo is me net voor. Zodra ik uit mijn handdoek gerold ben en aangekleed en wel ontbijt ga maken staat zij al haar jas aan te trekken. Waarschijnlijk moet ze vroeg naar school… zoals het ons normaal is merken we elkaar wel op maar zeggen we geen woord tegen elkaar. Dan opeens, vlak voordat ze de deur uitstapt, zegt Marjo ‘have a nice day…’ waarop ik mijn hoofd om de hoek van de koelkast steek en een spontaan ‘you too!’ terugroep. Wat aardig! Volgende keer roep ik het. 🙂

Zo, nu aan het werk. Zo om negen uur even een dubbele was draaien – eerst m’n kleren, dan voor de laatste keer mijn beddengoed. Daarna de presentatie afklussen en om kwart over twaalf naar Heikki.

vrijdag

Ik word om half negen wakker en bedenk me dat ik vannacht in mijn slaap met mijn telefoon heb liggen klooien – waarom weet ik niet, maar ik heb in mijn handigheid wel de wekker uitgezet. Niet zo slim. Gelukkig ben ik op tijd wakker.

Ik zet de flaptop aan, maak ontbijt en wacht tot Guus online komt. Negen uur… tien uur… tien over tien. Hij mag wel opschieten want anders mis ik de hele Showtime-dag. Er zijn trouwens nieuwe foto’s! Nog niet alles van de laatste dagen had ik online gezet. Gisteren dus een heel werkje, 45 foto’s van allerlei verschillende dagen. Enjoy 🙂

maandag

Ik heb een paar dagen niet geschreven, maar het is dan ook een paar daagjes turbulent geweest in de zin van: chaotisch zijn, te chaotisch worden, beseffen dat dit niet gaat werken en dan toevallig erachter komen dat je nog maar drie weken hebt.

Op zondagochtend heb ik een planning gemaakt en aan de hand daarvan werk ik nu.

Vandaag dus om acht uur opgestaan, in de hoop om negen uur mijn ontbijt achter de kiezen te hebben en direct naar school te kunnen fietsen. Die hoop is ijdel. Ik moet een afwasje wegwerken en mijn laptop inpakken. Al met al zit ik om half tien duf op school.
Ik pak de laptop weer uit en begin heel werktuigelijk code te tikken. Al gauw kom ik erachter dat mijn maaksel totaal onlogisch in elkaar steekt en ik niet wakker genoeg ben om acuraat te zeggen wat ik nou fout doe. Klaríck komt binnenlopen met een kop koffie. Ja, koffie! Blij ga ik ook een mok halen. Klaríck doet zijn bijzonder grappige stemmetje nog eens en ik schiet helemaal in de lach (hij kan namelijk praten alsof hij helium op heeft en hij kijkt daarbij heel lief 😛 ). Nou, ik ben weer wakker.

Ik begin aardig de vaart erin te krijgen en tegen het eind van de ochtend heb ik een redelijke opzet staan. Het is stil in het computerlokaal. Henri is even binnengelopen, ik meen nog een jongen met een staart te hebben gezien maar verder zitten alleen Klaríck en ik er. Hij komt langslopen en stelt voor om lunch te gaan halen. Goed idee!

De eetzaal is vol, maar er zijn geen Otokylänen. De meeste zijn allemaal mee met de ESN Seabattle, die van zaterdagavond tot woensdag loopt. Duizenden studenten gaan van Oulu (en andere plaatsen) naar Helsinki, Tallinn en dan naar Stockholm. Het idee is dat je het eerste stuk vanaf Oulu met de bus aflegt, daarna een dagje Helsinki en Tallinn voorgeschoteld krijgt en dan op een cruiseship naar Stockholm gaat. Op elk vervoersmiddel moet er zoveel mogelijk gedronken worden. Jo… Ik heb Stockholm al een keer gezien en ik wil m’n herinnering daaraan liever zo houden.

We kiezen een tafeltje voor vier uit en na een paar minuten komen Christian en Aleksi al bij ons zitten. Christian is Duits, Aleksi is Fins maar heeft tijdlang in Duitsland gewoond. Het grappige is dat je met hun twee nog wel een redelijk Duits/Nederlands gesprek kan voeren omdat ze veel woorden wel snappen. Voor het gemak en voor Klaríck praten we Engels, met af en toe wat Duitse grappen tussendoor. Het ziet er heerlijk uit buiten, de zon schijnt fel en er zitten mensen in t-shirt buiten op de bankjes. Ik wist van de winter niet eens dat we bankjes hadden joh…

We drinken nog een koffie en brengen onze dienbladen weg. De jongens gaan naar de Techniek-kant van het gebouw en ik weer naar de Kultti-kant. Eigenlijk moet ik volgens de planning nu aan mijn essay, maar ik heb me nogal vastgebeten op de website dat ik denk daar even aan verder te moeten. ‘Even’ wordt wel tot half zes. Inmiddels is ook Kevin Pohlschneider bij me komen zitten – hij heeft in de bibliotheek allemaal tijdschriften over geluidsbewerking gevonden en aangezien hij ze niet meer allemaal kan lezen voor hij weggaat wil hij nu zoveel mogelijk inscannen. Ik kan hem wel begrijpen – professionele geluidsbewerkings-tijdschriften zijn amper in de winkel te krijgen en zo ja, dan zijn ze net als 3D- en fototijdschriften vaak afschuwelijk duur. Ik vraag hem waar hij vandaan komt. Uit de buurt van Emden, zegt hij (geloof ik hetzelfde als Christian). Vlakbij Osnabrück. Ik zeg hem dat ik een keer naar een hotel in Bramsche ben geweest bij wijze van romantisch uitstapje. Hij kan zijn lachen niet inhouden. Bramsche, dat gat! Of all places! Enfin… ik zeg hem dan ook maar dat ik het Teutoburgerwald veel mooier vind 🙂

Hij komt er ook achter dat het al half zes is, dus we maken maar aanstalten om naar huis te gaan. Het is nog fel licht buiten, de zon staat nog heel hoog aan de hemel. Wat zal ik dit missen zeg, als ik weer thuis ben. Ik hou van lange zomeravonden, hoewel een beetje donkerte bij het slapen ook niet mis is. Onderweg naar huis krijg ik nogal last van mijn maag, op zich had ik dat de hele dag al. Ik wijt het aan de stress die gevolg is van mijn tijdsplanning. Opeens iets ‘moeten doen’ zet zeg maar een knopje om in mijn hoofd.

Thuis bemerk ik dat mijn ijsthee op is. Nouja, dan maar naar de supermarkt. Ik sla de nodige rommel in plus een tros bananen en wandel weer rustig op huis aan. Ik wilde gaan wandelen om rustig te kunnen nadenken, maar ergens wil dat niet lukken. Ik kom Klaríck weer tegen. Na een enigszins lompe poging hem staande te houden praten we even over zijn nieuwe project. Dan loop ik verder naar huis. De zon staat nog steeds zo hoog, het lijkt gewoon nog wel middag. Toch is het als ik thuiskom alweer half acht.

Mijn maagpijn is inmiddels wel aardig grof geworden dus ik neem me voor om vanavond geen sauna te pakken en gewoon rustig onderuit te gaan zitten. Aangezien ik al mijn hang-sites en fora drastisch geblokkeerd heb met Leechblocker rest mij alleen dit weblog…

Er zijn trouwens nieuwe foto’s van dit weekend! 🙂
Er zijn ook nieuwe filmpjes, van al wat langer geleden. Ze zijn te vinden bij het eerste filmpje, als je op de grijze links- en rechts-knoppen drukt moet je ze kunnen zien…

dinsdag

Opgestaan, gedouched, ontbijt gemaakt, ff geïnternet en toen richting school. Vanaf half tien bezig aan het in no-time tikken van mijn essay. Working at the speed of light!

Het enige wat me tegenstaat is dat hier in het Mac-lokaal er zoveel griep hangt, dat het gewoon naar is om hier te werken. Mijn keel voelt tintelig aan en mijn jukbeenderen doen pijn. Ik proef het in de lucht de hele tijd. Ik zit er nu al een paar dagen in en het verbaast me nog steeds dat ik het wel voel, maar niet ziek word. Nouja, de buffer is een keer op?

Hopelijk niet voor ik het essay afheb…

vrijdag

Phoei, lang niet geschreven. Maar de dagen vliegen hier om!

Ik heb nieuwe foto’s van het kijken naar de zonsondergang aan zee. Ook een klein filmpje van hoe het water kabbelt, alleen die staat als ik me goed herinner nog niet in de lijst die je vanaf hier kunt bekijken.

zaterdag

Waarschuwing! Lange dag!!!

Het is moeilijk om mijn bed uit te komen. Ik slaap echt bijna niet meer. Vanaf drie uur wordt het licht en elke keer als je dan wakker wordt met je hoofd naar het raam schijnt de zon fel in je gezicht. En zo word je vaak wakker! Ik heb de laatste nachten alle uren op de klok voorbij zien gaan. Ik denk niet dat ik daar tussenin echt diep slaap, daarom word ik ook heel vermoeid wakker. De overvloed aan licht was even grappig, maar laat het nu maar weer gewoon donker worden ’s nachts! Pfoe.

Het is tegen tienen, ik maak ontbijt en maak het aanrecht schoon. Marjo heeft er een enorme bende van gemaakt. Sausvlekken, rondgespat water… geen idee hoe ze dat doet.

Ik ga naar beneden en gooi het plasticafval en de tetrapacks weg. Op de terugweg loop ik langs de wasmachinekamer en kijk op de lijsten. Het is somber – we waren al door de officiële lijsten van Psoas heen, nu zijn ook de blaadjes die ik gedoneerd heb op. Er is een behoorlijke anarchie ontstaan. Op zich zijn mensen zelf begonnen met het tekenen van tabellen op de papieren…dat ging goed. Het blijkt ook dat iedereen alleen maar tabellen voor de wasmachine wil, voor de droger niet… maar nu is er een probleem ontstaan: er zijn twee zaterdagen aangemaakt. Zaterdag is sowieso een drukke wasdag en nu is het gebeurd dat alle uren dubbel ingepland zijn. In de kantlijn van beide lijsten is een heftige discussie gaande over welke lijst nu de officiële is. Ik ben blij dat ik me niet op zaterdag ingeschreven heb. Maar nu? Ik heb Psoas gemaild… ze reageren niet. Ik heb nog genoeg papier over, dus zal ik zelf maar ’n setje af gaan drukken? Voor die laatste twee weken wil ik daar wel 14 blaadjes aan besteden – daarna mogen ze het zelf fixen. Ik moet weer heel sterk aan de film ‘Blindness’ denken, hoewel dat natuurlijk wat dramatischer was dan een paar wasmachineshifts…

De laatste dagen begin ik steeds meer en meer aan huis te denken. Gewoon, dingen die ik doe, kleren die ik draag, of zoals ik al schreef, naar het balkon lopen en daar koffiedrinken. Ook Beef Chimichurri en het dragen van zomerkleren staan op het lijstje. Gelukkig maar, zo zegt Wilco (nummer één op de lijst) dat je nu pas thuis begint te missen… ja, goed hè. Maar ja, Finland is nu ook niet meer echt verbazend – het lijkt op Nederland maar dan een stuk kouder.

Ik ga op bed zitten, ontbijt en drink koffie. Ik krabbel mijn dummie vol met een ontwerp voor mijn eindpresentatie. Dat gaat vlot. Een logo (een logo is echt overkill, maar ik weet dat het indruk maakt) … en een layout voor mijn slides en brochure. Zo, dat staat op papier, en niet langer dwarrelt het rond in mijn hoofd. Ik meld Sanna op Skype dat ik rond twaalf uur naar de danswedstrijd zal komen. Om stipt twaalf uur is ze online: ze heeft zich grandioos verslapen. Moet nu eerst naar de supermarkt, komt daarna naar de wedstrijd. Ik vind het prima. Ik pak mijn spullen in en fiets naar de stad. Heerlijk wat een weertje, alleen een felle wind. Ik fotografeer er vrolijk op los. Ik rijd over de Hallituskatu en kom daarmee langs Lifestylekauppa. Ja, ik moest nog buttons kopen. Ik zet m’n fiets tegen het rek en wandel naar binnen. Oooh, er liggen zoveel leuke spulletjes hier. Ik ben vooral dol op de armbanden en kettinkjes die van oude theelepels zijn gemaakt, en de hangertjes van telefoonknopjes. Oh, en niet te vergeten de sleutelhangers met toetsen van een computertoetsenbord. Natuurlijk allemaal dingen die ik zelf ook kan maken, maar ik bewonder de personen die deze dingen in eerste plaats bedachten.

Ik koop een setje van zes bruine buttons met allerlei lieve printjes erop: een hertje, een hartje, een uiltje en een boompje (dat is ook het logo van Lifestylekauppa). Zo, thuis gaan die op mijn tassen of waar dan ook maar. Mijn everlasting herinnering aan design in Finland! (okay ik heb ook al Marimekko stuff gekocht). Ik fiets door naar het marktplein en hoor mijn maag rommelen. Even bij Bisketti naar binnen om voor 1,50 een overheerlijke enorme appel-pulla te halen. Ik ga midden op het plein op de sokkel van de Bol zitten en peuzel het broodje op. Om me heen stuiteren kindertjes rond en spelen mensen met de Bol (hij drijft op een stroompje water en wanneer je hem een zetje geeft, heeft hij genoeg vaart om uit zichzelf te blijven draaien). Ik geniet van de zon, van de vrolijkheid, van de mensen. Door de hele stad hoor je stemmen gonzen, en hier dichtbij mijn oor kabbelt het water dat in een geultje onder de Bol doorstroomt. Ik denk aan Freiburg, aan de bächle, aan goede vakanties en aan warme zomers.

Hup, tijd om door te fietsen naar Hietasaari (het eiland waar Nallikari-strand aan ligt). Ik geniet tijdens het fietsen van de geweldige omgeving, overgoten door felle zon. Bruggetje over, over Pikisaari heenfietsen door de bossen, hup Pikisaari weer af, weer een brug over en je staat op Hietasaari. Meteen aan de rand is al de danszaal. Ik parkeer mijn fiets, zie die van Sanna nog niet. Ik ga naar binnen en schaar me bij de toeschouwers. Er is vandaag een tango-danswedstrijd. Het is wel Finse tango; de vrouwen dragen platte schoenen en ze houden hun hand op de schouder van hun partner ook niet zoals ik dat geleerd heb. Bovendien is de tango erg traag, maar dat vind ik van alle dansen hier. Ik blijf een beetje kijken, maak foto’s en kijk of ik Sanna ziet. O, een sms. Ze is achterin, of ik even wil zwaaien. Ik zie haar niet, dus ik loop wat rond en sms terug waar ik me bevind. Zo groot is het hier toch niet! Dan zie ik haar zitten en ga erbij zitten. We kijken naar de paren die voorbijkomen en kletsen over de outfits en de danspassen. He, wat gezellig, en wat mooi om al die dansers te zien. In de pauze, waarin de jury beraadslaagt (ja ik versta dat dat allemaal wordt aangekondigd!) gaan we even buiten op de veranda theedrinken. We hebben het erover dat ik over twee weken alweer wegga. Sanna zegt dat ze wel vindt dat ik gegroeid ben (mentaal dan, niet in lengte noch in breedte) omdat ik me zo tussen de Finnen en hun gewoontes heb gemengd, en dat vind ik een heel mooi compliment.

Om vier uur ga ik richting Otokylä. Klaríck laat me binnen en ik ga naar de derde verdieping. Even bij Honza langs. Hij is aan het inpakken. Alles gaat in een enorme backpack. Hij heeft werkelijk aan alles gedacht – eten, slaapzak, zelfs stukken karton voor het geval hij onderweg moet liften. Ik bied hem thee aan (het is zijn huis, maar hij is zo druk). Hij gaat koken. Flavién, zijn kamergenoot, komt thuis. Sleept mij mee de kamer van Safak en Martiño in. Hij heeft roze afwashandschoenen voor Honza gekocht, omdat Honza in 4 maanden tijd een bar slechte opruimer was. Ik krabbel een diepzinnige tekst en groetjes op de handschoen en trippel de kamer weer uit. Honza zal de handschoenen, vol met krabbels, vanavond wel krijgen. Flavién heeft ook een wit vrachtautootje gekocht voor Charlotte (omdat ze een associatie met een truckdriver oproept, tja, eens). Nou goed, daar wil ik dan ook mijn naam wel op zetten. Ik blijf nog even hangen. Terwijl Honza zijn laatste voorraad eten allemaal in één keer kookt komt Safak thuis. Hij tikt gelijk Honza op de vingers; heeft hij mij al thee aangeboden, of gevraagd of ik mee wil eten? Nee? Ik moet lachen om de beleefdheid van Safak. Honza moet bekennen dat hij me inderdaad niks heeft aangeboden en zelfs gewoon is doorgegaan met inpakken terwijl ik met hem stond te praten. Safak kijkt hem minachtend aan (niet gemeend hoor) en ik red Honza door uit te leggen dat ik me juist erg op mijn gemak voel hier omdat ik in zijn gedrag veel van mijn eigen wazige gedrag herken. Ik geloof dat Safak nu helemaal steil achterover slaat. Prompt beginnen ze allebei me aan te bieden om avondeten mee te eten, maar nee – ik heb zelf – ik ga naar huis. Of ik dan terugben voor de barbecue vanavond. Eehh… nou… ja goed dan.

Ik ga naar huis en maak aardappels met ham en pepersaus. Afgezien van dat de pepersaus falikant mijn mond uitbrandt vind ik het een prima avondmaaltijd. Morgen weer. Ik knutsel mijn eerder ontworpen logo in elkaar in Illustrator en maak kleine afbeeldinkjes voor op mijn telefoon. Dan spring ik weer op de fiets en ga naar Otokylä. Mensen zitten buiten in het avondzonnetje te barbecuen. En hé wie is daar – het is Sandeep! Ik vraag hem of hij het afscheid nemen van mensen nog niet beu was. Nee… hij had zin om hierheen te gaan. Ik plof neer op een matras op het gras en kijk naar hoe mensen frisbeeën, barbecuen en veel drinken. Ja, het is net een festivalcamping hier…

Zodra het te koud wordt gaan we naar binnen en we proberen het feestje daar voort te zetten. Maar, je merkt al goed dat de groep uit elkaar aan het vallen is, en dat de mensen, die voor het groepsgevoel zorgden, naar huis zijn. Iedereen hangt in losse kliekjes voor hun eigen flatjes. Ik loop wat rond met Veli en Honza en we kijken hoe het langzaam avond wordt. Er gaan mensen naar Kaarle toe, een club in de stad. Ik wil niet mee – sowieso omdat Kaarle me nog erger dan Onnela lijkt, en ook omdat ik het niet kan hebben om vanavond halflamgefeest thuis te komen. Ik zeg iedereen gedag en fiets op huis aan. Zo, bedje in.

zondag

Ik denk dat er aan alle Otokyläfeestjes nu wel een eind is gekomen. Tijd voor het harde werken. Ik heb mijn planning, ik weet wat ik moet doen… al engines ready… go!

Helaas ben ik in de praktijk wat meer van het wegdromen en afgeleid raken, dus de raket die Heidi heet is eerder een soort fladderend vlindertje. Helaas. Ik heb éindelijk een nachtje goed geslapen, dat wel. Ik had de wekker om 7 uur staan omdat Honza mogelijk nog kon bellen omdat hij nog bustickets uit moest printen – en ik toegang tot de school heb op zondag waar je kan printen. Echter, het was niet Honza die belde, maar Sandeep, en wel om 2 uur ’s nachts. Hij was dronken, wilde naar huis en vroeg zich af waar ik was. Eh, thuis, in mijn bed? Eh, ja. Sorry Sandeep, ik ben vergeten je mee naar Välkkylä te nemen! Ik dacht eigenlijk dat hij mee was naar Kaarle, tja, oeps. Nougoed, na 3x vragen of hij écht wel thuiskomt kan ik dan weer gaan slapen.

De rest van de nacht heb ik dan ook goed gepit. Ik word wakker tegen elf uur en schuif de band van mijn ogen. Wat was het heerlijk donker voor de laatste uren! Ik moet nog wel afleren om de band tijdens het slapen af te doen, want daarna word je juist weer wakker.

Ik ga lekker douchen, maak ontbijt en doe de afwas. Dan ga ik aan de laptop zitten en beloof mezelf hard te werken. Eerst even mijn blog updaten… pfoe. Vanmiddag misschien nog maar even op de heuvel (ja waar de slee-races waren deze winter) gaan liggen, Sandeep heeft me verteld dat het een heerlijke plek is om te liggen lezen of te zonnen. En op loopafstand!

maandag

Ik werd vandaag al door meerdere mensen gepord om weer eens een toevoeging aan mijn logboek te doen, so here goes. Ik wil ook gelijk even zeggen dat ik echt weinig tijd heb om hier nog te schrijven, het is zo, zo zo druk nu. De dagen vliegen voorbij en ik moet alles afhebben voordat ik donderdag mijn presentatie heb. Het bijhouden van een ‘kijk een sneeuwvlok’ logboek vind ik dus even niet zo’n hoge prioriteit hebben.

Résumé: ik heb de afgelopen dagen nogal geleden aan slapeloosheid, zo blijkt. Dinsdagavond ging ik voor de laatste keer naar Hevimesta en toen ik daarvan thuiskwam, ben ik zonder problemen gaan slapen. Echter, de volgende ochtend werd ik niet zo helder wakker. De lucht leek van lood en de oogjes wilden niet open. Fijn, dan denk je, een avondje uit, daar betaal je een prijs voor. Maar even rustig aandoen vandaag. Maar de planning tikt wel verder en er moet werk gedaan worden. Dus, slaap, werk, lunch, slaap, werk. De volgende dag is het vast beter: neehoor! wederom, veel slaap, beetje werk, lunch, en weer slaap en nog wat werk. Zo tegen de avond werd ik wel weer actiever, maar ik ben erachter gekomen dat ik met al die zonnige nachten toch een flinke berg slaaptekort heb opgebouwd. Nou ho! Niet gelijk allemaal doosjes Oxazepam en van die troep hierheen gaan sturen, ik ben er alweer bovenop en het gaat goed met me. Desondanks, wanneer ik de eetzaal inloop, word ik door mijn vrienden nog wel begroet met een rake Quasimodo-imitatie. Geweldig 😀

Zondag heb ik mijn bed onder mijn raam geschoven en mijn fleeceplaid als gordijn gebruikt. Is het nu koud dan? Nee joh, het is hier allang lekker warm, de verwarming staat ook niet meer aan dus ik vries niet dood. Alleen, mijn kamer is nu niet meer echt ZEN; aan één kant staan de kast, het wasrek en mijn koffer, aan de andere kant stapelen zich bureau, bed en nachtkastje op. Duidelijk uit evenwicht. De kamer lijkt nu wel nog veel groter! Maandagochtend dus lekker wakker geworden. Gedouched, ontbijt gegeten en toch nog even geslapen. Toen aan het schrijven enzo gegaan. Wel veel mensen op MSN en als je Facebook even opent beginnen ze daar ook vanuit de chat-applicatie gelijk te schreeuwen dus dat versnelde de werkzaamheden niet echt.

Na twaalf uur maar eens even naar school gegaan voor de lounas. Ik ben een beetje laat dus Christian en Alexi zitten al aan de thee wanneer ik binnen kom druppelen. Ze doen hun Quasimodo-imitatie. Aangezien we in de volle zon zitten lukt het me daarna ook niet om echt m’n ogen open te houden dus hebben ze nog meer lol 🙂
Ik smikkel mijn lasagna op en drink de karnemelk en kotikalja (koti=thuis kalja=bier)… ik begin aardig dol op dat spul te worden. Het smaakt slecht en het is alcoholvrij, maar de volgende ochtend zit je wel te likkebaarden voor nog een glas. 🙂

Na de lunch doe ik even een rondje ‘printmogelijkheden’. Ik moet namelijk mijn brochure geprint en ingebonden hebben. De kleine Myymmälä-shop bij de conciërge is dicht voor de zomer. What! Nouja, de conciërge raadt me aan om het in de bieb te proberen. Daar hebben ze alleen zwart-wit. Ik ga naar Bastian Fähnrich, die in opperbeste vrolijke stemming in korte broek zit (reden: hij is net op vakantie in het warme Duitsland geweest – jaloers!). Hij weet ook niet waar ik kan printen, of waar het MiME boekje geprint is. Ik bedank hem en ga dan maar naar beneden. Heikki zit niet op zijn plek. Ik ga naar de productionroom en sluit de Epson kleurenprinter aan. Hooray for Mac: het ding werkt gelijk. Ik gooi er twee blaadjes met de voorkant van mijn brochure uit. Nee, het is een hypermoderne printer, maar met de kleur- en inktsettings die ik nu tot mijn beschikking heb haal ik er afdrukjes uit die het amper halen bij mijn HP930C thuis. Let wel: ik heb echt alle settings op ‘auto’ staan. Desondanks snijd ik één van de twee voorkantjes uit en met wat tape plak ik het ding prachtig midden op de deur van Heikki’s kantoor. Zo, dat je het maar weet – donderdag, smashing dag!

Ik spring op de fiets en race naar het postkantoor. Note to self: het is absurd lekker weer. Overal mensen in t-shirtjes en zonder jas. Kom ik aan met, voor de gelegenheid, mijn rode gebreide wintertrui en mijn winterjas. Ik zweet ter plekke weg! Nouja, toch ’n beetje sauna hier zo. Ik arriveer bij het postkantoor (dat overigens exact lijkt op dat van ons in Enschede, geweldig) en verstuur mijn envelop. De dame aan de balie is zeer blij me in het Engels te helpen en ze vindt het ook prachtig dat ik mijn bubbeltjesenvelop precies zo volgestouwd heb met objecten dat hij nog wel door een brievenbus past. Denken hilft, zo zeg ik maar.

Binnen een mum van tijd sta ik weer buiten. Ik fiets even langs de fietsenwinkel, maar de verkoper wil mijn fiets niet overkopen. Alleen als ik een duurder nieuw model bij hem terugkoop. Wat moet ik dáár nou mee! Op de nieuwsgroepen van de universiteit wil ook niemand mijn fiets kopen. Misschien maar eens lager gaan zitten. Ik wil eigenlijk naar de Alppisstore fietsen in het noorden van de stad, maar ik kan hem niet vinden op mijn kaartje en ik stik van de hitte in mijn trui en jas. Daarom ga ik via de supermarkten naar huis en pluk onderweg een lekker ijsje mee.

Thuis ga ik schrijven en mijn brochure afmaken. Alle 3D-renders zijn nu gemaakt en ingeplaatst. Alleen de tekst… voor m’n weblog schrijf ik zo alles vol, van een officiële brochure krijg ik acuut een writersblock. Het schiet niet erg op. Marjo bakt appeltaart en ik eet een stukje mee. Ze heeft namelijk heel bedeesd gevraagd of ze mijn roomboter mag gebruiken voor het deeg – ja natuurlijk meid, MAAK OP! – en daarom krijg ik als dank een stukje terug. Hoeft toch niet, maar is wel heerlijk lekker. Verder heeft Marjo de gang en de badkamer volgestouwd met witte plastic bakken waarin ze waarschijnlijk al haar huisraad gaat vervoeren. Het zijn stomme dingen, ze zijn breed en plat en je kunt ze niet eens in je armen de trap afdragen. Marjo is soms niet de meest praktische persoon, maar hey, ze kan wel heerlijke taarten bakken!

Ik gooi ook maar eens mijn roze koffer midden in de kamer op de grond en bedenk me wat er het eerst in moet. Platte spullen…ja…. ergens zal ik toch mijn kamer moeten gaan ontdoen van alle persoonlijke items. Jammer. Ik laat de koffer nog even liggen en type nog wat. Dan ga ik maar slapen.

dinsdag

Het is precies een maand na mijn verjaardag! Wat vliegen de weken om. Ik ben gelukkig weer totally wakker vanochtend, dus ik maak ontbijt en smeed wat plannen om lekker aan de slag te gaan. De teksten in mijn brochure kloppen nog van geen kanten, en voordat dat goed is wil ik ‘m niet printen. En voordat die brochure geprint is kan ik geen presentatie geven, vind ik zelf… hoewel… ik kan de presentatie geven zonder de brochure. Maar dat vermindert het smashing effect.

Laatste update: ik studeer toch op 30 juni af, niet op 25 augustus! Er was kleine verwarring dat ik pas na mijn 100 dagen afstuderen (dus op 6 juli) terug zou zijn in Nederland, maar dat heb ik even rechtgezet. De administratie vond dat ik best wel mijn presentatie in die laatste dagen van mijn 100 dagen kan geven in plaats van dat het dan over de zomervakantie wordt heengetild… 🙂 Jos bedankt!

Laat ik eerst maar eens koffie gaan zetten, en lekker teksten schrijven. Twee logboek-items alweer, nu iedereen weer gelukkig?!

woensdag

Nou goed, hier nog een berichtje dan, maar alleen omdat ik vandaag zulke grappige dingen heb meegemaakt. Ik ben razenddruk dus eigenlijk moet ik hier mijn tijd niet verlummelen op mijn weblog. Dat is namelijk maar bijzaak… deze website ís al af, nu nog eentje die vannacht nog af móet.

Ik zal beginnen bij het begin. Ik had de wekker vanochtend op zeven uur staan, maar hoe ik het ook wilde, ik sliep vrolijk door tot acht uur. Toen maar in pyjama aan de laptop gaan zitten en alle lege kopjes van de brochure gaan invullen. Daarbij mezelf beloofd: als ik snel doorwerk, mag ik weer een uurtje slapen. Zo werkte ik op de middelbare school altijd, op de hogeschool, en zelfs nu nog – en het werkt niet. Enkele weken geleden had ik daar trouwens nog helemaal geen neiging toe. Volgens mij is het nu omdat mijn bed achter me staat en ik het telkens vanuit mijn ooghoeken zie als ‘neem een duik achterover, kom slapen!’

Het is uiteindelijk half elf wanneer ik alle teksten heb ingevuld en heb nagekeken. Geen spelfouten, geen rare zinnen. Toch durf ik het document niet nog een keer in te kijken. Ik ga even lekker douchen om wakker te worden – het uurtje beloofde slaap ten spijt. Dan kopieer ik het documentje naar mijn stick en fiets naar school. Ha, Christian en Aleksi staan net in de rij om eten te halen. Ik ben in een opperbest springerig humeur en pogo ze bijna omver. We hebben lekker eten vandaag. Ja, mijn laatste cheape lunches. De caissières kennen me zelfs al, ik hoef niet eens meer mijn kaart te laten zien. Er lopen nu ook al aanzienlijk minder studenten door de school, omdat het techniekgebouw al vakantie heeft.

We zoeken een tafeltje en vallen aan op onze lunch. Na enkele happen zegt Christian, terwijl hij op de reepjes haring in mosterdsaus wijst ‘mmm pinguinfood’. Ik kijk hem verwonderd aan. Mis ik een goede Duitse grap? Daarop prikt Aleksi een reepje haring aan zijn vork en doet met veel smek en tsjilpgeluiden een hongerige pinguin na die piepend hapt naar het stukje vis boven zijn neus. Het ziet er zo komisch uit, daar had je bij moeten zijn. Daarna leggen ze me uit dat het in Duitsland gewoon is om, wanneer je in een flat of huis gebakken vis ruikt, de opmerking over ‘Pinguinfood’ maakt. De manier waarop ze het zeggen, en de pinguin-imitatie. Ik kan er nu nog steeds om lachen.

We hebben een stille Fin bij ons aan tafel zitten, die halverwege onze lunch zijn bordje leeg heeft en dat gaat opruimen. Ik heb er maar vrede mee dat hij kennelijk altijd rustig bij ons zit en zich er niet aan stoort dat wij enorme gesprekken voeren. Hij is maar net weg of Ján schuift aan. Ik vraag hem direct of hij morgen bij mijn presentatie zal zijn. Ja, ja, hij zal er zeker zijn. Hij legt me uit waar hij rond dat uur aan het werk is en we wisselen telefoonnummers uit. Zo, geregeld. Ik ben blij dat ik Ján heb, want hij is goed in filmen. Als ik mijn eten opheb zeg ik iedereen gedag en zoek het kantoortje op waar ik kan printen. Ik print de PDF twee keer uit: 1x helemaal op 160grams papier (zware overkill, maar het is wel impressive) en 1x gewoon netjes met voor- en achterblad op 160 en het binnenwerk op 100. Zo, op naar de printshop, waar ze ’t voor me in kunnen binden.

Ik spring op de fiets, neem de Kaikovainionkatu totaan het tunneltje onder de Kainuuntie door. Dan door de stad, Saaristonkatu… hmm, voor de Isokatu maar rechtsaf. Ik volg die straat een hele tijd, wetend dat ik ongeveer in de richting van de printshop ga. En warempel, als ik de Halituskatu over ben, zie ik dat ik exact de goede straat heb genomen. De printshop is nog open ook en de medewerker praat Engels! Ik laat mijn boekwerkje in plastic witte ringen inbinden. Had liever metaal gehad, maar wie weet komt Heikki nog met een plotselinge wijziging de komende dagen. Je weet het maar nooit. Vier veertig kost het, zegt de jongen tegen me. Okay, 2 boekjes inbinden, 2,20… het kost wat tegenwoordig. Dan komt hij terug en rekent 8,80 af. Ja, dat klopt echt. Ik sta versteld, wat een winst moeten ze hier draaien! Morrend geef ik mijn tientje af en neem het karige wisselgeld in ontvangst. Woekerprijzen. Maar, ik heb het wel rap gefixt, dat had veel slechter kunnen verlopen. En de printjes waren gratis.

Ik fiets terug naar huis en rust even uit. Ik ontruim nog een kastje zodat er weer wat meer zooi in mijn koffer zit. Het huis is overigens een bende. Overal hangen tapijtjes over de deuren te drogen en het hele huis ligt vol met die witte plastic bakken van de markt. Ik heb geen idee waarom Marjo niet gewoon verhuisdozen gebruikt, maar dit is kennelijk goedkoper. Ik had vanochtend al moeite om me een weg door de douche te banen – ook die ligt namelijk helemaal vol. Ik vraag me een beetje af wat ik moet gaan schoonmaken zaterdag of zondag, ik denk aan het vaste rondje plus een poging om de oven grondig te reinigen. Zal Marjo er wel weer een sausballet van maken…

Afijn, ik ga aan de slag met de website. Het is ’n echte brainblocker nou. Deed ik dat ooit als hobby, websites maken? Ik weet nu honderd manieren om er onderuit te komen. Facebook, Frenzoo, zelfs reclamebanners klik ik aan. Ik heb er gewoon geen zin in. Maar het ding moet af, ik weet dat Heikki dolblij is om een strakke website te zien. Daarom gaat het stapje voor stapje. Ondertussen snack ik absurd veel en drink ik ijsthee bij het leven. Straks nog even de presentatie maken en oefenen, en dan m’n bed in…

zaterdag

Zo, er zijn weer een aantal dagen voorbij. De presentatie zit erop en ik heb inmiddels ook alweer uitgebreid uitgeslapen.

De dagen van inpakken, schoonmaken en wegwezen komen er aan. En het is heel hectisch, want er zijn van die afwegingen die je moet maken…

Ik moet een erg rommel naar de ruilkamer brengen, ik moet de oven schoonmaken. Marjo heeft aangekondigd (of gedreigd?) dat ze de schoonmaakflesjes vandaag gaat meenemen en dat ik snel moet zijn wil ik die nog gebruiken. Echter, gisteren vertelde ze dat ze graag wil dat ik een pak stofzuigerzakken betaal, omdat zij ‘has been paying her ass off on those’. Nou excuse me, – ik zei in eerste instantie ja – maar ik heb maar gebruik gemaakt van 1 stofzuigerzak. En die zat in de laatste dagen zo vol dat ik hem met blote handen boven de prullenbak heb staan leegtrekken. Ja heerlijk, grijs stof en bollen haar en weet ik niet wat.

Dus ik vond het het helemaal niet waard om haar in zulke mate te sponsoren. Eén stofzuigerzak, ja tot daar aan toe. Dan had ze dat gelijk moeten zeggen toen ik hier kwam wonen. Ze doet toch al zo nukkig over dingen lenen, nou dit weer.

Enfin, vandaag twee kastjes leegpulken, de oven schoonmaken, misschien mijn fiets verkopen, naar Otokylä gaan om mijn DVD met mijn filmpje op te halen en ook nog naar Sokeri-Jussi om een bord lohikeitto (zalmsoep) te eten. Ik weet het allemaal even niet meer…

Op het moment dat ik mijn fiets kwijt ben sta ik in het andere, noordelijke einde van de stad. Moet ik een bus terug pakken. Dan kan ik in de stad soep eten, maar dan moet ik naar huis. En dan vanavond naar Otokylä te voet en ook te voet weer terug. Ik heb die fiets eigenlijk constant nodig. Het nare is gewoon dat als ik hem niet naar de Alppistore breng, ik hem ergens achter moet laten en dat vind ik nogal onwaardig voor een fiets waar ik vier maanden vrolijk op rondgecrosst heb. Ik ga nu nog een laatste poging doen om hem op maandagochtend aan een student te verpatsen, maar tot dusver houd ik hem.

Nou, hopsaaaa, aan de slag!

zondag

Nou, de laatste dag! Ik ben vanochtend uitgebreid wakkergeworden, zo tussen tien en elf. Toen ik net dacht ‘ik ga ontbijt maken’ hoorde ik de voordeur open gaan. Gestommel in de keuken, stemmen. Ook Engels. Goh leuk 🙂

Daarop ben ik maar even in pyjama gaan kijken. Heb me voorgesteld aan het nieuwe meisje dat in Marjo’s kamer komt wonen: ‘Matlena’ – al ben ik over de schrijfwijze niet geheel zeker. Ze is Finse, maar ze praat uitstekend Engels. Het eerste wat ze zei was ‘goh wat leuk dat je uit Holland komt – ik ga naar Holland op exchange!’

Nou was dat op zich al toevallig, maar het blijkt dat ze ook nog eens in Velp komt te zitten! Voor de mensen die dat niet kennen: Velp is – zoals het zichzelf noemt – het zilveren lint in ’t groen. Vrij vertaald is het gewoon een bejaardendorp aan de rand van de Posbank. Matlena gaat daar in Augustus voor enkele weken of maanden tuinarchitectuur studeren bij Larenstein. Wat een toevalligheid!

Nou, ik heb beloofd voor haar een kaartje en lijstje met treininfo en zut te maken. Ik vroeg haar of ze Arnhem kende. Nee, dat kende ze niet. Goed, laten we daar dan maar eens beginnen… 😛 Arnhem gaat ze góed kennen 😀

Ondertussen ben ik aan het inpakken en opruimen. Ik heb het idee om al mijn bezittingen zoveel mogelijk in éen hoek van de kamer te houden zodat ik de rest vast stof- en pluisvrij kan maken. Volgens de regels moet ik de vloer moppen maar ik heb geen mop en ik heb eigenlijk weinig zin om de hele vloer te gaan doen terwijl hij zo schoon is.

Vanmiddag wil ik nog naar een meer vlakbij Linnanmaa fietsen. Het is eventjes een half uurtje fietsen denk ik, maar het is heerlijk weer; 25 graden!!! BOVEN NUL!!!

Enfin, en het meest eh, schaamtevolle is: van mijn hele verblijf in Finland heb ik nog geen enkel meer gezien. Ik kan natuurlijk voor eeuwig falen, maar ik kan ook even mijn poot in een meer gaan steken vanmiddag. Dus, laten we hopen dat er niets tussenkomt en dat ik dat meer nog te zien krijg. 😀

Ik zal ook nog even kijken of ik vanmiddag wat foto’s van de omgeving hier kan uploaden, want ik heb de laatste dagen al zo weer 100 foto’s gemaakt… en ik heb maar telkens geen tijd om ze online te gooien.

Nou, de foto’s staan online. Nog niets bijgeschreven, maar ik kan al wel vast verklappen dat ik op één ervan een echt teer-ijsje show, op een andere een echt Fazer frambozen-yoghurt-chocoladereepje en dat ik op een andere met een vriend sta die Christian heet. Verder zijn alle foto’s denk ik best wel zelf-uitleggend. De jongen die met me op het strand was was Balàsz, ik noemde hem eerder Klarick, maar dat bleek zijn achternaam te zijn (Hongaren draaien hun naam standaard om).

Ik ben vanmiddag naar het meer gefietst dat achter Otokylä ligt in Lintula. Ik wilde eigenlijk naar het noorden fietsen, naar een serieus meer dat bij Linnanmaa ligt. Maar dat was nogal ver weg, en bovendien was er kans op verdwalen. Dus besloot ik om een route te rijden die ik al wel ken en zo kwam ik bij het mini-meertje uit. Maar hey, het was een meer! Ik ben in Finland bij een meer geweest. En ja er zwommen eenden in.

Ik heb lekker langs de kant gezeten en daarna nog op een bankje, terwijl mensen om me heen de eendjes voerden. Toen de zon wegtrok en het kouder werd ben ik maar richting huis gegaan. Het begon ook flink te waaien. Ik had eigenlijk toen wel een fikse onweersbui verwacht, want zo zag de lucht er wel uit. Maar, nee, het weer is overgetrokken, we hebben het nog steeds droog (en warm). Je zou het bijna niet geloven van Oulu.

De plannen voor morgen zijn ingewikkeld. Het had echter niet anders gekund dan dit.
Ik heb op dit moment nog mijn fiets, die ik echt heel graag kwijt wil, maar ik vind wel dat hij iets waard is. Ik wil hem niet zomaar weggeven en ik wil hem zeker niet zomaar dumpen met de sleutel in het slot. Ik kan huisgenote Paula vragen of ze hem wil kopen, maar ik heb al zoveel weggegeven, dat ik het stom vind om nu te zeggen dat ze moet betalen voor iets. Daarom heb ik het plan om morgen een spoedritje te gaan maken.

Ik fiets naar school om kwart voor negen en lever mijn sleutel in bij de conciërge. Ik print mijn e-ticket voor de Blue1-vlucht (die voor de KLM-vlucht kan nog niet 🙁 ) , ga op de foto met Aleksi (is die er niet, pech gehad) en fiets dan naar de Alppistore. Onderweg ga ik langs Psoas en drop mijn sleutels in de brievenbus. Ik wil precies om 10 uur bij de Alppistore zijn. Ik verkoop de fiets voor elk bedrag dat ze noemen. Dan zorg ik dat ik een bus naar huis pak, ga naar binnen met Paula’s sleutel en pak mijn koffers, die uiteraard in de keuken staan. Dan ga ik zitten wachten tot ik de bus naar de airport kan nemen…

Ik heb zonet trouwens nog even gechat met Teddy, de jongen die ik lang geleden bij de wasmachines tegenkwam. Hij was verbaasd en beledigd dat ik naar huis ging – zonder dat we samen thee hadden gedronken! Ik natuurlijk ook beledigd. Na een gesprek waarin hij me verweet dat ik te kortzichtig was en dat hij nooit een kans had gehad om te bewijzen dat we vrienden hadden kunnen worden. Hij wilde veel meer dan alleen thee drinken, en hij wilde ook eens naar Nederland komen. Daarop heb ik hem maar uit mijn Facebookprofiel gekeild. Sorry Teddy, maar je was wel erg zielig aan het azen op weet ik niet wat, en je hing een beetje te erg de reallife Nigeriaanse spammer uit. Serieus, die mensen bestaan dus…

maandag

Dit bericht schrijf ik maarliefst een week na dato! Maar, omdat het zo’n hectische en indrukwekkende dag is geweest is dat nog ruim op tijd. Here goes.

Op maandag word ik rond zes uur in de ochtend wakker. Op zich niet van het licht; nu mijn bed onder mijn raam staat ben ik daar op zich wel aan gewend. Nee, het is Matlena die in de keuken aan van alles staat te rammelen. Geeft toch net iets ander geluid dan wanneer Marjo dat deed. Ik bedenk me dat ze mogelijk mijn pannen en borden aan het verslepen is. Hoho, ik moet er nog van eten! Daarom hobbel ik half in slaap de keuken in en maak duidelijk dat ze mijn spul nog even mag laten staan. Ze vindt het maar komisch, ze was gewoon haar eigen keukengerei aan het wegzetten. Mijn spul staat er nog. Oh, ok! Maar waarom dan om 6 uur ’s ochtends?

Ik slaap nog een uurtje of twee tot het tegen acht uur is en dan sta ik op. Vreemd genoeg slaapt Matlena nu weer. Misschien was ze ook aan het slaapwandelen?

Ik maak ontbijt en geniet van mijn laatste ochtendje in de keuken. Het lijkt al bijna niet meer dezelfde keuken: magneetjes op de koelkastdeur, een stapel houten kratjes als nieuwe kast voor pannen en potten. Een plant, nota bene. Het is half negen als ik me bedenk dat ik nu nog mijn bedspul in moet pakken en dat ik ook om negen uur op school wilde zijn. Hé, dat gaat niet lukken. Ik doe daarom maar gewoon alles in volgorde: ik ruim netjes mijn bed af, haal de gordijnen van de ramen en vouw alles netjes op. Het dekbed en het kussen stop ik zelfs weer terug in hun originele zak. Alles gaat in de keuken op een leunstoel. Om kwart over negen kan ik eindelijk vertrekken. Eerst even langs de supermarkten om geld te pinnen. Ik wil namelijk voor Ján, de cameraman, een bedragje achterlaten dat ik wel kan missen en dat hij wel kan gebruiken deze zomer. Hij heeft toch zo maar weer twee uur werk voor me verricht, om nog maar te zwijgen van de tijd die ik er zelf in had moeten steken als ik hem niet had gehad.

Ik fiets net door de kuil achter Raksila als ik me bedenk dat ik straks op doortocht moet naar de Alppisstore en dat ik de bon van de fiets niet bij me heb. Die bon kunnen overhandigen vergroot wel mijn kans op succes, dus die moet mee. Ik keer resoluut om, race nog een keer door de kuil (mijn arme fietsje) en haal hijgend de bon van boven uit de flat. Dan maar weer naar school. Het is nu echt half tien. Ik moet voor tien uur op school zijn want dan is Aleksi van z’n plaats voor een vergadering. Ik dub even of ik nog wel ga pinnen maar doe het toch. Als ik het nu niet doe vergeef ik het mezelf nooit. Ik raus naar de eerste supermarkt, die z’n pinautomaten buiten heeft zitten, en terwijl ik het hele voetpad blokkeer sleur ik m’n geld uit de muur. Nog iets extra, voor het geval ik straks een taxi moet betalen.

Dan pak ik een andere weg richting school. Vanaf de supermarkten gaat dat best snel. Ik sjees op Otokylä af en sla vlak daarvoor linksaf naar school. Tien over half tien! Wat een record. Ik probeer weer een beetje van mijn tomaatgezicht af te komen en rustig te lopen terwijl ik Aleksi opzoek. Gelukkig, hij zit op zijn plek. We praten nog wat, hij wenst me een goede reis en we gaan nog even op de foto. Daarna loop ik naar het productielokaal en print mijn eerste boardingpass uit. Die van Oulu-Helsinki heb ik kunnen bemachtigen, die van Helsinki-Amsterdam is niet te krijgen. Afijn. Ik print ook een reisschema in Fins en Engels uit, voor het geval ik moeilijk moet doen bij balies. Ik hop even de students room binnen en laat een fiks pak koffiefilters plus een doosje melkpoedertjes achter. Daarna ga ik mijn electronische sleutel (door Annemari en mij steevast de Bzzzz genoemd) terugbrengen. Ja jammer, ik zie eigenlijk geen bekenden meer. Ik krijg 20 euro terug van de dame bij de conciërge en ze brabbelt er nog een heel verhaal in het Fins bij. Ik vraag haar of ze het kan herhalen in het Engels. Compleet verbaasd zegt ze dat ik eigenlijk een boete van 3 euro heb voor het niet op tijd activeren van de sleutel, maar dat ze me die wel wil kwijtschelden. Eh, oké. En verder zegt ze dat ze eigenlijk aannam dat ik Finse was omdat ik er zo uitzag en omdat ik eigenlijk al de hele tijd Fins had gepraat. Ja klopt, in die korte woordenwisseling over mijn sleutel had ik geloof ik nog geen Engels woord genoemd. Grappig van haar. Ik krijg een briefje van 20 en een bonnetje. Nou, op naar het volgende target.

Ik race langs Heikki en wens hem nogmaals een goede zomer. Ik laat de envelop voor Ján achter en ga dan door de achterdeur naar buiten. Zo. School. Voor de laatste keer. Nou, het was me een genoegen. Ik stap op de fiets en zet koers naar het centrum. Eerst naar Psoas. Dat gaat vrij vlug. Ik loop bij het kantoor naar binnen en na wat gedraal (er zit een wachtrij van 2 uur, had ik dat in februari al niet voorspeld?) gooi ik de sleutels maar gewoon in de daarvoor bestemde brievenbus. Een beetje kaal loop ik het gebouwtje weer uit en stap weer op de fiets. Nu ga ik over de rivier heen naar het noorden. Ik heb vandaag een enorm emo-dagje. Bij alles dat ook maar een beetje mijn passie heeft houd ik het met moeite droog. Ik weet niet of het gewoon de tijd van de maand is of dat mijn neus zegt dat we naar huis toe gaan en dit alles achterlaten. Oh bah, als ik erover nadenk zit ik alweer met de waterlanders. Als dat maar goed gaat.

Ik fiets door naar de Kankaantie alwaar de Alppisstore is. Het is echt daadwerkelijk 2 meter verder dan de flat waar ik mijn fietsje heb gekocht. Er staat een hele reeks fietsen buiten, waaronder ook de witte fiets met rood-oranje-gele beplakking die inspiratie is geweest voor mijn conceptverslag! Dat moet geluk brengen. Ik loop naar binnen en vraag of iemand Engels praat. Een meisje gaat met me mee naar buiten. Ze praat amper Engels maar ze snapt wel dat ik mijn fiets wil verkopen. Ik laat haar de bon zien. Ze belt met een collega. Nee, zegt ze als ze ophangt. Ze kopen al een tijdje geen fietsen meer op. ‘Maar ik heb de bon!’ sputter ik. Nee, blijft ze stug volhouden – ondanks de bon geen geld voor deze fiets. Achterlaten mag wel! Ehhh…

Maar, zegt ze, verderop zit nog een tweedehands winkel. Ze noemt de naam en zegt dat ik ‘m daar wellicht wel kwijt kan. Ik fiets erheen. Ook daar spreekt niemand Engels. Ik probeer de verkoopster aan de balie in het Fins uit te leggen dat ik een fiets heb (zeg dus eerst dat ik een fiets bén… gemakkelijke spraakverwarring in het Fins). Nou, dat vindt ze leuk. Maar wat wil ik met die fiets? Ze haalt er een grote man bij die Engels kan. Hij praat inderdaad redelijk Engels. We lopen naar buiten naar mijn fiets. Een oud opaatje wandelt mee. De man vindt mijn fiets wel mooi. Hij wil er wel 30 euro voor geven, lichtjes incluis. Ik vind het best. De waterlanders komen weer op. Ik moet mijn fietsje afgeven! Afijn, hij wil even een stukje peddelen. Ik haal de fiets van het slot en hij rijdt een rondje. Schakelt wat, vergeet achteruit te trappen, schakelt nog wat… en knars. De ketting schiet van de derailleur af en belandt, lang als hij is, tussen het achterwiel en een plastic schijf die ketting en wiel van elkaar gescheiden houdt. De man stapt abrupt af en reikt me de fiets aan. ‘Ik ben niet langer geïnteresseerd’ zegt hij. ‘De fiets is stuk’. Ja, DUH! Dat kan ik ook wel zien, lapzwans! Ik word onmeunig boos en kan het even niet houden. De waterlanders vallen op volle sterkte aan en ik schreeuw in het Nederlands en Engels de man omver. Hij is duidelijk even van zijn stuk gebracht en snapt wel dat ik het niet zomaar pik dat hij zojuist mijn fietsje om zeep heeft geholpen.

Hij loopt naar zijn auto en ik denk, nou, maakte ik zoveel indruk? Nee, hij komt terug met een schroevendraaier. Ondertussen praat het opaatje tegen me en vraagt of ik de bloemenstickers er zelf op heb geplakt. Ik praat wat simpele Finse dingetjes terug met hem. De grote man steekt een schroevendraaier tussen het wiel en weet de ketting los te wrikken. Daarna rijdt de fiets weer als een zonnetje. Ik zeg ‘en nu?’ en de man zegt droog ‘ik ben niet meer geïnteresseerd’. Ik ben nog steeds pissig, maar ik vind nu ook dat de man deze fiets niet meer verdient. Tabee lapzwans, ik hou ‘m zelf wel. Het is niet echt praktisch, maar ik was toch al aan de late kant en nu heb ik tenminste vervoer naar huis. Ik race terug over de eilandjes naar Välkkylä en raak daarbij mijn woede mooi kwijt.

Wat ik met de fiets doe weet ik nog niet. Ik denk dat ik hem maar gewoon aan mijn nieuwe huisgenotes doneer. Ik ga voor een laatste keer langs de Prisma (ho waterlanders) en sla wat fruit en sap in voor onderweg. Thuis aangekomen (ik heb de sleutel van Paula) bekijk ik voor de laatste keer mijn kamer. Trek alle kasten open, voel alle planken na. Kijk onder het bed en speur onder het bureau. Alles leeg. Tijd om te gaan. Ik haal de grote plant uit de deuropening weg en trek de deur dicht. Klik. Op slot, niet meer van mij.

Ik doe een afwasje, maak een lijst met alles dat mijn huisgenotes mogen hebben en plak de lampjes en de sleutel van mijn fiets bij op het blaadje. Hopelijk hebben zij nu een leuk boodschappenfietsje. En als ze ‘m niet willen…ach. Ik zal het nooit weten.

Ik mis de bus van 11.57 (de veilige optie) en vertrek om 12.10, waarmee ik precies de bus van 12.27 (de precies-op-tijd-optie) weet te halen. Hij komt echt nét aanrijden. Vrolijk en blij roep ik de chauffeur toe ‘gaat u naar het centrum?’ – de chauffeur is stomverbaasd (en erg duf) en knikt ja, maar een meisje op de achterbank moet lachen. Waarschijnlijk om mijn prachtige Fins en mijn enthousiasme. Ik strijk neer op het eerste het beste bankje en laat het B-busje me naar het stadscentrum rijden. Wat leuk, om alles dat ik ken nogmaals te zien. Bij Toripakka E stap ik uit. Er rijdt net een grote bus weg. Het was gelukkig niet 19. Die komt mooi na 5 minuutjes aankachelen. Ik bestel een kaartje naar de Airportti. De chauffeur kan geen Engels maar ik weet wel dat het snor zit dus ik betaal en installeer me op een bankje. Er gaan zo te zien nog meer mensen naar het vliegveld. Oulu trekt aan me voorbij. We komen door het stadscentrum, door het zuiden, langs de Club Teatria en langs de afslag naar Otokylä.

Na wat rondkarren door Oulunsalo (wat een oorlogsgebied zeg!) staan we dan voor de airport. Een moment later sta ik in de hal voor baggageafgifte. De SAS-balie is nog niet open. Tezamen met 50 oude mensjes (kennelijk weekje Helsinki ofzo) blijf ik braaf wachten tot ik mijn koffer kwijt kan. Ondertussen drink ik sap uit mijn nogal misleidende Koff-bierflesje (van plastic!). Gezien de snelheid waarmee ik het achteroversla is een kleine uitleg voor de dametjes rondom me niet overbodig. Ze knikken langzaam als ik ze op het hart druk dat ik niet op dit tijdstip bier in zulke hoeveelheden achteroversla. Ik vind het wel grappig. Wat niet zo grappig is, is dat mijn koffer veruit de grootste is van het hele gezelschap dat straks met SAS meegaat. Ook mijn handbagage is niet alleen groter dan alle handtasjes van de dametjes, maar ook nog eens groter dan de duidelijk aangegeven voorschriften. Als ik maar met al m’n zut in het vliegtuig kom!

Ik eet mijn appel op, plet mijn tas nog wat meer en lever ondertussen mijn koffer in. De baliedame glimlacht en maant me door te lopen terwijl ze een flinke bundel stickers om het handvat plakt. Okay, okay. Just to make sure. Ik ga door de douane. Ja, die tas is veel te groot. Wat? Mag hij zomaar door de scanner? Wat coulant. De laptop gaat eruit en mijn flesje bier vruchtensap en mijn deodorantje ook. Mijn jas, mijn riem en nog wat rommeltjes moeten ook apart. Dan ga ik door het poortje. Niks. Toch wil de dame me compleet fouilleren. Wat jij lekker vindt, ik blijf wel staan. Daarna pelt de douanebeambte mijn hele rugzak uit. Pennen, fotobatterijen, een zakje cacaopoeder (slim Heidi!) en nog meer onschuldige waar moeten eruit. In een aparte bak gaat het hele zootje nog eens onder de scanner door. Daar sta ik dan met 3 bakken aan goederen. De medewerkerster kan niks vinden (ze heeft zelfs nog even aan de cacao gesnuffeld!) en vraagt uiterst vriendelijk of ze moet helpen inpakken (ergo: met al die oude mensjes hadden ze toch niks te doen, dus gingen ze voor de lol mij maar volledig controleren). Ik sla het af, ik heb nog een uur. En hoofdpijn, inmiddels.

Ik hang een uur in de vertrekhal en knabbel aan mijn eerste Fazer-reepje. De twee anderen zitten in mijn koffer. Eindelijk komt het vliegtuigje aantaxiën. Ik zie mijn koffer ingeladen worden. Wat leuk! Dan gaan we er zelf in. We taxiën wat naar de runway en hop, daar gaan we. Ik maak wat foto’s van het gebied waar we overheen vliegen. Het is helder, maar ik kan Oulu-centrum niet meer zien. Oulunsalo lag namelijk al ten zuiden en dat is ook de richting waarin we vliegen. Met een uurtje zijn we op Helsinki.

Daar race ik meteen naar de Transferbalie. Er is er geen van KLM. Ik klop aan bij SAS. Ze kan me niet helpen maar ik mag wel de telefoon gebruiken om KLM te bellen. Warempel, op de balie naast haar staat een telefoon. Nou, snel regel ik dan dat ik mijn volgende vlucht bevestig en mijn bagage laat verhuizen. Tegen vijven moet ik bij gate 28 zijn.

Sandeep belt. Hij staat buiten de douane, of we nog even kunnen zwaaien? Ik probeer koortsachtig een plek te vinden waar beide zijden elkaar even hallo kunnen zwaaien, maar het lukt niet. Er is ook nogal wat haast bij geboden omdat ik met een Nederlands nummer Sandeep via Finse masten op zijn Nepalese nummer bel, dat is ook niet geheel kostenloos. Uiteindelijk komen we erop uit dat we elkaar echt niet kunnen zien. Het is grappig en droevig tegelijk. Hij wenst me een goede reis en ik ga bij mijn gate zitten wachten. Overal zie ik mensen met korte broeken en shirtjes lopen – het is namelijk vandaag 28 graden. Ik loop rond met een joekel van een rugzak en draag een heel pak kleren plus een dikke winterjas. Hé, leuk joh.

Ik internet wat en ga dan in de rij staan om te boarden. Dat gaat gelukkig vrij snel. De dame bij de balie verstaat mijn naam gelijk goed en komt met een ticket aanwandelen. Ook mijn bagage wordt gecheckt: yes, die is goed meegekomen. Vrolijk (maar nog steeds met hoofdpijn) stap ik in. Ik groet de cabin crew vrolijk met Terve! en hoor dat ze in een dik Hollands accent terve terugzeggen. Oh, natuurlijk, Nederlandse crew. Ik moet lachen. Ik zoek mijn plaatsje naast twee Finnen op en maak me klaar voor de reis. 2,5 Uur zitten, wat een opgaaf. Onderweg praat ik telkens in een andere taal tegen de stewards. Uiteindelijk komt één erachter dat ik Nederlands praat. Hij vindt het wel leuk.

Ik vul nog een enquête in over de goede service en accuraatheid van KLM (niet wetende dat er op dat moment ergens anders op de wereld een KLM-vliegtuig onherroepelijk uit de koers aan het raken is). Na nog wat tekenen, lanterfanten en genieten van de flauwe snacks aan boord zetten we dan eindelijk de landing in. We zijn 25 minuten te vroeg. Lekker, dan kan ik op Schiphol ook nog eens een half uur wachten op Wilco.

Eindelijk staan we aan de grond. We lopen naar de aankomsthal en iedereen stuift uit elkaar. Waar moeten we de koffers ophalen? Ik loop maar achter wat mensen aan naar de ‘Luggage Hall’ in veronderstelling dat dat één grote ruimte is. Ik geloof dat niemand een idee heeft. Op de borden staat aangegeven dat er baggage vanuit Helsinki is, maar het is niet voor mijn vlucht. Dan verandert het bord. Wél voor mijn vlucht. Ik loop erheen. Achter de glazen ruiten spot ik niet alleen Wilco, maar ook zijn ouders en mijn ouders. Wat een team! Ik doe nog even alsof ik ze negeer en ga op mijn koffertje staan wachten. Gelukkig, het is één van de eerste.

Dan zoek ik een weg naar buiten en word verwelkomd door de hele club. We drinken nog een koffie bij een cafeetje op Schiphol en ik moet mijn eerste ervaringen van de dag vertellen. Eigenlijk ben ik gaar (zo voelt gaar nou echt, drooggekookt en duf) en heb stevige hoofdpijn. Na de koffie stappen we ieder in onze auto en op de trein en na een rondje Doesburg waarbij we mijn ouders afzetten scheuren we door naar Enschede. Het verbaast me dat het donker wordt. Als we bij Arnhem op de snelweg zitten wordt het donkerder dan ik de afgelopen weken heb meegemaakt. Het is raar.

Met een uurtje of anderhalf zijn we weer thuis. Yeay. Het Finland-avontuur zit erop.
Daarmee is ook dit weblog tot een einde gekomen.

Nog een paar maandjes leesvoer en dan zo rond september zal dit weblog in de kelders van mijn website verdwijnen. Veel plezier met lezen en bedankt voor alle interesse!

dinsdag

Onverwacht… toch nog een berichtje. Vandaag op 30 juni, bijna een maand na mijn vertrek uit Finland, ben ik afgestudeerd op het project waar ik in Finland aan gewerkt heb. Ik heb mijn afstudeerverslag zelf in boekvorm gegoten en zelf gebonden. Daarna heb ik in een lokaal ten overstaan van drie docenten plus een kliekje publiek mijn presentatie gehouden. Na een kwartiertje overleg mocht ik vrolijk en nog helemaal in roes huiswaarts keren met een 9 voor mijn afstudeerwerk en een 8 voor mijn presentatie. Geslaagd!

vrijdag

Met Koen (of zonder Koen…) een weekend naar Parijs!

zaterdag

zondag

donderdag

Weekje in een huisje met Cecilia.

vrijdag

Ik word wakker in Bolzano en pak de trein naar Trento.

Op Trento moet ik de regionale bus naar Darè hebben. Die vertrekt niet vanaf het lokale busstation. Niemand spreekt nog Duits op deze breedtegraad. Carabinieri helpen me. Bij het loket wil men me geen kaartje verkopen omdat ik geen Italiaans spreek, maar mijn bus vertrekt zo. Dus ik druk het uitgeprinte vertrekstaatje tegen de ruit en krijg voor enkele luttele euro’s toch mijn ticket.

Ik word lichtelijk misselijk in de bus. We slingeren door de dalen. Ik vraag waar Darè is en de man naast me wijst alleen maar. ‘Dieci minuti’ enfin zodra we er zijn herken ik het gelukkig en staat Cecilia al bij de busstop.

woensdag

Cecilia en ik ontbijten en daarna stappen we in de auto. De honden blijven in de stacaravan. Het is ongeveer anderhalf uur heen, anderhalf uur terug. Cecilia zegt dat dat wel kan.

We crossen langs het Idromeer naar Brescia en van daar het drukkere stadsverkeer in naar Bergamo. Cecilia is nergens bang voor en houdt een stevige Italiaanse rijstijl aan.

woensdag

Rondje Baltische Zee!

zondag

Duur: 20 dagen

Landen: Duitsland, Zwitserland, Italië

- ⟡ -
Het is zondag 5 juli 2015. Het is snikheet de laatste dagen. Ik heb wat koeler weer afgewacht om te vertrekken.

maandag

Op dag twee ga ik van Chur naar Sankt Moritz.

dinsdag

Het blog is geïnstalleerd! De eerste thema’s zijn uitgeprobeerd en ik ben geland op Social Magazine.

vrijdag

Vrijdag: bijtijds van werk weg, met de laatste snel gefixte props voor mijn Thor-kostuum: rode armpads, waar eigenlijk nog zilverkleurige schildjes op moeten. Ik heb ze gemaakt van een rood afgeknipt kindershirt. Goed genoeg.

Ik kom thuis en probeer alles in te pakken. Ik heb zoals gewoonlijk een paklijst, maar die is verre van compleet (met name omdat ik nu niet de standaard dingen moet hebben). Ik pas mijn kostuum aan, keur de staat van compleetheid goed, en trek het uit om het in te pakken. De rode armpaddings laat ik maar zonder schildjes, want die zijn nog net niet droog, en tricky om vast te plakken op de stof. Het is veel te snel zes uur, tijd om richting treinstation te gaan. Katten gedagzeggen, rugzak om, hamer Mjolnir met een karabijnhaakje aan mijn tas, en gaan. Het is een lekker warme zomeravond. De zon gaat onder terwijl ik naar het station fiets.

Fiets in de stationsstalling, op de trein naar het westen. Zoals vroeger, denk ik melancholisch. Ik kom ook precies om 21:07 aan, zoals vroeger toen ik nog wekelijks reisde op het traject Dieren-Den Haag. Ter ere daarvan nodig ik vroegere vriend Jelle uit om even snel gedag te zeggen, maar hij kan helaas vanavond niet.

Onderweg naar Den Haag Centraal en kom in gesprek met een aardige jongen – vooral om de hamer die al de hele reis op mijn tafeltje heeft gelegen. Ik moet een uur wachten op de bus, dus ik loop even een rondje over de Turfmarkt, waar ik het pand van Colour Digital terugvind. Hier was 13 jaar geleden mijn werk. Ik gluur naar binnen en zie door de vuile ramen, dat het een rommel is. De ijzeren brug boven de werkvloer is afgebroken, de enorme printers en bindmachines zijn weg. Het lijkt nog wel gisteren… en ook weer niet. De ruimte lijkt ook veel kleiner dan toen. Er hangt een bord op de ruit, dat Colour Digital vanaf oktober aan de Herengracht kantoor houdt. Ik loop de Fluwelen Burgwal af naar de nieuwe locatie, me onderwijl afvragend welke oktober dan bedoeld wordt. Dit jaar? Vorig jaar? Ik wandel precies de route die ik ooit fietste, destijds met een tekeningenkoker op mijn rug en kunstgeschiedenisboeken onder de snelbinder. Altijd gehaast om van mijn werk naar de KABK te komen, iets verderop aan de Prinsessegracht.

Na het ontwijken van wat toeristen en zwervers bereik ik het nieuwe pandje van Colour Digital – een donkere pijpenla. Tot mijn verbazing staat het eveneens leeg. Ja, het was 13 jaar geleden. Er is inmiddels veel gebeurd. Waarom zouden ze hierheen verhuisd zijn? Er is inmiddels een half uurtje voorbij en het wordt tijd dat ik mijn reis vervolg. Ik loop nog even naar de voordeuren van de KABK en gluur eveneens weer naar binnen. Lang, lang geleden… Ik ga even pinnen aan de Bezuidenhoutsweg en loop weer naar het station. Nog wat dralen rond de stationspiano, waar muzikanten en dromers gepassioneerd wegroffelen op de toetsen, en ik ga naar mijn bus.

Nu, leermomentje. Waarom je bij een advies van 9292 nooit af moet gaan op de kleinste hoeveelheid overstaps, maar op de kortste reistijd. Ik had allang in Noordwijkerhout kunnen zijn als ik met wat meer switchen over Leiden was gegaan, duh.

Ik stap in de bus en merk dat ik nog een uur op deze lijn zit. Oh, gelukkig is het niet de misselijkmakende bergpas van Trento naar Tione, maar een zwierige rit door het lommerrijke Wassenaar, Katwijk en Noordwijk. Ik vergaap me aan de statige panden met lappen voor- en achtertuin. Hier verpoost de beau monde van Nederland. Ik niet.

Eindelijk, 23.15, mijn halte. Ik weet met goed giswerk en een feilloos kompasgevoel het huis van mijn Airbnb-host te vinden. Ik word vriendelijk ontvangen, krijg sleutels voor fiets en voordeur, wifi-password, en trek me dan terug op mijn kamer.

zaterdag

De volgende ochtend zoek ik mijn ontbijt bij elkaar. Mijn gastheer had aangegeven het klaar te leggen, maar hij is vroeg vertrokken en op het aanrecht bespeur ik niets. Dus weet ik zelf uit vriezer en kastjes wat brood, beleg en koffie bij elkaar te scharrelen, en I’m good to go. Ik leg een briefje neer met de vraag of ik een Android-lader mag lenen, want m’n telefoon is bijna op en ik ben m’n lader vergeten. Terwijl ik nog even boven ben hoor ik mijn gastheer beneden rondlopen.

Een uurtje later is dat allemaal geregeld, en na een vriendelijk gesprekje vertrek ik dan gekostumeerd en wel naar Lisse. Zodra ik de wijk uitfiets word ik al nagestaard door dorpsbewoners die kennelijk nog nooit een vrouwelijke Thor op een fiets hebben gezien. Ik roep ze vriendelijk wat toe en zwaai hier en daar met mijn hamer. Dan bereik ik de buitenwegen, alwaar ik ook zwaai naar boeren op tractors. Het is een zonnige ochtend. Met maar één keer verkeerd rijden bereik ik de juiste weg naar Lisse en rijd zo een half uurtje langs de vaart. Onderweg kom ik wielrenners en dagjesmensen tegen. Ze zwaaien allemaal vrolijk terug en smeken me of ik alsjeblieft niet wil slaan. Echt leuk.

Ik zie de festivaltenten al van verre en weet op aanwijzingen van mijn gastheer snel bij het terrein te komen. Ik zet mijn fiets weg en wil de weg oversteken naar de ingang, als ik enthousiast mijn naam hoor roepen. ‘HEIDI!’ Ik kijk om en zie daar Ross Kambel staan, klasgenoot van 13 jaar geleden, die ik altijd nog eens terug wou zien. Bij deze dan! We praten die 13 jaar in 5 minuten bij en lopen onderwijl naar het terrein.

zondag

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Integer ut dictum enim. Integer enim est, maximus eget velit eu, placerat tempus enim. Integer dapibus, urna ut tempor commodo, velit lorem egestas nibh, vel viverra neque tellus at augue. Nunc eros leo, semper ac condimentum et, blandit vitae lorem. Suspendisse rhoncus orci ut lacus lobortis, in maximus nibh dapibus. Duis a nunc accumsan, aliquam turpis egestas, porttitor lectus. Nam pellentesque nec lorem facilisis maximus. Donec tincidunt lobortis nulla pellentesque tincidunt. Vivamus id lorem enim. Curabitur consectetur tellus eget laoreet semper. Praesent placerat nec est sit amet tempus. Ut non sapien nunc. Pellentesque tempus, turpis nec congue commodo, lectus est fringilla erat, eget consectetur turpis nulla laoreet ex. Cras vestibulum elit urna, gravida vulputate lacus bibendum eu.

- ⟡ -
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis.

Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam.

Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

 

- ⟡ -
Het thema is grotendeels gecustomized. Er zijn wat test-posts toegevoegd om uit te proberen hoe meer content eruit ziet.

zaterdag

Zo, vandaag eerst een achtergrond gemaakt waarmee ik tevreden ben. De achtergrond is zo opgebouwd dat ik er ook andere foto’s in kan laden, dus hopelijk heb ik daar nog lang profijt van.

Het logo was ook wonderlijk snel in elkaar gezet. Hij is wel wat aanwezig, maar daar werk ik nog aan. Hij moet ook op de voorpagina komen, maar dat is van later zorg (oké, Illustrator crashte toen ik hem 3D wilde renderen).

Daarna de Google Map met specifieke reisroutes. Nou behold, er staan er nu twee op! More to come.

Hoeveel zonlicht heb ik vandaag gezien? Te weinig voor een zonnige zomerdag!

zaterdag

Het is 30 januari 2016. Na een mooie theatershow in het Vestzaktheater ben ik gaan slapen en ben om vier uur opgestaan. De katten zijn wat verward. Meisje drentelt mee, Max wordt nét wakker. Heel lief. De verfrommelde kat werkt zich uit zn doosje en ze eten hun voer alsof het een gewone ochtend is. Ik eet m’n ontbijt en pak verder in. Rustig alles doen, briefje schrijven voor Wilco en Evalie, katten knuffelen en dan om 6:18 de deur uit. Om 6:40 ben ik op het station. Ik koop twee kaartjes (waarvan 1 ongedateerd, terwijl ik wel door een hele routine van dag en tijd kiezen moet 🙁 ) die me naar en van Gronau brengen. Vanaf Gronau zit ik niet meer alleen, maar met een chatty zestal Nederlanders ietsje verderop. Ze gaan met de trein op skivakantie. Dit is een voorbode van wat nog komen gaat. Ze vertellen elkaar tenenkrommende verhalen doorspekt met allerlei foute informatie over internet, roaming, en alle moderniteiten waarvan zij slechts een fractie snappen.

Tussen Gronau en Dortmund val ik in slaap. Zo. We zijn op Dortmund. Ik loop gelijk naar beneden voor die befaamde ‘pottkaffee’ die ergens bij een stalletje onder het station te koop is. Perfect. Yes. Bij de Fish ’n Rail, met een Aziatisch dametje achter de balie. Met een veel te grote papieren beker en dus een sloot koffie kan ik weer verder. Waar ga ik de tijd doorbrengen tot mijn volgende trein vertrekt? Hé, het DB Reisezentrum. Een klein wachtbankje dat niet in lijn staat met de rij wachtenden biedt uitkomst. Ik zet mijn tas en mijzelf erop. Ik drink mijn koffie en wacht. Observeer de mensen. Het is half. Even naar de wc en dan naar Gleis 18. Ohjee. Ik kom boven aan en zie al op de borden dat er staat ‘wacht op omroepbericht’ (maar dan in het Duits uiteraard). Naja, er staat dus een ICE 625 en dat is niet die op mijn ticket, zoveel is duidelijk. Dat moet de 1223 zijn. Niet instappen dus. De 1223 rolt binnen op het spoor tegenover. Hoei. Ik geloof dat we zowaar ook nog op tijd vertrekken! Zou het? Jeps.

Ik ga zitten tegenover een meisje dat naar Warburg moet. Vanaf daar is mijn stoel gereserveerd, dus dan moet ik ook verkassen. Nu de vraag: hoe ver is Warburg. Volgens mij ergens halverwege. Mijn tas houdt zich tot dusver goed, maar het kopvak is wel zo schandalig klein dat alleen mijn travelticket en mijn boek erin passen. Hij wordt ook ingedrukt door het volumieuze hoofdvak. Al met al voelt deze tas nog niet bepaald als een verbetering, hoewel hij met zijn stevige losse rugpand wel beter op de rug ligt en minder zwaar aanvoelt.

We reizen langs van alles, Soest – ik sms Sander dat ik straal de verkeerde kant uit ben gegaan 😉 – internetpas gekocht met creditcard. Een Aziatische dame zit tegenover, een hoestende man schuin achter me. Nog een Aziatische dame komt binnen met een joekel van een koffer. Ze denkt die volgens mij even in het kopvak te gaan gooien. Eh? De ander wil haar niet helpen. Vlak voor Altenbeken is het mooi zeg.

Er stappen nieuwe mensen in. Mensen moeten langs de dame met de koffer, en ze weet hem vermoeid dwars onder twee stoelen te schuiven. Ze gaat weer zitten en valt op tafel in slaap. Een vrouw moet erbij, en dan een slechtziende vrouw. Die loopt met een rolstok en zeer dikke brillenglazen. We vertellen haar welke bordjes er hangen. Ze gaat met haar hele spul zitten op de plek waar de eerste dame zat, die prompt verhuist naar een stoel achter me. Wat een regie weer. Over een kwartiertje moet ik wisselen, want dan zijn we op Warburg. Einde aan de rust. Ik zit ondertussen een comicstory op te tekenen. Ik wissel van zitplaats en ga aan het einde van de coupé op de rolstoelbegeleidersplaats (jawel, drie keer woordwaarde!) zitten. Er komen mensen met kleine kindjes bij me zitten. Die slapen gelukkig snel. Ik Whatsapp met Simon en lees marketingblogs. Het landschap met mooie romantische heuvels glijdt aan me voorbij. Kitzingen heeft een scheve kerktoren. We suizen door. 14:00 op Nürnberg. 15:13 op München, zo gepland.

De kinders om me heen worden dreinerig. De eerste foto’svan de Global Game Jam stromen binnen. Het land rond München is weer vlak. Gaan we nog inlopen op onze aankomsttijd? Ik denk terug aan de laatste (tevens eerste) keer dat ik deze overstap maakte. Toen was ik samen met een dame die Klara heette – nagenoeg 30 minuten te laat, maar haalden we de trein nog nét. Gelukkig weet ik nu hoe het station eruit ziet. Het is een kopstation, en de enige manier om bij een ander spoor te komen, is door om de kop van het spoor heen te lopen. Ik moet van Gleis 22 (helemaal links) naar Gleis 13 (bijna helemaal rechts). Dat gaat lukken.

Nou, het is echt wel dik twaalf over voor we binnenrollen. Ik zet het op een hard rennen, want ik stap ergens aan het einde (nog niet eens onder de overkapping) uit. Huppeldiehuppel zoef ik tussen de slome kofferrollers door. Aan het eind ga ik rechts. Klopt nog precies! Ik weet nog hoe ik hier met Klara rende. De trein staat ook op precies hetzelfde perron als jaren geleden.

Ik heb nu zelfs tijd om even een winkeltje in te lopen. Helaas vind ik er geen groente behalve komkommer (blegh) maar wel een blikje tonijn en twee bifiworstjes. Dat is prima voor de eerste twee avonden. Ik zoek de trein weer op en loop bewust wat door tot ik nauwelijks gevulde stoelen zie. Ik zoek een stoel aan het begin uit en ga zitten. Toevallig blijkt van de twee stoelen er maar één gereserveerd te zijn. Ik kan blijven zitten. De trein is verder mudjevol. Ik zit aan het einde van de coupé, vlak naast de deur. Aan de andere kant is een fietsenrek. Het wordt volgezet met een mountainbike, een opgevouwen kinderwagen, en iets van vijf koffers. Zelfs naast mijn stoel wordt nog een koffer verstouwd, die eigenlijk het hele looppad ondoorgankelijk maakt. Ik bezet maar één plaatsje met mijn jas aan een haakje. Hoe is het mogelijk dat mensen zo veel meenemen?

Nog een paar uur… voor mijn gevoel zijn we er nu zo, maar dat is niet waar. Het is tegen 16:00 en om 19:00 ben ik pas in Bolzano. Christus te paard! Het lijkt wel Tetris! Erger dan in de zomer! Wat een koffers! Ik ben compleet ingebouwd en dan ligt boven me ook nog alles vol. We rijden uit München weg naar Rosenheim. Je ruikt dat men hier op hout stookt, wat lekker! Prachtige bergen vliegen links en rechts voorbij, na het platte land na München. Zijn we nu al over de Brenner heen? Prachtige zonsondergang. Ohja, dit weer. We gaan de Brenner over. De laatste keer dat ik hier was belde ik verheugd mijn moeder, die mijn euforie niet helemaal meekreeg omdat ze de beelden er niet bij zag. Het uitzicht is fenomenaal. Op Jenbach moet iedereen er plotseling uit (dat is kennelijk dus het splitsstation voor de ski-vallei). Het wordt een enorm gestouw in de gangen. Een jongen heeft zijn koffer naast mijn stoel gezet en daarom kan niemand met een grote koffer eruit. Het is een chaos. Prompt als iedereen eruit is komen er weer nieuwelingen binnen met nog grotere hutkoffers. En dan zijn er ook nog kinderen die in groepjes door de gangpaden stormen. We stoppen weer. Ha, we zijn bij Innsbruck.

De vorige keer ging ik eerst hier overnachten alvorens ik naar Bolzano ging. Dit keer hoeft dat niet. Gewoon door, in dezelfde trein. Al doende leert men. Is het alweer drie jaar geleden? Dat ik hier naar de jeugdherberg liep, yoghurt kocht onderweg, de weg vroeg aan een stel bakvissen. En alles? Drie jaar? Het voelt als gisteren.

We vertrekken laat uit Innsbruck omdat iemand kennelijk de deur gelockt heeft. De conducteur loopt te vloeken op niemand in het bijzonder. Tür schließen! brult hij. Inderdaad, we hoorden al vijf minuten een vervelend piepje. Opeens stoppen we weer. Iemand iets vergeten? Enfin, nu het andere Bahnhof nog, of niet? Het ontgaat me. Het ruikt nog steeds stevig naar gestookt hout. De lichtjes op de bergen zijn te zien. Over de weg boven me rijden auto’s. Hun koplampen schijnen tegen de bergwand. Het is nu stil in de trein, bijna rustig. Je kunt dus in één dag naar Verona komen, maar wat je daar moet doen, is me onduidelijk. Bolzano is veel leuker. Bovenop de berg zie ik nog een verdwaalde kerstboom. Ik geloof dat we bij Brixen zijn. Voor me zit een jongen met z’n vriendin of zus ofzo. Beide een laptop op het tafeltje. De jongen kijkt foto’s. Hola! Is dat een burlesque feestje of wát? De dames op zijn foto’s hebben niet veel kleren aan het lijf. Zijn ‘zus’ heeft niks door. Dude!

Nou, we zijn over de Brenner, maar er ligt nog steeds sneeuw. Ligt Bolzano gewoon lager of hebben ze het op de webcam in Bozen gewoon heel goed verborgen gehouden? Nog een uur, dan heb ik 12 uur en 31 minuten gereisd. we hebben de skifans nu wel afgeschud. Als ik nu al 12 uur reis met minimale overstaps, ben ik benieuwd hoe ik op de terugweg dat ga doen. Tja, het kan. Ik vertrek dan om half elf en kom om 22 uur ’s avonds aan.

De drietalige conductrice (verbazend toch) komt langs en even ben ik mijn ticket kwijt. Aaah! We dalen nu wel hard, m’n oren gaan dichtzitten. Franzensfeste. Kwartiertje later. Brixen. Het is 19:17. Ik ben er klaar mee. Nog 10 minuten. Ik bedenk me dat ik normalerwijs aan het einde van zo’n dag hoofdpijn zou hebben. Ik ben wat moe en zou wel een douche willen, maar verder voel ik me kiplekker. Hoera, Bolzano.

Ik stap uit, maak de verplichte selfie bij het bord, en wandel naar de jeugdherberg. Wat is het koud zeg! Ik heb hier wel eens in ander weer gelopen! Ik check in (bent u hier eerder geweest? Ja!) en ga naar mijn kamer. Het is stikjewarm daar. Uitruimen – voor de verandering pak ik eens mijn hele rugzak uit – ik blijf toch een week. Ik heb echt te veel kleren bij me. Ik ga naar beneden, regel een handdoek en ga me dus douchen. Dan wat op de bank hangen en eten koken. Ik voel me ver weg van de hele wereld, in de steek gelaten zelfs. Wat doe ik hier? Mezelf zoeken?

Ik ga redelijk vroeg slapen, half elf ofzo. Ik heb drie kamergenotes en ik ben de laatst aangekomene, dus genoodzaakt op het bovenbed te slapen. Maar slapen zal ik. Morgen ligt de wereld aan mijn voeten.

zondag

De volgende ochtend word ik wakker en weet dat ik ontzettend veel gedroomd heb. 3 kamergenotes zijn al uit bed en weg. Bedden zijn zelfs afgehaald. Ik heb er doorheen geslapen. Tijd voor ontbijt. Ik voel me nog steeds leeg, onbestemd, maar misschien helpt een wandeling door de stad? Het is droog en zonnig zo te zien. Oké – het is nevelig en koud. Van mijn vorige bezoeken ben ik gewend dat het hier buiten altijd drukkend warm is. Maar toch -heb je ooit wel eens bergen in de nevelige kou gezien? Prachtig.

Ik wens nog altijd dat er achter mijn flat eens van die bergen opdoemden. Daar zouden wat mensen in Enschede weer niet blij mee zijn. Hoe zou het met mijn katjes gaan? Zouden ze al doorhebben dat ik op vakantie ben? Ontbijt is zoals altijd in de kelder. Ik voel me nog steeds niet veel beter. Mijn hoofd zit vol. Berichten van mensen waar ik nu niets mee wil doen. Ik denk aan mijn vorige verblijf hier, onderweg naar Cecilia. Ja, zij krijgt ook een kaartje van me deze week.

De Whatsapp-gesprekken die me dwarszitten breek ik allebei af. Komt over een week wel weer, ik ben nu op vakantie. Simon, nu nog in Enschede, katert vandaag nog even verder omdat hij steeds meer en meer beseft dat hij Nederland gaat verlaten. Ik probeer hem in de spaarzame momenten dat ik internet heb, zo goed mogelijk door zijn droefenis heen te helpen.

Ontbijt op, koffie ook. Naast me zit een clubje skaters. Voor me drentelt een Italiaans jongetje dat zo de nieuwe Michael Jackson zou kunnen zijn. Echter, hij praat wel Duits. Zijn vader hinkt ongemakkelijk met een dienblad. Het jochie wil het dienblad van hem aannemen. Wat behulpzaam. Het kindje stuitert inmiddels verder, pardoes door de keuken heen, en keert door de gang terug om zijn strompelende vader op te jagen.

Later, in de stad. Ik steek op z’n Fins over, gewoon hoppa, voor een politieauto langs. Dat moet je hier niet doen, leer ik gelijk. De carabinieri hangen loerend uit het raampje en kijken me lang na. Ik loop door het centrum, door de Laubengasse. Ik zie hoe een oud mannetje achteloos aan parfumerie Douglas voorbijloopt en in het voorbijgaan een paar pufjes gratis parfum op zijn polsen spuit. Het is damesparfum… ik moet een beetje grinniken. De hele gallerij ruikt er nu naar. Mijn Italiaans is duidelijk verre van perfectie. Ik begin een gesprek bijna met ‘minä on ritorno…’ en bedenk me dat dat echt een mengeling van Fins en Italiaans is.

Het fijne is: ik heb hier regelmatig een leeg hoofd. Dat is fijn. Nog fijner vind ik het als ik dan besef dat het eigenlijk een werkdag is. Dat is het vandaag niet, het is zondag. Maar toch. Morgen weer even bij stilstaan. Ik heb nog één kamergenote over, ze is Italiaanse en ze zegt helaas niet veel – zelfs niet haar naam. Ik ben gauw naar het onderbed verhuisd. Mijn rondje door de stad besluit ik met een aankoop van een boekje voor Cecilia, twee kaarten, en een magneet. Ik weet alleen niet wat een envelop is, dus na wat wijzen en handgebaren verwijst de Italiaanse bediende me naar de Tabacci… waarschijnlijk voor postzegels. Ik moet ergens een stevig stuk papier of een envelop tegenkomen, of gewoon het woord opzoeken.

Ik keer kort naar het hostel terug voor een vitaminepil, want ik voel me dizzy, en voor oorbellen. Ik heb die dingen niet voor niets meegenomen. Dan ga ik met de kabelbaan naar Ritten. Bakje zit vol. Halverwege zie ik mooie grafitti op een muur waar we overheen zweven. Twee ogen, met een regenpijp ertussen. Net een traanbuis. Die moet op de foto. Ik kijk hoe het pad loopt en na aankomst daal ik af erheen, al moet ik daarvoor wel een weiland doorkruisen. De koeienpoep die er ligt is oud en droog, dus ik gok dat er nu geen wilde koeien lopen die me op de hoorns kunnen nemen. Wel geiten, bij een boerderij iets lager. Ik fotografeer de ogen-grafitti en klim weer terug de heuvel op. 10 graden, zonnetje, krekels. Politie die langskomt en verkeerde, doodlopende weg naar het huis op de heuvel inslaat. Ze bellen aan, maar de poort blijft dicht. Eén carabiniero stapt uit en gebaart voor de ander opdat die achterwaarts terug kan rijden. Ik aanschouw het vol plezier. Het laatste stuk keren ze om op het gras en scheuren ze maar gewoon langs de weg op terug. Italianen en geduld, een moeilijke combinatie. Ik zwaai naar ze als ze langsrijden. Ze zwaaien niet terug. Het is lekker in het zonnetje, maar ook wel wat koud. Ik zit op mijn regenjas.

Dan kom ik op het idee om met het treintje eens Maria Himmelfahrt te bezoeken. Die kant ben ik nog nooit opgeweest. Maar dan moet ik nu wel gaan, zegt mijn hoofd. Waarom? Om op tijd te zijn. Eh, oké. Ik pak vlug in en zet koers naar het stationnetje. Inderdaad komt het treintje er nét aan! Wat een geluk, lekker warm zitten. Maar oh! We vertrekken de verkeerde kant op. Geeft ook niet.

Ik laat me meerijden langs alle stops en uitzichten die ik al ken. De winter heeft het landschap een mooie touch gegeven: sneeuwveldjes. En het stuwmeertje is bevroren, ook mooi. Ik wil er omheen lopen, maar krijg mezelf er niet toe om uit te stappen bij zo’n stationnetje in het niets. Ach, dan maar blijven zitten tot Klobenstein. Daar kijk ik even hoe laat het treintje teruggaat. In 10 minuten. Dan zie ik een bordje ‘Wolfsgraben – 1Std’ en ik ben om. Dat moet te lopen zijn.

Dus zoek ik achter de tumultueuze ijshal van Klobenstein het wandelpad op (eerst even een man de weg naar het station wijzen in het Italiaans) en ga op weg. Glippend over sneeuwveldjes heen ga ik bijna écht onderuit. Kijk, hier waren die spikes wel handig geweest. Ik wandel rustig verder door bossen en dalen. Soms kruis ik de autoweg of de trein. Ik kom voorbij een mooi landelijk gelegen huis. Hoe laat zal ik de trein terugpakken?

Hé, daar zie ik een klein stationnetje. Het heeft een naam en een wachthuisje. De trein komt over twee minuutjes. Én stopt. Mee. Word gelijk gecontroleerd op mijn kaartje (7-dagen Mobilcard). De conducteur gelooft het wel. Ik stap weer uit bij het hoofdstation en prop me met de rest in de kabelbaan naar beneden. Leuk, dat aftelscherm. Beneden loop ik naar het hostel. 16:00 ofzo. Ik loop langs de toko. Er zijn Duitsers binnen, dan durf ik ook wel. De Indiër weet me een plastic bakje met twaalf sesam-ballen te verkopen voor 3,50. Ziet er wel lekker uit als elfuurtje. Ik neem ze. ‘Dolce, dolce’ zegt hij. Ik weet niet meer of ik ooit met hem gesproken heb, en in welke taal dan. Het kan best zijn dat Karin al het praten deed, toen we destijds mango’s kochten. Misschien moet ik hem de foto laten zien. Later app ik Wilco, of hij een foto van mijn foto wil maken. Karin heeft me ooit een foto gestuurd waarop ik voor zijn toonbank sta, met hem glunderend erachter. Hij is met de jaren wel ietsje grijzer geworden.

In het hostel eet ik alvast drie van de sesamballen op en app ik met Simon, die net zijn katten heeft laten ophalen. Hartverscheurend, hij is helemaal alleen. Ik app wat met hem. Na drie bolletjes ben ik goed gevuld. Ik ga naar boven en zet even foto’s over op mijn laptop. Ik merk dat er tegenwoordig internet is boven! Wat een…verslavende luxe. Ik schrijf een vriend in Zweden een bericht en lees mijn mail. Hier moet ik geen dagelijkse gewoonte van maken. Dan ga ik beneden rijst koken. Een oud dametje kookt ook. Ze lijkt op het kanarietje dat ik in Sankt Moritz aan het ontbijt trof. Klein, krom, met kraaloogjes, eigen maniertjes. Ze kookt ook en zegt wat korte beleefdheden in het Duits. Ik zeg weinig terug, want ze lijkt niet zo spraakzaam, en ik weet ook niet of ze het Duits heel goed beheerst.

Ik heb rijst met tomatensaus en twee stuks gesneden bifiworst. Smaakt heerlijk! Morgen boodschappen doen. Tijd om naar de film te gaan nu. Ik kleed me om en loop stevig door. Ik zit met een hoop ouwe mensen bij een film over Segantini. De voorafgaande film loopt uit, er staat een houten bord in de vorm van een piccolo voor de deur van de zaal. Sommige Italianen wurmen zich er tóch langs, ‘omdat ze toch naar de wc moeten’. Slechte excuses, ze kunnen de zaal toch nog niet in. Ik sta aan een statafel naast een man die behoorlijk op Dalì lijkt. Hij wrijft over zijn snor en kijkt mij met mijn opschrijfboekje geïnteresseerd aan. Wat moet ik, mijnheer? Bent u echt een reïncarnatie van Dalì? De Italianen om ons heen drommen naderbij en willen de zaal in. Tot twee keer toe komt de suffige suppoost zich verontschuldigen dat we er nog niet bij kunnen. Wat kunnen Italianen verschrikkelijk ongeduldige figuren zijn!

Ik ga nog snel even naar het toilet, dat beneden in de kelder is. Ik ga twee trappen af, een hoekje om, en sta zomaar in een prachtig film noir-decor. Een dof glanzende groene muur met een stijlvolle wandlamp, een rode deur, een groen oud bankje met buispootjes. Na mijn toiletbezoek kniel ik rustig in het gangetje en maak een foto van de situatie. Wat een onverwachte schoonheid in zo’n loze ruimte.

In de zaal wordt het, ondanks de airco, knap bedompt en ruikt het er steeds minder fris. Nu is het bij een bioscoop altijd zo dat je wel een beetje elkaars adem ruikt, maar dit is echt erg. Het vrouwtje naast mij zegt al dat ze per definitie haar jas uitdoet, want het is hier altijd zo warm. Ik geef haar groot gelijk. Oude mensjes lijken ook gewoon te stinken. De film is goed hoor, wel wat traag, en voorzien van weinig mooie beelden. Veel beelden zijn geschoten van het hedendaagse Milaan, waar men volgens mij ook wel wat fake beelden uit een dorpje in de omgeving had kunnen nemen, met goed geklede figuranten. Nee, helaas. We moeten het doen met oude foto’s en nieuwe, moderne stadsbeelden van al Segantini’s woonplaatsen. Gelukkig komen er dan plotseling wel aereal views van de Malojapas en de Postbus voorbij. Ik zit opeens dolblij in mijn stoel en kijk hoe de bus zich ongemakkelijk de pas op slingert. Daar heb ik in gezeten, deze zomer nog! Ja! Ik besluit het niet aan het vrouwtje naast me te vertellen, ik zou het drie keer, luid, moeten herhalen, en dat verstoort toch de hele film. In stilte geniet ik van de herinnering en van het feit, dat ik zó’n reiziger ben, dat ik dit gewoon kan zeggen. Het laat de vreselijke mondgeuren rondom mij even weg-ebben.

Na de film loop ik rondom terug naar café Nadamas, maar dat zit dicht. Jammer, het was een fijn café, druk, maar toch met plek om te zitten en te schrijven – zoals Bisketti in Oulu. Een ander café wil ik nu even ook niet opzoeken, dus loop ik terug via de Laubengasse. Ik vind leuke winkeltjes voor fournituren en voor Merinospullen. Op m’n terugweg zie ik veel inwoners van Bolzano met hun huisvuil slepen. Maandagochtend komt de vuilnisophaaldienst zeker.

In de straat van het hostel zie ik dat de Indiër nog achter zijn toonbank zit. Wat een leven. Op de deur hangt wel een vel papier gekleefd met zijn telefoonnummer, en iets van een Italiaanse tekst ‘gaat alleen open wanneer u belt’. Ach, hij zit er al zeker drie jaar dus, en hij krijgt waarschijnlijk dagelijks veel aanloop van vrienden, dus wat zou het. In de jeugdherberg zit ik nog even op de bank. Ik zou wel een biertje of wijntje lusten, maar in de stad was alles dicht. Drooglegging hier zeg.

Twee mannen op de bank. De ene kijkt geïnteresseerd af en toe. Misschien ben ik leuker dan de TV. Maar ach, hij moet morgen weer naar z’n vrouw en kinderen terug. He, het sarcasme. Ga weg, Italiaan. So far nog weinig mensen gesproken hier. Ik ga naar bed. Buuf ligt er al in en doet tegelijk de lamp uit. Ik slaap onrustig in het benedenbed, omdat er continu licht van het station naar binnen schijnt. Om 4 uur ’s morgens pakt buuf in en vertrekt. Ik ben alleen. Toch wel fijn.

 

maandag

Wonderwel slaap ik nog tot 7 uur. Ik heb vannacht veel treinen gehoord op het rangeerterrein. In je slaap komt dat op een heel aparte manier binnen. Het gepiep van een rangerende trein is, vermengd met slaaproes, wel zo droevig, dat ik het gewoon zielig vind voor die treinen. Stalen kolossen die maar weer ergens heengezeuld worden. Wanneer zijn ze eindelijk thuis?

Even internetten en dan ontbijten. We zitten nog maar met z’n drietjes in de eetzaal. De twee heren van gisteravond en ik. Ik zoek nog even wat op over de kloosterbieb en dan pak ik een tas om boodschappen te gaan doen. Ik vind een grotere Spar, vlakbij de kiosk waar ik ooit met Karin een ‘Nachteis’ haalde, en bij de passage naar de Waltherplatz. Ik sla houdbare producten in als pasta, en spul in glazen potten met draaideksels. Ook wat lekker bier voor ’s avonds. Zo. Ik breng het het hele zwikje terug naar de Jeugdherberg en stack het onderin mijn kast. Ik weet dat die kast niet daarvoor bedoeld is, maar ik denk heimelijk dat wel meer gasten eten in hun kamer opslaan. Ik heb bovendien een klein koeltasje mee, dat alle bederfelijke waar luchtdicht weg en koel houdt.

Ik smeer broodjes en ga de stad in om te winkelen. Nou, merinoshirts zijn er nog niet, want het is nog winterseizoen. Wat er is heeft een hoge halslijn of oogt als ondergoed. Jammer. Sokken hebben ze wel, in een ogenschijnlijk te grote maat. Ik koop een paar voor zestien euro. Dat lijkt duur, maar is het helemaal niet. Merinosokken zijn excellent, je kunt ze zeker een week dragen en je vergeet compleet dat ze in de was moeten. Ik draag nu al sinds de zomer afwisselend drie gewone en één dik paar Merinosokken, en laatst ging ik eens terug naar ‘normale’ katoenen sokken. Gelijk na één dag wist ik dat dat ellende was, wat een stinkboel. Snel de Merinosokken van de waslijn gehaald en die weer aangetrokken.

Ik koop ook oorbellen en een enorm gave steampunk ring. Ik heb Wietererhof ’s ochtends gebeld, maar ik kreeg Waltraud aan de lijn, en ze zei me dat een Ausritt niet einfach mogelijk was, want er was deze week geen begeleiding. Alleen op zo’n paard de bergen in kan je natuurlijk niet vragen, al zou ik het best kunnen, ik heb een goede wandelkaart. Ze moet het haar man vragen, ze zal me terugbellen. Heel de ochtend houd ik mijn telefoon in de aanslag en het geluid aan, opdat ik haar niet mis en haar goed kan verstaan wanneer ze terugbelt. Het telefoontje blijft uit. Heeft ze wel het goede nummer genoteerd? Ik zal erachteraan mailen.

Morgen wandel ik wel even naar Jenesien, om te zien of ik überhaupt boven kan komen zonder auto. Ik winkel nog wat meer en weet aan een envelop voor Cecilia’s boekje te komen. Ook doorkruis ik de universiteit, waar ik, zoals ik verwachtte, absoluut niet opval. Het internet is er gratis, dus ik zet me op een raar oranje bankmeubel voor een enorm raam dat over het plein uitkijkt en geef mijn ogen de kost. Ook loop ik even door de bibliotheek, maar die is niet erg bijzonder. Het is weliswaar een degelijk gebouwd vierkant hok, met een grote vide in het midden afgezet met moderne eikenhouten panelen. Het dak van de vide is niet spectaculair. De trap naar boven is wel aardig mooi, maar voor de rest is de bieb gewoon een heel deugdelijk recht gebouw, met veel werkplekken en veel kasten met boeken. Onder de eiken platen bespeur ik een vrij moderne betonnen opbouw. Dit stuk van het gebouw is nieuwer dan je zou denken. Nee, komt niet in mijn top tien.

Hierna loop ik even de gangen van de uni door, op zoek naar een toilet. Ik stuit op een zijgang die me tot een veel ouder deel van het gebouw leidt. Prachtige gangen en helderwitte stenen trappen liggen aan mijn voeten. Ik waar me weer even in de KABK in Den Haag. Ik vergaap me aan de architectuur en vergeet bijna dat ik ook nog naar het toilet moest. Wat een weelde, zag de bieb er ook maar zo uit.

Ik ga weer op het zitmeubel voor het raam zitten en bekijk de jongeren buiten. Een hipster, een achteloos permanentje (zijn vriendin), een lelijk eendje en een bakvis. Het lelijke eendje is zo te zien verliefd op de hipster. Ze draait en konkelt om hem heen, bakvis en permanent ietwat negerend. Ze houdt haar hoofd schuin en smeekt om lachjes. De hipster trekt zich niet veel van haar aan. De bakvis hangt er maar wat bij, en het permanentje kijkt achteloos. De hipster loopt naar binnen, en het eendje maakt direct aanstalten erachteraan te gaan. Dan keren ze allen naar buiten terug, en de hipster loopt gearmd met het permanentje weg. Ik snap het al. Arm lelijk eendje. Ook: de bakvis had hier totaal geen rol in.

Later ga ik op het plein bij de Sparkasse op een houten vlonder zitten schrijven. Om mij heen komen Italianen voorbij. Zo ook een merkwaardig opgedofte dame. Trots als een pauw stapt ze op me af, mij een beleefd knikje toewerpend. Twee slanke, langharige windhonden deinen voor haar uit aan de lijn. Zijzelf is niet minder fraai: gekleed in een opvallende bontmantel, met tierelantijnen overal, een stijlvolle handtas, getoupeerd haar in diverse tinten. Haar verschijning is af met de stijlvolle Louboutins waarop ze me gracieus voorbijloopt. Deze Italiaanse dame laat even haar honden uit.

Inmiddels is het nog niet na vier, maar ik vind het wel tijd voor bier. Inderdaad, op de maandagmiddag. Maar het is vakantie. Ik heb alleen geen idee waar ik lekker kan zitten. De meeste bars zijn zover verscholen onder hun luifel dat als ik binnen ga zitten, mijn observaties beperkt zijn tot het publiek wat zich daarbinnen ophoudt. Dan krijgen mijn observaties al gauw een voyeuristisch tintje en dat geeft gewoon geen leuke anekdotes. Ik loop maar naar het hostel.

Ik ga eerst op de bank hangen, inkakken en appen. Ik blijf ervan overtuigd dat het internet beneden in de gezelschapsruimte veel beter en sneller is. Bovendien is het hier ook veel gezelliger, als er gasten zijn natuurlijk. Nu zit er geen kip, dus ik ga vrij snel naar boven. Ik pak mijn aankopen uit en internet nog wat meer, terwijl de schemering invalt. Ik maak het pakketje voor Cecilia klaar, alsook de kaartjes naar vrienden. Ik zoek de openingstijden van het postkantoor op en schrijf wat berichten op fora. Daar heb ik nu eindelijk tijd voor, dat wel. Zal ik morgen maar eens naar de sauna in Naturns gaan? Ik moet er sowieso eenmaal heen deze week. De sauna in Naturns is, in tegenstelling tot de thermen in Merano, niet zo toeristisch. Het is gewoon knus en goed ingericht tegelijkertijd.

Het wordt ook tijd om even een bevestiging aan Samuel te sturen, de theatersporter alhier die mij vanuit Bolzano mee zal nemen naar Appiano (ofwel Eppan An Der Weinstrasse). Bij het woord ‘Weinstrasse’ kan ik me veel leuke dingen visualiseren, maar het zal wel gewoon een oude handelsroute zijn. Ik stuur een smsje naar Samuels nummer, maar krijg geen antwoord. Het is pas maandag; ik hoef woensdag pas mee, dus ik ga er niet te veel achteraan zitten.

Omdat ik nog niets van Wietererhof heb teruggehoord, stuur ik ze een mailtje met mijn telefoonnummer. Zo, dan kan dat in ieder geval geen misverstand zijn. Bel me, mensen, dan zit ik hopelijk deze week nog op een Haflingerrug de bergen te bekijken.

Ik ga naar beneden om te koken. Er is een gemeenschappelijke keuken achterin het hostel die van de meeste gemakken voorzien is. Aanvankelijk wist ik niet van het bestaan van de keuken af. Zelfs nu moet ik soms mensen er bewust heen wijzen, want ze houden het voor een personeelsruimte. De keuken heeft wel z’n eigen handleiding. Uiteraard moet je zelf de boel schoonhouden, opruimen en afwassen. Rondslingerend eten zonder datum wordt zonder pardon weggegooid, en afval wordt strikt gescheiden. Als je de keuken in de rook zet, wordt direct het grote raam opengezet, winterkou of niet. Al met al is de keuken een zegen, want je vakantieweek slijten met soppige noodels of elke dag restaurant is natuurlijk geen doen.

Het koken van pasta hier heb ik in 2013 al geleerd, toen het fornuis nog uit twee roestige oude kookplaten bestond. Intussen is het geheel vernieuwd met een mooi glanzend zwarte electrische kookunits, maar je gaat op dezelfde manier te werk. Water voor je pasta kook je eerst in de waterkoker. Ondertussen figolier je de kookplaat uit tot die op standje 9 staat en rood opgloeit. Zet er een pan op en giet je kokende water erin. Hoop nu driftig dat je water ook echt aan de kook blijft. Hierna kieper je je pasta erin en vul je de boel aan met groenvoer, vlees en kaas. Kortom: vertrouw niet op het kookstel alleen, want dan zit je tegen twaalven nog niet aan je bordje pasta.

Opeens hoor ik een bekende stem achter de keukendeur. Ik trek de deur met een zwaai open en sta oog in oog met nachtportier Zakaria die ik de jaren ervoor ook al ontmoette. Niet verwacht hem hier nog te zien, want de vorige twee avonden was er een ander!

Hij kijkt mij warrig aan, en ik zeg ‘Heidi! Uit Nederland!’ Opeens hoor je radartjes lopen en begint het hem te dagen. ‘Uit Amsterdam, neh?’ ‘Nee… uit het oosten.’ ‘Oh ja, uit een small town in het oosten! Ja Heidi!’ Hij glundert opeens blij. Zodra ik mijn bordje pasta met tomatenpuree en champignons klaar heb, praten we verder in de gezelschapsruimte.

Hij wil wederom alles weten van mijn hometown, maar nu ook van alle andere plaatsen waar ik het afgelopen half jaar ben geweest. Het is leuk als het gesprek op Nederlandse woorden aankomt, met name die met een ‘ij’, zoals Overijssel en Nijmegen. Zakaria probeert het eerst uit te spreken als een ‘i-j’ maar dat levert aparte woorden op. Dan leg ik de overeenkomst tussen de lange ‘ij’ en de korte ‘ei’ uit. Na wat oefenen en struikelen over Nederlandse woorden is het met z’n uitspraak al een stuk beter. De wijzers van de klok kruipen langzaamaan naar 8 uur: Zakaria moet zijn plaats aan de receptie innemen. Ik groet hem gedag en ga naar boven.

Oei, nu ben ik al te laat om naar het lokale zwembad te gaan – mijn eigenlijke plan. Maar waarom zou ik ook gaan? Ik houd helemaal niet van zwemmen. Ik wil gewoon graag mijn mooie witte Marilyn Monroe-badpak weer eens aan!

Ik ga naar mijn kamer, waar ik nog steeds alleen bivakkeer. Ik eet wat chocolade en probeer te internetten. Het signaal is te zwak, elke pagina eindigt in een DNS-error. Het is inmiddels, met lezen en schrijven bij elkaar, ook al een paar uurtjes later. Ik maak aanstalten om naar bed te gaan. Maar eerst pruts ik nog even met de rolluiken. Het rolluik helemaal links, het dichtst bij mijn bed, rol ik helemaal naar beneden. Het middelste rolluik rol ik naar beneden tot er nog een halve meter licht onderdoor kan. Het rechter rolluik laat ik open. Ik doe dit, omdat het licht van het rangeerterrein bijzonder fel in mijn ogen prikt ’s nachts. Het zielige gepiep van de treinen is nog tot daar aan toe, maar elke nacht dromen dat ik op een podium in de spotlights sta is me echt te gortig. Gelukkig bieden de rolluiken soelaas: een half donkere kamer, met in de ochtend voldoende prettig zonlicht. Voldaan zoek ik mijn bed op.

dinsdag

Ik ben weer in alle rust wakkergeworden, ditmaal ook goed uitgeslapen. Bij het ontbijt zitten maar drie mensen, niet eens interessante. Hè, waarom voel ik me nog steeds zo leeg? Ik ben toch op vakantie in een heerlijke omgeving! Ik moet snel wat aan dat gevoel gaan doen. Ik heb een SMS ontvangen, van Samuel de improspeler. Het bericht komt van een ander nummer dan ik gekregen had. Prima zo. Ik SMS terug met een voorstel voor morgenavond.

Na het ontbijt kleed ik me rustig aan en wandel ik in het zonnetje naar de stad. Bij de boekhandel koop ik nog een laatste kaart voor een vriend, en schrijf die terwijl ik op een bankje aan de Waltherplatz zit. Ja, hier zat ik vorige zomer ook, met een bijzondere ansichtkaart met bergen in de mist. Wat is dat alweer lang geleden. Waar toen toeristen werden gepaaid door schuchtere straatverkopers lopen nu kinderen met schooltasjes zich te vervelen. Ze jagen stampend duiven op en gooien lege drinkflesjes zomaar op straat. Ik kan het niet aanzien.

Als mijn vingers koud worden van het schrijven (elke kaart is een taalkundig puzzeltje, daar moet je niet kort over gaan) sta ik op en loop ik richting postkantoor.

Ik ken tot op heden maar één postkantoor in Bolzano, en dat is Bozen 3. Het kantoortje bevindt zich in het oude stadsdeel Zwolfmalgreiner, oftewel aan de pittoreske rotonde achter de jeugdherberg. Twee straten van het station af waan je je dagelijks (vooral in de ochtend) in een typisch Italiaans tafereel. Scootertjes, vrachtwagentjes en snelle auto’s proberen zich zo snel mogelijk door de spits te wurmen, en komen daarbij allemaal minstens éénmaal vast te zitten op het rotondetje dat daar zo mooi in de schaduw ligt. Het is een dorpje op zich. Dat was het ooit ook, toen Bolzano nog geen naam had, en het rijke volk hier uitstapte om zich per koets of misschien al auto verder te laten transporteren naar de geroemde bronnen van Gries, tegenwoordig juist weer een buitenwijk ten noorden van Bolzano.

Enfin, ik loop dus vanuit het centrum naar het postkantoortje. De wandeling is heerlijk, wat een frisse ochtendlucht, wat een cultuur – ik kijk mijn ogen uit. Wat ik bij binnenkomst in het kantoortje aantref is ook weer typisch Italiaans. Waar ze hun postkantoren voor hebben – ik weet het niet, maar post versturen is er duidelijk maar een zeer kleine bezigheid van. De postkantoren zijn geopend van grofweg halfnegen tot vijfendertig minuten over twaalf. Op de zaterdag is het kantoortje zelfs een uur langer open, op zondag is het simpelweg dicht. Het is geen groot kantoortje – zoiets als een ruime woonkamer. De vloer is betegeld als in een supermarkt en het systeemplafond is benauwend laag. Gelukkig is de hele voorzijde van glas, waar heerlijk zonlicht door naar binnen valt. Ik kom binnen en mag gelijk een listige manoeuvre maken om mij bij in de wachtrij te scharen. Die rij begint iets links van de deur, gaat er dan naar rechts dwars voorlangs, langs een keurig nylon scheidingslint, en slingert dan terug naar links, alwaar ook de twee geopende balies zijn. Achter mij is nog een balie met een medewerker, maar het is onduidelijk waarom die niet open is. De medewerkster zit driftig allerlei dozen van en op de balie te stapelen. Welkom bij de Italiaanse bureaucratie.

We hoeven geen nummertje te trekken. De rij beweegt zich zelf vooruit en de aanwezigen in de rij houden nauwlettend toezicht op het snel doorstromen. Iedereen wil namelijk zo snel mogelijk weer weg. Dat wordt dan ook continu her en der gemompeld. Wie aan de beurt is gooit zich over de balie alsof zijn leven er vanaf hangt. Sommigen krijgen geld uitgekeerd, anderen overvallen de medewerkers met tien brieven, die allemaal stuk voor stuk beoordeeld moeten worden. Bij sommigen moet er echt uitzoekwerk gedaan worden, en dan pakt de medewerkster de leesbril en stempel erbij. Discussies gaan er verhit aan toe. Ik ben zo blij dat het nog maar februari is en lekker koel. Hoe anders was het toen ik met Jeroen in Ventimiglia eenzelfde actie ondernam, en wel ‘even’ bij het postkantoor onze kaarten zou gaan posten. Twee uur in de rij onder het gezoem van een op hol geslagen airco. Nee, dan is dit nog een lachertje.

(hier nog een anekdote van een struise boerin met zwart lang haar).

Ik schuifel langzaam naar de voorzijde van de rij. Mensen maken grapjes over ‘niet in slaap vallen’. Ik staar naar links. Daar is een klein glazen hokje waarvan de wanden niet eens tot het plafond reiken. Toch is het een zeer privé hokje, met zelfs twee personen erin: een bezorgd ogende klant en een druk gebarende financieel adviseuse. De deur staat gewoon open, maar ze praten toch onverstaanbaar zacht. Misschien gaat het over de jaarlijkse belastingontduiking, stijgende onkosten aan de maffia, de geplunderde spaarrekening van zoonlief? Ik weet het niet. Een bijzonder hokje in ieder geval. Schijnheilige privacy.

‘Allora!’ mijn achterbuurvrouw prikt me speels in mijn rug. Ik sta al aan het begin van de rij! Ik krijg een hoofd als een tomaat en lach ‘haha, verboden in slaap te vallen hè’ in het Duits. De rij knikt wat ongeduldig en lacht niet. Ik loop snel naar het tweede loket en leg mijn brieven op de toonbank. De leesbril gaat op. De kaartjes worden met een achteloos gebaar in de postzak achter de medewerkster gegooid, de bubbeltjesenvelop voor Cecilia vergt meer onderzoek. ‘Normaal?’ vraagt de vrouw over haar brillenglazen. ‘Eh, ja’ antwoord ik beduusd. Wat zou speciaal zijn? Of met uitjes? Ik doe het maar. Ze tikt dingen uit op haar zakcalculator en wijst me dan het bedrag. Vijf vijftig voor alles. Ik ben verbaasd, maargoed. Ik trek mijn portemonnee en wijs op de dikke envelop, waar ze net een verzendsticker op plakt. ‘Wieviel?’ zeg ik. Ze houdt de envelop stevig vast, alsof ik hem zal terugpakken, en toont me het bedrag. Ongeveer drie euro. Tja, het zal wel kloppen, het is ook een boekje en geen flintertje papier. Maar in Nederland zou dit echt niet zoveel hebben gekost, in Finland zelfs niet! (daar stuurde ik een melamine papbordje en twee pannenlappen naar huis in een bubbeltjesenvelop, voor maar 2,50!) Ik vind het wel goed, ik betaal en verlaat het pand. Achter mij is de rij allang weer tot aan de deur gegroeid.

woensdag

Zoals op bijna elke reis naar de Alpen, vertrek ik vandaag vroeg naar Bolzano. Ik pak mijn tas in, doe een afwasje en gooi het vuilnis weg, en ga bepakt en bezakt tegen zessen het huis uit. Aan het einde van Park de Kotten realiseer ik me dat ik wel een kettinkje heb ingepakt, maar niet mijn drakenkettinkje. En dat is nu juist mijn gelukskettinkje… dus ik moet terug.

Op een drafje hol ik terug naar huis, laat mijn tas in het portaal liggen en slinger mezelf de trappen op. Ik pak het kettinkje, kwak daarbij alle andere kettinkjes van de muur af, en spurt het huis weer uit. Rugzak weer op de rug en door naar het station. Sander SMS ik later de vraag of hij de berg sieraden alsjeblieft op mijn kast wil leggen, wat de schat uiteraard ook doet.

Ik ben keurig op tijd voor een kopje koffie bij de Albert Heijn To Go en een klein stukje pianospel. Bij de laatste tonen van ‘Too Late’ (hoe passend) hoor ik de Duitse boemel binnensuizen, dus raffel ik het af en wandel ik naar het perron. Zo, nu de eerste anderhalf uur volbrengen. Gelukkig in deze tijd van het jaar geen kwekkende skitoeristen.

Eindelijk ben ik op Münster. Ik zet me even aan een uiterst praktische bamboe bartafel met bijbehorende krukken en houd nauwlettend in de gaten wanneer de trein naar München komt. Die is er op tijd. Ook mijn gereserveerde zitplaats is zonder problemen nog vrij. Ik zet mijn tas tussen mijn knieën en lees verder in mijn boek. Ik lees ‘De Brief aan de Koning’ van Tonke Dragt, over ridder Tiuri (gelijk aan de naam van mijn collega naast me). Als ik al een poging deed om tijdens vakantie niet aan werk te denken is dat bij deze mislukt. Gelukkig lees je snel over zo’n naam heen en wordt het na een tijdje gewoon ‘de hoofdpersoon’.

Ik suis richting de Alpen, soms lezend, soms slapend – net als de reizigers om mij heen. Op München ben ik keurig op tijd, derde keer al dat ik hier overstap. Ik twijfel tussen een nieuwe scheut water in mijn waterfles bij de toiletten voor 1 euro, of voor een flesje water. Ach wat zal dat kosten bij de kiosk? 1,50? Ik vraag het, het blijkt 2,65 te kosten. Ik zeg beschaamd dat ik nog wat water op zak heb en haast me gauw naar het supermarktje in de hoek. Daar kost water inderdaad 1,20. Maar dat is veel meer dan ik in mijn flesje kan overgieten. Goed geluimd koop ik dus een versnapering en een blikje Pellegrino bitter lemon, want dat brengt me zo lekker in vakantiestemming.

De Pellegrino kan ik ook al niet overschenken, zo merk ik. Zodra ik mijn veldfles sluit en hem ook maar één keer zijwaarts kantel, begint de frisdrank te bruisen en bubbelt die tussen de rubber sluiting van de veldfles door. Tja, nu snap ik wel waarom andere eigenaren van deze veldfles klagen dat hij lekt. Je moet er gewoon geen koolzuurhoudende vloeistof in doen. Ik doe dus maar lekker rustig aan met mijn blikje fris, ik heb nog twee uur in deze trein te zitten en er is een toilet.

Na een uurtje komt de conducteur langs. Ten lange leste is er omgeroepen dat het regionale ticket hier niet geldig is. Ik heb die waarschuwing al te vaak gehoord en zucht zodra ik aan het begin van de coupé mensen hoor sputteren. Dan komt de conductrice bij mij. Ze ziet mijn Interrail en kijkt me vriendelijk aan. ‘Zeven euro extra graag’. Mijn ogen worden groot. Ik kijk haar vriendelijk terug aan en tik op mijn Interrail. ‘Global pass, overal geldig’ zeg ik haar. Ze schudt haar hoofd. Na een lang getouwtrek geef ik haar ruiterlijk gelijk. Nog nooit ben ik daadwerkelijk eerder met een Global Pass dit traject gereden. Alle keren was het met los gekochte kaartjes, en daar zit, zoals zij me uitlegt, de ‘Aufpreis’ al bij in. Ik betaal deze extra prijs aan de Italiaanse spoorwegen opdat zij de Brennerpas onderhouden, ofzo.

Ze komt geduldig met een iPad aanlopen en laat me de site van Interrail zien waarop de bijzonderheden voor dit traject aangemerkt staan. Ik geloof haar en betaal de zeven euro contant. Lichtelijk gekrenkt denk ik ‘dan hebben we dit ook weer gehad.’

Ik kom tegen tienen in Bolzano aan en wandel gelukzalig naar het hostel. Een nieuw jong meisje zit aan de balie. Als ik mijn makeup afhaal zou het mijn jongere zusje kunnen zijn, wat een gelijkend gezicht heeft ze. Ik vraag haar of Zakaria er niet meer werkt. Jawel, zegt ze – hij zit in de lounge. Ik zwaai naar hem en hij zwaait meewarig terug terwijl hij zo te zien m’n gezicht weer herkent. Nou, lekker naar mn kamer, douchen en naar bed. Ik deel mijn vierpersoonskamer op de tweede etage met drie Duitse girlscouts. Naast een keur aan zoetgeurende badproducten en kleurige tassen ligt er ook een overdaad aan vers fruit op de bureautjes. Ik vind het best, als ze maar rustig gaan slapen en geen liedjes zingen.

Ik wissel mijn berg- voor mijn stadsschoenen, trek mijn fijne witte blouse aan en wandel het hotel uit. Ik beland in het centrum midden in een grootschalige wijnproeverij. Voor een paar euro heb je een glaasje, voor één euro mag je bij een willekeurig kraampje in de Laubengasse een scheutje wijn proeven. Even twijfel ik, maar ik zie er vanaf. Ik heb een vermoeiende dag achter de rug, en als ik nu tien soorten wijn door elkaar ga drinken ben ik morgen niet te pruimen. Mooi begin van mijn vakantie. Dus ik koop een lekker ijsje op de Piazza del Grano en loop via de Piavestrasse terug naar het hostel.

Ik heb toch nog wel zin in een glaasje wijn. Dus wandel ik het hostel weer uit en klop aan bij de Pakistaan twee deuren verder. Het is negen uur, de lampen zijn nog aan, maar de winkel is verlaten. Dan verschijnt de eigenaar. Hij zwaait hartelijk en gebaart dat hij naar de deur komt. Met veel gewrik trekt hij de blauwe gietijzeren deur naar zich toe – zonder succes. Hij gebaart dat ik moet schoppen. Wat? Ik schop wat vertwijfeld tegen de onderkant van de deur. Die gaat krakend open. De man is blij en begroet me als een oude vriend. We komen overeen dat we Engels met elkaar kunnen spreken. Ik vertel hem dat ik nog een foto van hem heb, van jaren geleden, en dat hij toen nog geen baard had. Hij plukt aan zijn kin en lacht hartelijk. Of ik wat wil kopen? ‘Ja’ zeg ik snel. Achter mij komt een Duitse jongen binnenlopen. Ik koop een literpak rode wijn voor twee vijftig. De Pakistaan is blij met zijn late klandizie, maar doet de deur wel weer achter ons dicht. Nee, het is niet meer als vroeger, toen hij praktisch het buurthuis vormde hier.

Terug in het hostel zet ik mijn pakje wijn op het aanrecht en desabreer het met een groot koksmes – bij gebrek aan schaar. Een Australische vrouw kijkt toe terwijl ze kookt. Ik schuif het pakje wijn in de hoek naast de magnetron in hoop dat niemand er mee aan de haal gaat. Dan zet ik me lekker in de lounge op de bank met een flink glas wijn en praat bij met Zakaria.

donderdag

Het is donderdagmiddag in Bolzano. Ik heb mijn nieuwe, mooie rode zomerjurk aangetrokken, en ben naar het stadspark gelopen. Dat ligt aan de oostkant van de rivier de Talfer, die globaal van noord naar zuid door Bolzano stroomt, en daar ook uitmondt in de iets meer bekende Etsch. Het park is een glooiende groene grasstrook parallel aan het water. Net als andere zomergasten vind ik het een prima plek om de middag met een boek door te brengen.

Ik ben zojuist al vanaf het hostel door de stad gelopen. Met mijn grote zwarte zonnehoed, zonnebril, en natuurlijk de rode ‘can can’ zomerjurk, krijg ik wel wat bewonderende blikken. Dat weet ik. Dat maakt de vakantie leuk.

Ik strijk neer onder een lage fruitboom halverwege het gras. Er staan er niet veel, maar de zon is onverbiddelijk, dus ik verkies dat boven een plek midden op het veld. Onder de boom liggen wat stapels stenen, waarop op dat moment nog een paartje in de schaduw zit te genieten.

Ik tuur het veld over. Voor me, in het zuiden, de Talferbrug, en het dal met de route naar Merano. Achter me, in het noorden, de bergen van het Sarntaler Hufeisen, en het bergdorpje Jenesien. Het is een zonnig plaatje, al met al. Ik pak mijn e-book uit mijn tas en ga lekker zitten lezen. Nu en dan komen mensen bij me onder de boom zachtjes zitten praten of bellen. Het blijven Italianen, hè.

Dan komt er een hippe jongen aanlopen. Casual spijkerbroek, bloesje, witte fedora, gitaartas op zijn rug. Hij draagt een rode draadloze speaker bij zich waaruit funky R&B tettert. Hij gaat zitten op een steen vlak naast me. Ik kijk hem met een scheef oog aan en vraag me af wat hij van me moet. Hij is te jong en te goed gekleed om een straatverkoper te zijn. Hij kijkt naar mij. Waarom gaat hij precies hier zitten? Moet dat nou?

‘Say’ begin ik langzaam. ‘I don’t really like your music.’ Hij knikt. We kijken elkaar aan. Dit is een openbaar park, maar toch. ‘Could you… sit somewhere else?’ ik gebaar naar het uitgestrekte groene veld om ons heen. Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Ja, juist, dit is het moment waarop je doet alsof je geen Engels verstaat. Hij mompelt wat in het Italiaans en kijkt op zijn telefoon. Ik zucht. De muziek uit zijn speaker verstomt gelijk en hij knikt nogmaals. Ik knik maar terug. Hij draait zich een kwartslag van mij af en kijkt uit over het veld. Ik twijfel over weggaan, maar laat het even op z’n beloop.

Vijf, tien minuten gaan voorbij. Ik lees weer. Zolang hij zijn muziek uit laat, heb ik geen problemen met hem. Dan pakt hij langzaam zijn gitaar uit de tas. Een mooie, glanzend witte gitaar, met rode accenten en een donkerrode kast. Hij werpt een korte blik op mij en zet dan de gitaar op zijn knie. Ik twijfel nog even of hij hier gewoon zit om geld aan mij te verdienen, maar hij heeft zijn gitaartas niet bijzonder open liggen om muntjes te vangen. Bovendien zit hij hier wel op een heel onaantrekkelijke plaats om veel toeristen te behagen.

Begrijp me niet verkeerd als ik vermoed, dat het een straatventer is. Die lopen hier in het hoogseizoen echt bij bosjes in de straten. Het valt me eigenlijk gezegd nog mee nu. Maar ze zeggen ‘ciao bella’, sluipen op je af met een bord vol zonnebrillen of een arm vol sieraden, en ze blijven zo’n beetje voor je staan goochelen als een verwarde mug in de avondschemering. Goed wegkijken en ferm ‘no, no’ zeggen wil ze nog wel wegkrijgen. Maar o wee als je kinderen bij je hebt, die de gedragscode nog niet snappen. Dan zit je eraan vast. Ik waarschuw je.

Afijn, de jongen en ik zitten nog steeds twee meter van elkaar verwijderd onder de boom. Ik laat mijn stress weer wat dalen, check of mijn tasje met bezittingen en camera buiten grijpbereik ligt, en lees verder. Al gauw zit ik weer in het verhaal. De jongen tokkelt wat heen op zijn gitaar. Het klinkt wat moeizaam. Alsof hij zich niet voorgenomen had om echt iets te spelen. Of omdat hij zijn begeleidende R&B mist en nu echt wat zelf moet bedenken. In ieder geval, hij zet door, zachtjes maar zeker.

Ik vind het wel fijn, eigenlijk. Ik kijk op, hij kijkt mij aan. Ik steek een duim omhoog en glimlach naar hem. ‘I like it’ zeg ik (kijk, zo geef je dus een echte like!). Hij glimlacht terug en kijkt weer voor zich uit. Zo speelt hij een half uurtje. Ik vergeef het hem dat hij continu hetzelfde loopje speelt, op diverse toonhoogten. Hij maakt vlieguren, zeg ik maar zo.

Ik ben alweer helemaal in mijn verhaal verzonken, gewend aan de zachte vriendelijke gitaarklanken, als hij plots opstaat en zijn gitaar en speaker oppakt. Ik kijk hem aan en glimlach weer. ‘It was nice, thank you! Thank you’ zeg ik. Het spijt me nu zelfs een beetje dat ik hem heb willen wegjagen. Hij knikt, glimlacht terug en loopt verder het veld af, richting rivier. Ik schik mijn rokken en kijk hem na.

Tien minuten later, nog immer lezend. Het volgende gebeurt.

Van links achter me komt een man van middelbare leeftijd aangezwalkt. Mager postuur, ongeschoren, afgesleten spijkerbroek, blauwe houthakkersblouse. Hij lijkt geen kwaad in de zin te hebben, maar ziet er wel behoorlijk teut uit. ‘Signora, signora…’ prevelt hij, terwijl hij inhoudt, en op zijn knieën in het gras neerzijgt. Hij ligt met zijn hoofd net in de schaduw, op het randje van mijn rok. Daar krult hij op en valt in slaap.

Ik ben verbouwereerd. Eh, ja? ‘Signor, could you…’ vraag ik nog, maar hij reageert niet. Met een dronken man kun je ook niet schipperen. Hij ligt er wel grappig, maar helemaal tof vind ik dit ook niet. En dronken man die aan je voeten in slaap valt, wat! Nouja, als ik een man als hij was, zou ik ook op de rokken van een vrouw als ik in slaap willen vallen hoor. Ik geef hem groot gelijk en moet er zelfs een beetje om lachen. Maar ik wil nu wel verder lezen, en het is wel zeker dat hij het komende uur niet overeind gaat komen. Nogmaals: met een dronken man valt niet te schipperen. Dus ik sta moeizaam op, pak met beide handen mijn hachje op, en ga twee meter verder zitten.

Dat is niet zo prettig; de schaduw hier zal zich naar achteren verplaatsen, en ik zit hier midden tussen de bloemen. Dat trekt bijen aan, die ik dan weer moet negeren.

Dan klinkt er achter mij een stem. Het is de hippe gitaarjongen. Hij is van achter op ons toegelopen en staat nu over de dronken slaperd gebogen. Hij sjort hem aan de schouder. ‘Hé, hé!’ zegt hij ferm. De dronken man gromt wat en komt overeind. De hippe jongen zegt kort wat tegen hem en laat hem opstaan. Mompelend loopt de dronkaard weg naar de rand van het park en valt daar op een ander schaduwplekje weer in slaap. De hippe jongen kijkt me aan, en gebaart me dat ik weer terug kan naar waar ik zat. ‘Grazie, ah grazie!’ zeg ik lachend. Hij knikt blij, zwaait, en verdwijnt weer over het gras. Ach ja…

- ⟡ -
De tweede dag word ik vroeg wakker in mijn bovenbed. Eén van de meisjes heeft zich aan het bureau gezet en snijdt schijven ananas. Een weeïg zoete geur verspreidt zich door de kamer, zo naar – het lijkt bijna braaksel. Het meisje dat fruit eet ruimt de stukjes op en blijft vervolgens een kwartier lang op het toilet. Ik vraag me het één en ander af…  maar ik blijf maar liggen en denk aan het pakje wijn dat ik pardoes in de keuken heb laten staan. Zou iemand het weggegooid of opgeëist hebben? Ik sluip naar de keuken, maar die zit tegenwoordig tot 8 uur dicht.

Weer terug boven is het een drukte van jewelste in de kamer. Twee van de drie meisjes pakken hun tassen in. Het derde meisje hoort er niet echt bij. Ze was vanochtend al vroeg het bed uit om een sigaret te roken. Nu is ze terug en pakt met weinig woorden haar tassen in. Haar haar is vaal lichtblauw en ze lijkt duidelijk weinig op te hebben met haar kamergenotes. Arm ding. Moet dat nou zo. Over tien jaar wil ze gewoon een kortpittig kapsel en een gezinnetje, ik zeg het je.

Omdat niemand de badkamer nodig heeft ga ik lekker douchen. Tegen de tijd dat ik klaar ben zijn de drie dames ingepakt. Ik vraag wat ze vandaag gaan doen. ‘Naar de Erdpyramiden’ luidt het antwoord. Ik knik goedkeurend en vraag of dat alles is. Dat weten ze niet. Ik wijs ze uit het raam de locatie van het natuurwondertje aan en zeg dat je er wel aardig kunt wandelen. ‘Dat gaan we niet doen’ zegt één van de meisjes kortaf. Ik zeg dat ze er snel uitgewandeld zullen zijn, omdat het daarboven nou eenmaal niet zo groot is. Ze kijken me meewarig aan. Ze hebben vast een kordate akela die nog veel meer voor ze op de planning heeft. Maar nu gaan ze eerst weg, dus ik heb de kamer voor me alleen.

Ik bezet gelijk een onderbed en verhuis mijn spullen erheen. Dan strek ik me uit met laptop en telefoon (het voordeel van de tweede verdieping: retegoed internet) en ik plan mijn reis naar Venetië. Onderwijl komt de gezellige Italiaanse schoonmaakster over de bedden apekooien om alles af te ruimen. Vanavond zal ik weer nieuwe gasten hebben.

Ik ga even naar beneden en vraag of ik nog een nacht langer kan blijven. Oei, dat wordt moeilijk, er is geen plek meer vrij – behalve in een eenpersoonskamer. Het meisje weet morgenochtend of ze nog een vierpersoonskamer voor me heeft, en zo niet, dan krijg ik tegen kleine bijbetaling de eenpersoons. Ik ga naar de supermarkt en maak een vette salade met tonijn, om achter het hostel in de schaduw op te eten. Ik overpeins de perks van een eenpersoonskamer en besluit het gewoon eens te doen. Dus na mijn lunch sta ik weer aan de balie. Het meisje kijkt moeilijk. Een eenpersoonskamer heeft ze niet meer. Ik herinner haar eraan dat ik hier net ook al was en dat die toen wel beschikbaar was. Ze kijkt opeens helder en ritselt een briefje met mijn naam ergens vandaan. Jep, die kamer is er voor me. Nou, doe me die maar dan, vanaf morgen.

De rest van de dag breng ik door in Bolzano, in het stadspark. ’s Avonds kijk ik sterren in Ritten.

vrijdag

Het is donderdagavond, Bolzano. Het is half tien en ik sta in mijn hostelkamer, op het punt om naar buiten te gaan. Ik leg aan mijn kamergenoten (een moeder met twee tieners) uit dat ik naar ‘fallende Sternen’ ga kijken. De moeder kijkt wat niet-begrijpend, maar haar kind zegt ‘Sternensturm’. Ah, zo heet het dus. Ik knik. Ik beloof rustig te zijn als ik later vanavond terugkom. Ze knikken instemmend.

Dan loop ik het hostel uit, inderhaast zwaaiend naar nachtportier Zakaria, die aan de telefoon zit. ‘Später!’ roep ik, me even niet realiserend dat Duits net een taal is die hij nauwelijks beheerst.

Ik stap stevig door naar de Rittner Seilbahn. Om 21:38 gaat de laatste rit omhoog naar Oberbozen, oftewel: de slinger bergdorpjes oostelijk boven Bolzano. Ik passeer klaplopers, prostituees, maar ook hele gezinnen met jonge springerige kinderen. Ja, het is hier een allegaartje op de stationsstraat. In de verte ligt het dalstation van de kabelbaan al.

Ik ga met een echtpaar mee in de lift naar boven, want de trappen zijn al afgesloten. We voeren ons reisbiljet aan de blauwe automaatjes bij de doorgang, en na een hap-slik krijgen we ze bestempeld terug. ‘Snel, snel!’ roept de beambte in de loge. We maken haast en kunnen nog net met de zojuist vertrekkende gondel mee.

Het is een lange rit naar boven, langer dan ik me herinner. Die twaalf minuten leken in februari veel korter. Het echtpaar reist dit niet voor het eerst, maar nu het nacht is, kijken ze wel hun ogen uit. Ik bied ze mijn plaatsje aan zodat ze beter zicht hebben op het dal beneden ons. Bolzano is al gauw niet meer dan een verzameling goudgele stippeltjes. Dan verdwijnen we achter de eerste heuvelkam en is er om ons heen alleen nog maar duisternis. Door de verlichting in de cabine zien we buiten nog weinig afgezien van de verre lichtjes van verderop gelegen plaatsen ten oosten van het Sarntaler Hufeisen. We drukken ons zo nu en dan tegen de ruit en turen naar buiten. Een eenvoudig geklede man, die ook bij ons in de cabine zit, belt met zijn ‘Schatzi’.

Bij aankomst verdwijnen we allemaal in een andere richting de duisternis in. Ik weet waar ik heen wil. In februari heb ik een paadje ontdekt dat naar een lager gelegen bergweide leidt, vanwaar ik denk ik prachtig uitzicht op de sterren zal hebben. Het is verleidelijk om aan de dichterbij gelegen Schwimmbadweg te gaan liggen, maar die is omzoomd met een rij felle straatlantaarns. Jammer, dat is te veel lichtvervuiling voor het echt goed zien van vallende sterren. Ik loop door. Heuveltje op, het dorp door, dan gelijk links aan de dorpsrand weer naar beneden.

Ik kom op een parkeerplaats die spaarzaam verlicht is, maar dat is me nog niet goed genoeg. Ik steek het spoorbaantje over – waar zo laat geen treintje meer rijdt, maar je weet maar nooit – en hoor in de verte zachte popmuziek. Het klinkt niet heel gevaarlijk dus ik loop verder de duisternis in. Twee auto’s komen me tegemoet over de bergweg die langs de door mij beoogde weitjes loopt. Hun koplampen verlichten de bron van de muziek – twee kleine gestalten die in kleermakerszit in het gras aan de rand van de weg zitten. De voorste auto mindert even vaart, de gestalten knikken, en de auto rijdt weer door.

Het lijken mij geen ongure types, dus ik sla af het weggetje in. Ik hoor dat we allemaal onze adem inhouden. ‘Hallo’ klinkt een meisjesstem uitdagend van voor me. ‘Hallo, kein Angst’ zeg ik, terwijl ik langs het tweetal verder de weg afloop. Ze zeggen niets. Ik ruik een lichte wietlucht. Ach, goed gevonden, om hier te gaan zitten smoken. Prachtige avond, en niet gestoord door ouders of wat dan ook. Het lijkt me een jong stelletje.

Ik zet me ietsje verderop in het gras. Stop mijn broekspijpen in mijn sokken, om geen nachtelijke insecten te vangen. Leg mijn rugzakje onder mijn hoofd, en tuur naar de hemel.

Na een paar minuten suist er een helder opgloeiende ster over. ‘Waaoww’ kreet ik zachtjes. Enkele seconden blijft het stil, dan hoor ik van rechts naast me ‘Alles okeee…?’. Ik ga kort even overeind zitten en roep het stel lachend toe dat ‘Alles okee’ is, ‘Ich schaue mich die Sternen an – es gibt ein Sternensturm! Ich bin nicht krank!’ (bij gebrek aan een beter woord voor gek, op dat moment)… het duo lacht wat en laat me weer met rust.

Ik ga weer achterover liggen en tuur naar de donkere nacht. Het uitzicht is werkelijk fenomenaal hier. Beter dan de nacht dat ik op mijn rug in het gras van het Pinetum (bosje op de UT campus) lag. Minder lichtvervuiling, veel weidser uitzicht. Alleen de maan schijnt zo fel, dat ik daar omheen weinig sterren zie. Maar zoals ik al merk hindert dat niks. Vallende sterren razen, zo ongeveer één per tien minuten, aan weerszijden voorbij en zijn prima zichtbaar.

Ik hoor het tweetal rechts van me wat praten over ‘Sternensturm’. Waarschijnlijk niet in hun belang. Dan blijft het stil. Ik kijk naar rechts en zie dat ze vertrokken zijn.

Een gedaante doemt op aan de rand van het pad, bij de spoorwegovergang. Er loopt een grote, wollig uitziende hond mee. ‘Hallo?’ klinkt een ietwat onzekere vrouwenstem. ‘Hallo!’ antwoord ik vrolijk. ‘Kein Angst’. De vrouw komt naderbij en probeert me te ontwaren in de duisternis. Haar hond trekt aan de lijn en snuffelt aan me zodra ze dichterbij is. Het is een grote Berner Sennen-hond of iets in die richting. Hij is blij me te zien. De vrouw houdt wat terug. Ik vertel haar dat ik vallende sterren kijk en dat alles prima in orde met me is. Ze is gerustgesteld en loopt verder het donkere pad af. Ja, je zult hier maar eens een rare gek tegenkomen… nouja, gelukkig voor haar dan, heeft zij altijd die grote hond nog.

Ik lig hier maar heel alleen, op mijn rug, en moet wat opletten dat ik niet overreden ga worden door een auto, of benaderd door een kwaadwillende gek. Maar zeg nou eens eerlijk. Naderende auto’s zie ik geruime tijd van tevoren, want naar links heb ik vrij uitzicht het dal in (en ik weet nog dat daar alleen nog een huis en een boerderij staan), en naar rechts kijk ik naar de verlichte dorpsweg. Als ik maar niet in slaap val zie ik auto’s wel aankomen. Verwarde gekken die op jongedames uit zijn zijn wat lastiger, maar hey; wie zint daar nou op, zo in een slaperig bergdorp boven de stad Bolzano? Niemand gaat hier op de wacht lopen voor zoiets, want in Ritten is je vangkans echt nagenoeg nul. Bovendien staan er zeker drie grote boerenhuizen recht achter me, en als ik schreeuw wordt gelijk iedereen wakker. Dus lig ik hier redelijk onbezorgd in het gras.

(desalniettemin, mannen die dit lezen: als vrouw moet je de kansen op onheil altijd realistisch inschatten en zeker niet onderschatten).

Ik merk dat het langzaam kouder wordt. Toch niet verkeerd ingeschat. De vorige keer dat ik hier was, was ik ook ietwat te koud gekleed, toen ik dus de zonsopgang ging fotograferen (ja, dat was ook hier, maar toen wel aan de nabijer gelegen Schwimmbadweg). Ditmaal heb ik een vestje en mijn buff bij me. De buff heb ik al wat langer op mijn hoofd zitten omdat hij de late muggen weghoudt. Nu voorziet hij mijn langzaam kouder wordende kruin ook van warmte. Mijn vestje wil ik eigenlijk wel gaan aandoen (jawel, beneden was het nog 30 graden, hier is het 10!) maar dan heb ik geen kussentje meer om mijn hoofd op te leggen. Dilemma.

De Seilbahn is stilgevallen. Dat baart me enigszins zorgen. Er komt toch nog wel een laatste Talfahrt? Dit zal wel stroombesparing zijn. De torens met alle katrollen en mechanieken maken trouwens aardig wat herrie, ook al komt er geen gondel voorbij. De vrouw met de hond komt terug uit de duisternis. Ik herken haar snel en laat haar passeren. Haar hond, die ik nog een aai geef, snuffelt aan mijn tas en wil hem bijna oppeuzelen. Met moeite trekt de vrouw haar sterke hond mee.

Ik leg me ten laatsten male nog eens achterover en tuur naar de hemel. Ondertussen heb ik al zo’n zes sterren voorbij zien schieten, niet te zuinig. En mooi ook. Maar ze komen zo onverwacht! Ik wil zo graag een wens doen, maar moet je die nu precies in je hoofd hebben als de ster valt? En wat als de wens meer woorden bevat dan het spoor van de ster? Komt hij dan wel helemaal uit? Daarover peinzend zie ik nog een volgende voorbijschieten. Weer te laat. Wel mooi.

Oké, het is half tien, ik ga teruglopen. Ik zet het alarm op mijn telefoon af voordat het zal klinken, en zet koers naar het bergstation van de kabelbaan. Mijn benen doen pijn van dit plotselinge lopen de laatste dagen. Ik zeul mezelf de heuveltjes op, groet een laatste gast in het dorp. Kijk omhoog, en zie nog een ster overschieten. Zodra ik het pad naar de kabelbaan inzet zie ik meer wandelaars op de helder verlichte wachtruimte afstevenen. Ik maak nog een selfie en loop binnen.

Twee dames zitten te wachten. Een gezelschap schaart zich erbij – na uitbundige groeten, kussen en beloftes tot wederkeer aan hun gastvrouw- en heer. Ik valideer mijn kaartje en posteer me tegen de loge. Twee knappe jonge jongens voegen zich bij het wachtende gezelschap. Een piepjong stelletje van een onopvallende jongen en een wat lelijk meisje komt er ook bij staan. Het meisje kijkt met verwilderde ogen om zich heen, de jongen beschermt haar met zijn dunne arm.

Dan sloffen er twee meisjes het wachtportaal binnen. Een blondine met een te grote hipsterbril en een muizige brunette in het zwart. Niet veel meer dan zestien jaren oud. Ze kijken loom, verveeld voor zich uit. Dan herken ik ze. Denk ik. Dit was vast het stel dat bij mij op het bergweggetje zat. Stiekem smoken, laatste gondel terug. Ja, nu ik ze beter bekijk, zie ik dat hun ogen groot zijn van de hallucinerende middelen. De blondine kijkt desondanks scherp om zich heen. De brunette kijkt mismoedig. We gaan met z’n allen de cabine in. Ik zet me in een hoekje op het bankje, de meisjes schuin aan de overkant van de cabine. De blondine kijkt venijnig en rommelt met haar telefoon. De brunette gaat eigenlijk gelijk onderuitgezakt in het hoekje zitten. Beide kauwen haast automatisch op hun kauwgum. Ze trekken zich weinig aan van de rest van de inzittenden.

Er leeft een aardig gesprek op, dat ik maar ten dele kan volgen. Te veel dialect. Het woord ‘Sternensturm’ komt voorbij. Ik haak aan. ‘Ja, ik heb sterren gekeken’ zeg ik. Men kijkt verwonderd (ook omdat ik tot dusver nog niks gezegd of gedaan heb). Ik zeg kort dat ik er wel acht heb gezien. Men herhaalt het met oh’s en ah’s en praat nog wat na over de gebeurtenis. ‘Morgen weer’ voeg ik er nog aan toe.

De meisjes aan de overkant van de cabine zien er nu echt droevig uit. Net grinnikte ik nog wat toen ik ze herkende, maar nu niet meer. De blondine kijkt nog steeds gehaaid – de brunette verslagen. Kennelijk de afterdip van wiet. Haar gezicht ziet groen – ja werkelijk – groen. Met gesloten ogen hangt ze tegen het glas van de cabine, mond gesloten, lippen stijf op elkaar. Het zal me niks verbazen als ze zo geheel uit het niets de cabine onderspuugt. Haar vriendin let amper op haar. Ik hoop toch niet dat één van ons zo te hulp moet schieten.

We komen beneden aan. De blondine port haar vriendin wakker en samen struikelen ze de cabine uit. Als eerste lopen ze de trappen af, het gebouw uit. Het piepjonge stelletje loopt voor me en kijkt wat bedremmeld naar de twee meisjes.

Op straat zie ik ze weer terug. Het bruinharige meisje zit op een stuk stoep voor het gebouw, met haar rug tegen een lantaarnpaal. Haar vriendin zit er gehurkt voor en praat wat met haar. Ik loop langs ze. Nu is het mijn beurt om te vragen of het wel goed gaat. ‘Ja alles oké’ snibt de blondine me toe. Anderen kijken ook om naar het in de kreukels liggende meisje. Ik zeg ‘Guten Abend’ en loop door, mijn schouders ophalend.

Die komen nog wel thuis vanavond. En waarschijnlijk krijgt één van beide wel wat te horen van haar ouders…

- ⟡ -
De volgende dag moet ik een tijdje wachten voor ik mijn eenpersoonskamer in kan. Daarna pak ik de trein naar Merano en ga ik met de bus naar Partschins. Dat slingert zo dat ik bijna wens om de trein terug te pakken. Anyway, ik ga naar het schrijfmachinemuseum dat me echt overweldigt. Drie verdiepingen vol met oude schrijfmachines. Als ik de ingang weer bereik praat ik nog wat met de lokettiste. Ze is onlangs in Bletchley geweest, vertelt ze, waar de coderingsmachines uit de oorlog staan. Heel interessant. Ik heb nog nooit van Bletchley gehoord, maar luister graag naar wat ze allemaal vertelt. Dan pak ik de bus weer naar Bolzano.

Zodra ik internetbereik heb stromen de WhatsAppjes binnen. In de Tkkrlabgroep verschijnen plaatjes. De jongens die naar een hackercamp in Londen zijn, zijn vandaag naar Bletchley geweest. Daar hebben ze coderingsmachines uit de oorlog bekeken…  ik sta paf van deze toevalligheid.

’s Avonds maak ik weer lekker pasta en drink wat wijn (die ik gelukkig heb kunnen confisceren en in mijn kamer bewaar – maar bij lange na niet op zal krijgen). Doordat ik redelijk laat eet en met een Duitser zit te praten ga ik niet op tijd naar boven naar Ritten. Daarom neem ik de Duitser maar mee naar het stadspark aan de Talfers, waar we samen in het gras gaan zitten en ik wederom vallende sterren spot. We lopen samen weer terug naar het hostel.

Daar zit op de bank een Duits schuchter meisje en een Australische jongen. We raken al gauw in gesprek en maken het nog aardig laat.

 

zaterdag

De volgende ochtend moeten de Australiër en ik beiden uitchecken, dus we ontbijten samen en hij zit nog even op mijn kamer terwijl ik mijn tas inpak. Ik geef hem mijn busticket, want ik heb het niet meer nodig nu ik alleen nog maar naar het station hoef te lopen. Ik ga tegen elf uur. Er zal een internationale trein komen die direct naar Venetië rijdt. Hartstikke handig, toch?

Om elf uur zestien is de trein er zoals beloofd. Maar: hij zit mudjevol, en ik heb geen zitplaatsreservering. Dan zet ik me maar tussen twee wagons op het balkon, samen met een meisje dat een aparte rugzak draagt en een vrolijke gele bloem in haar haar heeft. Net wil ik op de vloer gaan zitten, als een man van buiten de deur opentrekt en naar binnen wil. Ik zucht. Gaat dit de komende vijf uur tot Venetië zo door? Dan kan ik beter niet met deze trein mee…

Ik hak de knoop door en zeg tegen niemand in het bijzonder ‘Tis mooi, ik stap uit.’ Ik loop onder het perron door en stap zonder omhaal in de stoptrein naar Verona. Zo. Zitplaats, airconditioning, en tijd zat vandaag.

Na een uurtje stoppen we ergens op Rovereto. Eerlijk gezegd ben ik best suf van al die zonovergoten stationnetjes en het slome reistempo. Gelukkig komt er leven in de brouwerij: de deuren schuiven open en daar is het meisje met de leuke tas. Haar gezicht staat op onweer.

Wat bedremmeld vraagt ze of de stoel tegenover mij vrij is en laat zich erin ploffen. Ik vraag haar wat er is. Ze blijkt prima Engels te kunnen spreken. Ze vertelt dat ze in de sneltrein zat, maar dat ze eruit is gezet omdat men haar ticket ongeldig vond. Ze laat het me zien: volgens mij mag ze daarmee prima in een sneltrein reizen. Ze is verbolgen over de behandeling die ze haar gaven. Ik zeg dat ze nu tenminste een zitplaats en airco heeft en haar gezicht klaart wat op. Dan wijs ik haar op haar leuke tas: een grijze rugzak met opvallende oranje rubberen stekels. Ze vertelt waar ze hem gekocht heeft, en hoezeer ze houdt van leuke, geeky dingetjes.

Daarna vertelt ze verder over hoe ze in het algemeen houdt van computers, geeky stuff, kostuums, en retro spullen. Ik laat haar lekker vertellen, en vertel af en toe wat terug over de kostuums en spullen die ik heb. Ik heb nog een foto van Castlefest op mijn telefoon en toon haar die. Ze is helemaal verrukt over de jurk. Ze blijkt ook mooi te kunnen tekenen, dus we wisselen Deviantart-adressen uit. Op Verona zwaait ze gedag, want nu moet ze in een stoptrein verder naar een nabijgelegen plaats.

Ik ga naar het perron waarop al gauw een aansluitende trein naar Venetië op binnenzoeft. Dit is geen regionale trein maar een echte Frecciarossa. Ruime stoelen, airco, geen internet, maar wel een realtime kaartje met de actuele locatie en de snelheid van de trein. Ik plak me tegen het raam en tuur over de velden noordwaards, zie de verhitte dorpjes voorbijzoeven in de namiddagzon. Een baby huilt, een bedelares komt voorbij – ik merk het niet. Zo bereiken we Venetië Santa Lucia.

Ik stap uit, maak een selfie met het bord, en loop linksom het station uit. Dat blijkt de snelste weg – ware het wel dat die door een naar urine stinkend steegje gaat. Dan val ik midden in de chaos van schreeuwerige toeristen en straatverkopers bij een hitte van dertig graden. Gelukkig kom ik net uitgerust uit een frisse trein, dus ik stap stevig door. Ik weet niet meer precies hoe de busboten precies werken, wel dat ze duur zijn, dus ik ga lopend naar het hostel. Even een brug over, een steegje door… pfoei, al bijna raak ik verdwaald. Kom aan bij de kade waar toch echt hostel L’Imbarcadero zou moeten zitten. Zo’n gebouw geven ze toch duidelijk aan? Waar is het uithangbord?

Na drie keer heen en terug langs een nauw steegje spot ik daar het bordje ‘Calle Zen’. Hé. Dat is de straatnaam. Ik wandel de koelte in en ga gelijk rechts een poortje door, een donkere trap op… en kom bovenaan bij een deur. Jawel, dit etablissement heet L’Imbarcadero. Mooi. Ik bel aan en word toegeroepen door een stem in een plat Londens accent. De deur gaat open en voor me staat een zomers gekleed meisje dat bij de Spice Girls niet misstaan had. Ze haast zich terug naar haar klapstoel achter een wiebelig bureautje en werkt driftig alle nieuwe inschrijvingen af. Ik ben overdonderd.

Ik ben aanbeland in een oud Venetiaans huis – aan de opgang te zien duidelijk een oude bediendenwoning behorende bij een groter huis dat haar deuren direct aan de kade heeft. Dit huis heeft een kleine hal en keuken. Vooraan, met ramen die uitzicht bieden op de kade, is een gedeelde slaapkamer met wel acht bedden. Er zitten jongens gitaar te spelen. Het keukentje is klein maar knus. Verderop de gang in, naar de achterkant van het huis, zie ik allemaal zijdeuren. Zo nu en dan loopt er een meisje in of uit. Is dit een hostel?

Het Londense meisje checkt me in en voorziet me van een stadsplattegrond (maar goed dat ik die nog niet gekocht had voor drie hele euro’s). Ze wijst alles aan, met als belangrijkste pleisterplaatsen wel de supermarkt en de busbootstop. Voor de rest weet ik nog wel waar alles ligt – ik ben ten slotte al voor de derde keer in Venetië. Ze troont me mee naar mijn kamer, direct in de gang na de badkamer. Ik deel mijn vierpersoonskamers vanavond met twee Aziatisch uitziende meisjes. Eén ervan blijkt echter Amerikaans. Ze ligt breeduit op bed te slapen en zet haar allerliefste gezicht op als ik me vlug voorstel.

De kamer heeft overduidelijk geen slot. Ik krijg een Ikea-lockertje toegewezen waar mijn rugzak nét over dwars in past. Aanvankelijk vind ik dit nog maar een raar hostel, waar dieven zo in en uit kunnen lopen, maar die mening verandert na een paar dagen wel. Dit huis aan de Calle Zen ligt zo goed verstopt, en is bovendien continu bezet door oplettende jongeren die precies lijken te weten wie er wel en niet woont. Als je je waardevolle spullen maar in je locker houdt, komt er verder geen kip dit kasteel binnen.

Ik maak een wandelingetje naar de supermarkt, verdwaal, haal eten, en verdwaal weer. Eten en drinken is hier grappig; ’s middags drinkt iedereen droge witte wijn uit een literpak. ’s Avonds gaan we over op bier. Zo zit ik ’s avonds aan de kade met mijn eBook, lezend met een biertje naast me. Het is donker, de vleermuizen cirkelen onder de straatlantaarns, het is rustig en mooi. Het water klotst tegen de kade, er komen overvolle busboten voorbijgespoed, afgewisseld door kleine snelle bootjes die amper een rood en een groen lichtje dragen. We zitten direct aan een driesprong, dus elke keer als de snelle busboot 4.1 of 4.2 een krappe bocht het kanaal op of af maakt, toetert hij luid. Maar daar wen je aan. Ik ga die avond prettig slapen.

zondag

Drie dagen wandel ik in Venetië rond. ’s Ochtends ontbijt in het hostel. Daarna wordt het snel warm en stikt het van de toeristen. Ik ga eerst alles wandelen, maar verdwaal veel. Ik zit wel lekker overal te lezen, aan rustige stukjes kade, in de schaduw. Vermijd de toeristen.

Ik ga een ochtend op het San Marco-plein naar de zonsopgang kijken, duiven voeren. ’s Middags naar het Lido met mijn waterdichte tas. Word raar aangestaard door andere toeristen die mij met tas en al het water in zien stappen. Tja, dat werkt gewoon jongens, en zo hoef ik mijn kostbare spullen niet op het strand te laten liggen.

’s Avonds ga ik aan de kade zitten lezen en met hostelgenoten praten. Ik ben nog steun en toeverlaat voor de meisjes die er werken en die te dealen hebben met allerlei gezellige en niet zo gezellige gasten. Ik hoor het aan…

De laatste ochtend laat ik mijn tas in de bagagekamer staan en ga nog naar een leuke kleine boekwinkel die ‘Acqua Alta’ heet. Ach, wel mooi. Ik ben maar net op tijd terug, lever mijn geleende sleutel in (uitcheckbeleid? da’s heel ruim hier) en ga bepakt op de boot naar San Basilio. Dat ik daar moet opstappen heb ik vernomen van een stewardess die het mij vertelde, toen ze nét voor mijn neus uit een watertaxi stapte. Ik was namelijk al een paar keer naar de havens gelopen, maar kon zo het kantoor van VeneziaLines niet vinden.

Dat je bij San Basilio moet zijn, staat nergens op internet. Gelukkig weet ik het nu. Ik ben er te vroeg, we moeten wachten in de zon. Strenge douanecontrole, net een luchthaven. Mijn tassen moeten in grijze bakken over rollerbanden. Gelukkig mag ik mijn rugtas meenemen op de boot, en zelfs bij me houden. Ik heb een ruim ‘VIP’ ticket geboekt en kan genieten van ruime rode leren banken, een gratis eerste drankje, géén radiomuziek (dat wordt om duistere redenen direct afgezet zodra het aanspringt), maar wel weer Bananasplit-video’s in het Kroatisch. Zo kom je die drie uur wel door. In de avond lopen we de haven van Pula binnen.

dinsdag

De eerste avond in Pula moet ik bij een appartement in een buitenwijk zijn. De Airbnb-hostess heeft me gelukkig getipt dat ik bus 2 moet hebben. Busstops zijn hier niet zo duidelijk; het blijkt dat je gewoon moet weten welke lijn welke straat neemt, en dan bij een stop moet wachten. Er staan geen nummers of bordjes bij. Op goed geluk zie ik nadat ik gepind heb een bus 2a aan komen rijden, en spring erin. Helaas, de 200 Kuna – oftewel 28 euro – is te veel geld voor de buschauffeur. Ik heb niet kleiner en kijk zielig, dus ik mag gratis mee. De buschauffeur gooit me eruit bij Verudela 2. Ik ontwaar in het duister een heel park met enorme skyscrapers, waarvan ik weet dat mijn appartement in één ervan moet zijn.

Een dame met twee honden (een Deense dog en een Labradoedel) loopt voor me uit, en ziet dat ik geen idee heb waar ik heen moet. Ze stopt en helpt me. Ik laat haar de straatnaam en het nummer lezen. ‘Kom maar mee’ zegt ze en loodst me richting de flats, terwijl ze gezellig in gebroken Engels vertelt over haar honden. Plots, als we een klein buurthuisje passeren, schiet haar Labradoedel fel en woest op een andere hond af. De Dog laat dit niet op zich zitten en trekt er ook naar toe. Sterk als ze samen zijn, gooien ze de vrouw met een smak op de grond. Ik grijp snel de Labradoedel en help de vrouw opstaan. Ze gebaart me waar haar bril ligt en die geef ik ook. ‘Oh, gebeurt iedere avond’ zegt ze, terwijl ze het stof van haar kleren klopt. Ik ben verbaasd. Ze maakt nog een grapje met de mannen die bij het buurthuis op het terrras zitten en we lopen door.

‘Kijk hier is 27’ zegt ze me. ‘Welke naam moet je hebben?’ Verrek, dat weet ik niet. Maar ik kan bellen. Dat leg ik haar uit, en als ze ver verzekerd van is dat ik wel terechtkom, laat ze me achter. Ik bel Monica op, die aangeeft in de stad te zijn, maar haar ouders zullen me binnenlaten. Inderdaad, twee oude mensjes komen naar de deur. De papa spreekt Italiaans en gebroken Engels, de mama spreekt vrolijk gebroken Duits. Ze leiden me door het huis heen en laten me dan alleen achter in mijn slaapkamer. Ik heb aan de westkant een klein balkon, zo groot als bij mijzelf thuis, en als ik daar sta heb ik net draadloos internet van het bakkerijtje aan de overkant van de straat. Dat is ook serieus mijn internetverbinding, dus de komende dagen ben ik gedwongen op het balkon te zitten voor mijn verdere reisplannen.

Ik ga lekker slapen in het tweepersoonsbed. De papa en de mama slapen geloof ik op een uitklapbank in de woonkamer, maargoed – als dat de deal is, en ik betaal voor dit bed, dan ga ik er niet aan tornen.

woensdag

De volgende ochtend krijg ik keurig om negen uur ontbijt. Ik zat al op het balkon mijn reis uit te stippelen, als de zijdeur van het balkon openzwaait. Die papa begroet me vrolijk in een mengelmoesje van talen en nodigt me aan de ontbijttafel. Broodjes, beleg, en een typische Franse ‘bol’ met koffie en veel melk – ze doen hun uiterste best voor me. Ik vraag me af of ze hier ook normale koffie kennen, als ik die papa naast me neer zie strijken met precies zo’n heerlijk gewone mok vol zwarte koffie. Tja.

Na het ontbijt raden ze me aan om te gaan zwemmen in een baaitje in de buurt. Op loopafstand, wijst die mama. Oké. Eerst ga ik op zoek naar een supermarktje, en dat is veel dichterbij dan ik op de kaart heb gezien. Ergens tussen de afgebladderde lage flats heeft iemand gewoon een soort glimmende zilveren keet gedropt, waar zich een moderne supermarkt in bevindt. Kroatië, ja. Ik besluit stoutmoedig dat ik ingrediënten voor een koude salade meeneem, nog niet wetende of ik die mag bereiden of niet. Ook wat eten voor de rest van de middag.

Ik kom terug in het appartement. Die mama en die papa hebben lekker gezwommen, zeggen ze. Moet ik ook doen. Ik vraag aan die mama of ik lunch mag maken in de keuken. Ze kijkt wat bedremmeld, maar als ze ziet dat ik alleen een snijplank en een mes nodig heb, is het helemaal oké. Ik maak een frisse salade met tomaatjes, echte mozarella, en zucchini. Genoeg voor een lunch. Ik peuzel het lekker op het balkon op. Die papa wil me nog een glas bier uit zijn megafles lokaal bier aanbieden, maar ik wijs het af. Ik heb bier, en ik wil ook niet al zo vroeg aan de alcohol.

Ik raap mijn spullen bij elkaar en loop zoals me verteld is twee straten naar beneden, naar de Valsalina. De baaitjes hier in het zuiden van Pula zijn als vingers aan een hand. Kies een straatje en loop een ‘vinger’ af, en je komt vanzelf bij een strandje. Ik vind een enigszins gecultiveerd strandje bij een duikclub, waar met pontons een bassin is aangelegd. Er zijn houten banken en er is gelukkig geen zand – daar werd ik op Lido zo gek van! Er zat zelfs zand in de USB-poort van mijn boek, nou dat ging echt te ver. Hier kan ik me mooi op een tribune neerzetten en ik merk zelfs dat ik mijn spullen daar achter kan laten. Hoewel ik mijn tas wel goed in het oog houd, merk ik al wel dat iedereen gewoon hier z’n handdoekje uitspreidt en dan ergens gaat zwemmen. Geen kip die mijn meuk wil stelen.

Na drie uurtjes zwemmen in het koude water met golfslag zet ik me weer op de kant. IJsje eten, boek lezen, wel een handdoek over mijn schouders, maar dan toch voor op de borst nog zo rood worden als een kreeft. Ik staar naar het meisje dat op de bank onder me ligt. Ze heeft de looks van… van… Alice, het meisje uit het hostel in Venetië. Ze heeft ook de blauwe strepen in haar haar… verrek. Het is Alice. Ik begroet haar en ze is net zo verbaasd als ik. Ik wist dat ze naar Pula zou gaan, maar dat je dan op dezelfde dag in dezelfde baai gaat zwemmen? Wat een toeval weer. We kletsen even bij en ze raadt me een paar hostels aan, onder andere degene waar ze zelf gaat werken.

Terug in het huis is het alweer tegen vijven. Ik trek mijn mooie rode jurk aan en ga naar een restaurant in de buurt. Dat blijkt vol. Jammer, het had op Tripadvisor wel de beste rating. Gelukkig is er tegenover een soortgelijk restaurant. Ik krijg een leuk tafeltje en bestel lekkere visgerechten. Ik hoop maar dat ik met mijn pinpas kan betalen, want anders vreet ik ze hier de keuken leeg en moet ik hemel en aarde bewegen om nog weg te komen. Gelukkig, betalen met pin kan gewoon. Ik wandel door de warme nacht naar mijn appartement terug. Achter me flitst het – zou er vuurwerk worden afgestoken? Dan hoor ik ook gerommel. Het is ver weg.

Zodra ik goed en wel opgefrist in het appartement zit, met mijn laptopje op het balkon, komen de ouders van Monica thuis. De mama komt nog even bij me staan en vertelt van hun gezellige avond. We kijken samen vanaf het balkon naar het onweer, dat zich ontwikkelt als een bui van formaat. We zitten hier op het inpandige balkon goed. De bui barst los boven de baaien. Het echtpaar gaat alvast slapen terwijl ik nog een tijdje buiten zit. Donders rollen over het land, tweemaal zie ik boven mijn laptop een witte lichtbol uiteen spatten. Direct daarop volgt telkens een genadeloze scherpe klap, die een zwerm van electrisch gezoem door de lucht verspreidt, en die nog lang natrilt in mijn oren. De flitsen zijn fenomenaal en volgen elkaar in steeds rapper tempo op. Wat een bui, dat zie je in Nederland bepaald nooit. Ik ga rustig slapen.

 

donderdag

Ik word de volgende ochtend om een uur of zeven wakker. Die mama moet vroeg naar haar baan bij de bank, dus ik hoor haar rond die tijd vertrekken. Kort daarna hoor ik die papa in de keuken mopperen. Om stipt negen uur haalt hij me op van mijn balkonnetje. Op de keukentafel prijkt een schaaltje biscuitjes, een broodje dat verdacht erg van het bakkerijtje tegenover lijkt te komen, en een pot honing waarvan hij trots zegt dat die van zijn broer de imker komt. Hij demonstreert me hoe ik het broodje met verse kaas moet bestrijken met honing. Dat is lekker, zegt hij. Wederom is deze maaltijd vergezeld door een typische ruime kom met slappe koffie. Ik vind het goed.

Ik pak rustig in terwijl de papa even naar zijn zus gaat die twee straten verderop woont. Bij zijn terugkomst heb ik mijn tas klaar en het bed afgehaald. Ik groet hem gedag en wandel naar de bus aan de straat. Om bij het appartement te komen kun je veel beter de eerste busstop nemen, dan is het veel sneller te vinden. Afijn. Ik koop netjes een kaartje en laat me met een stelletje toeristen naar het centrum van de stad rijden. Ik kom midden tussen de drentelende toeristen terecht en baan me door de nauwe ronde straatjes een weg naar het Riva-hostel. Tot mijn verbazing zie ik dat hostel ‘Pipistrelo’ dat gisteren niet bereikbaar was, wel gewoon open is. De eigenaar zit mismoedig buiten. Tja kerel, dan moeten je website en telefoonnummers het maar doen. Nu zit ik bij Riva.

Het meisje bij het Riva hostel wijst me erop dat ik wel erg vroeg ben. Tja, dat weet ik. Ik mag mijn rugtas in een bagagehokje neerzetten en kan dan weer de stad in, tot twee uur. Ik neem een boek en wat proviand mee, en zet me bij het eerste het beste kerkje op een muurtje. Binnen klinkt mooi gezang. Ik ben helaas een smet op de foto’s van toeristen, die dit kerkje met z’n tuin blijkbaar graag zo op de foto zetten. Pech, ik zit hier lekker te lezen. Veel Engelse toeristen. Als het koor naar buiten komt bedank en groet ik ze.

Om twee uur kan ik naar het hostel terug. Ik mag mijn kamer in: op de tweede verdieping, naast de keuken, onder het dakterras. Een hoge kamer met eigen badkamer, zes slaapplaatsen verdeeld over drie rammelende metalen stapelbedden. Ik heb een bovenbed vlak naast de keukenmuur.

Ik haal eten bij de supermarkt. Op aanrade van de gastvrouw heb ik ook een flesje yoghurt gehaald, dat ik over mijn verbrande schouders uitsmeer. Ik stink erg, denk ik, maar ik koel tenminste wat af. Ik kon amper mijn rugzak dragen, zo pijnlijk waren mijn schouders. Daarna ga ik even douchen en maak ik een lekkere pastasalade. Ik besteed de middag verder met lezen en ga ’s avonds een rondje langs de kade wandelen. Tegen elf uur zit ik weer op het dakterras, waar nog vrolijke muziek draait. Ik stuur een kaartje, lees mijn boek. De muziek gaat om elf uur niet uit. Ik informeer. In de zomermaanden gaat de muziek om twaalf uur uit. Oké. Nog even een uurtje wakker zijn dan, want door de open ramen tettert de muziek kalmpjes binnen.

Ik ga toch maar slapen – althans, dat probeer ik. Mijn drie Ierse kamergenotes komen ook slapen. Tegen twee uur ’s nachts – voor mijn gevoel ben ik nog steeds wakker – staat er iemand van de hostelstaff voor onze deur te praten met een jongen. Ik vang op dat hij al zijn spullen kwijt is en dat hij gewoon wil neerploffen in een bed en morgen verder zien. Na lang beraad gaat dan de deur open en legt hij zich te ruste op een onderbed waarvan ik vermoedde dat het bezet was. Nu ga ik echt proberen te slapen. Maar dat lukt weer niet. Tegen vier uur word ik wakker omdat er in de keuken naast me een stel jongens eten is gaan maken. Vrolijk kwekkend zie ik ze van hun pasta zitten eten, als ik suffig in mijn slaapkledij om de hoek leun. Ik vraag ze om hun maaltijd elders voort te zetten omdat we in de slaapkamer woord voor woord kunnen verstaan. Ze luisteren direct, laten hun vergiet vol pasta achter, en verdwijnen uit de keuken. Nu ga ik écht slapen. Ja, dat lukt. Opgekruld in mijn stapelbed, rugtas aan mijn voeteneind, merk ik er niets van als de Zwitserse kamergenote om zes uur haar biezen pakt en met een vroege trein vertrekt.

 

vrijdag

Om acht uur open ik mijn ogen en besef dat ik de laatste uren van deze roerige nacht toch echt slapend heb doorgebracht. Het gevoel van ‘eindelijk, het is ochtend’ heb ik wel vaker, op reis – bijvoorbeeld wanneer het rumoerig, of koud is geweest. Dit is weer zo’n ochtend waarop ik alles behalve uitgerust wakkerword, met een nietsontziend pesthumeur tot gevolg. Ja, zo ben ik. In de uren die ik vannacht wakker was, heb ik al het mogelijke aan dit hostel vervloekt, en gezworen, dat ik per direct een andere kamer wil. Ik word te oud voor deze fratsen, ik ben meer luxe waard. Zo.

Terwijl de gedachten door mijn hoofd razen staar ik naar het hoge plafond. In de kamer is het – eindelijk – muisstil. De Ierse meiden slapen hun roes uit, het meisje in het bovenbed naast me is reeds (ongemerkt!) vertrokken. De vreemde jongen die niks meer had, ligt in een onmogelijke hoek in zijn bed. Ik zal maar niet te lang kijken, straks ontdek ik nog dat hij zonder ondergoed slaapt ofzo. De lucht is warm en redelijk bedompt van zes slapende mensen. Ik graaf zonder luid te zijn in mijn rugzak en haal er een broek uit die ik aantrek. Ik bedenk me dat ik meer bereik met onderhandelen, dan met woede botvieren, dus slaak ik een diepe zucht en begeef me zachtjes naar de receptie boven. Als ik langs de keuken wandel, zie ik daar de vergiet met half de middernachtsmaaltijd van de jongens.

Boven is het licht. De zon staat al hoog aan de hemel, het dakterras baadt in zonneschijn. Prettige muziek staat op. De hoofdmedewerkster van het hostel zit aan het bureautje te schrijven. Ik neem voor haar plaats, en leg beknopt uit hoe vervelend mijn nacht was. Onthutst en betrokken luistert ze naar de gebeurtenissen die ik bijzonder beknopt aan haar voorleg. Ik merk dat ze zeer bereid is om te helpen en dat doet me goed. Ze is het met me eens dat dingen anders opgelost hadden kunnen worden. ‘Ik wil graag blijven’ opper ik ‘maar niet zo.’ Ze snapt het. ‘Ik heb voor de twee komende nachten eenpersoonskamers voor je, maar wel elke nacht een andere. Ik vind het goed, zo ver hoef ik niet te slepen met mijn backpack. Tevreden bedank ik haar en loop naar beneden om te ontbijt te halen. Dat is niet veel. In één van de kastjes vind ik een aardewerken kom, waar ik bosvruchtenyoghurt met muesli in doe. Een slap begin van de dag, maar het zij zo. Ik loop naar boven, want het is zonde als je met dit mooie weer in een koele keuken gaat zitten. De hostess komt op me af en biedt me een grote kop koffie aan. ‘On the house’ zegt ze terwijl ze hem voor me neerzet. Dat is grappig, want we zitten daadwerkelijk bovenop het huis. Ook vind ik het ronduit netjes. Dit meisje weet hoe gastvrijheid en klanttevredenheid werkt. Een kop koffie kost hier op het dakterras nog geen dertig eurocent, maar een dubbele mok gratis weggeven betekent in dit geval weer een happy customer.

Na het ontbijt pak ik zachtjes in en laat mijn kamergenoten achter. Ik vraag me even af wat hun context is, dat zij dit een goede nachtrust vinden. Maar lang peins ik daar niet over, want ik ben op weg naar een betere kamer. Daarvoor moet ik de trap op, langs de receptie, het dakterras over. Dan een gangetje in, waarmee ik een aansluitend gebouw betreed, dat weer aan de straat grenst. Dit gebouw heeft lange gangen die parallel lopen aan de straat. De derde, vierde, en vijfde verdieping behoren tot het hostel. In het gangetje vanaf het dakterras bevinden zich eerst aan de linkerzijde lockers en aan de rechterzijde toiletten en douches. Dan slaat de gang linksaf en herbergt links en rechts grote hoge deuren naar slaapzaaltjes en eenpersoonskamers. Dit gebouw is, anders dan de rest van het hostel, in bonte kleuren geschilderd. Gele muren, blauwe deuren, geweven tapijten,  en oosterse lampjes met gekleurde glaasjes. Aan het einde van de gang bevindt zich een grote donkerrode houten trap met een dik touw als reling. Het lijkt wel een enorm schip. Onder de trap ligt een bende knipperende routers en netwerkkabels. Laat niemand daar iets uit trekken! WiFi is al zo’n gedoe hier.

Mijn kamer is de laatste aan de gang, naast de trap. Ik duw de hoge houten paneeldeur open en sta in een prachtige authentieke kamer. Door twee hoge ramen aan het eind van de kamer stroomt licht binnen. Deze kamer ligt op het westen, dus het is nog lekker koel. Er ligt een parketvloer met visgraatmotief, hier en daar iets gebutst. Een paars Ikea Lycksele Lovas-bankje en een Kwantum-kast ontsieren de kamer, om maar niet te spreken van de gifgroene gordijnen die vloeken met de oranje raamkozijnen. Maar, er staat een fijn tweepersoonsbed, en deze kamer is stil en alleen voor mij. Ik ben helemaal verrukt. Ik doe de deur achter me dicht en loop naar het raam. Ik kijk uit over de haven van Pula, ter hoogte van de doks en de massieve hoge overslagkranen. Het is geen bijzonder spannend uitzicht, maar ik zit hoe dan ook nu wel pal aan de Adriatische kust!

Ik klap de ramen schuin tegen elkaar open opdat er een beetje frisse lucht naar binnen stroomt, en hang het gordijn ervoor. Vervolgens pak voorzichtig een beetje mijn rugzak uit, zonder gelijk een explosie van persoonlijke zaken op het paarse bankje te veroorzaken. Dat mislukt aardig.

Omdat het nog zo vroeg is, besluit ik om dan maar een stukje van Pula te gaan bekijken. Ik kan rond gaan lopen, maar dat heeft een aantal tegens. De zon staat al aardig hoog, het is al warm. Elke richting die ik op ga vanaf hier is heuvelopwaarts. Een rugzakje dragen is pijnlijk, want mijn schouders zijn nog verbrand. Ik overweeg mijn opties. Er rijdt een dubbeldekker door Pula, om toeristen snel alle highlights te laten zien. Ondanks mijn venijnige aversie jegens dit soort bussen denk ik er nu toch over om daarop in te stappen. Lekker boven op zo’n open dubbeldekker door de straatjes van dit stadje gereden worden terwijl ik wat leer over de historie, lijkt me wel wat. Goed, tegen twaalven gaat de bus. Het dichtstbijzijnde vertrekpunt is voor het amfitheater. Ik pak een licht rugzakje in met een boek en wat water en posteer me recht tegenover de genoemde ruïne.

Auto’s, taxi’s, lijnbussen stromen voorbij. Toeristen zwermen af en aan bij de tafels op schragen, waar protserige stenen miniatuurtjes van allerlei gebouwen in Pula aan de man gebracht worden. Achter me, in het stadsparkje, zoeken twee hoveniers in warme overalls hun heil onder een fruitboom, en breken hun lunch aan. Ik check de screenshot van het kaartje. De bus moet écht hier langskomen, en hij is verdomd opvallend. Waar is dat ding? Het wordt twaalf uur, tien over twaalf. Geen bus. Vast te laat door alle treuzelende toeristen ergens anders op de route. Ik hou het voor gezien. Kordaat steek ik de straat over, kijk nog eenmaal naar links en naar rechts, en besluit dat ik wat anders ga doen.

Het amfitheater. Er staat amper een rij, dus ik ga er naar binnen. In Rome heb ik het Colosseum nooit bekeken, dus heb ik mooi de kans om zo’n strijdtoneel hier te zien. Aan de kassa zie ik dat er studentenkorting geldt – maarliefst vijftig procent reductie! Alvorens om te rekenen wat dat dan is, pulk ik mijn CampusCard uit mijn portemonnee, en leg die op de balie. De medewerker vindt het helemaal prima en laat me naar binnen voor het halve bedrag. Wederom (zoals ooit ook in Tsjechië) schaam ik me een beetje als ik de prijzen omreken. Zes euro voor een normaal kaartje, en dus drie euro met korting. Kom… dat hele bedrag had ik óók niet gemist.

Ik loop eerst wat rond door de blokken steen. Het is heerlijk hier. Het amfitheater ligt bijna aan de zee, de lucht is strakblauw en er staat een koel briesje. Met al die grote poorten waait het sowieso lekker door. Het is nog aardig duidelijk te zien waar de diverse overdekte gangen en tribunes zich bevonden. Langs één zijde loopt de grond schuin op en sta je er zo bovenop. Er zijn niet veel mensen; hooguit honderd, verspreid over het terrein. Je loopt elkaar niet voor de voeten, al lukt het me niet om een foto zonder toeristen te maken. Vanaf de oude tribune kijk ik neer op het strijdtoneel. Daar staat nu een groot modern podium opgebouwd. Voordat ik naar Pula ging, heb ik al op wat video’s gezien hoe hier prachtige concerten in de open lucht worden gehouden. Helaas is er deze dagen niets, anders was ik beslist gegaan.

Ik loop langzaam en aandachtig rondkijkend verder, terwijl de zon langzaam over het theater trekt. De schaduwen veranderen, ochtenddauw droogt op. Ik zet me nu en dan op een groot steenblok en haal mijn boek uit mijn tas, om wat te lezen. Ik zeg je: het is erg toepasselijk om op deze plek Game of Thrones te lezen. Terwijl ik door mijn oogharen over de rand van mijn reader tuur, zie ik als het ware de gevechten zich voor mij afspelen.

Maar, ik heb nog meer te doen vandaag. Ik weet mijn reistijd naar Medulin, waar ik vanavond ga paardrijden, nog niet precies, dus houd ik een slag om de arm wat betreft mijn vertrektijd. Langzaam wandel ik terug. Ik ben wellicht uren langer binnen gebleven dan de meeste toeristen, maar het is dan ook een ontzettend mooie plek om historische boeken te lezen. In het propperige souvenirwinkeltje onder de buitenpoort devalideer ik mijn toegangskaartje, en zet koers terug naar het hostel.

Nu moet ik plannen hoe ik met de bus naar Medulin kom. Met wat gereken zie ik dat ik toch al redelijk in de middag weg moet. Mijn plannen om nog een warm middagmaal te koken, schrap ik. Ik heb gelukkig ingrediënten die ik ook ongekookt kan opeten, dus doe ik dat. Ik kleed me om en trek mijn blauwe tregging en bruinleren reisschoenen aan. Dat is nu wat warm, maar voor het rijden heel praktisch. De tregging lijkt op mijn rijbroek, de schoenen op mijn jodhpurlaarsjes. Twee jaar geleden droeg ik bij een buitenrit mijn bergschoenen, en dat was erg oncomfortabel omdat ze zo breed zijn. In volle galop kwamen ze klem te zitten in de stijgbeugels, en was ik er dan vanaf gelazerd, dan had het paard me nog een paar honderd meter aan mijn been meegesleurd. Geen prettig idee. Verder neem ik zo weinig mogelijk waardevolle bezittingen mee. Een telefoon, een ID-kaart, en geld. Geen camera, want ik heb geen broekriem, en als ik van mijn paard val is mijn camera kaduuk.

Wederom een disclaimer om mijn voorzichtigheid: ja, mijn camera is al eens kapotgegaan; en ja, drukke onvoorspelbare paarden heb ik meermaals meegemaakt. Ik heb graag een prettige vakantie zonder kosten achteraf.

De bus naar Medulin vertrekt vanaf het busstation. Hoewel hij daarna door het centrum rijdt, wil ik beslist niet zien gebeuren dat hij me dan zonder stoppen passeert. Daarom begeef ik me naar het vertrekpunt en pin onderweg het bedrag voor de buitenrit. Ik loop het eerste stuk parallel aan de kust, totdat mijn weg afbuigt naar rechts, en ik verder ga in de schaduw van hoge olijfbomen. Aan mijn linker- en rechterhand zie ik afgebladderde flatblokken, met door de zon vervaalde verf. Een rommelig kioskje staat met rolluiken naar beneden aan de straat. Satellietschotels op de balkons, afgewisseld met Ikea-meubilair en verfomfaaide parasols. Dit is een nette wijk, voor Pula. Toch valt gelijk op dat er wel gebouwd is, maar er bepaald niet onderhouden wordt. Ik mis ook de levendigheid die je in Italië op elke straathoek aantreft. Waar zijn de oudjes op bankjes, de scootertjes, de moeders met kinderen? Ik loop door totdat ik aan mijn rechterhand de brede straat naar het autobusstation zie: Autobusni Kolodvor. Er is een kleine overdekte promenade, waar lieden van divers pluimage zich ophouden. Het lijken geen toeristen, en toch is iedereen een beetje de weg kwijt. Een dikke, struise dame posteert zich wulps tussen twee barretjes langs de wand, en drinkt een biertje. Flets licht valt naar binnen door het glazen dak. Ik schuif voor één van de twee loketjes van Pulapromet, en vraag om een buskaartje naar Medulin. ‘Dat hoeft niet’ zegt de vrouw achter het luikje me in eenvoudig Engels. ‘Koop maar in de bus.’ Goed, doe ik dat. Dus ik bedank, loop naar buiten, en ga in de warmte op een bankje zitten. Hier onder de betonnen overkapping is schaduw, en is het niet zo heel warm. Toch – de lucht staat stil, het is een oud busstation, alles is van beton. Bandensporen en olievlekken overal. Dit is ‘de achterkant van de wereld – waar men leeft’. Er zijn zo veel plekken op de wereld zoals deze, en als toerist merk je ze bijna niet op. Ook van deze omgeving geniet ik, al is het niet voor al te lang.

Een oude, hoekige bus zeilt het busstation op. Pulapromet staat er in groovy letters voorop – zoals op elke lijnbus hier. Op een vinyl bord dat voor het raam geschoven is, staat ’25 – Medulin’. Die moet ik hebben. Ik stap in en laat me inderdaad een kaartje verkopen. Voor iets van 1 euro 25 mag ik mee. Ik vraag de buschauffeur of hij me bij de Plodine-supermarkt in Medulin wil afzetten – een naam die ik via WhatsApp door heb gekregen van Maya, mijn ritbegeleidster van vanavond. Ook heb ik een piepklein plaatje van Google Earth van haar toegestuurd gekregen, met daarop de bewuste supermarkt en een grote rode pijl naar de ‘ranch’. Ik kan me er geen voorstelling bij maken, dus alle hulp is welkom. Hoewel, alle hulp…

Stipt op tijd rijden we weg van het busstation. We knarren lekker door, terug het centrum in, nu linksaf langs het amfitheater. De bus stroomt in een mum van tijd vol met lokale bewoners en toeristen. De meesten moeten staan in het gangpad en schudden gemoedelijk heen en weer. Om mij heen komt een Italiaans gezin zitten, dat van elkaar gescheiden wordt door staande passagiers. Het is warm, we zoeven de stad uit, het stoffige platteland in. Ik heb de route niet helemaal bekeken vooraf, en ben enigszins verbaasd als we eerst het dorpje Sisan aandoen. We schieten er doorheen met een rotgang en zetten weer op de buitenwegen koers naar Medulin. Ik ben op dat moment wat onthutst, want ik dacht dat we de route in omgekeerde richting zouden rijden. Ik tik de man naast mij aan en vraag hem of hij weet, wanneer we in Medulin zijn. Hij verstaat geen Engels en tikt tussen de passagiers door zijn vrouw aan. Die mag mijn vraag beantwoorden. Ik probeer zowel met haar te praten als vanuit mijn ooghoek op de omgeving te letten. Ook zij weet niet wanneer we precies in Medulin zijn, en waar dan die Plodine-supermarkt is. We hobbelen inmiddels alweer door de nauwe straatjes van een dorpje heen. Net als ik de vrouw bedank, mengt een slanke man van middelbare leeftijd zich ongevraagd in het gesprek. ‘De Plodine, daar zijn we al aan voorbij’ zegt hij kortaf. ‘Ik heb hem nog niet gezien’ werp ik verbaasd tegen. ‘Volgens mij zijn we er nog niet hoor.’ ‘Ik weet het wel, we zijn er aan voorbij. We zijn zo bij de kerk en dan gaan we het dorp weer uit. Je had allang moeten drukken meisje, beter stap je nu uit en niet nog later.’ Zijn advies klopt totaal niet met mijn idee in mijn hoofd, dus ik bedank en zeg dat ik er toch echt bij de kerk uit zal gaan. Hij schudt zijn hoofd en baant zich een weg terug naar zijn plaats achterin de bus. ‘You have to walk a kilometer more if you do!’ sputtert hij me nog na. Nou en.

Ik stap inderdaad uit bij de kerk en begin me te oriënteren. Het helpt dat ik het na een paar straatjes even bij een ijssalonnetje vraag. De Plodine-supermarkt kent men daar wel. ‘Vervolg de weg terug naar beneden, dan zie je hem rechts.’ Ik doe wat ze zeggen en kom inderdaad bij een rotonde mét een bushalte, en even verderop de supermarkt. Het zou me wat zijn als nu die bus daar aankwam. Het is inmiddels kwart voor zes, dus moet ik doorlopen naar de ranch. Ik SMS de begeleidster dat ik de supermarkt passeer en onderweg ben. Voor mij ligt een stoffige brede weg het dorp uit. Het is warm met een klein briesje, de zon staat hoog aan de strakblauwe hemel. Het is alsof ik de woestijn inloop. Na een paar honderd meter maakt de zandweg enkele bochten. Ik verlaat de bebouwing. In de bomen hangen bordjes met een geel paard erop geverfd. Dat is het merkteken dat ik moet volgen. Ik passeer kleine bungalows met veranda’s, omgeven door moestuintjes en oude blikkerige auto’s die scheef op hun assen staan. Hier en daar zit een oma te breien of loopt een hond onrustig binnen de afrastering. Een oude man loopt wankelig voor me uit. Ik haal hem in en mompel beleefd snel ‘Dobry dan’. Hij knikt wat, in zichzelf, en doet er niks op uit.

De paardenbordjes houden op. Ben ik hier goed?

Dan staat er een meisje voor me. Ze is ongeveer tien jaar jonger dan ik, draagt ongeveer dezelfde kleren, en een tas over haar schouder. Ik weet gelijk: ook zij zoekt de ranch. ‘Hello, samen lopen?’ vraag ik haar. Ze blijkt inderdaad ook mee te gaan op de buitenrit. Ze heet Tamara en komt uit München. Al gauw praten we Duits verder, terwijl ze vertelt dat ze met haar vriend in het dorp achter Medulin vakantie viert. Haar vriend ligt ziek op bed, dus zij vond het een prima kans om te gaan paardrijden.

Samen vinden we met enige moeite de ranch. We lopen het zandpad iets terug en zien een opening in het struikgewas met daarachter paarden. Genoeg reden om daar te gaan kijken: het blijkt de ‘ranch’ te zijn. Nou, een ranch is hier dus één tuinhuisje met een stel aanbindbalken onder de bomen. Het meisje met de naam Maya komt al zwaaiend op ons af en stelt zich voor. We praten maar in het Engels verder opdat zij het ook begrijpt. Maya wijst ons onze paarden toe, geeft ons een cap en helpt met opzadelen. Haar vriendin Karin zal met ons meegaan op de route. Ik zadel mijn paard Healy op en stap wat rond. Het is erg lastig om Healy los te krijgen van de aanbindpaal – het beest lijkt er wel aan vast gelijmd. Ik ben even onvriendelijk, maar dan heb ik wel wat. Al gauw stappen we samen energiek voltes op het grasland vanwaar we zullen vertrekken. Tamara heeft haar pony ook opgezadeld en we hebben nog twee Italiaanse meisjes mee op rit, die klaarblijkelijk nog geen paard kunnen rijden. Maar, zegt Karin, daar heeft ze wel een oplossing voor. We zullen geen saaie rit krijgen!

Karin rijdt voorop, gevolgd door mij en Tamara. We stappen weg over het veld in de langzaam dalende avondzon. Vliegjes zoemen zo’n beetje om ons heen, de paarden slaan met hun staarten. Ze maken geen aanstalten tot gekke dingen, en Healy is ook niet bijzonder sloom. Ik geniet. Karin merkt dat Tamara en ik allebei goed Engels volgen, dus ze gaat helemaal los over wat ze al dan niet leert en moet op school. De Italiaanse meisjes lijken er weinig van te volgen, maar die zijn ook veel te druk met in het zadel blijven zitten. We verlaten het grasland tussen hoge braamstruiken door en doorkruisen nog wat andere velden en passeren we afgelegen bungalowtjes. Hier en daar staan kleine stenen muurtjes om weilanden te scheiden. Na een aantal glooiende velden komen we bij een breed karrenspoor langs een veld. Karin houdt in. ‘Jullie gaan voorop’ zegt ze tegen Tamara en mij, ‘en galopperen tot het eind van dit veld. Dan houden jullie halt en komen wij jullie in draf achterna.’ Prima, zeg ik, en Tamara knikt ook. Ze lijkt prima te kunnen rijden, dus wat let ons?

Ik zet aan tot een drafje en leg mijn been achter de singel voor galop. Healy springt in een keurig ontstuimig galopje aan en laat zich heel gewillig naar het einde van het veld sturen. Ik ga een beetje in de beugels staan om het deinen van de ondergrond op te vangen. Aaaahh, dit is heerlijk! Ik pak de teugels in één hand en kijk om naar Tamara. Ze is me iets achterop. Bij het einde van het veld ga ik weer zitten, neem de teugels aan, en merk hoe Healy fijntjes terugkomt naar de draf, en keurig stilstaat bij de braamstruiken. Tamara komt naast me staan en we knikken blij. Karin komt al aangedraafd met de twee Italiaansen in haar kielzog. Aan hun zwabberige houding te zien hebben ze het best pittig met dit drafje.

We doorkruisen in stap en draf nog een aantal velden, en wurmen ons door nauwe laantjes met aan weerszijden braamstruiken. Karin kwebbelt er lustig op los, en vertelt ons over het cliché dat iedere Kroaat ruime baankansen heeft, want of je nu in Kroatië of in een buurland solliciteert, de talen zijn zo gelijkend dat je ze zo onder de knie hebt. Geamuseerd laten we ons vertellen hoe het leven hier is. De zon gaat langzaam onder. Ik voel een frisse bries langs me heen strijken en kijk over Karins schouder naar voren. De zee!

‘Oooooh’ onderbreek ik haar ‘dit zie jij vast op iedere rit, maar zie eens! De zee! Zo mooi!’ De Italiaansen begrijpen het ook en we uiten ooh’s en aah’s terwijl we langzaam dichter bij het strand komen. Zo nu en dan is er nog ruimte voor een stuk galop. Tamara heeft nu ook door hoe ze haar pony van snelle draf in galop kan krijgen en sjeest vrolijk met me mee. Kijk, dit zijn de leuke ritten!

We stappen dicht langs het strand, maar mogen niet in de branding komen. Dat behoort ook tot een andere rit. Nadat ik me, even niet oplettend waar Healy haar hoeven precies neerzet, uit en te na vergaapt heb aan de prachtige lila tinten van de zee, keren we weer langzaam naar de ranch terug. We volgen globaal het pad onder de hoogspanningsmasten door. Soms vraag ik me af hoe Karin toch precies weet waar we zijn, terwijl we soms echt bij elk weiland van richting veranderen. Ach, ze woont hier ook al haar hele leven.

We komen terug bij de ranch, waar Maya al bezig is de andere paarden klaar te maken voor de nacht. Sommigen worden in houten kralen gezet, anderen mogen in een met lint afgespannen weitje. Er is een veulen, dat uitbreekt en zich niet gemakkelijk laat vangen. Hij stuitert triomfantelijk een paar keer het grote veld over, tot hij zich bij zijn moeder in de wei laat zetten. Ik zadel Healy af en leid haar naar de waterbak, waar alle paarden even mogen drinken. Dan help ik met het opruimen van de andere zadels en spullen. Tamara zegt gedag; het gaat nu van schemer naar donker, en ze moet nog door de velden teruglopen naar Liznjan. Ik vond het leuk dat ze mee was.

Als we klaar zijn, vraagt Karin of ik mee wil rijden naar Pula. Haar vader komt haar met de auto ophalen. Eerst zeg ik, dat ze me wel bij de supermarkt mogen afzetten, maar dat vindt ze kolder. Ik kan prima de hele weg mee terug, dan zetten ze me voor mijn hostel af. Ik accepteer. Karin’s vader vindt het ook prima. Onderweg praat hij wat zinnetjes Engels met me, maar Karin en haar vader houden het tussenbeide mooi op Kroatisch. Ik zit op de achterbank en laat me rijden. Hoe blij ben ik dat ik dit stuk vanaf de ranch niet terug hoef te lopen! De enigszins vage weg het dorp uit is nu echt donker, en totaal niet verlicht. Karin’s vader moet af en toe op de rem omdat er opeens een tegenligger met groot licht op hem af komt. Wandelend zou ik hier zo aangereden zijn, om nog maar niet te spreken van rondlopend volk en waakse honden. Nee, fijn aanbod dit. Dat zeg ik Karin dan ook.

Ze brengen me helemaal tot aan mijn hostel aan het Riva, en ik bedank ze nogmaals hartelijk. Dit zijn van die kleine dingetjes op reis, waar ik dan geluk mee heb. Dit maakt een avond gewoon superfijn en goed.

Ik ga lekker douchen (oeps, herendouche!) en zet me op het terras boven aan een lokaal biertje van de bar. Nu ik niet meer in de zone rond het dakterras slaap, vind ik het prima dat er muziek klinkt en dat er nog mensen zitten. Ik pak mijn reader erbij en lees in het licht van een lamp nog wat uit mijn boek. Dan, tegen elven, stommel ik naar boven, naar mijn fijne stille kamer met mijn spullen in bereik en mijn fijne ruime bed. Ik slaap gelijk in.

zaterdag

Het is zaterdagochtend. Ik word heerlijk uitgeslapen wakker in mijn kamer. Het is koel, de zon staat nog aan de andere kant van het gebouw. Van de straat onder mijn raam is niets te horen zolang ik de ramen gesloten houd. Het vensterglas is fascinerend – niet helemaal vlak – het vervormt de rood-witte hijskranen tegen de helderblauwe lucht. Ik ga rechtop zitten en pak mijn camera om er foto’s van te maken. Trippel uit bed, op blote voeten over de koude parketvloer. Zo’n foto maken vraagt van je dat je anders gaat kijken. Ik ben nu wel wakker. Tijd om wat te gaan doen.

Eerst pak ik strategisch wat spullen alvast in in mijn rugzak, opdat ik straks gemakkelijk van kamer kan wisselen. Dan kleed ik me wat aan en ga naar de keuken. Er lijkt geen ander keuken te zijn dan degene, waar ik de eerste nacht naast sliep. De ruimte is even hoog als de belendende slaapzaal, en heeft eveneens een raam op het noorden, al kijkt dit niet uit op een blinde muur. De keuken is vrijwel altijd schemerig. Op de vloer ligt vuil zeil; in het midden staat een ronde formica tafel met vier houten stoelen. Aan de drie wanden van het vertrek hangen eikenhouten rekjes en keukenkastjes. Elk met opschrift, doch stuk voor stuk niet gevuld met hetgeen je erin zou verwachten. Elke dag hark ik met moeite een kommetje en enig bestek bij elkaar, soms door wat vergeten spul van anderen af te wassen. Er is één inbouwkoelkast – volgens mij veel te weinig voor een hostel zo groot als dit, maar kennelijk past het. Andere hostels van deze grootte hebben er minstens drie. Een andere keuken heb ik ook nog niet ontdekt. Terwijl ik wat muesli biets van de voorraad voor algemeen gebruik lees ik spreuken op de tegeltjes aan de wand.

Wordt aan geschreven!

Het verbaast me dat daar, nagenoeg ongezien, zo veel gasten hun dagelijks eten kunnen bereiden, terwijl er zo weinig spullen aanwezig zijn en je nooit iemand ziet. Er staat ook maar één koelkast – in elk vergelijkbaar hostel

De volgende dag doe ik het precies zo. Ik zie het amfitheater nog en ga wederom paardrijden. Dan is er nog een dag, want ik ga ook nog naar de vismarkt. Dat moet ik even nalezen. Maar ach het is warm, toeristisch en wel leuk. Ik word wel op twee plaatsen weggejaagd – in het prachtige mooie postkantoortje, en in de vismarkt – ik snap nog steeds niet waarom.

Ik heb beide dagen mooie kamers; de eerste dag een eenpersoonskamer met een fijn dubbel bed, en uitzicht op het water voor het hostel. De tweede dag een warmere kamer ertegenover, één verdieping hoger. Weinig last van het dakterras. Wel warm. En ik mag er vroeg in en ik zie eens wat een rommeltje anderen voor mij achterlaten.

De laatste dag check ik uit, biets van mijn laatste Kuna’s een koffie. Wacht nog wat op het dakterras en ga dan naar de trein. Stukje lopen met de tas op mijn rug, gelukkig allemaal onder de bomen. Mijn schouders zijn weer oké. Ik wacht een drie kwartier op het treinstation en dan komt de trein eraan.

zaterdag

Ik sta redelijk vroeg op, en pak mijn rugzak in. Zo, nog even de laatste tickets en de zitplaatsreservering uitprinten, en ik kan gaan. Dit jaar hoef ik gelukkig niet halverwege terug, dus ik stiefel kordaat door naar het treinstation. Ander pluspunt: sinds 1 juni zijn roamingkosten verleden tijd. Ik kan dus gewoon overal, in binnen- en buitenland, bellen en internetten. Ik heb mijn telefoon ingesteld, daar gaan we.

Onderweg kom ik Yvo van TukkerLab nog tegen. Hij fietst een eindje met me op en zegt me dan gedag. De reis kan nu echt beginnen. En waar anders mee, dan met de boemel naar Dortmund? Ik stap in en begin aan mijn reisdagboekje. Niet lang daarna trek ik mijn ebook tevoorschijn en ga lezen. Harry Potter and the Methods of Rationality, een vernuftige fan-fiction op het originele Potterverhaal. En wat is het goed. Ik word meegezogen in het verhaal, dat werkelijk heel geestig en uitgekookt in elkaar zit. Voor ik het weet ben ik in Dortmund.

Daar haal ik ik mijn vaste Filterkaffee bij het Fish ’n Chips-stalletje onder het perron. Ik heb zo mijn gewoontes. Dan door naar Mannheim. Zodra ik de trein daar in ben gestapt, kom ik erachter dat mijn zitplaats niet bestaat. Dat is niet echt zo: de trein staat gewoon verkeerdom gerangeerd. Ik bevind me nu in wagen 12 inplaats van in wagen 2, waar ik een stoel gereserveerd had. Zuchtend loop ik maar de wagons door, en ga gewoon halverwege maar ergens zitten. Het is rustig, en ik kan lekker lezen. We zoeven door naar Basel.

Gelukkig ken ik de stad nog een beetje van mijn vorige bezoek. Ik wil de tram pakken naar het hostel – hoewel geen één tram eigenlijk dichtbij komt – maar er vertrekt er maar geen één. Dus ga ik weer lopen. Ik moet noordoostwaarts… maar loop mis. Gelukkig niet heel ver. Ik steek een straatje door en daal bij de St. Alban-Turm af naar het pittoreske wijkje. Oude huisjes bevinden zich op steile hellingen langs de waterkant. Wat is dit mooi.

Het hostel zie ik al gauw. Ik check in en krijg een kamer waar al een meisje en twee jongens aanwezig zijn. Fijn voor de eerste avond. Ik ga naar beneden, bestel een glas droge witte wijn, en zet me zelf onder het prachtige koepelgewelf van de eetzaal weer aan mijn boek. Buiten de grote deuren, die vanwege het lekkere zomerse weer nog openstaan, ruist de beek die langs het hostel stroomt. Dit is echt een fijn hostel. Erg mooi en goed gelegen.

Ik ga later op de avond nog even pinnen, en ga daarna slapen.

zondag

Vandaag loop ik in Basel rond. Ik vaar met de boot over de Rijn, ga naar Museum Tinguely. Daarna vaar ik weer terug en ga ik te voet naar het Cartoonmuseum Basel. Beide zijn aanraders! Omdat het zo lekker warm is, laat ik me nog een keer overvaren naar de noordoever van de Rijn, om daar te zonnebaden. Met mijn wikkeltas in de Rijn springen durf ik niet. Te koud, en sterke stroming. Maar het is heerlijk. ’s Avonds lekker avondeten bij het hostel, en een hoop zaken voor morgen boeken. Alle plannen voor volgende week zondag zijn afgelast, hoor ik – zowel het Apollo Open Podium waaraan ik zou meedoen (en wat al eerder bekend was) als het Twents Theatersport Toernooi. Dat is jammer, maar daardoor zie ik wel dat er op zaterdag een optreden van VNV Nation in Freiburg staat gepland. Met slim plan- en boekwerk regel ik even dat ik daar zaterdag zit…!

maandag

Maandagochtend pak ik in, en laat mijn rugtas nog even in de lockerroom staan. Ik heb bij mijn avondwandelingetje gisteren namelijk iets moois ontdekt – de stadsmuur hier vlakbij herbergt een prachtige middeleeuwse ruïne, en een heel groot veld dat vroeger vast voor toernooien is gebruikt. Ik heb er gisteren bij volle maan gestaan, en moet er nu nog even naar terug. Het is redelijk koud en bewolkt, maar dat deert me niet.

Ik sta binnen de poort van de stadsmuur, en daal even af omdat het nu licht is. Gisteravond durfde ik dat niet, omdat ik verwachtte dat er onder het houten bordes van de poort een zwerver zou wonen – en je weet maar nooit wat die overhebben voor wat bezittingen van een welgestelde toeriste. Inderdaad, onder het bordes vind ik spullen die toebehoren aan iemand die de nachten buiten doorbrengt. Er is nu niemand, en het hele veld is open en goed verlicht. Ik steek het hele veld over en maak foto’s. Daarna wandel ik terug.

Hè, ik wilde nog even langs het piepkleine winkeltje ‘Abraxas’, dat aan de foto’s te zien, prachtig ingericht is – net een klein schrijfbenodigdhedenwinkeltje uit Harry Potter. Ik heb alleen wat schaarse foto’s op internet kunnen vinden, meer niet – maar daar stond helaas ook bij dat het maar zelden geopend is, en zeker niet op Pinkstermaandag. Ik kan even door de ruit gaan kijken… maar het is nu al aardig laat in de ochtend. Om 12:04 gaat mijn trein, en dat betekent dat ik binnen een half uur op het station moet zijn.

Ik haal mijn rugtas op en ga bovenlangs naar de tramhalte. Op naar het station. Mijn hostelreservering houdt een openbaar vervoersticket in, dat is handig. Om kwart voor twaalf rol ik het station binnen, tien voor twaalf… ik schiet de supermarkt in de stationshal in – de enige supermarkt die vandaag open is. Het is een piepklein en vooral chaotisch winkeltje, waarin reizigers als mieren door elkaar heen krioelen. Denk, denk! Stress ik. Een banaan, een erwtensalade – nog meer? Nee! Het is twaalf uur, ik móet echt gaan. Ik loop om een stellage heen en zie hoe lang de rij voor de kassa is. Dat gaat nooit lukken… tot een bord ‘Subito’ me in het oog springt. Als oud-latiniste zegt dit bord me natuurlijk genoeg. Ik duik naar links en tref daar de self-checkouts aan. Als een mondaine shopster leg ik mijn spulletjes op de weegschaal, tik behendig product voor product aan, swipe mijn pinpas langs de scanner, en daar ga ik. Eén minuut over twaalf – ik heb betaald en sta buiten. Ergens wist ik al die tijd al dat ik het prima ging halen. Gek hè?

Goed, nu rennen. Perron zeven ofzo. Ik schiet de trap op, en merk hoe leuk het is om elke tegenligger te begroeten met een hees ‘Aaaah!’. Iedereen lacht terug en sommigen reageren met een gelijke ‘Aaargh!’ terwijl we elkaar voorbijschieten. Boven, over de tegelvloer, links de trap af. Daar staat mijn RegioExpress nog. Ja, ik hoef alleen maar met een boemeltje naar Olten, dat is het eerste stuk. Maar door juist deze, en niet een trein van een half uur later te nemen, geniet ik mooi van een route langs verschillende meren.

We boemelen naar Olten. Vanaf daar stap ik op een InterRegio naar Morges. Ik eet mijn banaan terwijl ik me wat erger aan een jong stel dat schuin tegenover me zit. Moeders probeert haar dochter vloeiend te leren lezen, maar hoe dochterlief ook probeert, moeders blijft aandringen dat het nog één keer moet. Nog één keer. En nog één keer dan, om het nu helemaal goed te doen. Op een gegeven moment zegt dochterlief zelf kordaat ‘nu, dit is de laatste keer, ik doe echt mijn best om het zo goed mogelijk op te lezen, en dan stop ik’. Zo, moeders. Kind weet kennelijk wel wanneer genoeg genoeg is. Ik kauw mijn banaan op en staar uit het raam.

Een vreemd gevoel bekruipt me. De trein scheert langs de prachtige meren, helt een beetje over in de bochten… nu eens naar links, dan weer naar rechts… ik word zeeziek. Mijn buik vindt misschien de erwtensalade niet zo’n top idee, of de banaan, of beide. Of dat hellende landschap – het is denk ik een combinatie. Ik zet mijn blik op oneindig en lees vooral niet meer in mijn boek. Oh, laten we snel in Nyon zijn!

Gelukkig, na nog wat lange slingers zijn we er. Ik herken de route vanaf het station en loop westwaarts richting mijn hostel. Ik kan een bus nemen, maar volgens mij is het niet zo ver. Bovendien is het lekker warm, einde van de middag. Ik sjok de heuvel op, niemandsland (rond het station) uit. Een lange straat wel. Gelukkig kan ik overal Google Maps raadplegen – echt zo’n vooruitgang op de vorige jaren! Ik ben opeens ‘helderziend’ in elke stad waar ik beland. Als ik dit in Venetië eens had gehad…

Ik arriveer evenlater bij het hostel. Het is superdeluxe, met pasjes voor alles, digitale lockers op de kamer, een eigen wc, stopcontacten en USB-laders boven elk bed… wat een weelde. Dit is heel modern! Er zit al een meisje uit Texas in de kamer. Ze heeft een soort nest gebouwd op haar bovenbed en zit met haar Mac werk te doen. Ik leg m’n spullen onder mijn bed voor zolang en loop met een klein tasje naar de supermarkt, twee straten verder. Maar helaas! Die is dicht, want het is Pinksteren. Dat had ik me ook wel kunnen bedenken.

In de kamer pak ik mijn laptop erbij en zoek wat restaurants uit. Er schijnt iets goedgewaardeerds een paar straten verder te liggen, op een grasvlakte die ‘De kleine Prairie’ heet. Het klinkt een beetje vreemd, en als ik op Google Maps kijk is het ook nog in aanbouw. Op de Facebook van het etablissement vind ik uiteindelijk, dat ook zij met Pinksteren niet open zijn. Goed. Dan mijn laatste optie: het restaurantje ‘Les Glycines’ (de blauwedruif, niets met glycerine) recht tegenover het hostel. Dat is duidelijk open en daar ga ik nu uit eten. Mijn Texaanse kamergenote kauwt inmiddels al een zak chips leeg als vervangend avondmaal. Ach, ik zou haar mee uit eten moeten nemen, maar zo sociaal behendig ben ik dan weer niet.

Ik zet me in mijn eentje aan een tafeltje buiten. De waardin heeft het me in het Frans aangeraden. Ik heb een paar woorden Engels gepoekeld toen we elkaar niet begrepen, maar ze weigerde er naar te luisteren. Zo mag ik het horen, madame. Gedurende de rest van mijn avondmaal staat ze met grote regelmaat in de deuropening van het restaurant. Ze rookt sigaret na sigaret. Zelf heb ik het een beetje koud zo buiten, en ik twijfel even of ik ongemakkelijk zal vragen of ik mijn vest mag ophalen. Maar ik besluit het maar uit te zitten, het eten is tenslotte warm. Ik bestel een tomatensoepje, en, helemaal van de achterste bladzijde van de kaart, de pizza van het huis. De waardin gromt een beetje omdat ik deze verstopte etenswaren heb weten te vinden. Om heel eerlijk te zijn had ik deze dingen al vanaf hun website uitgekozen, eerder deze avond, maar soit.

Na mijn eten, en een espressootje, reken ik af en steek ik de straat weer over. Nu wordt het pas redelijk druk bij het restaurantje, terwijl ik ter zelf toch ook pas om zeven uur was. Die Zwitsers toch. Bij terugkomst hebben we een nieuwe kamegenote – de Indiase Shewari. Modern gekleed en goed Engels sprekend kan ik haar afkomst niet geheel plaatsen. Nouja, als je een reis naar Zwitserland kunt maken, zul je in India ook niet zo krap bij kas zitten. Weer een stereotype aan gruzelementen.

Ik maak nog een avondwandeling naar de stad – bij gebrek aan bus – en loop helemaal naar het water. Dat is een flinke afstand, maar er is ook veel te zien. Ik haal een ijsje bij een leuke kleine ijssalon, en praat met het ijsverkoopstertje in het Frans over de smaken die ze hebben. Speculoos, is dat Belgisch of Nederlands? ‘Allemaal hetzelfde’ zegt het meisje, maar dat moet je mij niet zeggen. Terwijl ik mijn loeigrote hoorn met grote bollen schepijs weghap, praten we over de verschillen tussen België en Nederland. In het Frans! Dit is goede oefening.

Ik wandel weer terug naar het hostel. Bij mijn laatste happen ijsje mors ik wat op mijn hals, en een man op een fiets houdt bezorgd naast me stil. ‘Gaat het?’ wil hij weten. Wel, ja, ik heb een likje ijs op mijn shirt, natuurlijk gaat het, meneer. Ik zeg braaf ‘Oui, ça va’ en knik bemoedigend tot hij weer doorfietst. Ja hoor eens, het was wel een donker straatje hoor…

Enfin, ik arriveer weer in onze kamer, die inmiddels donker is. Ik sluip zo zacht mogelijk de deur door, en stuit pardoes op een voluptueuze meid in panterprint. ‘What’s your name?’ vraag ik beleefd, maar ze heeft me niet gehoord – ze pakt mijn hand al. ‘What is your bed?’ glimlacht ze me toe. ‘There’ wijs ik ‘What’s on your card? F? You have bed F, it is over there miss’. Ik staar haar blanco aan. ‘Yes, I know’ glimlach ik onthutst terug. Wat een regelaarstertje zeg. Ze dacht dat ik hier nog niet uitgepakt had. Zelf is haar complete reisbagage ongeveer rond haar bed en in het strookje badkamer geëxplodeerd. Driftig paradeert ze nog rond, smeerseltjes op haar gezicht bettend, haar make-up afhalend. Haar muiltjes met bont staan buiten op het balkon. Wat een meid.

 

dinsdag

De meid en het Indiase meisje zijn er de volgende ochtend het vroegst uit. Ik ga om normale tijd, half acht, ontbijten. Er is geen kip in de ontbijtzaal. Ik hap mijn kommetje bichermuesli weg. Daarna douche ik (trash daarbij een handdoek met mijn roodgeverfde haar, oeps, maar meld het netjes, en wonderwel hoef niets te vergoeden), pak ik in en zet ik mijn rugtas weer in een locker. Met een beperkte set in een handtas ga ik nog eens de stad in. Ik hoef pas weer tegen twaalven te reizen, want Crans-près-Céligny ligt hier op steenworp afstand.

In de stad, onder het station, ontmoet ik een straatmuzikant die daar op een kleine fluit staat te spelen. Hij legt zijn fluit even neer als ik hem geld toewerp. We raken aan de praat. Hij komt uit Bretagne, was computerprogrammeur en seismologisch onderzoeker – hij heeft zelfs nog hele stellages in Griekenland gebouwd en er voor geprogrammeerd – maar is nu 63 en gepensioneerd. Hij wil graag wat van het land zien, dus hij reist met zijn fluitje rond, en speelt elke dag op een ander station. Ik bewonder zijn levenslust, zijn kijk op de dingen, zijn vrijheid. Na wat onderhoud in het Frans en Engels vervolg ik mijn weg weer.

Ik haal bij de supermarkt wortels, om wat te eten te hebben. Dan loop ik de stad weer eens door. Het is wel een fijn stadje, al zijn de winkels wel anderhalf keer zo duur als in Nederland.

Dan wandel ik terug, word overvallen door een flinke hoosbui, en ga in het hostel zitten wachten. Veel mogelijkheid daartoe is daar niet, omdat de schoonmaaksters net beneden hun ronde doen. Ik hang mijn regenjack te drogen, herpak mijn tas, en maak me klaar voor het busritje naar Crans.

Nog geen tien minuten later ben ik via het station met de bus naar Crans gereisd. Ik ben zelfs keurig precies voor de deur van mijn AirBnB afgezet, in het midden van het dorp. Ik heb zelfs al de opbouw van het Caribanafestival gezien, langs het water. En zelfs, zelfs, geloof ik, de tourbussen van Sum41 en Evanescence. Fikse stage-wagens, zwarte touringcars – dat kan niet missen.

Gilbert, een vriend van eigenaresse Kim, leidt me in het huis rond. Alles is prima. Daarna wandel ik zelf nog even naar beneden, in de zon, naar de festival grounds. Ga even bij het water kijken, maar kom uit bij een zeilschool – daar mag ik denk ik niet naar de waterkant. Dus ik loop terug en ga even boodschappen doen in het supermarktje onder mijn appartement. Fiks duur wel zeg. Ik veroorloof mezelf wel een goede fles wijn van de plaatselijke wijnkelders. Mjum!

’s Avonds maak ik pasta voor mezelf. Ook ga ik uitgebreid in bad. Ik lees nog een boekje, maak een kleine wandeling – tot er regenwolken me tegemoet komen – en ga dan lekker in het appartement zitten. Boek lezen, slapen.

woensdag

Jeeeej festival. Maar ik had dus nog niet gezegd dat het alleen in de avond is, hè? Goed, dat is het dus. Ik kan wel lekker de dag beginnen met een dubbel gebakken eitje en een kop thee. Daarna koffie. Ik besluit vandaag eerst terug naar Nyon te gaan (want dat was een kippeneindje, werkelijk) om nog even wat warms te kopen voor vanavond. Een legging bijvoorbeeld, of een panty. Die had ik ook van thuis mee kunnen nemen, maar ja, dat heb ik nou eenmaal niet gedaan.

Ik bus weer terug, loop wat door de stad, koop bij de H&M een legging en twee panty’s. Ook koop ik bij de natuurwinkel een pak amandelmelk, en een doosje lekkere koekjes. Rib uit je lijf, daar.

Okay, terug op de bus naar Nyon. Het is inmiddels al lekker warm, drukkend, en het wordt tijd om wat te eten en dan richting festival te gaan. Ik eet pasta en kleed me daarna leuk voor mijn uitstapje. Ik mag geen fotocamera meenemen, wel mijn smartphone. Om nou niet op het allerlaatste moment weggestuurd te worden, houd ik me braaf aan deze regeltjes.

Ik loop naar het festivalterrein, want ach, lekker weer, en dichtbij. Ik kom er zo in – word wel eerst aangezien voor een niet-VIPPer. Daarna mag ik overal rondlopen. Ik verken alle tribunes, prijs me gelukkig met het prachtige uitzicht dat ik zal hebben op het podium. Ik bedoel – Amy hoeft maar omhoog te kijken en ze ziet mij! Not a face in the crowd, so to speak!

Eerst ga ik bij het kleine podium, ernaast, kijken naar een kleinere band uit Genève. Het is een maf zootje jongens. Ze beginnen met hun sloomste nummer, dus ik ga lekker in het gras zitten en doe alsof ik op een hippiefestival ben. Dan komen ze toch met wat pittigere nummers. Mensen gaan voor me staan, dus ik sta ook maar af, klop het gras van mijn rok, en dans wat mee. Rechts naast ons begint het tumult al aan te wakkeren. Jeetje, Sum41!

Ik weet me met moeite nog naar de VIP-tribune te slepen. Het staat zwart van de mensen. Ik haal mijn glaasje champagne op en nip ervan terwijl ik naar deze punkrockband kijk. Wel, afgezien van hun energieke show, is het wel duidelijk dat deze lieden weten dat je in Europa vrij ongeremd mag vloeken. Wat een taal slaan ze uit! Goed. Na een uur of wat zijn ze klaar met spelen, en vind ik het tijd om de hoofdtribune op te gaan zoeken. Ik wil een goed plekje. Maar eerst naar de wc’s. Ik spreek even kort met een stelletje Engelse dames. Ze wonen hier in de buurt. Ach, wat leuk.

Daarna verschaf ik me een plek op de VIP-tribune recht tegenover het hoofdpodium. Door rustig te blijven staan en onderwijl mijn reisboekje bij te werken, weet ik die plek te houden zolang als Rag ’n Bone Man op het podium ernaast de sterren van de hemel speelt. Langzaam stroomt het voor me vol. Was het bij Sum41 al druk, nu is het echt helemaal schoudertje aan schoudertje vol. Nog even heb ik overwogen om, ondanks mijn VIP-ticket, vooraan te gaan staan. Maar ik zou geplet worden – waarom. Dus ik houd mijn positie op de riant gelegen tribune, en merk hoe de ‘omwonenden’ zich om mij scharen. Want ja – die hebben bijna allemaal een ticket in handen gedrukt gekregen ter compensatie van de geluidsoverlast die het dorp overspoelt. Ach… ja, … dingen die je leert als je er bent, hè? Ik kijk allang niet meer naar wat ik hier uitgeef.

Het wordt donker, de maan komt op, de vliegtuigen suizen van links naar rechts over het meer van Genève. In de verte zien we de Mont Blanc, helder en wit, tussen de grijsblauwe bergen op de andere oever van het meer. Evanescence begint. Heerlijk, prachtige, herkenbare nummers. Ik zing en joel alles mee. Voor het podium wordt een feestje gebouwd – maar ik sta hier lekker, vestje aan, champagne in de hand. De dames om mij heen mompelen soms wat bekende teksten met een dik Frans accent mee. Ik herken bijna ieder woord, iedere uithaal, iedere ad lib.

Ik weet niet of de dames om me heen gek van me worden, maar na vanavond zie ik ze nooit meer. En vals zing ik niet, dus ik doe lekker mee. Na dik anderhalf uur spelen, waarin gevoelige pianonummers en akoestische sessies elkaar zijn opgevolgd, is Evanescence klaar. Ik sta nog wat op de tribune, en trek me dan terug naar de ‘bands bar’. Helaas, daar wordt skihutmuziek gedraaid… en nee, daar zullen zich wel geen bandleden ophouden. Ik zie geen merchandisestand, geen handtekeningentafels… nee nee. Ev is terug naar hun tourbus, dit was het.

Rustig aan loop ik over het nu weer leeggestroomde terrein. Ik bekijk de houten Baldwin-piano eens van dichtbij terwijl hij van het podium weggerold wordt. Ik vraag me even af of het er wel echt een was – en niet een houten bekisting met een digitale piano erin. Echt.

Dan loop ik nog een rondje over het terrein – vergaap me aan de prijzen voor merchandise, voor crêpes met Nutella – koop niks – en begeef me naar de uitgang. Nog een lekkere warme trui aan, en ik ben klaar om weer terug te wandelen. De bus laat toch op zich wachten, en zit stampvol met jongeren die naar een volgend dorp moeten.

Ik loop met een groepje festivalgangers naar de dorpsstraat van Crans, begeef me naar mijn appartement, en ga lekker slapen.

donderdag

Vandaag sta ik laat op – ik mag van mezelf uitslapen, na zo’n fijne avond festival. Maak weer eitjes, drink de amandelmelk – blegh, ongezoet, dus vul hem aan met jummie esdoornsiroop die ik in de provisiekast vind.

Daarna drink ik koffie en ga lekker op het dakterras in de zon zitten. Chatten, schilderen, lezen. De ochtend vliegt voorbij. Het is vandaag een warme dag, zo weet ik, dus ik wil ook niet veel gaan doen.

Na de middag pak ik mijn zwemspullen bijeen en loop ik, stijlvol gekleed, weer naar beneden naar de waterkant. Ik heb inmiddels van huiseigenaresse Kim gehoord dat ik prima mag zonnebaden naast de zeilschool. Dat is gewoon publiek strand. Dus ga ik daarheen, spreid mijn handdoekje uit op de rotsen, en ga lekker in het zonnetje liggen. Even insmeren, boekje erbij, jum.

Na een half uurtje komt er een kliekje dikke zwartgeklede roadies naast me zitten. Leuke jongens. Spreken allemaal Frans, en hebben denk ik niet door dat ik ze gewoon kan verstaan. Ze hebben even vrij van de opbouw voor vanavond. Stuk voor stuk kleden ze zich uit tot aan hun boxers en laten zich in het water tuimelen. Allemaal hebben ze het ijskoud, maar ze laten zich niet kennen.

Na een tijdje laat ook ik me even in het water zakken. Gelukkig liggen er langs de kant grote rotsblokken half in het water, dus ik hoef niet gelijk het diepe in. Maar man, man, wat is dat water koud! Typisch een groot bergmeer. Ik blijf er even in zitten om eraan te wennen, maar mijn nagels verschieten vrijwel direct van kleur. Lila, blauw… tijd om eruit te gaan. In de zon is het gelijk weer zo heet dat je levend gebraden wordt.

Ik blijf tot een uurtje of vijf zitten, als ook de roadies door hun opperroadie weer terug naar hun plicht geroepen worden. Ik slenter uitgerust de heuvels weer op. Vanavond ga ik eten bij restaurant Café l’Union, aan het einde van de dorpsstraat. Ik heb al een tafeltje voor mezelf gereserveerd. Het eten is heerlijk! Dit is een aanrader! Serieus.

Na het eten wandel ik voldaan weer naar huis. Ik heb donders veel energie, ondanks de maaltijd. Maar ja, het is ook donderdagavond, dus normaliter zou ik nu Pro Deo hebben. Ik spring wat door het huis heen, dans op allerlei muziek, maar ga dan toch maar naar buiten. Ik wil even kijken welke sport ze op het schoolveld achter mijn appartement spelen, maar zodra ik er kom, is de wedstrijd voorbij. Ik hoor in de verte koeienklokken en geloei, dus ik loop wat verder – al bijna het dorp weer uit – en zie inderdaad een hele kudde bruin vee verop in een weiland staan. Kalfjes stieren rond, koeien slaan loom met hun staarten naar de vliegen. Ik klim op een stapel balen kuilvoer en zet me aan het schrijven. Nog even ren ik terug naar huis, kleed me warmer, pak mijn camera, en ga weer zitten. Heerlijk, zo’n avond. Klokkengelui van koeienbellen is toch echt, echt mijn favoriete geluid.

Thuis ga ik nog wat zitten in de avondschemering, kijk vliegtuigen die overkomen. Dan weer lekker slapen.

vrijdag

Vandaag ook weer lekker uitgeslapen, eitjes gebakken, ruim ontbeten. Ik zit weer wat te lang op het dakterras, maar het is ook zo lekker. Het belooft niet zulk goed weer als gisteren te worden – wel droog, maar bewolkt – dus ik heb mezelf gezegd om naar Genève te gaan. Echter, ik bekijk een beetje de bezienswaardigheden in Genève, en mijn zin neemt af. Ik wil eigenlijk helemaal niet zo’n grote, grijze zakenstad in, terwijl ik hier in dit dorpje heerlijk van de landelijkheid kan genieten.

Mijn humeur is sowieso niet al te best vandaag, dus ik stel het ‘wat gaan doen’ zo ver mogelijk uit. Uiteindelijk beslis ik dat ik met de bus naar Nyon zal gaan, en daar met een mooie boot de oversteek naar het Franse dorpje Yvoire ga maken. Dat moet erg mooi zijn, al is de overtocht wel erg prijzig.

Ik stap op de bus naar Nyon, en hoe gemakkelijk gaat de reis toch – de buschauffeur becomplimenteert me nog, hij kan me prima verstaan, en gelooft eigenlijk niet dat ik uit Nederland kom. ‘Die Nederlanders spreken ook álle talen!’ grapt hij. Welnee man, dit is schoolFrans, en ik ben gewoon goed in het imiteren van intonaties.

In Nyon laat ik me er bij de muziekschool aan de kade uit zetten (veel muziekscholen hier, trouwens, ook in Crans al). Ik loop naar het loket waar de boottickets verkocht worden. Ai, ik moet nog anderhalf uur op de volgende boot wachten. De lokettiste weigert me bovendien in het Frans aan te spreken. Ze blijft maar dik Engels praten en dat maakt me – gezien mijn vervelende humeur sowieso al – flink koppig. Ik besluit nog geen ticket te kopen, en eerst die tijd maar eens af te gaan wachten.

Ik loop wat langs het kasteel, langs winkels, … en beland in een groot warenhuis, op de afdeling met kantoorartikelen en fournituren. Ja, je zult je afvragen – wat is dáár leuk aan? Maar daar, beste mensen, daar vind ik nou altijd mijn beste souvenirs. En jawel hoor. Kleine, aparte kaartjes, spotgoedkope stukjes vilt, om thuis nieuwe sloffen mee te maken, en echte metalen knopen in de vorm van Edelweissbloemetjes. Stiekem is winkelen toch nog de beste remedie tegen een slechte dag…

Met een redelijk goed gevoel verlaat ik het warenhuis. Het is al half drie, de boot is al vertrokken. Ik kan nog een volgende nemen hoor, daar niet van. Maar ik wil niet. Het staat me allemaal te veel tegen dat er iets ‘moet’. Die buien heb ik soms, en op een vakantiedag betekent dat gewoon, dat er niets moet. Ik kan daar prima mee leven.

Ik stop nog even bij het stenen- en mineralenwinkeltje, dat er bijzondere openingstijden op nahoudt. Het zou nu open moeten zijn, volgens de haastig geschreven briefjes op de ruit. Maar nee, het is dicht. Ik treuzel nog even voor de deur, maar nee, er komt echt niemand. Ik wilde zo graag een bepaald steentje kopen… maar dat moet dan in Freiburg maar. Hier zal het toch wel belachelijk duur zijn.

Ik zet me op de bus terug naar Crans, en omdat het nog zo lekker warm is, pak ik wederom even mijn zwemspullen erbij. Nu gaan ook mijn schilderspullen mee. Ik ga lekker aan de waterkant zitten schilderen. Daarvoor moet ik wel even door een hekje heen, dat er sinds gisteren staat, met als opschrift ‘bands & roadies only’ – jaja, m’n neus. Ik ga lekker op de rotskade zitten, net als gisteren, en er is geen security-figuur dat me daar weghaalt. Echt niet. Roadies scharen zich om mee heen, lachen, zwemmen, drinken bier, net als ik (jawel, dit keer heb ik bier mee). Waterverven met een witte blouse en wit badpak is niet zo’n goede combinatie, trouwens. Maar het gaat me redelijk zonder vlekjes af.

Ik loop weer terug naar de straat, en een security-jongen houdt keurig het hekje even voor me open. ‘Quel service, merci!’ groet ik hem vriendelijk, en hij groet beleefd terug. Deze dame kwam even schilderen, weet u wel. Die laat je gewoon door, ook al is ze haar festivalbandje vanmiddag in de bus kwijtgeraakt.

Thuis ga ik lekker eten, maak wat dingen in de koelkast op zodat ze niet overdatum raken. Zit nog lang buiten ’s avonds, en ga dan weer slapen.

zaterdag

Zaterdag pak ik in, ruim ik op, blijf nog wat langer in het appartement. Regel alles via WhatsApp en SMS met Kim en Gilbert, en verlaat het huis.

Op de bus naar Nyon. Vanaf daar op de trein naar Morges ofzo. Het is alweer lekker warm. Ook nu word ik weer misselijk in deze trein – het ligt echt aan de schommelingen van de trein. Afrader, je kunt beter via Bern gaan. Of per vliegtuig.

Ik stap weer over op Olten en kom weer in het Baselse land. Op Basel stap ik uit en neem ik – zwartrijdend – de tram naar Schifflände. Dat is aan het water, zoals je mag verwachten. In een klein zijstraatje daar zit dus dat kleine winkeltje Abraxas, wat nu wel open is.

Ik moet er echt nog meer over schrijven, maar mijn bezoek gaat ongeveer zo: ik kom binnen, kan mn kont amper keren, en zie echt overal om me heen delicate dingetjes, ganzenveren, inktpotjes, wasstaafjes, dunno what. Dus ik leg mijn grote rugzak af, onder een tafeltje, en ga alles aandachtig bekijken. Na een kwartiertje word ik opgemerkt door de eigenaar, een wijs kijkende man met een staart. In de winkel zit ook nog een jongen op een krukje, hij blijkt David te heten. Hij leest graag boeken in de winkel.

Ik raak met de verkoper aan de praat, en we praten over van alles. Over leven, kunstenaarschap, vrijheid, keuzes, het maken van kunstwerken. Long story short: ik ga er uiteindelijk weg met mooie aankopen, pardoes gekregen korting – handdrukjes, knuffels, en bewonderende blikken van de jonge David. Ik ben echt helemaal mesmerized als ik de winkel uit loop. Het is inmiddels ook al vijf uur, en ik moet om acht uur al in Freiburg zijn!

Ik haast me naar de trein, vanuit de trein bel ik driftig naar de zaal waar VNV Nation zal spelen, naar een taxicentrale… ik loop vanaf station Freiburg Littenweiler (het studenten-station) naar het hostel, vind het gelukkig op tijd, en check snel in. Ik dump mijn spullen in mijn kamer, kleed me vlug om, oordoppen mee, en als ik buiten sta, rolt de taxi al voor. Hops, ik laat me vervoeren naar het centrum. De prijs is gelukkig redelijk. De taxichauffeur vertelt dat hij nog eens met een Arabische man naar Enschede is gereden. De beste man was in Freiburg en stond erop dat hij daar, in Enschede, naar het casino zou gaan. De man blijft erin, wat een verhaal. Veertien uren aan het autorijden, drie uren wachten, voor een klap met geld. Of de Arabier gewonnen of verloren had, wist hij niet, maar hij was goed betaald.

Ik kom bij de zaal, en VNV Nation is net een kleine tien minuten aan het spelen. Yess ik kan gelijk aanhaken. Ik sluip naar voren tot dicht bij het podium, maar oh oh wat is het warm in deze donkere keldergewelven onder de stad Freiburg! Ik laat me al gauw iets terugzakken richting bar. Ik bestel een prijzige fles Club Mate (een drank die hier heel normaal is) en zet mijn telefoon op vliegtuigstand, zodat ik straks nog middelen heb om naar het hostel te komen. Ook noteer ik weer even het nummer van de taxicentrale – je weet maar nooit.

Na het echt geweldige, energieke, en wederom zing-alles-mee-geweldige concert laat ik me een beetje helpen door de dame van de garderobe. We vogelen samen uit welke tram ik moet hebben. Dat doen we dan maar, met kans op veel lopen vanaf de laatste halte. Inderdaad. Het lukt me zelfs om niet zwart te reizen, op mijn laatste eurocenten.

Ik moet inderdaad vanuit de wijk Littenweiler naar het hostel lopen, nu via een andere route als vanmiddag, maar het is redelijk verlicht, er lopen genoeg jongeren, en ik weet ook in het donker perfect waar het hostel ligt (ik ben er echt pas één keer geweest, een paar uur geleden, maar ik kom al zo lang in Freiburg, dat ik echt exact weet waar ik ben). Ik wandel erheen, hopsakee, meld me weer. Sander is verdeeld blij over mijn goede aankomst. Ik had hem gevraagd er even op te waken dat ik echt na 20 minuten zou SMS’en dat ik aangekomen was. Na 20 minuten, als mijn telefoon weer aan de lader ligt, krijg ik de SMS ‘hoeraa! 20 minuten… de katten zijn van mij!’ – Dankjewel, Sander. Gelukkig, daar wordt in ieder geval voor gezorgd. Ik doe zijn euforie gauw teniet met de melding dat ik nog leef, dank u.

Ik ga douchen en maak me klaar voor bed. Dan komt er een meisje binnen. Ze zegt spaarzaam hallo en verdwijnt in het badkamertje. Daar hoor ik plotseling langdurige braakgeluiden. Ik blijf een tijdje liggen, maar kom dan toch weer m’n bed uit. Ik trek een broek aan en informeer door de deur heen of alles okee gaat. Ja, het gaat goed. Nee, ze is niet dronken. Ze heeft slechte kip gegeten, en het spijt haar heel erg. Daarop volgende braakgeluiden en gesnik doen me ervoor kiezen om toch om een aparte kamer te vragen.

Die krijg ik, beneden bij de receptie. Het is wat gedoe, want kennelijk zijn er, in dit megalomane hostel, echt geen kamers meer vrij. Nou, eentje dan, een tweepersoonskamer met alleen lage bedden. Ja, die luxe kunnen ze natuurlijk niet zonder slag of stoot vergeven. Ik beloof de kamer heel schoon te houden. Het mannetje begeleidt me persoonlijk mee naar boven. Ik wil het meisje op mijn gedeelde kamer niet de confrontatie met hem aandoen, dus ik wuif hem weer naar beneden voordat ik de kamer weer in ga. Ze voelt zich al zo opgelaten.

Ik stel me even voor – zij heet Laura, en komt uit New York. Ik zeg haar dat ze zich niet opgelaten hoeft te voelen, dat ik gewoon even mijn spullen pak, en naar de kamer ernaast verkas. Ondanks dat verontschuldigt ze zich nog honderdmaal terwijl ze weer in het bed boven het mijne klimt. Ze ziet erg pips en ze zal nog wel een aantal keer naar de wc moeten vannacht. Ik raad haar aan om in mijn onderbed te gaan liggen, maar dat wil ze niet. Ze verzekert me dat ze hier met vrienden is, en dat ze samen een stage gaan volgen. Dat stelt me wat gerust, er wordt ook door anderen op haar gelet. Door uitdroging na overgeven kun je best van de kaart raken, en dan is het juist weer niet handig als je in je eentje op een afgesloten kamer ligt.

Ik betrek mijn eigen suite, maak het me comfortabel, en ga lekker slapen.

zondag

Ik sta op, ruim op, maak m’n kamer in orde, en ga ontbijten. Bij toeval, en maar goed ook, zie ik aan het eind van de ontbijttafels Laura zitten. Ik vraag of ik bij haar aan mag schuiven. Dat is in orde. We kletsen wat over waar ze woont, hoe en waar ze naar school gaat, en hoe bereisd ze wel niet is. Komend uit New York vliegt ze met regelmaat, op de frequent flyer miles van haar pa, naar Texas, waar ze studeert. ‘Treinen gaan er niet zo veel’ legt ze me uit ‘en het is gewoon te ver’. Alsof je in Amsterdam woont en in Spanje studeert, zeg maar. Wat een leven.

Ik probeer haar zo veel mogelijk op te beuren en zo min mogelijk over eten te praten. Ze hapt haar ontbijt weg terwijl ik twee dubbele porties eet, omdat ze in dit hostel allemaal leuke ingenieuze manieren hebben om je voedsel met zo min mogelijk afval op je bord te laten belanden. Marmelade in ijscupjes enzo, hartstikke tof. Ik snack wat weg.

Daarna zeggen we gedag en wandel ik naar station Littenweiler. Ik stap in het felle morgenzonnetje op de trein naar Freiburg centraal, ga vanaf daar naar Karlsruhe. Houd contact met Sandeep, die ik in Stuttgart zal treffen. En inderdaad, dat lukt. Sandeep en zijn vriendin Birgit staan me op te wachten. Birgit heeft een goed idee: we gaan in het stadspark naast het station zitten. Leuk. Er is een biergarten, en verderop wordt gedanst. Die Duitsers toch. We bestellen een flinke pitcher sap – rabarbersap, heerlijk – en zetten ons aan de tafels. Het is warm, gelukkig hebben we schaduw. De muziek klinkt, we kletsen bij, Sandeep maakt grapjes over mijn liefdesleven, nu hij er zelf warmpjes bij zit. Er komen diverse langharige ruigbaardige jongens voorbij, en met glinsterende ogen van pret wijst hij ze me allemaal aan. Ik kan er wel om lachen.

Na heerlijk drinken en eten zoeken we op hoe laat mijn trein gaat, en zetten we ons nog even in het park op een bankje tussen het groen om dat af te wachten. Dan wordt het echt tijd om te gaan. Ze brengen me naar de trein, ik zeg gedag, en hop, daar begint de laatste lange reis naar het noorden.

Ik weet nog een paar vernuftige overstaps te regelen, die me enigszins sneller in Enschede beloven te brengen. Dat lukt niet helemaal, en zo leer ik dan ook dat de trein vanuit Dortmund er echt twee keer zo lang over doet als de trein vanuit Münster. Die haal ik, voor de verandering, dan wel eens een keertje ruim. Ik heb zelfs nog tijd om op het station een crêpe met Nutella te eten! Eindelijk dan toch, en voor een schappelijk prijsje ook.

Na twee uur vermoeiend treinen met de boemel ben ik dan eindelijk, eindelijk weer thuis. De poezen draaien om me heen, het huis staat er nog bij zoals altijd. Morgen nog een dagje vrij. Aaaaahh. Ik krijg maar een half witbiertje op, dan sleurt de slaap me naar bed toe.

vrijdag

De vrijdag begint rond een uur of zeven. Ik moet nog allerlei kleine dingetjes doen aan mijn gitaar, alsook nog de helft inpakken. Dat laatste is zo’n saaie routine geworden, dat ik het tegenwoordig als het even kan uitstel tot de dag van vertrek. Ik ken mezelf.

Tegen negen uur heb ik inzicht in de nog benodigde tijd, en app ik Yvo, die mij naar SHA zal rijden. Om tien uur meldt hij dat hij net wakker is. Inmiddels heeft nieuws ons bereikt dat men het doek van de partytent vergeten is – of wij iets mee willen nemen? Yvo wil zijn Turret (vijandelijke schietende robot uit het spel Portal) zonder pardon droog hebben staan, dus hij zet koers naar een winkel om een nieuwe partytent te kopen. Terwijl ik verder inpak en mezelf fatsoeneer denk ik ‘partytenten zijn áltijd een hekel punt aan het begin van een gezamenlijk kampeeruitje. Daar zou iemand eens iets op moeten verzinnen’. Zuchtend ga ik verder met mijn bezigheden.

Even na elven ben ik klaar. Yvo stuurt me een foto van een ingepakte aanhanger. Hij woont aan het einde van mijn straat, dus binnen een minuutje is hij bij me. We laden al mijn koffers bij in de bak en we rijden door naar Govert. Ook die woont in de buurt. Hij staat gelukkig al klaar als we onze combinatie netjes inparkeren voor zijn huis. We kunnen op weg!

Het ritje naar Zeewolde duurt iets langer dan normaal. Met onze aanhanger kunnen we namelijk maar maximaal 90 rijden. Dat merk je wel, als je ritjes naar Deventer of Utrecht onbewust gewend bent. Eindeloos lijkt de snelweg. Gelukkig hoef ik niet op te letten. Ik lees op de achterbank mijn Harry Potter fanfiction en luister met een half oor naar hoe Yvo en Govert briljante, vergezochte, en simpelweg geniale grapjes met elkaar maken. Af en toe kijk ik achterom naar de aahanger. Het is gek om al mijn waardevolle bezittingen in een aangekoppelde kar achter mijn eigen vervoermiddel te hebben. Ik kan het kwijtraken. Dit is een graadje onvoorzichtiger dan ik normaliter ben. Maar er staat me nog genoeg te wachten…

Op het terrein van SHA mogen we niet zonder meer naar ons kampement rijden. We moeten parkeren op een groot wuivend grasveld aan de overkant van de weg. We rollen de auto met aanhanger ergens in de achterste rij, we pakken onze belangrijkste tassen, en beginnen dan maar met lopen. De rest van de gevulde aanhanger laten we gewoon achter op het veld. Een volgende bezoeker parkeert zijn bus naast ons en zwaait vriendelijk. Is dit hoe het gaat? Laten we in vol vertrouwen onze waar onbeheerd achter? Ja, dat doen we.

We stiefelen tien minuten braaf door over een hobbelig zandpad. We passeren de entree, ontvangen ons polsbandje, en zoeken ons veldje op. Hehe, eerst even naar de wc. Als ik terugkom beramen we een plan om een golfkarretje te reserveren voor onze bagage. Echter, dat gaat moeilijk. De wachtrij is lang en ondanks connecties hier en daar komen we niet sneller aan de beurt.

Dan komt er een jongen met de naam Thomas voorbijscheuren. Zijn golfkar is leeg en hij gaat richting entree. Mogen we mee? ‘Spring d’r maar in, ik ga mijn telefoonkabel uit de auto halen!’ Hebben wij even geluk. Hij zoeft ons hobbelend en slingerend naar het parkeerveld. ‘Als je snel bent, kan ik jullie aanhanger wel mee terugnemen?’ Dat laten we ons geen twee keer vertellen. Ik sta er wat verbaasd bij te kijken. Jawel, een golfkarretje kan een complete aanhanger trekken! We koppelen aan, en met iets meer beleid dan op de heenweg scheuren we terug naar het kamp. Yvo mag voorin zitten met de Turret op schoot, Michiel, Martijn en ik houden ons vast achter in het bakje. Dit is prima vervoer, en zie eens hoe snel al onze bagage bij de tenten is! Hier hadden we minstens vier keer voor moeten lopen.

We zetten allemaal onze tenten op en maken het ons gemakkelijk. We missen de openingsspeech, maar dat maakt niet echt uit. Ik heb hoofdpijn en wil eigenlijk direct gaan slapen, maar het is pas vroeg in de avond.

Ik vermaak me de rest van de tijd met het rondlopen over het veld en het bekijken van andermans installaties, foodtrucks, en natuurlijk onze Pixelflut-installatie in de bar.

Laat op de avond loop ik met mijn tandenborsteltje heen en weer, pak me warm in, en ga slapen. Eens zien wat morgen brengt.

zaterdag

Ik word tegen een uur of negen wakker. Michiel en Martijn hebben beloofd me naar Almere te brengen en zullen over twee uurtjes klaarstaan.

Tot mijn genoegen zitten we allemaal rond een uur of tien voor onze tenten, heeft Marianne koffie, en Mariska bolletjes met hartig en zoet beleg. De aanloop naar de Turret is eindeloos. Iedereen vergaapt zich aan de witte, dodelijke robot. Hij kan ook meer en meer. Yvo zit er als een havik bij en vertelt in prachtig steenkolenengels aan iedereen hoe het ding ontwikkeld is. Onderwijl laat hij zien hoe de schalen in- en uitklappen en hoe de robot pijltjes schiet. ‘Kan hij ook praten?’ wordt ons vaak gevraagd. Nee, dat kan Turret nog niet. Maar we hopen op maandagavond, en dan zal ik niet te beroerd zijn om wat toepasselijke uitspraken in te spreken met een stemvervormer.

Ondertussen wordt het tijd om in te pakken. Ik moet creatief zijn met mijn tassen, en hier laten wat ik niet nodig heb. Mijn tent zetten we vast met een paar extra haringen en een scheerlijntje links en rechts. Als het nu niet belachelijk hard gaat waaien staat die tent er zondagavond gewoon nog. Iets na elven heb ik mijn bepakking compleet. Ik heb nauwelijks dubbele kleding mee. We lopen naar de auto, ik vergeet nog wat, en dan lopen we nogmaals naar de auto terwijl het inmiddels regent. Oei, mijn beschilderde tas geeft af. Mijn handen zitten vol met groene vlekken. Dat is niet erg handig. Inmiddels bericht mijn AirBnB me of ik er al aankom, want ze moeten zelf zo weg. Oei, dat lukt me niet. Ik stuur terug dat ik er nog wel 1,5 uur over doe. Dat had ik beter kunnen plannen.

Vanaf Almere pak ik zonder nadenken de Sprinter naar Schiphol. Dat is niet bepaald handig, merk ik al gauw. We boemelen traag op ons doel af. Op elk station blijven we tergend lang staan. Overstappen op een Intercity kan ook niet meer. Pech dan maar, ik hoef niet heel vroeg op Castlefest te zijn. Vanaf Schiphol wil ik de Q-Liner 361 pakken, maar die gaat pas weer over drie kwartier. Hulde aan internet overal: ik weet een snellere route te vinden die me via Sassenheim naar Lisse brengt.

Tegen twee uur ben ik eindelijk bij mijn AirBnB. De aanwijzingen zijn simpel, toch wat vreemd voor het keurige buurtje met gezinswoningen waarin ik me nu bevind: ‘pak de sleutel uit de linkerkant van de brievenbus – hij zit vastgeplakt met plakband’. Nou, en of. Ik peuter de sleutel los en zorg dat hij niet direct naar binnen valt. In huis ligt op tafel netjes een welkomstbriefje klaar en boven in mijn slaapkamer steekt mijn sleutel in het slot. Hèhe, wat een avontuur weer! Gelukkig was ik al half gekleed als Maria von Trapp, en wie verdenkt zo iemand er nou van dat ze inbreekt in iemands huis?

Ik stal mijn spullen uit in mijn slaapkamer en ik kleed me om naar Maria von Trapp. Gitaartje mee, tas mee, en lopen maar. Tegen half drie ben ik op het terrein van Castlefest. De ingang is verplaatst, en we moeten ver omlopen. Gelukkig word ik gelijk na binnenkomst beloond met een eerste ontmoeting: Jildou en haar Zweedse gasten. We zeggen hallo, bewonderen elkaars outfits, en dan ga ik naar de Folk stage op zoek naar Paul.

Even sta ik stil voor ik de dansende menigte. Onbewust dwaalt mijn blik af naar een persoon in een groene kiel, in het gras rechts van me. Hij kijkt niet op, houdt zijn blik strak op zijn telefoon. Ach… , wie mij kent, weet wel wie ik daar zie. Ik zeg maar niets, en loop door.

In het publiek voor de Folk stage kom ik eerst Lenny tegen. Leuk! Iets houdt me echter tegen heel uitbundig vrolijk tegen haar te doen, en ik volg mijn gevoel. Paul ziet ons en komt erbij staan. We groeten Lenny gedag en lopen getweeën verder.

Zo struinen we heel de dag de velden over. Er is veel bij te praten, en dat kan prima terwijl we van kraam naar kraam zwermen. Flarden verhaal wordena afgewisseld door anekdotes, gekke opmerkingen, veel gelach en natuurlijk veel knuffels. We kopen leuke kleine dingen, ik koop in een opwelling een leren hoedje, we eten lekkere vleesspiezen en highlandersteaks.

Tegen acht uur in de avond betrekt de lucht. ‘I have confidence in sunshine, I have confidence in rain, … I have confidence in rain, in rain in rain!’ zing ik uitgelaten. Paul snoert me de mond en beweert dat ik het slechte weer aanroep. Een zware donkere wolk kondigt inderdaad regen aan. Als de eerste drupjes vallen gaan Paul en ik schuilen in een grote boekentent. Binnen no time valt de regen met bakken uit de lucht. Paul leent mijn poncho en gaat de tent uit, zodat hij het aansteken van de Wickerman kan zien. Dat is voor hem een speciaal moment.

Ik blijf in de boekentent en geniet van drop en muffins die uitgedeeld worden. Als de Wickerman brandt schuif ik een tentje op en kan ik de vlammen boven de tenten uit zien komen. Toch brandt hij niet zo lang en uitbundig dit jaar. Dat het ook precies tegen acht uur begon met regenen! Volgens mij is dat een slecht voorteken voor het thema van dit jaar, ‘fertility’! Jammer voor alle Wickerman-fans die zo hoopten op meer van dat, dit jaar. Volgens mij gunde de natuur het ze niet!

Na de regen lopen Paul en ik weer rustig verder over het terrein. Het is sterk afgekoeld en ik ben blij dat ik een vestje bij me heb. We lopen nog wat rondjes, halen een fles dennenmede, en zetten ons in het gras. Een jaar aan persoonlijke groei en ervaringen passeert de revue. We breken een tweede fles dennenmede aan. Na twaalven worden we van het terrein af gebezemd. Tijd om richting Lisse te wandelen en lekker mijn bed in te gaan.

zondag

Ik word om half negen wakker, maar oef! Wat heeft die dennenmede erin gehakt. De hoofdpijn blijft uit, maar ik heb een suf gevoel in mijn hoofd, en een zogenaamd dood vogeltje in mijn mond. Ik ga maar eens douchen en dan naar beneden voor het ontbijt.

Jan-Pieter, de gastheer, heeft een uitgebreid ontbijtje voor me neergezet. Warme broodjes, koffie, vruchtensap. We praten er vrolijk op los. Zijn vrouw Gwen is er niet vanwege familieaangelegenheden, maar dat mag niet deren. Na een uurtje komen ook de andere gasten, een Fins stel, naar beneden. Zij ontbijten net na mij. Ik ga inpakken en maak me klaar voor nog een dagje rondlopen.

Met een extra rugtas en een papieren tasje met mijn gitaar verlaat ik het huis. Het is alweer lekker zonnig weer. Vandaag loop ik in gemakkelijke kleren. Ik wilde nog een korset aandoen, maar Paul moet me helpen bij het sluiten. En met dat korset kan ik erg moeilijk naar het toilet, plus ik ben nog steeds wat duf, dus… die blijft lekker in de tas. Er lopen al zoveel dames met korsetten (passend en niet passend) rond, dat hoef ik niet te doen.

Bij de ingang wacht ik op Paul. Hij moet zelf ook van tent wisselen, want zijn kampeermaatje is vervroegd van Castlefest weggegaan. Het duurt even, maar daar is hij. Hij moet eerst naar de parkeerplaats, daarna zal hij mijn tassen in zijn gedeelde tent leggen. Ik vind het best, het is niet zwaar, dus ik loop er wel even mee het terrein over. Bij de kraampjes kijk ik naar leuke dingetjes. Sommige spulletjes vind ik geweldig origineel, van andere denk ik ‘dat kan ik ook zelf maken’. Blij dat ik dat van mijn ouders heb meegekregen. Met naaimachine, soldeerbout en protoplast kom ik aan alles voor een prikje. Sorry standhouders, maar ik kijk jullie ideetjes af en maak het zelf. Ooit.

Bij leerbewerking trek ik de streep, trouwens. Dat heb ik in februari geprobeerd, een heel klein buideltje maar, maar dat werd wel handwerk. Ik zou het niet graag herhalen voor grotere projecten. Vandaar ook de aankoop van de mooie vagabond hat, die ik vandaag vol trots draag.

Paul appt me dat hij bij de Village stage wil gaan dansen. Zuchtend trek ik hem digitaal aan zijn oor. Hij zou toch mijn tassen in zijn tent leggen, wat is dat nou! Hij komt zijn afspraak gelukkig na, en met een kwartiertje ben ik van mijn ballast af. Waar die blijft is overigens onduidelijk. Ik vertrouw er gewoon op dat alles in iemands tent ligt, en dat die iemand niet besluit het uit haar tent te knikkeren, te verkopen, of kapot te maken. Best vreemde manier van vertrouwen, maar zo werkt het dit weekend wel.

We lopen verder, doen wat kraampjes aan, doen een balfolk workshopje, waarbij ik eindelijk wat leuke variaties in de Jig leer. We komen allerlei mensen tegen, genieten van wat eten, wat drinken, muziek, en elkaars gezelschap. Tegen zessen vind ik het wel genoeg geweest. Tijd om terug te gaan naar mijn andere vrienden, die net zo veel lol hebben op een ander grasveld in Zeewolde!

Ik neem afscheid van Paul en laat hem mijn tassen van de camping ophalen. Als hij weg is kom ik Joost tegen, avontuurlijke Joost met woest wapperend lang haar die net twee dagen mijn Instagram-follower is. ‘Hee Joost!’ toeter ik. Het blijkt hem echt te zijn, en hij en Paul blijken ook al ergens met elkaar gepraat te hebben. Altijd gezellig. Joost en ik lopen samen naar de parkeerplaats en praten wat met elkaar. Dan wordt het voor mij tijd om op de bus te stappen. Maar waar gaat die eigenlijk?

Ik loop een eind Lisse in, niet naar mijn AirBnB, maar naar het centrum. Inderdaad, ergens, helemaal aan de andere kant, komt de Q-Liner. Een meisje genaamd Jaimy zit al in de schaduw wachten. Na een half uur wachten en opkijken bij elk gemotoriseerd voertuig dat voorbijzoeft komt onze bus eraan. We raken aan de praat en kwebbelen tot Schiphol over onze dag op Castlefest, en mijn verdere bezoek aan SHA. Dan zeggen we gedag en gaan ons weegs.

Ik stap op de Intercity naar Almere en kom dit maal netjes op afgesproken tijd aan. Michiel staat me al op te wachten, jeej, wat een service! We zoeven terug naar SHA, terwijl de zon ondergaat over de poldervelden.

Mijn TkkrLabbers zijn blij om me terug te zien. Ik heb wel heel wat gemist. Ik doe nog een rondje over het veld en neem gelijk mijn tandenborstel mee, zodat ik ergens vast even kan tandenpoetsen. Ik nader de toiletblokken in het Scandinavische kampement. Midden op hun veld staat uiteraard een Finse ton-sauna. Precies een geval als ik had verwacht dat ze daar zouden plaatsen. Er lopen halfnaakte mannen in en uit alsof het de gewoonste zaak van de hele wereld is.

Een ranke, langharige jongen met schitterende lichtblauwe ogen vergezelt me bij de wasbak. Ik vraag hem of hij Fins is, omdat hij absoluut niet opkijkt van al die naaktloperij hier. Dat is hij niet; hij heet Brett, is Australisch, en bezoekt al jaren Europese hackerfestivals. Nu heeft hij zich gevestigd in Zuid-Holland en gaat daar een jaar lang werken bij een opleidingsinstituut waarvan ik de naam kwijtraak. We babbelen nog wat door, ik verdrink meerdere malen in zijn stralende blauwe ogen, en uiteindelijk loop ik weer terug naar mijn tent. Brett heeft beloofd mijn village morgen even op te zoeken. We zullen zien.

Ik pak me deze avond aardig in en ga relatief vroeg slapen.

maandag

Okee, toegegeven, dat was een woordgrapje.

Wakkerworden is vandaag niet het moeilijkste punt. Daarvoor moet ik wellicht even wat vertellen over slapen op SHA, of gewoon op ieder festival met zoveel licht en geluid.

’s Nachts gaan de leds en de electronische muziekjes aan, lopen mensen rond, en genieten ze van elkaars projecten. Hoe feller en luider, hoe beter. Ook al is er een regel dat het na twaalf uur stil moet zijn, van her en der op het veld hoor je nog monotone beats, geflankeerd door lichtorgels in alle kleuren van de regenboog. De experimenten met de vier vlammenwerpers bovenop de toren, vijftien meter van mijn tent, heb ik nog niet eens genoemd. Met hun kenmerkende ‘DOFF DOFF’-geluid bij elk shot, en de oranje vlammen die ze uitbraken, heb je het idee dat er een compleet nest draken het op je tentje voorzien heeft.

Slapen voor vier uur ’s nachts betekent je draai vinden in een zo donker mogelijke richting en vooral alles negeren dat buiten je tent voorbijkomt. Echt donker wordt het sowieso niet. Koud wel.

Als ik mijn ogen voor de eerste keer open hoor ik stemmen van Thijs en een onbekend persoon naast mijn tent. Ik lig half in foetushouding, want het behoorlijk koud, ook al heb ik een merinotrui, een fleecejack, een legging en een paar sokken aan in mijn slaapzak. ‘Hoe laat is het?’ vraag ik Thijs. ‘Vijf uur vijfenvijftig.’ ‘Oh.’ ‘Hoe was het op Castlefest?’ ‘Uhh… niet nu?’ Duf draai ik me om en probeer weer in slaap te komen voor die laatste paar uurtjes. Het is nu wel relatief lekker rustig op het veld, daar moet ik van profiteren.

Tegen negen uur word ik weer wakker, nu door de zon die langzaam op mijn tent begint te branden. Op zo’n moment weet je het met kamperen: je moet als de wiedeweerga uit je superwarme kleren, voordat je wegzweet. Ik rits mijn slaaptent open richting vestibule en laat het doorwaaien. De zon wordt snel branderig vervelend. Hop, alles achter op mijn bed, kleren aan, ontbijten en tandenpoetsen.

Ik ontbijt met een ziplockje vol verse pasta van de AH. In het zakje, en in de waterkoker, doe je water, tot het halverwege level staat. Dan zet je de waterkoker zo’n driemaal achter elkaar aan. Klaar is de pasta, geen gedoe. Niet voor dagelijks gebruik, ik zeg het je.

Sneaky begeef ik me naar de vrijwilligerstent, waar ik een bakje koffie inschenk. Als iemand klaagt, zeg ik wel dat mijn naam nog op het bord staat voor het moppen van de vrijwilligerskeuken op vrijdagavond. Niemand vraagt me wat, dus ik kan weer terug. Koffie, pasta, het ontbijt is compleet. Er zitten inmiddels al wat meer mensen rond de tent.

Na het ontbijt trek ik me terug in mijn slaaptent. Yvo prutst aan zijn Turret. Ik hoor vervelende geluiden in de trant van ‘aah’ ‘kapot’ en ‘nog meer kapot’. Als ik na een tijdje weer buiten kom, blijkt dat de Turret te lijden heeft gehad onder zijn Chinese onderdelen. Al gauw doet alleen het oog het nog, verder is hij vleugellam. Jammer. Ondanks dat komen er nog genoeg mensen kijken naar ons lief uitziende, maar dodelijke robotje.

Ik besluit voor vandaag eens te zien of ik een stukje kan programmeren aan de badge. Ik ben ten slotte toch developer, ik wil wat bijdragen. Alles is in Python, en er staat een hele codebase  klaar, what could go wrong?

Eerst maar eens de ledjes op mijn badge solderen. Dat gaat me niet erg goed af. Thijs is inmiddels weer wakker en hersoldeert de ledjes zodat ze iets netter zitten. De trilmotor achterop lukt me wel goed. De ledjes gaan echter nog steeds niet aan, welk appje ik ook probeer. Thijs en ik lopen naar de Badge-bar, waar Bas en Frans zitten te solderen aan hun badges. Bas wil wel even kijken of alle ledjes goed aangestuurd worden. ‘De tweede is kaduuk’ constateert hij. We gaan even langs opperhoofd Jeroen en krijgen van hem een nieuw ledje. Terug bij de tent doet Thijs zijn best om het stukke ledje er voor mij af te krijgen (want ik ben beter met een desoldeerbout, dan met desoldeerlint) en dan kan ik de nieuwe erop zetten. En jawel! De nyanserv app toont mij dat alle (serieel geschakelde) ledjes nu werken! Blij dat ik ben.

Nu de ontwikkelomgeving. De zon staat intussen hoog aan de hemel. Ik wissel naar een dunner shirt dat mijn schouders beter bedekt en ik rits mijn broekspijpen af. Om mij heen smeren mijn nerds zich driftig in met dikke lagen zonnebrandcrème, maar tevergeefs. Na een paar uur ziet iedereen zo rood als een kreeft. Ergens tussen mijn kindertijd en nu ben ik daar toch resistent tegen geworden, want ik voel het wanneer ik verbrand, dek de kritieke stukken huid af, en vanaf dat moment word ik alleen maar keurig bruin als een baguette uit de oven.

Omdat ik graag een zandbak wil voor mijn programmeerwerk probeer ik de emulator te installeren. Dat lukt niet. Thijs probeert me te helpen maar komt er ook niet uit. Renze kan me waarschijnlijk beter helpen, maar als ik die mijn laptop afsta ben ik hem voor een uur kwijt en snap ik daarna nog niet wat er allemaal aan verbeterd is. Ik wil het zelf doen. Dus ga ik naar de Badge bar en probeer een SHA Angel neer te flaggen. Diverse jongens helpen me met de error die ik bij de installatie krijg. Niemand weet het. Dan gaat eentje wat rondvragen op IRC, en jawel, er komt een patch in een pull request. ‘Even wachten tot de merge’ zegt hij, maar ik maan hem in de pull request te kijken. Het is maar 1 regel in 1 file, dus… juistem. Er is gewoon iets uitgecomment dat tijdens de installatie niet heel noodzakelijk is. Ik wacht niet op de fix, maar voeg de regel zelf toe, en hops, alles installeert. Ik bedank de jongen en vraag me af wat ik nu kan. De emulator is niet zo goed als de badge zelf, bovendien heeft een andere jongen me net uitgelegd dat ik gewoon mijn app (eggs genaamd) in de hatchery kan zetten als onbruikbaar, dan wordt hij direct beschikbaar op  mijn badge. Zo gezegd, zo gedaan.

Met de code direct live in de hatchery ontwikkel ik verder. Ik ga een Magic 8-Ball maken. Ik steel code uit andere projectjes en maak een mooie setup. Hij werkt nog niet, maar het begin is er. Ik ben al heel trots op mezelf als ik aan het einde van de middag een net appje heb staan, dat zijn eigen naam toont, en je weer terug laat gaan naar het hoofdmenu als je op Start drukt.

In de middag komt een journaliste van Trouw langs. Ze ziet onze Turret en is gelijk geïnteresseerd. Ze komt bij ons zitten en vraagt Yvo honderduit over de bouw van het ding. Daarna flagt ze haar fotograaf down en wil ze graag dat we allemaal op de foto gaan. Yvo wil niet, maar anderen van TkkrLab wel, dus we scharen ons rond het ding met laptops op schoot, en laten zien hoeveel plezier we hebben. De journalisten verlaten ons weer, en een camerateam dient zich aan. Wie wil er even een stukje rijden op de Klippan-bank op wieltjes? Niet iedere hacker wil in de media, maar ik wel. Ik hop snel op de bank en draai een eindje het pad op, terwijl Leroy stuurt. Ik kan niet achterhalen van welke zender de cameraman is, maar dat blijkt later dus de NOS te zijn. Jawel, aan het begin van de rapportage over SHA zie je mij op een rijdende bank voorbijkomen.

Die rijdende bank is trouwens niet het enige. Gesitueerd aan het hoofdpad zien wij van alles voorbijkomen. De trage, grappige bank, die heel de dag van links naar rechts voorbijsukkelt, wordt al gauw ingehaald door een rijdende fauteuil, en een snel rijdend keukenstoeltje. In de avond komt er nog een complete Kartent voorbij…

Ondertussen vertoont de badge allemaal kuren, maar dat is wel grappig. Ik besluit even te stoppen met ontwikkelen voor vandaag. We zitten allemaal opeengepropt in de schaduw onder de partytent waar de Turret in woont. Leroy komt links en rechts voorbij zoeven op de bank. De skottelbraai wordt aangeslingerd en we eten lekker gebraden vlees met salades. Nadien komt de taart op tafel die voor Leroy’s elfde verjaardag is gemaakt.

De avond valt nu snel, je merkt het direct wanneer de zon achter de bomen verdwenen is. De kou trekt op en het wordt onmiddellijk tijd voor twee extra laagjes wol. Ik warm weer op en zit nog wat bij de tent met een beker thee. Yvo miept over zijn Turret, en dat hij morgen naar huis toe wil. Hij voelt zich ook niet erg fit, dus ik geef hem gelijk. Punt is wel dat ik met hem mee terug rijd, dus ik moet ook inpakken morgen. Ik had net extra vrij gevraagd, dat blijkt nu voor niets. Ach ach.

Ondertussen regel ik met Attilla dat Paul morgen nog een dagje over het terrein mag komen lopen. Geheel kostenloos, zelfs zonder badge of wat. Hij komt er wel in, en anders moet ik maar even bellen. Okee…

Omdat dit voor ons de laatste avond is, wil ik niet vroeg naar bed. Gelukkig hoeft dat ook niet: opeens staat Brett met een vriend genaamd Arne voor onze tent. Ze blijven even naar de Turret kijken, dan pak ik een beker thee mee en vergezel ze over het terrein. Na een ruime ronde plus een mindboggling lezing over ingewikkelde monotone geluiden ga ik tandenpoetsen en terug naar mijn tent. Echter, daar kom ik Aschwin tegen. Hij wil ook nog niet slapen. Okee, dan gaan we nog even een rondje doen. We lopen helemaal langs de space uit Wuppertal en komen daar Michiel tegen, die bij een soort vuurplaats zit te kletsen. Je mag geen open vuur op SHA hebben, en terecht. Maar een hoop zand, of een bak water, met daarin een gasslang gepropt, geeft leuke, gecontroleerde vuureffecten, en dat mag dan weer wel. Hacken, hè?

We lopen met zijn allen verder naar de tent waar gisteren nog Arne en Brett in zaten. Ik tref ze er niet aan. Helaas. Ik doe nog een ronde langs de maintenten, speel nog een paar potjes tube tag mee met Renze, op het kruispunt. Kom buiten de bartent nog een nieuweling uit ons kamp tegen. Hij begint aardig, maar na amper vijf minuten luisteren hoe goed en geweldig hij is en hoeveel geluk hij heeft gehad in de wereld, taai ik af. Ik had mijn arrogantiespray niet bij me. Echter, hij wandelt mee naar de tent, dus ik kuch besmuikt dat ik nog moet tandenpoetsen, en schud hem af. Nog langer luisteren naar zijn egocentrische heldenverhalen zou me echt te veel worden.

Eindelijk mijn bed in. Nu hopelijk warmer dan gisteren. Ik heb een matje mylar oftewel emergency-blanket onder mijn luchtbed liggen, om de optrekkende kou te weren. Noem het gek, maar het werkt uitstekend. Ik houd het warm vannacht.

dinsdag

Vandaag gaan we inpakken. Wel is Paul nog onderweg naar mij toe. Dus ik pak vast een beetje in, help Yvo zijn tent afbreken, en ga dan Paul ophalen. Samen met Paul pak ik eerst verder in, want tegen 13:00 kan het gaan regenen. De tenten moeten droog mee. Het lukt om alles in te pakken. Wat al weg kan, leggen we in de aanhanger, met een zeil erover. Een losse tas en Pauls spullen kunnen onder de tafel in ons kamp.

We gaan naar de maintent, want ik moet nog munten opmaken. Dat is niet moeilijk met een alleseter als Paul aan je zij. Hij heeft voor mij op Castlefest aardig wat betaald, dus ik return de favor en we gaan wat snacktentjes af. Dan begint het langzaam te druppelen. Wachtend voor Pauls bakje eten doen we even een dansje, tot hilariteit van andere bezoekers.

Terug bij de tent wil men net naar de lezing over de badge toe. Okee, die wil ik ook wel even zien. Paul en ik zitten per ongeluk net in de verkeerde tent, maar we weten door de regen over te steken naar de juiste tent. Ondertussen appt Yvo dat hij na deze lezing zo snel mogelijk weg wil. Ik vind het goed.

De badge is echt een heldenverhaal an sich. Echt, de video daarvan  moet de moeite waard zijn. We zitten de lezing helemaal uit tot aan het vragenrondje, en lopen dan terug naar het kampement. Het is weer een beetje droog, maar we zijn blij dat alles ingepakt is en klaarstaat. Yvo, Govert en ik zijn compleet. Ik neem afscheid van Paul en gedrieën lopen we naar de auto. Vroem, met 90 terug naar Enschede…

maandag

Ik slaap een beetje uit, lees mijn e-mail, knuffel Meisje, die als een dolle walvis over mijn bed rolt. Ik geef de poezen een schone bak, en maak ontbijt voor mezelf klaar. Dan app ik AirBnB-hostess Els en ga ik inpakken. Oja, ik moet ook nog een treinkaartje vinden, niet vergeten.

Met een ingepakte baal plunje, en mijn jas al aan, speur ik het internet af. Dat doe ik tegenwoordig altijd zo, voor reisjes binnen Nederland die voorbij Utrecht gaan. Je zoekt een goedkope dagkaart op internet, die je direct online kunt aanschaffen. Vaak bespaar je daarmee de helft. Wie koopt er nog reguliere treinkaartjes, of reist verder dan dat op zijn saldo? Die is echt gek. Ik blaas twee treinkaartjes voor de prijs van één uit mijn printer, en vertrek.

Op het station drink ik een kopje koffie, en manoeuvreer mijn vouwfiets met me mee naar de intercity. Om 11:16 gaat de trein. Op Hengelo stapt een echtpaar in, dat graag vooruit wil reizen. Een man met de naam Frits, die eigenlijk aan de andere kant van het gangpad vooruit reist, geeft zijn plek aan hen op en komt tegenover me zitten.

Er ontspint zich een gesprek. Hij is voorbij middelbare leeftijd, heeft oudere dochters, en een jonge dochter van achttien. En die laatste dochter, daar is hij nu naar op weg. Ze woont in Amsterdam, en hij gaat haar nieuwe studentenkamer bekijken. Of hij even met mijn telefoon mag bellen? Hij heeft namelijk nu al een half uur vertraging, en hij wil haar niet laten wachten. Ik geef hem de telefoon, en als ze niet opneemt, stuur ik voor hem een SMSje erheen. De man schat mij initieel vijfentwintig. Dat hoor ik onderhand bijna elke dag. Ik bedank hem vriendelijk voor dat compliment.

We praten verder, over ouderschap, wat je kinderen gunt, toestaat, toestopt… en over financiële onafhankelijkheid. Rustig converserend met deze man besef ik nog maar eens hoe gezegend ik ben met nul euro studieschuld (pap, bedankt!) en een eigen koophuis. Geen behoefte aan de nieuwste apparatuur, merkartikelen en rages. Ik heb zeker wel dure dingen, maar die gaan gemiddeld vijftien jaar mee. Zie dat nog maar eens bij jongeren van tegenwoordig!

We keuvelen tot aan Amersfoort, dan stapt hij over. Ik moet nog blijven zitten tot aan Duivendrecht. Ik let af en toe op mijn vouwfietsje op het balkon: die blijft prima staan. Het echtpaar naast me waagt de kans om mij iets te vragen over e-mails op een iPhone. Ik antwoord blanco: ik heb geen iPhone, en geen sluitend idee waarom hun probleem (ik gok een feature) zich voordoet. ‘Ik vraag het mijn kleindochter wel’ oppert de man. Ze mompelen een bedankje en we reizen verder. Leeftijdsverschillen…

Op Duivendrecht stap ik over op de sprinter naar Amsterdam Amstel. Ik haal er net eentje van tien minuten eerder, en het is nog een rap boemeltje ook. Ik ben er voor ik het doorheb. Op goed geluk, en met wat Google Maps-planning in mijn hoofd geprent, stap ik buiten het station op mijn fietsje. Ik rijd richting de Amstelkade en volg die. Wat een feilloos gevoel voor richting heb ik toch. Ik meng me tussen het stadsverkeer en zoef over het fietspad aan de Weesperzijde. Kruis bochten, taxi’s, trambanen. Rijd driftig door wanneer de meute om mij heen dat doet, en ga abrupt op de rem als ik moeders met kroost achterop in de ankers zie gaan. Zo fiets je mee in Amsterdam. Eigenlijk niks anders dan in Enschede, gewoon wat drukker en heftiger.

Ik bereik het woonbootje in tien minuutjes. Ik herken het van de foto’s, en bovendien, het ligt schuin tegenover Carré. Kan niet missen. Ik bel aan en word ontvangen door Els: een aardige blonde dame met een lieve, hartelijke uitstraling. We slepen mijn vouwfietsje naar binnen en Els legt me uitgebreid uit hoe het voordeurslot werkt. Dan zeul ik met gevaar voor neerstorten mijn vouwfiets van het steile trappetje af, mijn kajuit in, en leg het ding tegen de kajuitwand onderin het achterschip. Zo, die hoef ik de rest van de dag niet meer te gebruiken.

Mijn kamertje is echt geweldig. Het is het verdiepte deel van het achterschip. Daardoor is het plafond twee keer zo hoog, ten minste, op de meeste plaatsen. Er zijn voldoende raampjes, en een patrijspoortje bij het tweepersoonsbed. Het bed, fris opgemaakt, bevindt zich wel ónder het achterdek, dus je moet je hoofd bepaald niet stoten als je wakkerwordt. Er is een wastafel, een koelkastje, een bureautje… eigenlijk alles dat je nodig hebt. Prachtig. Er is zelfs, bovenaan een trappetje omhoog, een deur naar het achterdek. Daar staat een bankje, met aan de rechterzijde heerlijk uitzicht over de Amstel.

Ik herpak mijn tassen en vind mijn handtas. Die ruim ik praktisch in, met een regenjas, water, en een vest. Dan ga ik van de boot af en wandel ik noordwaarts, over de Magere Brug, naar de grachtenring.

Het is zonnig, fris weer. Wolken drijven voorbij aan de helderblauwe lucht. Het is niet koud; er staat ook niet echt wind. Hier en daar vallen blaadjes van de bomen, want het is wel herfst. De bomen zijn rood en geel verkleurd en hun reflectie schittert me tegemoet in het water. De grachten, kalm en verlaten, met hun hoge smalle grachtenpandjes, zien er werkelijkwaar schitterend uit zo. Ik maak wat foto’s voor later op Instagram.

Eerst loop ik een heel eind de Utrechtsestraat af, richting het Rembrandtplein. Daar wordt het drukker. Ik zwerm met wat toeristen en stadslui mee om het plein, waar een frivole muzikant zijn liedjes laat horen. Een verschoten jas, een vale spijkerbroek, wild haar dat alle kanten op danst. Zijn gitaar, met snaren die aan het uiteind bij de knoppen alle kanten op pieken. De muzikant staat, als ik aan kom lopen, gewaagd bovenop een schuin standbeeld. Een vriend op een cajun zit tegenover hem en slaat een opzwepend ritme. De zanger annex gitarist springt van zijn voetstuk en danst het publiek rond, dat geamuseerd meeklapt. Ik geniet ervan in het zonnetje.

Dan sta ik op en loop ik weer zuidwaarts, richting het FOAM fotografiemuseum. Ik moet regelmatig op mijn telefoon de weg opzoeken, want al die kleine bruggetjes over de grachten lijken op elkaar. Ik ben continu afgeleid, want de middagzon schijnt zo mooi op het water. Ik steek een paar grachten over, loop rechtsaf, en zie in de verte de banieren van het FOAM.

Ik benader het FOAM van rechts, en vergis me eerst in de ingang. Voor mij is een trappetje naar een voordeur, waarboven één van de banieren hangt. Op het naastgelegen trappetje zitten twee werklui te lunchen. Bovenaan de trap bemerk ik dat dit niet de voordeur van het FOAM is. Ik draai me om en loop zo elegant mogelijk weer naar beneden. De werklui glimlachen. ‘Niks gezegd he!’ lach ik ze toe. ‘Nee, nee…’ ze hebben schik. Ik ga naar de ingang van het museum.

Uiteraard maak ik gebruik van mijn studentenkorting, want ik betaal toch een aardige duit voor mijn Campus Card – die moet ik langs allerlei andere wegen weer terugkrijgen! Met vier euro reductie in de pocket stap ik de grote zalen door. Mijn jas heb ik keurig in een kluisje gedropt, voor later. Al met al is het hier in Amsterdam veel gemoedelijker, dan ik het me herinner van vroeger, op schoolexcursies. Mijmerend loop ik langs fotowerk van verschillende fotografen uit diverse landen. Bij het werk van André Kertész sta ik wat langer stil. Wat een oog voor licht en kadering heeft die man gehad, zeg. De foto’s zijn niet heel buitengewoon, maar elk moment is zo mooi, elke stoffige lichtstraal zo juist gevat. En het feit dat de beste man dit allemaal schoot met zware, analoge camera’s. die hij meezeulde in het Oostblok, naar Parijs, door de oorlog, en naar Amerika. En overal komt zijn specifieke kijk op de wereld weer terug.

Ik herken mijn eigen stijl erg in zijn werk, en denk terug aan mijn tijd bij de AKI. Een jaar waarin grafisch ontwerp mij niet gegund werd, maar er voor fotografie nog wel een deurtje openstond. Alleen wilde ik dat niet. Nu ik het werk van Kertész zie, snap ik waarom dit soort werk nog best mijn signatuur had kunnen worden. Maar ik voel geen spijt. Het werk van Kertész is zo veel rijker, doordat het gemaakt is in een moeilijke tijd, met zoveel middelen die ik vandaag niet meer zou hoeven te gebruiken. Ons perspectief mag hetzelfde zijn, mijn foto’s zouden vergeleken bij de zijne waardeloos zijn, omdat ze vandaag de dag zou eenvoudig geschoten en afgedrukt kunnen worden. Nee. Dat was mijn toekomst niet geweest.

Ik doorloop alle zalen en ga naar het cafeetje om te lunchen. Na het bestellen van een espresso en een stukje taart zet ik me vlak bij de keuken op een bankje aan het raam. De kelner en de kok maken grapjes met elkaar. Ik luister er geamuseerd naar terwijl ik van mijn gebak hap en in mijn boekje schrijf. Dan richt de kelner zich schuin tot mij, in een poging de kok een beetje voor de gek te zetten. Ik ga mee in zijn grap en we komen aan de praat. De kelner is duidelijk uit Amsterdam, ‘nooit buite de Bijlmer gewees’ en de kok blijkt uit Haaksbergen te komen, maar zijn accent verraadt dat ook hij al jaren in ’s lands hoofdstad vertoeft. Ze vertellen mij wat leuke dingen over Amsterdam, bijvoorbeeld dat ik echt eens een dag moet besteden aan het bezoeken van de ‘hofjes’ – binnentuinen die zich tussen de huizen bevinden, waar alleenstaande vrouwen woonden en buiten kwamen, zolang als zij geen man hadden, of wanneer hun man langdurig op reis was. En huilden, wanneer hun man niet meer terugkwam van de zeevaart. De hofjes zijn er nog steeds, maar je moet ze weten te zitten, en ze gaan dagelijks om vijf uur dicht. De kok kent er veel. Ik vertel hem en de kelner wat een caffè sospeso is – een uitgestelde koffie. ‘Suspended’, als in, voor later – een koffie die je niet voor jezelf koopt, maar op de rekening laat zetten voor een bedelaar, die later die dag om een kopje koffie komt. In Italië is dat niet ongewoon.

Ik loop het museum uit en begeef me langs de grachten. Ik maak hier en daar foto’s van de mooie schittering op het water. Ik had nog langs het Kattenkabinet willen gaan, maar nog een museum trekt me echt leeg, dus ik zet koers richting de biologische winkel ‘Marqt’. Ik heb de winkel aan de Utrechtsestraat zo weer bereikt, en dompel me onder in alle biologische etenswaren. Hapjes die ze in Enschede niet hebben, kaasjes, bijzondere sapjes. Oké, laat ik nu hier niet helemaal losgaan. Ik pak een mandje en neem wat leuke dingetjes mee. Bij de kassa schrik ik uiteraard even van het bedrag, maar ja. Ik heb wel gelijk avondeten erbij in zitten, wat ik dan weer niet met haast bij een restaurantje hoef weg te happen. Het is ten slotte al tegen zessen, en als ik om half zeven pas ergens aanschuif én nog wil eten, ben ik vast niet voor achten klaar. Je moet een normale eetgelegenheid niet als fastfoodcorner gaan behandelen. Ik wandel terug naar het woonbootje en ga met een lekker warme trui en jas op het achterdek zitten. Mijn huisraad is gelukkig compleet met een vork, prima voor mijn avondeten.

Ik kijk naar rechts uit over het water en zie de zon ondergaan over de Achtergracht. Roeiers komen rustig voorbij in het spiegelgladde water, fietsers peddelen over de stenen boogbruggetjes aan de overkant. Trams rollen over de Sarphatistraat in de verte, en maken een gedempt kletterend geluid als ze midden van de brug over de Amstel gaan. Een jongen staat enige tijd aan mijn linkerhand op de kant, totdat hij me toch maar aanspreekt. Of ik gezien heb dat zijn fiets gestolen werd? Nee, ik keek naar rechts, en heb ook niets vreemds gezien. Hij kijkt sip. Hij had zijn goede fiets hier ook niet buiten moeten laten staan. ‘Het is Amsterdam, ik kom uit het oosten vriend, ik vind dit niet abnormaal’ zeg ik. Ik zeg nog dat ik het echt erg vind voor hem, maar dat doet hem weinig. Ja, tuurlijk. Hij belt even aan bij mijn hostess en vraagt haar ernaar. Nee, ook zij heeft niks gezien. Weg fiets. Dit is Amsterdam. Mijn hostess loopt later nog even naar haar auto en passeert mijn achterdek. ‘Lekker buiten, buurvrouw? Niet stiekem aan het werk, he?’ Nee nee… ik zit lekker in de avondschemering in mijn boekje te schrijven.

Om zeven uur gaat de zaal open, maar ik wil niet al te lang binnen hangen als ik ook hier op mijn bootje zitten kan. Ik ga me tijdig omkleden naar avondtenue. Je gaat wel naar Carré, ja! Keurig in jurk lanceer ik mij om half acht van de boot af. Ik kijk naar links. De voordeur van Carré. Ik kijk naar rechts. Enkele honderden meters verderop begint de wachtrij. Wát?!

Een beetje beduusd loop ik weer over het plankier de woonboot op. Ik pak mijn windstoppervest en mijn sjaal. Moet ik verdorie hier buiten in de rij aansluiten…! Terwijl ik met andere gasten sta te wachten valt het duister snel in. Lichtjes gaan aan langs de gracht, en heel Amsterdam is hier sfeervol verlicht. Ik app mijn hostess. ‘Kom weer naar binnen, meid, en ren d’r snel achteraan als het acht uur is!’ adviseert ze me. Ze is zelf ook wat verbaasd door de rij, omdat dat normaliter alleen gebeurt bij een belangrijke première. ‘Dan staan alle vedetten hier te showen in hun galajurken’ vertelt ze me achteraf nog.

Het zit mee, ik ben in tien minuten binnen. Het oponthoud blijkt te gaan om een tassencontrole. Want oh jee ja, als je metalvolk uitnodigt, dan kan daar zomaar een vervelende gek tussen zitten, is het niet? Nou, leer mij metalvolk kennen…

De keurig geklede piccolo’s wijzen ons naar onze stoelen. Elke keer hoor ik een goedkeurend geluid als ze zien dat ik op een van de beste ringen van het balkon zit. Ja, en of. Ik ga nog even naar het toilet, en dan schuif ik voorzichtig aan op rij vijf van het balkon, stoel tweeëntwintig. Er zit al iemand op stoel vierentwintig, direct links van mij.

Ik zet me naast de man, die zo te zien ook alleen is. Er ligt een prettige glimlach in zijn ogen. We stellen onszelf even kort voor. ‘Bert’ ‘Heidi’. En zo zitten we. Hij komt uit Apeldoorn, is van mijn leeftijd, en hier alleen omdat zijn vrienden niet mee konden. Ik vertel waar ik vandaan kom, en dat ik vanavond hier overnacht. We wisselen nog wat woorden, en dan begint de show. Het is werkelijk erg mooi. Ingetogen, serieus, meeslepend, en dan ineens bombastisch. De tonen zagen door de zaal, de Finse cellisten gaan helemaal los op hun instrument. Zitten is niet genoeg – nee, er wordt rondgelopen, gerold, en zelfs met strijkstokken naar elkaar getikt. De lichtshow doet de muziek veel goeds. Ik doe wel tussendoor mijn oordoppen even in, dan zijn de scherpe kantjes er een beetje vanaf. Zo is het beter genieten.

In de pauze bied ik Bert een drankje aan. We zijn toch allebei hier alleen, waarom dan eenzaam gaan zitten zijn? We begeven ons naar de bar boven de theaterzaal. De prachtige industriële sfeer van de bar trekt onze aandacht. Hij drinkt zijn cola, ik mijn rode wijn, en we praten nog wat. Het is een beetje gek om zo prompt elkaars gezelschap te zijn, maar ik heb het idee dat als één van ons beiden het vervelend vindt, we wel van elkaar weglopen. Dat gebeurt niet, en we lopen weer gezamenlijk terug naar onze plaats. Na de show, die nog doorgaat in een spetterend samenspel van drums, cello’s, en meezingers uit de zaal, biedt Bert mij een drankje aan. Dat doen we, maar wel in de bar beneden. We staan een tijdje, drinken en kletsen. Carré gaat sluiten. Of we onze jassen op willen halen? De garderobe waar ik mijn jas achterliet, is al gesloten. Mijn jas is naar beneden gebracht. Goed. Ik haal hem daar op, terwijl Bert me bij de uitgang opwacht. Zo lopen we langs de gracht. Volgens Bert is een kleine brasserie, die bij Carré hoort, nog open, maar nee. Of ik nog meega naar een ander cafeetje?

Nou. Mijn bootje ligt hier rechts van ons in de gracht te dobberen. Het is rond elf uur, ik had me verheugd op een nachtje lekker slapen en dan morgen fris naar huis. Wil ik nog wel mee naar een café? We lopen iets verder en zien op de hoek van de straat bar Lempicka, die nog open is. Achterin is nog plek. En zo praten we nog een uurtje of wat verder, terwijl ik wijn drink en hij cola. Ik ben bij lange na niet aangeschoten, dus dat gaat prima. Wel een beetje moe inmiddels – maar hey, het is gezellig! En Berts ogen twinkelen nog steeds leuk, dus wie ben ik om dan maar zo naar huis te gaan? Om half één is het echt tijd. We zeggen gedag en wisselen telefoonnummers uit. Ik wandel terug naar de woonboot, terwijl Bert zijn auto opzoekt voor een ritje terug naar Apeldoorn.

Terug op de boot bel ik orgelvriend Koen en praat bij. Prima moment ervoor, zo. Ik praat zachtjes zodat mijn hostess zicht niet aan me zal storen, maar ze slaapt toch geheel aan de andere kant van de boot. Tegen één uur ga ik maar eens slapen.

dinsdag

Tegen half acht word ik wakker in mijn kajuit. Ik ben thuis erg gewend aan wakkerworden met mijn wakeup-light, dus dit is wat vreemd voor me. Door het kleine patrijspoortje schuin naast mijn bed zie ik het water kabbelen.

Ik kom rustig uit bed, maak een rondje toilet en trek wat warms aan. Het is niet koud, maar het is wel najaar. En ik zit nog wel eventjes stil hier voor mijn ontbijt. Alles staat gelukkig in en rondom het koelkastje. Ik eet een kommetje muesli met jam om het te zoeten. Dan kijk ik op Youtube een filmpje hoe een caffè presso werkt. Ah, zo dus. Met waterkoker en de koffie-unit weet ik een prima bakje te zetten. Ik ben niet erg moeilijk over koffie, dat zeg ik wel.

Bert heeft me gisteravond nog geappt dat hij goed thuis aan is gekomen, en inmiddels is hij alweer met de auto onderweg naar elders. Ik neem wat berichtjes van mensen door, maak nog wat fotootjes van mijn schattige onderkomen, en pak dan mijn tassen in. Ik app Els, opdat ze weet dat ik in alle stilte wel aan het inpakken ben. Zij moet ook nog bijtijds weg vandaag.

Zo, om tien uur ben ik klaar met alles. Ik sleep mijn fietsje weer het trappetje op en klop bij Els aan haar woonkamerdeur. Ze is verheugd me weer te zien. We praten een tijdje met elkaar, over leven en over hoe zaken gebeuren – op hun tijd – of je het nu wil of niet. We wensen elkaar een goede dag. Ik fiets in het ochtendgloren de Weesperzijde weer af naar het Amstelstation. Hoewel ik het laatste stukje niet meer weet sta ik er plotseling toch opeens voor. Zo, op de trein naar huis.

De sprinter brengt me wederom naar Duivendrecht. Ik heb helemaal niet opgelet welke treinen op elkaar aansloten, omdat ik niet precies wist hoe lang ik er over zou fietsen van boot naar station. Nu heb ik een boemeltje dat nét de aansluiting op Duivendrecht mist, maar dat geeft me wel de gelegenheid daar even een verjaardagskaartje voor mijn oom te kopen.

Zo, op de trein naar Amersfoort. Daar moet ik nog één keer overstappen, en dan zit ik goed tot aan Enschede.

Op Apeldoorn appt Bert me. Of ik nog zin heb om te komen lunchen? Nou, dat lijkt me eigenlijk wel gezellig. Maar het is één uur, en ik moet om drie uur op mijn werk zijn! Ik voorzie dat dat gewoon niet gaat lukken. Ik beloof wel heel uitbundig te zwaaien, maar ik rijd wel door. Tegen twee uur ben ik in Enschede en kan ik na een rondje douchen en omkleden naar mijn werk. Dat waren twee leuke dagen!

dinsdag

Ik pak in, we eten taart, we zoeven naar Leipzig en vinden Renze’s hotelletje, dan de beurs, dan ons eigen hotel. Lekker douchen en een biertje drinken, oogjes toe en slapen.

Tweede Kerstdag breekt aan. Anders dan andere jaren vul ik de dagen niet met familiebezoekjes en lekker eten rond de kerstboom. Dit jaar staat voor het eerst Chaos Communication Congress op de planning. Ik ben meegevraagd door mijn vrienden van TkkrLab. Ik heb met geluk een plekje in een hotelkamer kunnen regelen, en ik heb de herinneringen aan leuke outdoor events als Haxogreen en Still Hacking Anyway. Dus daar gaan we!

In de ochtend werk ik mijn vaste inpaklijst door terwijl mijn reisrugzak op bed ligt. Inpakken valt me moeilijk, omdat constant in mijn achterhoofd speelt dat dit geen gewone reis is. Het belangrijkste is niet, om je eenvoudig te kunnen bewegen in een bergachtige omgeving met de zon op je voorhoofd. Het gaat om een soort van beurs, maar met ruimte voor cosplay, terwijl het buiten onder de tien graden is. Deze set variabelen maken het inpakken ingewikkeld. Ik zit vast, en pak dus maar eerst de dingen in, waarvan ik zeker weet dat ze van pas komen. Toiletgerei, ticket, electronica, slaapspullen. Kleding laat ik even achterwege, want daar twijfel ik te hard over.

Om half elf belt Sander aan. Hij krijgt van mij een kop koffie en de huissleutel, zodat hij op de poezen kan passen. Hij blijft een half uurtje, en we praten over werk. Dan stapt hij weer op en ga ik haastig verder met inpakken.

Bas, met wie ik de komende dagen de auto en de hotelkamer deel, laat weten er om twaalf uur te zijn. Ik werk alle taakjes af die op mijn lijstje staan. Maar wat doe ik nou met mijn kledingkeus?!

Renze belt en appt. Hij heeft nog een bakvorm met een halve appeltaart erin staan. Goed om te weten: Renze woont vlak naast me en gaat straks ook mee met de auto. Ik nodig Renze uit om de appeltaart bij mij te komen opeten terwijl ik verder inpak. Dan laat ik de telefoon weer voor wat hij is en ga ook daadwerkelijk inpakken.

Precies om twaalf uur heb ik alles in de rugzak zitten. En de kleding? Gewoon het lijstje aangehouden. Merinoshirts, warme wollen vestjes, rokjes en leggings. Voor het gemak doe ik vandaag mijn ‘reisbroek’ aan (een hippe flared spijkerbroek, maar wel met elastieken band), want je moet toch zeker wel één broek meenemen. Niet alles in de wereld is geschikt om bestormd te worden met rokjes aan.

Ik steek mijn hoofd naar buiten uit de keukendeur, en zie drie verdiepingen lager Renze en Bas bij de auto staan. Ik fluit ze toe en nodig ze even binnen uit. Met z’n drieën smikkelen we de appeltaart op. Het lijkt wel een kleine verjaardag. Goede appeltaart. Renze heeft er duidelijk een nieuwe hobby bij sinds hij op zichzelf woont. Ik bak nog snel wat champignon-schijfjes en stop ze in mijn superhandige opvouwbare vershoudbakje. We kunnen gaan!

 

Met dank aan Bas’ verouderde TomTom komen we via wat binnendoorwegen op de snelweg naar het oosten. Van nu af aan is het immer gerade aus. De Pet Shop Boys kunnen zingen wat ze willen.

We kletsen, kijken om ons heen naar het grauwe winterse landschap, de heuvels, de dalen. We vergapen ons aan de vele windmolens. Op een gegeven moment rijden we er zelfs compleet tussenin. De zon wil niet echt doorbreken vandaag. We suizen door het schemerlandschap, het licht achter ons latend. Ik herken stukken rond de Harz. Daar wordt het landschap ook bergachteriger, de dorpjes in de verte schilderachtiger. Dit moet ik onthouden voor treinreizen. Als de avond inzet slaat Bas af naar een pompstation. We houden een plaspauze en mopperen op het achterstallig onderhoud aan de toiletten in dit uitgestorven oord langs de snelweg. Dat mijn hokje niet eens dicht kon was vervelend, maar niet problematisch – er was toch niemand anders.

We stappen weer in en zoeven weg. Nu naderen we Leipzig. Renze deelt toastjes met salades uit zodat we niet helemaal verhongeren. Hij moet voor zessen bij zijn hotel inchecken, anders zit de deur dicht. We besluiten daarom om eerst hem weg te brengen, en dan onze tickets bij de Messe op te gaan halen. Omdat de laatste tram vanaf de Messe alweer vroeg vertrekt moeten we dan wel een beetje aanmaken.

Het hotel van Renze is een typisch familiehotelletje in een buitenwijk ten zuidoosten van het centrum. Ik moet terugdenken aan Lichtenfels en aan alle oorden waar ik op autovakanties doorheen ben gekacheld. We zetten onze auto op de parkeerplaats. Er is geen receptie open. Er hangt wel een telefoon. Renze wordt gesommeerd een sleutel uit een sleutelkastje te pakken en zichzelf binnen te laten. Dit voelt als een uitzending van een spannend spelprogramma. Ik vind het wel leuk, en slim gedaan van de eigenaren. Het is immers nog wel kerst, die mensen zitten ook graag thuis.

Als we Renze’s bagage hebben gedropt zoeven we over de snelweg terug naar Leipzig noord. Het is echt een half uur rijden tussen de twee locaties. Wat een gigantische stad is Leipzig!

We parkeren bij het hotel en checken onze eigen hotelkamer. Dit is een heel ander hotel. Een typische strakke lounge, generiek personeel in uniformen met gestrikte dasjes, bordjes in drie talen. Dit hotel is van een franchise, uit de catalogus besteld, en hier op deze kale winderige heidevlakte neergeplant. Naastgelegen zijn een vaal business center en een ander typisch zakenhotel. We checken in onder de naam ‘van Ziesser’n’ – wat de meisjes achter de balie maar moeilijk kunnen uitspreken. Gedrieën gaan we naar boven. Lange kraakheldere gangen, de airco op standje tien. In de lift een stem die elke verdieping opnoemt. Duidelijk een Oostenrijkse dame, weten Bas en ik aan haar accent te herkennen.

We wandelen door het donker naar de Messe. De wind is luw, maar hier op de vlakte tussen de gebouwen ben je overgeleverd aan de kou. Het is gelukkig echt maar vijf minuten lopen. Je ziet het enorme Messe-gebouw al in de verte liggen. Op de gevel zijn de letters C C en L aangevuld met een keurig van kleur wisselend streepje, dat er ‘C C C’ van maakt.

De ingang is ons wat onduidelijk. We zien een bekende bij een zijdeur staan, dus daar gaan we maar naar binnen. Door een heel gangenstelsel in het congrescentrum weten we de weg te vinden naar het grote open trappenhuis. Daar begint het echt op een ‘chaos congress’ te lijken. Diverse rare uitvindingen zijn opgesteld, tafeltjes staan al klaar, medewerkers beginnen hun draai te vinden met de spullen die ze dit weekend aan hun mede-hackers laten zien. We lopen verder naar de hoofdhal: het hart van de Messe Leipzig. Het is een tonvormige hal, helemaal van glas. Immens, als een enorm treinstation. Marmeren vloeren en trappen vallen in het  niet bij de groothsheid van de ruimte. Het is nog wat koud, en leeg. Plukjes mensen dwalen af en aan rond de kassa’s.

We blijven ook in de buurt, want als de kassa’s opengaan kunnen we onze bandjes ophalen. Die tip van Bas zal ons morgenochtend veel tijd besparen. Net als we de hele hal zijn doorkruist zien we dat het rondom de kassa’s drukker wordt. We wandelen terug en sluiten aan in de massa. Na enig schuiven, popelen en mensen kijken staan we binnen een minuut of twee al vooraan. De doorstroom is nog niet heel logisch, maar we komen snel aan ons polsbandje. Let the congress begin!

We lopen nu alle hallen door en verkennen de boel. Bas heeft toegezegd Renze naar zijn hotel terug te rijden, dus we hebben nog wat tijd. De grootsheid van deze locatie, ik zeg het nog maar een keer, is echt niet in te schatten. Het is heel overzichtelijk, dat wel. Aan weerszijden van de enorme glazen hal liggen aan weerszijden twee congreszalen, beide op de eerste verdieping. Door de glazen hal gaan twee loopbruggen, waar je op komt middels enorme marmeren trappen. De mogelijkheden zijn legio, de loopafstand van zaal naar zaal: ongeveer tien minuten bij rust. Ik verzin dit niet.

De hal met de uitvindingen en de hackerspace begint al wat animo te krijgen. We wandelen naar een hoek waar een snackbar, beheerd door de Messe zelf, zijn luiken openheeft. De verkoopster heeft duidelijk een topdag, zo met al deze hongerige early birds. Met maar een fractie van haar hele aanbod weet ze iedereen van een kleffe hap te voorzien. Niet erg goedkoop ook, maar we hebben nu wel een gehaktbal achter de kiezen.

We lopen terug naar het hotel even langs de Kentucky Fried Chicken, die heel handig precies op de driesprong voor de drie hotels zit. De jongens willen wel wat kip-units, ik wil gewoon heel graag het kindermenu. Dat kost me het minste, en heeft de meeste dingen die ik lekker vind. Gelukkig zit er geen leeftijdsgrens op.

Na het eten ga ik terug naar de hotelkamer, Bas brengt Renze naar de zijne. Ik heb nu mooi de tijd om lekker te douchen, uit te pakken, en wat te lezen. Dus als Bas een uurtje later de kamer binnenkomt zit ik heerlijk rozig en duf op bed met mijn Harry Potter fanfiction in mijn handen. Nog steeds niet uit, dat boek? Nee, schade! Nog steeds niet!

Het is nog niet laat, dus Bas en ik gaan even een biertje drinken in de lounge. Ik neem een schwarzes Bier, een type dat ik ook in mijn kerstpakket had, thuis. Hij bevalt goed, maar nadien heb ik wel bijzonder veel zin om weer lekker te gaan slapen. Bas is nog aan tweede biertje bezig, dus ik vul aan met kraanwater. Daarna gaan we terug naar de kamer, en is het echt tijd om te slapen.

woensdag

De eerste ochtend van de beurs staan we nog keurig op tijd op. Aankleden, tandenpoetsen, ontbijten… dat ontbijt kost wel een tientje, dus Bas geeft al aan het de volgende dagen te willen overslaan. Ik weet dat nog zo net niet. Als het een goed alternatief heeft, prima.

Fast-forward!
We wandelen naar de beurs, bekijken de tentoonstellingshallen, we hangen bij de hackerspace. Ik eet pannekoeken met Nutella, die wel vreselijk duur zijn. Ik zie leuke talks over privacy, social media, hacking. Ik kom Leon tegen, Andreas Gnau – die ik 5 jaar niet gezien heb!! – en Gerben en Paul, die ik nog van vroeger ken van Netgamez. Wat heerlijk, al die mensen! Ik maak het niet al te laat, opdat ik de volgende ochtend weer fris naar de eerste lezingen toe kan.

Donderdag

Ik heb ontbeten met een Nutella-pannenkoek en een kop koffie. In totaal geef ik daar zo’n zeven euro aan uit. Poeh, dan had ik beter dat ontbijt in het hotel kunnen nemen, dan heb ik voor 10 euro echt wel meer. Overdag ga ik naar lezingen en zit ik bij de hackerspace. Ik ben druk bezig met het in elkaar fröbelen van het ‘IDLE…’ bordje dat ik op mijn hoofd wil dragen. Ik ga even langs de supermarkten, de textielsupers, alles dat op het terrein zit. Ik kan het niet laten om gewoon even lekker te neuzen in wat Duitse winkels aanbieden.

Vroeg in de avond kom ik in de hackerspace aan de praat met een gezellige Duitse man genaamd Patrick, die lijkt op iemand die ik ken. Hij en zijn vrienden zullen vanavond naar ‘Hacker-Jeopardy’ gaan, een aangepaste vorm van de spelshow Jeopardy. Die wordt elke CCC gegeven, en schijnt erg leuk te zijn. Goed, zeg ik, ik haak aan. Ik maak snel nieuwe vrienden, zo blijkt. Jeopardy is inderdaad een leuke, goed bezochte show. We zitten in het publiek met grote glazen Tschunk, de hackercocktail met Club Mate, rum, limoentjes, suiker en ijs. Het Duits is af en toe moeilijk te volgen, maar de spelshow is gewoon hilarisch, juist omdat hij ook voor de Duitssprekenden wel moeilijk is. Iedereen troeft elkaar af, maar loopt vroeg of laat al z’n punten mis. We hebben heel wat plezier.

Daarna loop ik met het groepje terug naar de tentoonstellingshallen. Het is tegen twaalven, we halen nieuwe Tschunks. Patrick en een vriend willen alle uitvindingen nog wel even bekijken. Dus lopen we de hele hal af. Over loopbruggen, door tunnels, we bouwen met reusachtige legoblokken, en tekenen een eindeloos papier vol met krabbels. We klikken knopjes aan en uit, spelen met een digitale zandtafel, prikken stekkertjes in een audiokast, we kijken naar psychedelische beelden op grote schermen. Het besef van tijd raak je volledig kwijt hier.

Als we de hele hal rond zijn, is het – ik verzin dit niet – half drie ’s nachts. Ik heb nog haast geen slaap, maar het wordt wel tijd om gedag te zeggen. Na een warme knuffel wandel ik op mijn hotel aan. Bas is er nog niet. Mmmh, lekker mijn bed in.

zondag

Zo, het is zondagochtend zes uur. Ik ben al wakker, want ik heb zin om straks met de trein op reis te gaan. Me verslapen is er gewoonweg niet bij. Ik blijf nog een beetje in bed lummelen en pak dan m’n laatste spullen in. Wat doe ik nou met mijn fotografiespullen? Ik wil graag mijn DSLR meenemen, maar weet dat hij veel plek in beslag neemt, en ik ter plekke toch voor de G11 kies omdat die handzamer is. Maar mijn statief? Als proef knoop ik hem op de zijkant van mijn backpack, zoals je met wandelstokken doet. Hij past prima en zit stevig vast. Die blijft. Nu het reflectiescherm. Waar ik het ga gebruiken weet ik niet, maar dat ik het ga missen als ik het niet meeneem, weet ik zeker. Nadat ik alle zeer onmisbare spullen in de tas heb gepropt, schuif ik het ronde scherm als een grote pannenkoek in het meshvak voorop de tas. Het past nauwelijks en rekt het vak op, maar toe maar.

Om kwart over acht ben ik zo goed als klaar. Tandenpoetsen, stekkers eruit trekken, laatste rondje door het huis… de poezen vinden het allemaal wel best. Onrustig drentel ik nog wat rond: ik ben te vroeg. Een stemmetje in mijn hoofd gniffelt vergenoegd: dit is je nieuwe leven, Heidi! Te vroeg zijn wordt gewoonte! Wen er maar aan!

Om tien voor negen wandel ik dan echt weg van huis. In de frisse ochtendzon volg ik de Kottendijk en de Deurningerstraat tot aan het Stadskantoor. Ik pin nog even twintig euro, want daar in het buitenland weet je het maar nooit. Zodra je ‘EC-Karte’ zegt beginnen sommige kassadames al te rillen, pinautomaten houden er abrupt mee op. Duitsland…

Om tien over negen sta ik dan op het station, in de kou. De Appie is gelukkig al open en ik bemachtig een dubbele espresso een een Lion. Zo, de eerste luxe-uitgaaf voor deze mini-vakantie zit erop. Ik zet me nog even aan de piano, maar die blijkt inmiddels onbespeelbaar. Meer dan de helft van de toetsen is geluidloos en gammel. Jammer. Gelukkig rolt daar al gauw het Duitse boemeltje binnen en kan ik lekker warm zitten. We vertrekken.

Onderweg kan ik gelukkig wat dingen doen die ik gepland had, zoals voor Pro Deo Instagrammetjes posten van onze laatste wedstrijd. Ik heb dan wel gepresenteerd, ook kon ik vanaf mijn zitplaats een paar rake actiefoto’s schieten. Die gaan nu het internet op om bewonderd te worden door onze wijd verbreide horde improv-volgers.

We rollen na een uurtje binnen op Münster. Met een kleine overstap moet ik door naar Hamm. In het verwarmde wachtlokaal liggen dronken mannen te slapen. Verfrommelde kranten en een versplinterde drankfles aan hun voeten. Iedereen staat eromheen, omdat het warm houden belangrijker is dan wegblijven van twee zo ongevaarlijke sukkels. Op dit uur zie ik sowieso al jongeren met trays bier de trein uit stommelen. Duitsland…

Mijn treintje rolt binnen. Wederom een boemeltje. Op Hamm heb ik een klein uur om een broodje te eten en nog een koffie te drinken. De Backstube is beschut, maar nog steeds ijzig koud. Ik doe een duur plasje voor een euro, vergeet mijn voucher voor vijftig cent korting op iets dat ik toch niet ga halen, en ga naar mijn perron. Daar is de eerste IC van vandaag. Eindelijk een trein die opschiet.

Ik ga in het zonnetje staan wachten bij het juiste compartiment, volgens het rijtuigenbord. Helaas, de trein rijdt achterstevoren binnen. Ik stap in bij wagon 10 en ik moet bij wagon 7 zijn. Sputterend loop ik de trein door. In wagon 7, direct na de deuren, tref ik mijn stoel aan. Maar het bankstel is bezet, door een meisje en haar moeder. Ik merk kort maar direct op, dat ik deze stoel echt gereserveerd heb – of ze zich willen verplaatsen? Het tweetal sputtert naar mij, want ze zaten riant onderuit met snacks en boeken. Ik wacht rustig op het balkon tot ze helemaal verkast zijn, dan ga ik zitten. Twee nuffige dames aan de overzijde van het pad maken opmerkingen over het al dan niet reserveren van een stoel op de zondagmiddag – terwijl de hele trein leeg is! Pech, ik heb gereserveerd, verzucht ik. Ik kan eindelijk verder in mijn boek, terwijl mijn telefoon oplaadt.

Deze trein stopt op Altenbeken, een station dat ik al jaren in mijn reisboekjes aanmerk als ‘erg mooi’. Hoewel het nu kaal en bewolkt is, is het nog steeds een prachtig landschap. Er liggen leuke AirBnB’s, maar daar ga ik nu niet heen. Na nog een half uur zijn we bij station Kassel-Wilhelmshöhe. Enig vooronderzoek op internet heeft me geleerd waarom het station niet simpelweg Kassel Hauptbahnhof heet: dat station bestaat, en dat is dit niet.

Kassel Wilhelmshöhe is het enige station in Duitsland, dat niet in het stadscentrum ligt, maar net ernaast. Het ligt zelf heel mooi op de route van noord naar zuid en vice versa. Hauptbahnhof is gewoon een kopstation dat daar net hemelsbreed een paar kilometer vanaf ligt, zoals Den Haag Centraal en Den Haag Hollands Spoor. Het station wordt ruim vantevoren aangekondigd. Nog zeker vijf volle minuten rijden we over eindeloze rangeerterreinen, tussen grauwe muren door, naar waar dan echt het station is, waar het mensen toevertrouwd wordt om uit de trein te stappen en zichzelf te redden.

Vanaf het perron loop ik een paar betonnen trappen op en sta op een kil parkeerdek. Waar is de tram nou? Ik besluit het dek maar over te steken, naar een betonnen gebouw met schuifdeuren – iets wat op een misplaatste vertrekhal lijkt. Binnen strekt zich voor mij een meterslang stelsel van rolbanen en lange betonnen trappen uit. Ik moet naar de overkant van de winderige hal, waar kioskjes zijn – en waar het ook zelfs een beetje zonniger lijkt.

Gelukkig, daar vertrekken trams, en uiteraard ook nummer vier, want dat heb ik uitgezocht. Ik koop nog even een doosje Schogetten bij een kioskje en praat met de verkoopster. Ik maak een opmerking over chocola uit Finland en ze vraagt of ik daar vandaan kom. Op mijn antwoord begint ze te mijmeren over Nederland. Ach, in Rotterdam, daar had ze een man. Maar het was zo ver, hè. Dat beaam ik. Ik zit nu al uren in de trein. En op verjaardagen kon ze niemand verstaan. Nee, zegt ze, die relatie hield geen stand. Ik snap het ergens wel. Ik wens haar een fijne dag en ik vertrek naar mijn tram.

Nee, eerst een kaartje kopen. Vijf euro zeventig voor een uurtje trammen naar Helsa. Het kaartjesautomaat slikt mijn twintigje niet. Mijn pinpas wil hij al helemaal niet hebben. Beteuterd probeer ik nog een ander automaat. Ook dat niet. De tram rolt binnen. Dan daar maar. Ook in de tram werken geen van beide betaalmiddelen. Ik besluit dit stuk maar zwart te reizen. Met mijn reusachtige tas naast me zet ik me op een bankje. In het centrum en in voorstadjes wordt het soms even wat drukker en zie ik mensen narrig naar mijn tas kijken, die wel één zitplaats in beslag neemt. Maar wat zou het.

We suizen door Kaufungen, langs de Papierfabrik, waar een complete wijk en station naar genoemd zijn, en langs de mij onbekende DRK-Klinik. Dat klinkt altijd wat eng, in het Duits – alsof je langs Den Dolder rijdt, maar dan nog in oude tijden. Waar schuimbekkende lieden je met grote holle ogen aanstaren vanuit het bos rondom de kliniek, waar losgeslagen dwangbuispatiënten zich in een vlaag van roekeloosheid tegen de tram aangooien, teneinde te ontsnappen aan de lugubere praktijken die zich hier bij dit sanatorium afspelen. Het is rustig, we rijden door.

Stipt om half vier bereiken we Helsa. Waar zou de auto staan, die me ophaalt?

Na wat heen- en weer-wandelen over de parkeerplaats rolt een auto die aan de beschrijving voldoet voor mijn neus langs. De bestuurster zwaait vrolijk. Ik leg mijn rugzak achterin en stap in. ‘Ik moest mijn kindje meenemen, en ze sliep nog’ lacht de vrouw, genaamd Sylvia, hartelijk. Op de achterbank zit inderdaad een vrolijke peuter in haar kinderstoeltje. Ze is nu wel wakker en kraait allerlei vrolijke dingen. Sylvia leert haar gauw mijn naam zeggen. We praten wat terwijl ze de auto terug het dorp uit stuurt, de smalle vallei in.

De verharde weg gaat al snel over in een bospad dat glad is van het opgevroren ijs. De auto weet zich er gelukkig wel raad mee. Rustig rollen we de heuvel op, langs een driesprong, verder naar boven. Na enkele kronkels tussen de steile hellingen door staan we stil bij een carport. Op de linkerflank van de vallei niets dan bomen, en een enkele houtschuur. Aan de rechterkant, in de zon gelegen, bevinden zich allemaal kleine bungalowtjes. Sylvia pakt haar dochter op de arm, trekt mijn tas uit de auto, en we lopen een steile natuurstenen trap op naar één van de huisjes.

Het is, ondanks de foto’s die ik heb gezien, toch anders dan ik had verwacht. Mijn roodhouten bungalowtje ligt direct naast het huis van de eigenaren, maar de ramen zijn zo geplaatst dat we bij elkaar niet naar binnen kijken. Sylvia gaat me voor in het huisje en laat me zien hoe de houtkachel werkt. De peuter staat erbij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dan vertrekt het tweetal en ben ik alleen in mijn huisje. Joepie!

Ik weet dat ik veel mee heb, en dat het geen zin heeft om keurig ingepakt te blijven. In een mum van tijd is mijn tas geëxplodeerd tot er alleen nog wat noodartikelen in liggen, en liggen alle andere spullen op stapeltjes in het huis. Ik wil geen dingen zomaar ergens neerleggen, omdat er dan kans is dat ik ze niet meer mee terugneem. Maar vier dagen leven uit mijn rugzak is in dit geval ook helemaal onmogelijk.

Ik lummel, hang op de bank, kook mijn meegebrachte pasta met restje hummus en schijfjes champignons (kliekjesdag!). Tegen de schemering waag ik me nog naar buiten – met hoofdlamp, zonder spikes. Dat is een lastig tochtje dieper de vallei in: ook al zie ik door de hoofdlamp het gladde ijs op de weg, mijn voeten vinden geen grip. Morgen maar met de spikes op pad, goed dat ik die mee heb genomen!

Jonathan is inmiddels thuisgekomen en informeert via een berichtje of alles okee is. Ik bevestig dat. Hij komt nog even langslopen en ik vraag of ik morgen kan fietsen of mee kan rijden naar het dorp om wat proviand te halen. Hij wil me met plezier een fiets lenen – de auto ook wel (dat sla ik af, met het eerlijke antwoord dat ik al veel te lang niet gereden heb) – maar ik mag morgenvroeg ook met Sylvia meerijden? Dat vind ik een goed plan. 8:15 zal ze hun kindje naar de crèche tegenover de supermarkt brengen, dus ik zal klaarstaan. Hij vraagt me of ik dat écht wil. Ja! Dan maar een ochtendje vroeg opstaan hoor, dan heb ik daarna wel ontbijt! Eten is mijn enige grote zorg nu voor de komende dagen.

Ik hang nog wat in de woonkamer, surf wat op internet (prima verbinding – niet snel, maar wel steady) en lees boeken. Ik vergaap me aan de prachtige sterrenhemel die je vanaf de veranda kan zien.

Bij het slapengaan overkomt me nog iets grappigs. Ik lig in een slaapkamertje dat net genoeg is voor een smal tweepersoonsbed, met aan één zijde een kastenwand met spiegels. Ik verwacht een nacht in toenemende kou (de houtkachel zal uitgaan en alles zal afkoelen), dus trek ik mijn merino legging en kasjmieren trui aan. Maar wat blijkt: het dekbed heeft een wollen vulling! Zodra ik het licht uitdoe en me omdraai begint mijn dekbed opeens aan de onderkant op te lichten. In de spiegels zie ik het ook. Wat is dit? Een dekbed met led-lichtjes erin, dat reageert op beweging? Er liggen wel meer ledlichtjes in huis, maar dit…?

Dan daalt het besef op me neer. Het zijn vonkjes die ontstaan tussen mijn wollen pyjama en het bed! Wat apart! Ik kan er gelukkig wel rustig bij slapen, want van afgezien van het geknetter voel je er niets van.

maandag

Ik sta zoals beloofd vroeg op. Om zes of zeven uur staat Jonathan al sneeuw te ruimen tot aan mijn voordeur – en dat betekent ook onder mijn slaapkamerraam. Ik vind het prima. Om kwart voor acht ben ik wakker en aangekleed, brandt de houtkachel nog zachtjes, en ben ik klaar voor vertrek.

Ik wandel naar buiten – het heeft zachtjes gesneeuwd vannacht, hoe mooi is het! De poedersneeuw ligt overal, en stuift van de kale takken zodra er een zuchtje wind door de bomen waait. Ik verifieer even of Sylvia niet al beneden staat te wachten – nee – dan loop ik weer de trappetjes op en sta wat stil in de tuin, in de dwarrelende sneeuw. Ik kan het hele valleitje doorkijken, met overal houten tuinhuisjes en schuurtjes. Het is zo lief en rustgevend, vooral met die laagjes witte sneeuw overal. Terwijl ik zo – haast meditatief – de ochtendlucht sta in te ademen zie ik Sylvia met de kleine aan de hand het huis uit komen. ‘Heidi! Heidi!’ roept het dochtertje. Wat lief!

We stappen in de auto en rollen weer behoedzaam naar beneden. Sylvia wijst me aan dat alles hier in dit dorp praktisch bij elkaar zit. Ze parkeert bij de supermarkt en steekt met haar kindje de straat over naar de crèche. Zij zal ook even wat boodschappen doen en dan zien we elkaar bij de auto weer. Prima dit. Ik shop een mandje vol met lekkers voor de komende drie dagen, en dan staan we tegelijk weer buiten. Kletsend rijden we terug naar de huisjes. Sylvia werkt doordeweeks vanuit huis, als ze niet op op pad is voor haar werk. Ik hoop dat ik haar internetverbinding niet kill zeg.

Zo, tijd om de kachel weer op te stoken. De sneeuw dwarrelt lustig naar beneden, de lucht is grauw, maar lijkt open te trekken. Binnen in mijn bungalow is het heerlijk warm. Ik lees boeken, zing mee met alle nummers die ik op mijn nas thuis kan vinden (streaming gaat prima!), doe de afwas, slurp chocolademelk en koffie met slagroom. Zo nu en dan maak ik een foto van het uitzicht en kijk wat er op Instagram allemaal gebeurt. In Nederland is het ook koud, valt me op. Nouja, hier geen boodschap aan.

Tegen elven klaart het op, dus ga ik lekker wandelen. Ik neem dit keer de spikes wel mee en doe ze gelijk onderaan bij de carport om mijn schoenen. Zonder die dingen kwam ik hier echt geen meter weg. Ik loop nu het pad door de vallei af, naar het dorp. Bij de splitsing (die Gabelung) kies ik het pad rechts omhoog. Niet alleen is daar nu het meeste zon, ook leidt dat me denk ik boven het centrum langs, en dat geeft me mooi uitzicht. Na een aantal meters flink omhoog, met fijn uitzicht het dal in, bereik ik kering in het pad. Ik besluit rechtdoor te gaan. Er volgt een ruiterpad naar links. Dat wil ik nog niet nemen. Ik wandel nog een stuk verder. Helaas. Daar ligt een fikse boom dwars over het pad. Na enkele grappige foto’s van mij met de wegversperring keer ik maar om. Ik neem toch het ruiterpad naar beneden en beland zo in de buitenwijkjes van het dorp.

Daar stuit ik op de noordzijde van de Fröbelstrasse. Ha! Die moest ik nog hebben. Het is wat moeilijk om hier met het straatnaambordje op de foto te gaan, want er staat een auto voor geparkeerd, en het lijkt erop dat de eigenaresse net een paar meter verderop haar stoep staat schoon te maken. Het is onduidelijk dat ik mezelf met het bordje aan het fotograferen ben, en dus moet het wel zo lijken alsof ik op haar auto uit ben. Yeah. Plausibel.

Ik wandel de weg af naar beneden en kom precies bij de supermarkt uit. Ik heb alles al; ik hoef er niet nog eens heen. Ik loop naar rechts, de doorgaande weg verder af, tot ik een bordje met ‘Helsa – ortsmitte’ zie staan. Dat volg ik. Inderdaad kom ik in de dorpskern uit: een netwerk van kleine keienstraatjes met rijen scheve vakwerkhuisjes. Het is prachtig en lief. Je zou hier zo een film kunnen opnemen, als je de auto’s en de verkeersborden wegdenkt.

Ik ben nu benieuwd of ik ook het tweedehandswinkeltje vinden kan. Ik steek de straat over en zie het daadwerkelijk liggen. Leuk. Omdat zo’n eigenaresse toch waarschijnlijk zit te wachten op klandizie stap ik goed gemutst binnen. Inderdaad. Ze vindt het leuk dat er iemand is, en verontschuldigt zich voor de rommeltjes in haar winkel. Ik vind het prachtig. Wel moet ik vrijwel gelijk weer vertrekken, want het is half twee en zij moet haar kind van school halen. Dus gaat de winkel een uurtje dicht. Ik ga daar niet op wachten, dus ik maak een snel praatje met haar, bedank haar en ga weer op weg.

Bijna loop ik pardoes het dorp uit, naar het volgende dorp – maar ik weet nog net terug te keren. Terug naar het huisje dan maar. Ik behoef geen kaart – ik weet waar ik ben. Rustig loop ik weer door de woonwijkjes terug, en trek mijn spikes weer aan zodra ik de besneeuwde vallei bereik. Enkele meters het bos in kruist een vos vlug mijn pad. Wat mooi. Bij het huisje gekomen staat Sylvia de stenen trap sneeuwvrij te maken. Ik groet haar en wandel door naar mijn voordeur. Ha, daar is de kat weer.

Ik houd mijn warme kleren aan en maak het me gemakkelijk op de zitzak buiten. De kat komt bij me zitten. Het is nog niet heel aangenaam in de zon, dus ik ga maar weer naar binnen. De kat komt onder mijn raam zitten. Hij kan wel tegen de kou, en als ik hem even naar binnen doe, is hij erg ontdaan. Ik laat hem gelijk door de voordeur het huisje weer verlaten. Daarna blijft hij op de veranda zitten, zich wel bewust van mijn aanwezigheid.

Mijn lummeldag gaat weer verder. Ik post foto’s, lees, internet, maak mijn avondeten klaar, drink een biertje, chat met mensen. Regel wat voor Pro Deo. Het kan allemaal, maar er is zo veel tijd, en zo weinig dat hoeft. Heerlijk. En dan het uitzicht. Even naar buiten kijken en je weet weer, waarom wonen in de bergen (dit zijn heuvels, soit) zo machtig mooi is.

Volgens de weersaanduiding moet het ’s avonds nog helder worden, maar dat doet het niet. De maan laat zich vluchtig even zien, tussen dikke plukken wolken door. Ik ben verkleumd en wil niet wachten op die kortstondige momenten, dat ik even het dal kan fotograferen. Ook is er door al die bewolking geen ster aan de hemel te zien. Nee, ik pak mijn statief en camera op, en ga naar binnen. Lekker onder de wol.

dinsdag

De tweede dag mag ik lekker uitslapen. Dat klinkt als een zegen, maar in realiteit ben ik gewoon weer om acht uur wakker. Ik kom rustig uit bed, merk hoe koud het is in de woonkamer, en stook maar gelijk de houtkachel op.

Ontbijt maken, naar buiten kijken… het is prachtig mooi zonnig deze ochtend. Gisternacht heeft het, met al die bewolking, zelfs nog wat gesneeuwd. Op de tuintafel ligt een wollig dik pak, en overal in het dal zijn alle plukken en vlakken ook aangedikt. De schoorsteentjes van alle bungalows roken dat het een lieve lust is.

Volgens het weerbericht wordt het vanmiddag bewolkt, dus ga ik aan het eind van de ochtend wandelen. Weer ga ik het pad af, de vallei uit, maar ditmaal ga ik bij die Gabelung links. Ook hier voert de weg weer omhoog, maar dan linksom, boven een andere buitenwijk van het dorp langs. Ik zie de vossensporen van gisteren. Hoewel er nieuwe sneeuw is gevallen zijn ze nog goed te zien. Bovenaan in de bocht houd ik stil en fotografeer het dorp. Het is een prachtig plaatje, al zeg ik het zelf.

Ik loop een eind parallel aan de wijk, bovenlangs, tot er een afslag naar links komt. Dat lijkt me leuk: dan kom ik waarschijnlijk achter mijn huisje terecht. Ik volg het pad – dat eigenlijk gewoon een diep trekkerspoor is – het bos in. Al gauw stuit ik weer op vossen- en reeënsporen. Ze zijn nog erg vers. Ik zie geen diertjes, maar dat kan ook omdat mijn voetstappen best wel wat geluid maken en ik natuurlijk allang geroken en gezien ben.

Het duurt niet lang of ik tref de eerste omgevallen boom aan. Hoe groot ze hier ook zijn: ze liggen over het bospad als omgeknakte lucifershoutjes. Voorzichtig stap ik eroverheen. In de trekkersporen moet ik ook telkens opletten, of ik niet op een klein ijsplasje sta. Die zijn ondiep, maar kunnen breken als ik er te hard op stap, en dan sta ik tot aan mijn enkel in het ijswater. Niet de bedoeling, dus ik ben voorzichtig.

Even verderop vind ik de tweede, en de derde omgevallen boom. Om mij heen is het ook niet bepaald rustig. Links en rechts zuchten en kraken hoge naaldbomen, terwijl het vrijwel windstil is. Het besef daalt bij me dat ik misschien wat op mijn hoede moet zijn voor vallende stammen, en in het vervelendste geval wel recht op mijn hoofd.

Desalniettemin loop ik door. Onder het eerste geknakte gevaarte kan ik doorlopen. Hij ligt stabiel. De tweede horde neem ik door eroverheen te klimmen. Even strijken de takken met hun naalden in mijn gezicht, dan ben ik eroverheen. Mijn outdoorbroek houdt het goed in de sneeuw. Mijn schoenen blijven droog, mijn voeten warm. Het is nog steeds een heerlijke dag: zonnig, windstil. Alleen al die schuinhangende bomen om me heen, dat is toch wat.

Nu ik de lastige hordes gehad heb ga ik toch eens stilstaan om te kijken, wat de stand van zaken om mij heen is. En dat is niet best. Dicht bij mij, zowel als verderop, zijn hoge slanke naaldbomen in hun val blijven hangen op andere hoge naaldbomen. Overal hoor je licht gekraak om je heen. De bomen lijken net wel, dan weer net niet te vallen. De hoge boomkruinen ondersteunen elkaar maar net. Een harde windvlaag en de boom zal doorvallen naar de grond. Loop ik dan ook gevaar? Ik overdenk de kansen. Wat als de boom in zijn val een ander omduwt, op mij af? Hoor ik dat? Heb ik een idee waar hij terecht gaat komen? Ben ik snel genoeg weg, op deze hobbelige uitgesleten paden?

Ik sta zo een tijdje te kijken en te denken, en concludeer dat er in al die tijd nog geen boom omgedonderd is. Geen direct gevaar dus, en ik heb het hier ook wel weer zo’n beetje gezien. Kom, verder het pad af, en zien of ik bij de achterkant van mijn bungalow komen kan. Dat lukt. Eerst sta ik bij de buren in de achtertuin. Ik stuit op een kruiwagenspoor en een verdekt opgesteld houtopslagje. Ze zijn vast niet blij dat ik hier in hun achtertuin sta. Verder maar.

Bij het huis van mijn naaste buren ben ik inmiddels duidelijk zichtbaar op het pad achter de huisjes langs. Hun hond slaat aan, ik loop maar vlug door en ga niet raar naar binnen staan kijken. Ik bereik het tuinpoortje van mijn huisje. Er hangen wat waarschuwingsbordjes op maar ja – ik huur dit. Ik mag ze negeren. Dus loop ik rustig het tuinpaadje af, naar mijn voordeur. Zo, ik ben weer thuis. Vroeger dan gedacht, maar wel avontuurlijk.

Ook nu houd ik mijn warme jas nog even aan, en pak er een kuipstoeltje bij op de veranda. Boek erbij, kop dampende chocolademelk met slagroom: heerlijk. De kat, Onkel Sven, komt al snel aanlopen. Ik gun hem een plekje op de zitzak, en zo zitten we in het middagzonnetje. Ik kan mijn boek lezen met mijn handschoenen aan. Ik lig een goed uurtje te lezen en te soezen, tot er weer een frisse wind opsteekt en ik toch wel naar binnen wil.

Goed, dan daar verder met lezen, schilderen, zingen en wat doelloos internetten. Tegen het avonduur kook ik weer pasta. Het is, zoals alle andere avonden, zo van het ene op het andere moment donker. De schemer duurt hooguit een kwartiertje. Daarin heb ik wel een paar prachtige foto’s van het dal en de verlichte huisjes gemaakt.

Voor het avondeten bel ik nog even aan bij mijn huiseigenaren. Er brandt licht, maar er wordt niet opengedaan. Via Airbnb communiceer ik met Sylvia. Gek. Dan zie ik Jonathan met de kleine thuiskomen. Hij vraagt me later even terug te komen, als hij hun dochtertje op bed heeft gelegd. Prima. Ik maak avondeten, en met een uurtje loop ik nogmaals naar het huis. De voordeur vinden is wat lastig – het huis heeft vier deuren aan drie kanten, en een bel zit bij geen van alle. Als ik bij een deur aanklop hoor ik Jonathan roepen, en hij komt met z’n dochtertje naar de deur. Het meisje wil nog lang niet slapen. Wandelend door het huis bedank ik hem even voor het verblijf en laat ik weten, dat ik morgen zelf naar het station zal lopen. Ze zijn namelijk beide weg voor werk. Het is prima zo. Ik verlaat het huis weer via de achterdeur, die dicht bij mijn voordeur ligt.

Als de nacht is gevallen ga ik nogmaals met mijn statief naar buiten. Dik ingepakt zet ik me op een kussen op het balkon en maak foto’s met een lange sluitertijd. Orion staat recht in zicht aan de hemel. De maan zorgt voor hinderlijke ruis, maar die kan ik goed buiten beeld houden. Hoe zal dit in de zomer zijn? Ik wil hier zeker terugkomen. Na de laatste foto zit ik nog een tijdje naar de prachtige nachtlucht te staren. Dan vernikkel ik echt, en is de kachel in huis ook redelijk opgebrand tot as.

Ik gooi nieuwe blokken in de kachel, nog voor eventjes, en trek mijn Jacobinus Schwarzbier open. Ik zet me op de bank en lees nog een eind weg in Harry Potter and the Methods of Rationality. De haard gaat, na deze blokken, keurig op tijd uit, en ik ga naar bed.

woensdag

De laatste ochtend breekt aan. Het is rond acht uur als ik mijn bed maar eens uit kom. Vooruitzicht: ongeveer om 14:00 moet ik in Kassel mijn trein hebben. Dat lukt gemakkelijk.

Ik bak mijn laatste eitjes, maak koffie. Terwijl ik mijn ontbijt opeet zit ik nog even aan mijn computer en kijk naar buiten. Wat heerlijk is het hier, en wat ga ik dit stekje missen – nu al. Maar wat zal het mooi zijn als ik terugkom! Terwijl ik het laatste afwasje doe maak ik nog foto’s het heerlijke uitzicht op de vallei vanuit het keukenraam.

Langzaam haal ik mijn rugzak van het bed – check achter het bed – niets – en leg hem op de bank in de woonkamer. Er ontstaat eerst chaos rond de tas, te meer ook omdat ik het idee heb dat alles er toch niet gemakkelijk in terug zal gaan. Niets is minder waar.

Voor mijn reflectiescherm – ongebruikt, helaas – wil ik een betere plek vinden. Ik leg hem in mijn schoenenvak, tegen de onderkant van de tasbodem. Daar past hij precies. Mooi, nu zien hoe de rest niet meer uitkomt.

Gestaag pak ik door, onderwijl alle hoeken van het huis afgaand om te controleren of ik daar niets heb laten liggen. Adapters, tassen, badspullen – alles gaat erin. Als ik de buik van de tas dichtrits, hoef ik nog maar een paar dingen, en dan mijn toilettas. Gemakkelijk, zo.

Ik ben om tien voor elf klaar, trek mijn schoenen aan, en wil de deur uit lopen. Laatste check: lag er niet nog een tube tomatenpasta in de koelkast? Ik zwaai de deur open en vind er tot mijn schrik zelfs een hele pan koude pasta! Ojee, die moet nog op. Voordeel dan maar dat ik ook nog honger had. Ik pak een vork en eet behendig de koude pasta zo uit de pan. Het smaakt goed, en het vult!

Dan was ik de pan en de vork af en zet ook die weer terug in het kastje. Zo, nu geen verstekelingen meer op de halve tube tomatensaus (zeventig cent thuis, mogen ze houden) en het halve pak melk. Dat ik geen half pak melk mee ga sjouwen is uiteraard nicht im Frage.

Eindelijk wandel ik nu het huis uit. De kachel was een uur geleden al tot kooltjes opgebrand, een half mandje hout staat klaar. Dat redt zich wel.

Op het tuinpad klak ik nog met mijn tong, maar Onkel Sven komt niet tevoorschijn. Tot ziens dan maar weer, kat, we zien elkaar vast in de zomer wel weer.

Zodra ik beneden bij de weg ben, trek ik mijn spikes over mijn schoenen. Dat is best even wiebelen met een twaalf kilo aan backpack op je rug. Gelukkig heb ik de staanders van de carport.

Ik ga op weg. Er ligt fris gevallen sneeuw, het is licht zonnig, niet te koud. Ik draag ook mijn thermokleding, dus ik heb al dagen nergens last van. Goed geluimd loop ik naar die Gabelung en dan kies ik het middelste pad, dat naar beneden loopt. Mijn tas is geheel niet zwaar op mijn rug. Ik heb goede grip op de dik besneeuwde paadjes.

Dan kom ik bij het uiteinde van de Mozartstrasse. Daar is zo goed geruimd, dat mijn spikes direct krassen op het asfalt. Uit dan maar, anders slijten ze te hard. Ik loop verder via de Uhlandstrasse naar de Pestalozzistrasse, waar om onbekende redenen niet geruimd is. De spikes maar weer aan dan. Ik ga over op de Schulstrasse en loop zo naar beneden. Het zijn allemaal maar stukjes van vijf minuten elk.

Bij de Edeka sluit ik direct aan in de rij bij de kassa. Het is inmiddels twintig over elf. Ik vraag of ik geld mag wisselen. De kassadame knort en kijkt zuur. ‘Dat kan toch niet! Ik heb hier geen contant geld’ sputtert ze. Ohnee, dit is mijn enige kans. ‘Aber bitte!’ roep ik uit. Daarvoor gaat ze overstag. Ze loopt naar de kassa van het Postamt op de hoek van haar balie, en begint briefjes en munten voor me te zoeken. ‘Wat wil je?’ terwijl ze mij het benodigde kleingeld geeft leg ik haar in bewonderenswaardig Duits goed en snel uit dat ik op de heenweg zwart moest rijden, omdat alle automaten mijn Nederlandse briefjes en EC-Karte niet aannemen. Ik ben verbluft dat, onder stress, dat allemaal er piekfijn uit komt, als ware het een gsprek tussen twee locals.

Ik bedank de vrouw hartelijk, zij gaat weer aan haar werk, en ik ga richting Bahnhof. Of ja, waar ligt dat eigenlijk? Achter het dorp, dacht ik. In mijn strakke wandelplanning, die mij in de tram ziet zitten om tweeënveertig over elf, had ik niet meegenomen dat ik de exacte locatie van het stationnetje niet weet. Maar! Bij mijn wandeling eergisteren kwam ik langs dat paaltje waarop ‘Ortsmitte’ stond. En daarop stond volgens mij ook ‘Tramstation’.

Ik loop naar het paaltje en inderdaad, er is een richtingaanwijzer voor ‘Helsa Bahnhof’. Immer gerade Maus dan maar. Ik stap over de keitjes door het dorp. In het zonnetje vegen mensen hun stoepjes schoon en ze groeten me. Haastig loop ik door, richting het tweedehandswinkeltje. De dorpsstraat splitst zich. Links? Rechts? Te laat zie ik aan de linkerkant een wegmarkering op een paal staan. Ik ga rechts en steek de hoofdweg over.

Dan, aan de overkant, zie ik een bordje tussen twee huizen. ‘Wanderweg 16’ – die gaat naar het Tramstation. Ik glip tussen de huizen door, langs een oude houten watermolen, een steil bruggetje over – en dan sta ik opeens één huis verwijderd van de tram. Ik ben geweldig! Gesterkt door deze vondst loop ik harder door. Ik kan gemakkelijk om het gebouw heen, de straat over, en zo het perronnetje op. 7 minuten voordat de tram vertrekt zit ik erin. Hoe doe ik het toch telkens weer!

Terwijl mijn moeder en zus me driftig appen over mijn reis vertrekken we. Rustig glijden alle besneeuwde voorstadjes weer aan ons voorbij. Jongeren en ouderen stappen in, kwebbelen met elkaar, stappen uit. We bereiken het centrum. Hier moet ik even opletten.

Ik wil namelijk nog naar een specifieke locatie van de Universitätsbibliothek van Kassel. Wat? Heidi, dat ook nog? Ja. Het ligt op de route so why not? Ha, daar is de tramstop ‘Rathaus’. Nee, mis. Ik moet ‘Rathaus – Fünffenster’ hebben. Eentje verder dan. Ik ben toch al een hele vertoning, zo met een joekel van een backpack in deze tram.

Ik zie gelijk waar ik heen moet lopen. Kruispunt over, achter twee huizen… jawel. Daar ligt de Murhardsche Bibliothek – een oud, statig gebouw dat een boel boeken herbergt. Maar! Uiteraard, het staat in de steigers. Daar laat ik me niet door tegenhouden. Volgens de website is het open. Ik loop de trappen op en werk me fluisterzacht door de hoge deuren.

Binnen nog wat trappen op. Er is een ruim open foyer met aan weerszijden lockers. Ik probeer tevergeefs mijn tas erin te zetten. Niet alleen geeft dat een storend gekleng van jewelste, ook zal de bibliothecaresse daar niet heel blij mee zijn. Ik loop dus maar even over naar haar balie en zeg wat ik kom doen.

Gelukkig, ze is gelijk enthousiast. Mijn tas mag in een hoek achter de deur. Ze wijst me aan waar ik allemaal mag komen. Blij stiefel ik weg. Gelijk verzacht ik mijn pas, want de vloeren kraken verschrikkelijk, en mijn bergschoenen zijn nou eenmaal niet de meest elegante. Zal ik teruggaan voor mijn hutsloffen? Nah.

Zachtjes loop ik alle kamers door. Het zijn kamers – met prachtig omlijste hoge ramen, zware fluwelen gordijnen. Aan het plafond ornamenten, en rozetten rond elke lamp. Oh, als ze deze bibliotheek verbouwen, hoop ik dat ze het in stijl doen. Ik blijf met name een tijdje stilstaan in een studiekamer waar langs de wanden allemaal middeleeuwse boeken staan. Kleine, grote. Dingen die ik herken als bijbelboeken, sommige met Hebreeuwse tekens erop. Minutueus bestudeer ik de kaften van deze pareltjes. Ze lijken van wit leer of perkament. Alle boeken staan achter glas uiteraard.

Dan loop ik door, naar de wat gangbaardere ruimtes van de bieb. In een halfronde zaal zitten jongeren te studeren. Ik stoor ze maar niet, al had ik graag even aan die kant uit het raam gekeken. Dan loop ik andere zalen door, vind het trappenhuis, en kijk wat er een verdieping beneden is: niets. Die deur is alleen voor medewerkers. Ik ga dus maar naar boven. Ik raak een beetje verdwaald, maar andere bezoekers wijzen me de weg. Ik kom nog in een portaaltje met houten kaartenbakjes, en een grote zaal boven de ingang, waar helaas tapijt ligt, en ook niet alle kasten lijken te staan. De kasten zijn sowieso van het type rolbaar staal, dus het staat niet heel mooi in deze bibliotheek. Ik hoop echt dat ze het mooi renoveren.

Ondanks de grootte van de bibliotheek heb ik nu toch al alle ruimtes gezien, vrees ik. Ik keer terug naar de hal en maak nog een praatje met de medewerkster. Ze hebben leuke ansichtkaartjes met geschriften uit boeken, en twaalf kaartjes voor alle sterrenbeelden van de dierenriem. Het gekke is dat de Stier volledig bij april hoort, waar hij bij ons tegenwoordig half april, half mei beslaat. Ik moet nog eens opzoeken hoe dat verschoven is.

Zo, rugtas weer op de rug, en lopen maar weer. Het is tien over één. Nog twintig minuutjes met een tram en dan ben ik op Kassel Wilhelmshöhe.

Ik begeef me op straat tussen de buitelende scholieren en kwekkende studentes. Als een zwerm sprinten we het kruispunt over wanneer het licht groen wordt, en ik weet nog net tram vijf te halen, die ook naar bahnhof Wilhelmshöhe gaat.

Hij gaat wel eerst langs het Hauptbahnhof, wat dezelfde bouwstijl heeft, en wat het dus wat verwarrend maakt. We suizen met ons trammetje over het rangeerterrein van het ene station naar het andere. Het is verlaten – we worden gelukkig niet op de hielen gezeten door grote snelle IC’s.

Dan zijn we op mijn eindbestemming. Zo. Nog even wachten op mijn trein, waarbij ik wat presentjes koop. Temeer eigenlijk om in het warme winkeltje te kunnen staan met een reden. Ik vraag bij de reisinfo of ik ook via Dortmund terug mag reizen. De beambte zet een onduidelijke stempel met wat krabbels op mijn ticket en dan mag het kennelijk. Waarom ik dat wil? Minder overstaps…

Maar als ik eenmaal in de trein zit, tussen een gezellig ouder Duits drietal, dan zie ik dat reizen via Dortmund me een uur overstap geeft, plus een half uur latere aankomst. Ja, doei. Ik stap wel twee keer over.

Dat blijft niet leuk, maar je doet tenminste wat. En zo gebeurt het dat ik via Hamm en Münster mijn laatste kilometers per boemeltje afleg. Op Enschede stap ik op de bus naar Deppenbroek, en stap bij huis uit.

Op mijn route kom ik eerst nog bij het huis van buurman Renze, en die viert vandaag zijn verjaardag. Dus daar naar binnen maar, lekker Chinees eten en een fijne avond hebben met mijnTkkrLab-vrienden. Dan tegen negen uur eindelijk huiswaarts… en gelijk mijn bed in.

Het reisje zit er weer op!

donderdag

Het is donderdagochtend, half zes. Ik word vroeger wakker dan normaal, omdat ik weet dat ik nog aardig wat bagage moet inpakken. Mijn kat Meisje ligt niet naast me op bed, dus ik roep haar. Met een fijn getik van haar pootjes komt ze de slaapkamer in en springt naast me op bed.

Ik lees routineus mijn e-mail en favoriete websites, aai Meisje, en stap uit bed. De kattenbak moet schoon, de katjes moeten voer, ik moet ontbijt… en er moeten allerlei klusjes gedaan worden.

Het vervelendste, na alle vaste klusjes, is wel het legen van de groenbak. Dat komt omdat het de laatste weken voor Nederlandse begrippen erg heet is geweest. Het metalen groenbakje staat op het voorbalkon en is elke dag verschrikkelijk warm geworden – een perfecte broeiplek voor vliegen. Ik zal jullie de details besparen, maar het eruit tillen van de vuilniszak verdient echt een aparte studie in de fijne organismen.

Op slippers, in mijn oudste verfkleding, ga ik naar beneden en gooi ik het dubbel verpakte zakje weg. Meestal combineer ik het met de rest-afvalbak, maar daar heb ik nu echt helemaal geen zin in. Daarna spuit ik met de tuinslang het afvalbakje schoon, waarbij ik zelf ook aardig nat word. Zo. Die kan weer mee naar boven, lekker een paar dagen drogen in de zon.

De verpakkingenzak zet ik bij de voordeur, en dan kan het inpakwerk beginnen.

Zoals gewoonlijk heb ik een paklijst opgesteld, maar die voor dit keer ook uitgebreid met kampeer- en hackerspullen. Denk aan een tent en mijn nieuwe veldbed, maar ook kabels, een tang, ijzerdraad en ProtoPlast korrels. Als ik alles ingepakt heb komt het, exclusief tent en toebehoren, op twee plastic kratjes en een paar handen vol losse spullen uit. Dat doet mij de alarmbellen rinkelen dat ik veel te veel meeneem. Ik kan het namelijk niet allemaal zelf dragen. Maar hush: dit is een hackerkamp en we gaan met de auto, die regel mag ik nu laten varen.

Via WhatsApp hoor ik dat ik niet half elf, maar half tien word opgepikt. Oei. Ik moet mijn laptopje en een bestand daarop nog controleren. Ik vraag uitstel tot tien uur en pak haastig door. Shit – mijn laptopje heeft ongemerkt aangestaan vanaf dinsdag. Te laat om op te laden, ik moet vertrekken met 12% batterij. Het bestand is leesbaar, al is mijn werkveld piepklein. Tot overmaat van ramp heb ik onlangs mijn cloud-opslag verkeerde geconfigureerd en stampt die nu bij synchronisatie mijn hele hardeschijf tot de laatse MB vol. Oops… tijd om dingen naar een andere plek op mijn NAS over te hevelen heb ik niet. Dit moet ik op Haxogreen maar fixen. Als de auto met Michiel en Leroy voorrolt kan ik alles net naar beneden sjouwen. Ook uit de berging moeten wat grote zaken mee. Ik laat Michiel alles in de auto puzzelen terwijl ik zelf boven een rondje huis afsluiten doe. Ik aai de poezen beide nog één keer en beloof ze echt met een paar dagen terug te zijn. Opdat het maar niet te warm voor ze wordt.

Met de zak verpakkingsafval uit het raampje bungelend rollen we het park uit. Daar gooi ik de zak weg in de oranje container en kunnen we echt vertrekken. Op naar Haaksbergen om Martijn, onze laatste passagier, op te pikken.

Binnen een half uur zijn we echt onderweg. Met Michiel aan het stuur scheuren we Duitsland in, zuidwaarts. Het wordt langzaam warmer in de auto, die door technische aanpassingen niet meer over werkende airco bezit. Michiel en Leroy voorin hebben ruime zitplaatsen, maar worden gegeseld door de brandende zon. Martijn en ik achterin hebben krap twee derde van de achterbank tot onze beschikking. Gelukkig zijn we niet zo breed.

We jakkeren de Duitse snelwegen af. Tegen de middag gaan we autogas bijvullen. Dat kan niet bij elk tankstation, dus we moeten slim kiezen. Bijkomend voordeel van de schaarsheid van autogas is wel, dat niemand achter ons in de rij staat. We kunnen de auto na het tanken rustig nog even onder de schaduwgevende overkapping laten staan. Ik loop allang in het winkeltje, maar daar is het niet al te veel koeler dan buiten. Martijn wijst slim naar het dak, waar we een provisorisch vastgemaakte waterslang een straal water op de airco zien gutsen. Iets zegt ons dat dat ding niet optimaal werkt vandaag.

Gelukkig kunnen we even naar de wc en kan ik een espresso drinken. Hehe. Ik doe de hele dag al niet veel actiefs en reageer op de meeste gesprekken met een diepgaand ‘uhuh’ omdat met minimale hersenkracht de tijd sneller voorbij lijkt te gaan. Ik klap de laptop even open en doe iets aan mijn (vertaal)werk, maar in een ongemakkelijke houding zitten terwijl je wegsmelt op de achterbank is een enorm slecht plan. De laptop gaat weg, ik ga de komende dagen wel vertalen.

Suf en duf sjezen we door naar onze bestemming. Martijn rijdt vanaf de autostop. Tegen half vijf komen we in het mooie heuvelachtige Dudelange aan. Ik herken het van twee jaar geleden. We laten de volbepakte auto voorzichtig de berg op klimmen naar het scoutingterreintje. Eerst slaan we een paadje te vroeg af en staan voor de voetgangerstoegang. Die is overgroeid met gras en struikjes, dus we zijn zo slim om onze kaarten te herzien en de volgende weg omhoog te pakken.

We mogen met de auto niet meer helemaal het terrein op. Wel mogen we even kort op een hellinkje parkeren en uitladen. Dus doen we dat. Ik kies een plaats uit die goed gelegen is. We passen er net. Ik zal mijn tent tegen het hoger gelegen terras achter de tent van de jongens opzetten. Dan moet er nog een Duitser met zijn slaaptentje naast, en dan is het echt wel vol. We parkeren de auto op het hellinkje, zien hoe hij het met handrem én in de eerste versnelling niet houdt… en zetten hem ietsje lager. Zou toch vervelend zijn geweest als hij tijdens het uitpakken naar beneden was gerold!

Ik zet mijn tent op, de groene Eureka! waar ik al jaren erg content mee ben. Het is mijn kleine kasteeltje voor onderweg geworden. De jongens, vijf in totaal, slapen in de grote opblaasbare Karsten-tent van Michiel. Het is een joekel van een ding, maar dat heeft weer een voordeel: hij verschaft mij in de ochtend een klein tijdje schaduw, en is een goede buffer voor het licht, geluid en feestgedruis rond de maintent.

Dorst nekt me. Ik ben een kameeltje: ik heb het niet gauw warm, heb niet vaak dorst, maar deze dagen begin ik mijn limieten te voelen. Dus sjok ik naar de maintent, en kom erachter dat ik zonder contant geld alleen aan een fles koud water kom. Dan die maar. Tot plots Paul van een ander hackerspace achter me staat, en een lekkere Apfelschorle voor me wil betalen. Graag! De fles water was toch gratis dus die neem ik er ook mooi bij.

Tegen zevenen zijn we geïnstalleerd en gaan we op zoek naar avondeten. Daar is wat discussie over. Zelf koken werd de afgelopen keer niet gewaardeerd, is gezegd. Maar nu we toch onze eigen barbecue mee hebben, en er nog geen andere tent een goed eetvoorstel heeft gedaan, lonkt het toch om even zelf vlees en salade te halen (dit schijnt standaardvoedsel te zijn als je kampeert). Dus voor ik het weet zijn er twee van mijn ploeg terug met tassen vol eten en drinken, en gaan we barbecuën. Prima. Ik eet een hapje mee.

In de avond ben ik erg moe. De lange reis was uitputtend, juist omdat ik mezelf op standje onbenullig had gezet. Ik ben gaar, het is nog warm, ik wil m’n bed in. Maar nieuwsgierigheid naar alle hackers die ik een tijd niet gezien heb houdt me wakker. Ik krijg van Bas een Tschunk aangeboden en meng me in het feestgedruis rond de maintent. Ik spreek met leuke mensen in Duits, Engels en een beetje Frans.

Tegen half één ga ik toch echt slapen. Eens zien hoe mijn nieuwe veldbedje bevalt!

vrijdag

Ik hoor mijn wekkertjes één voor één afgaan. Ik heb heerlijk geslapen, ben uitgerust. Dus alleen de eerste om kwart voor zeven tik ik uit. Om acht uur gaat mijn ‘aankleden!’ wekkertje, om kwart over acht mijn ‘vertrek’ wekkertje. Oké, ik word echt wakker.

Rond half negen begint mijn tent al een aardig oventje te worden, dus ik glip in de eerste de beste combinatie van korte broek en t-shirt die ik vind. Mijn t-shirt met puntmuts is een geweldig ding, en ik ben blij hem te hebben meegenomen, maar tegen de zon is hij echt onpraktisch. Mijn schouders zullen in een mum van tijd verbranden, dus dat shirtje trek ik niet aan. Kijkend naar wat ik dan wél aan shirtjes heb is het wat zielig: mijn blauwe Haxogreen-shirt van twee jaar terug is ronduit zweterig van gisteren. Mijn nieuw verkregen zwarte Haxogreen-shirtje wil ik ook niet gelijk aan (lijkt alsof je niks mee hebt genomen). En dan blijft er over… ja niks. Twee merinowollen truien ‘voor als het ’s avonds koud wordt’ en een knalgele navelsweater (ja het bestaat) waar ik zelf ‘CYBER’ op heb gekalkt.

In de maintent, na het tandenpoetsen en opfrissen, vind ik de oplossing. Terwijl ik mijn ontbijt zit op te kauwen zie ik dat er een tafel vol ‘gratis free stuff’ is, met ook twee aardige t-shirtjes in de maat medium. Die gaan mee!
Ik haal een kopje koffie bij de HackSaar tent, maar kom een beetje bedrogen uit. Ze hebben een tweederangs Senseomachine bij zich… maargoed, de koffiepads zijn gratis! en nadat ik het bakje troebel water heb opgeslurpt, is Martijn wakker en zegt hij toe échte koffie te gaan zetten in zijn reusachtige mokacafé. Gelukkig.

Nippend aan die bak sterke koffie komt het besef tot me, dat kamperen bij dit buitengewoon hete weer eigenlijk een slechtere keus is dan thuiszitten bij dit weer. Ik bedoel: in Nederland is het nu dagenlang 30 graden. Maar daar bewoon ik een stenen huis, dat ik met wat slim luchten koel houd op 25 graden. Hier, in Luxemburg, is het even heet – maar zit ik in een nylon tent die 12 uur per dag midden in de zon staat. Geen isolatie, geen schaduw.

Berustend in mijn lot haal ik mijn laptopje op uit mijn groene oventje, pak stroomkabel en muis erbij, en ga in de maintent aan een tafel zitten. De maintent staat grotendeels in de schaduw en waait redelijk door. Ik kan het hier wel een paar uur uithouden. Bijkomend voordeel is dat je omringd wordt door alle andere Haxogreeners.

Nee, er gebeurt niet veel. Ik leen geld van Dave opdat ik meer drankjes dan alleen water kan halen. Tussen wc, laptop en bar kom je aan de praat met iedereen. Belgisch, Nederlands, Engels of Duits, iedereen heeft een verhaal, en met wat geluk ook leuke projecten om te laten zien.

Tegen het eind van de middag wordt de hitte me te veel. Ik zoek mijn witte badpak op en pak een blauw shirtje om mijn schouders bedekt te houden tegen de zon. Merk op dat ik er in deze combinatie uitzie als een smurf in een luier. Ik wandel daarom maar benedenlangs naar het zwembadje toe. Zo, ik zet me in het koele water. Er drijft een dobber met chloortabletten in, een pomp zorgt voor de minimale verversing van het water. Zo hangen we en praten we weer in allerlei talen door elkaar over onze afkomst. Het leuke is (vind ik) dat die gesprekken ook al gauw over linguïstiek gaan. Het badwater koelt echt heerlijk af, ik snap dat mensen met gemak een verschrikkelijk hete dag in een zwembad kunnen doorbrengen tot de schemer valt. Je kan er niks – niet met electronica, niet met papieren boeken, want je bent omgeven door water – maar het koelt wel zo af, dat het gerust smoorheet mag zijn.

Zodra het een tijdje lang betrokken is stap ik uit het water. Tot mijn verbazing heb ik het gelijk koud. Michiel ook. Ik ga douchen. Zodra de zon weer achter de wolken vandaankomt is het ook gelijk weer smerig warm.

Als de schemer valt wordt het gelukkig wat draaglijker op het terrein. Wat eten we vanavond? Een paar mensen willen pizza’s laten bezorgen vanuit het dorp. Een paar anderen, waaronder ik, willen daar wel even heen lopen. Goed, dan lopen we er met z’n allen heen. Het is echt maar een kilometer heuvelaf, dat is wel fijn. De eerste de beste pizzeria aan de straat schieten we in. Wat verlaten staan we binnen in het airco-koele stijlloze restaurantje.

Een meisje van de bediening merkt ons op en troont ons mee naar achteren, waar nog een heel ander restaurant blijkt te zitten. ‘En de prijzen zijn zojuist verdubbeld’ grinnik ik Michiel toe. We mogen buiten zitten onder een overkapping. Voor amusement wordt gezorgd door een enorm grote projectie-TV achter ons. De projectie-TV was de voorloper op de grote flatscreens en plasmaschermen. Deze bij onze tafel is ongeveer 49 inch. Hij geeft niet bijzonder veel licht, maar wel leuk geluid: er staat een non-stop hitzender met muziek uit de jaren ’90 op. Ik swing vergenoegd mee met alle oudjes zoals Snap, Dr. Alban, Vaya Con Dios, en Toto. Als de kastelein de gemiddelde leeftijd van ons zestal inschat, verandert de muziek langzaam naar de hits van deze tijd. Hè, jammer.

De kastelein – een oudere, knokige man met een enorme zwarte bril – merkt op dat ik de enige ben die Frans kan. Dat doet hem genoegen. Enthousiast legt hij aan mij de kaart uit, in verwachting dat ik het de rest wel uit zal leggen. Ik volg zijn snelle Frans redelijk goed, met een verduidelijking hier en daar. De jongens zitten me met klapperende oren aan te horen, terwijl we over specialiteiten als zalm, linguine alla vongole, en koteletten praten.

Als hij wegloopt kijken de jongens me aan. ‘Wat heb je nou voor ons besteld?’ ‘Heb je Leroy verkocht?’ grijnzend vertel ik ze de drie extra specialiteiten op de kaart, en overweeg zelf de pasta te bestellen. In een pizza heb ik niet zo veel trek. Zo gezegd zo gedaan. Als ik terugkom richt de kastelein het woord weer aan mij en neemt hij de bestelling op. Hij kan ook wel wat Engels, gelukkig. Ik neem de pasta.

Al gauw brengt hij voor mij een kommetje, en een keurig verpakt doekje om mijn handen mee schoon te maken. Ik twijfel. Ik kreeg toch pasta? Te zien aan het bestek – een vork en een lepel – is dat ook zo. Linguine eet je prima met dat gereedschap. Maar dat kommetje? Wat betekende vongole ook alweer? Ik wil me niet laten kennen en blijf braaf aan tafel zitten zonder te Googlen. Vooraf krijgen we een bordje met twee bolletjes visprakje, wat duidelijk heel, heel snel op moet voordat het over datum raakt. Goed hoor.

Als alles is opgediend, blijkt mijn gerecht helemaal niet zo gek, voor een restaurant dat faam maakt met visgerechten: alla vongole betekent met schelpen. Hèhè. Blij wip ik de schelpjes open en slurp de inhoud eruit (trivia: wie vond uit dat je dit kon eten en wat bezielde hem toen hij de eerste maal dit deed!?). Daarbij eet ik de lekkere pasta. Heerlijk. De mondbrand die ontstaat door twee tactisch verstopte pepertjes stil ik met mijn bier.

Na het eten, waarbij ik nog netjes de fooi aanvul, want de bediening was keurig – splitsen we ons op en gaat een deel van de groep even pinnen. Bijna haken we af bij de ING in het dorp, want de deuren zitten dicht. Gelukkig weet ik dat je dikwijls gewoon een knopje hebt om in een voorportaaltje bij de pinautomaat te kunnen. Zo ook hier. Anders hadden we nog bij de Sparkasse buiten kunnen pinnen – met als leuke detail dat de naam in het Luxemburgs ‘Spuerkeess’ is. Ik word best blij van Luxemburgs.

’s Avonds blijft het nog lang warm. We hangen voor de tenten, bij de Nederlandse enclave aan de overkant. Die hebben dan weer vrij uitzicht op onze buren: een delegatie van Warpzone. Nou moet gezegd worden dat Warpzone, onze buurtjes in Münster, een prima hackerspace met echte hackers is. Echter, het groepje dat hier op Haxogreen kampement houdt, heeft duidelijk wat aparte sociale voorkeuren. Ik keur niets af, maar heb – en met mij heel wat anderen – af en toe best wel met opgetrokken wenkbrauwen zitten kijken. De Warpzoners hebben een vierkante tent, die van de voorkant open is. Heel mooi, want ze hebben twee slush-apparaten opgesteld. Daarover misschien nog meer. Maar de rest van de tent is nagenoeg alleen bezet door een paar grote luxe luchtbedden, en op de achterwand worden doorlopend videofilmpjes van schattige otters geprojecteerd. Het is niet alleen daarom, dat de jongens al gauw ‘de otters’ worden genoemd. Hun gedrag krijgt al snel de term ‘otteren’. Kijk je op een willekeurig moment op de dag de tent in, dan kun je van het luchtbed 2, 3, soms wel 4 paar jongensbenen en -armen zien uitsteken. De combinatie van jongens is telkens wisselend, maar waar één of meer Warpzoners bij elkaar zijn, wordt er heftig geknuffeld en innig over elkaar heen gerold. Het is geen stoeien. Ja. En het is, als je er niet al te veel door verbaasd bent, best een aandoenlijke aanblik. Er wordt af afgeaaid, gelebberd, en met handen overal hier en daar gezeten. Kleding gaat niet uit, maar er is desondanks genoeg te zien. De otterboys trekken zich er duidelijk niks van aan, maar het begint wel een dingetje te worden. Voorbijgangers besteden er simpelweg maar zo weinig mogelijk aandacht aan – of ze nu een vaatje slushie tappen, driftig zitten te solderen (want ja, dat doen de boys ook daar), of in gesprek met elkaar zijn. Het is wat aparts, op een hackerkamp.

Die avond is ook de maansverduistering te zien. Je merkt het aan de groepjes Haxogreeners die, zo na tienen, samenscholen en allemaal richting het zuiden kijken – een enkeling met een betoeterde camera en statief. Er wordt gepraat, gewezen, en… gegaapt. Want de maan, zoals gezegd bloedrood, wordt verhuld door flarden wolken. Het is geen optimaal zicht. Ik laat mijn DSLR daarom in mijn tent, want ik heb alleen mijn 50mm lens bij me. Daarmee kun je de maan als een postzegeltje op een ansichtkaart krijgen, en met de bijkomende bewolking zie je gewoon praktisch niks. Dus ik ga niet lopen showen met mijn spullen, ik kijk gewoon liever. Omdat het gezelschap op het terrein me niet bevalt, loop ik om de camping heen naar een hoger gelegen punt boven aan de weg. Daar staan nog wat vrienden en onbekenden. Ee kijken hoe de wolken wegtrekken en de maan, waterig en perzikkleurig, langzaam weer zichtbaar wordt. Al met al is het een aardige aanblik. Ik merk op dat het zicht op oostelijk Dudelange vanaf hier wel erg mooi is. Daarom haal ik, als iedereen weg is, toch nog mijn camera en statief. Inmiddels heb ik wel een Tschunk achter de kiezen, dus heel recht fotografeer ik niet meer. Inderdaad, de maan is een zielig vlekje in mijn zoeker. Die laat ik links liggen. Ik fotografeer de lichtjes van de stad.

Even zit ik stil op het rotsblok, en staar lang naar de maan. Mag je op zo’n mooie avond wensen? Om iets, om …iemand? Ik schud mijn hoofd en loop terug naar mijn tent. Slapen maar.

zaterdag

Wederom een lekkere, warme nacht. Als mijn nachten in een tent altijd zo waren, hoefde ik nooit al die isoleermatjes en dekentjes mee te nemen. Dat is nu al jaren een ding, maar desondanks kampeer ik nog graag. De extra isolatieuitrusting die ik dit jaar heb meegenomen, is echter nog niet heel erg van pas gekomen. Het is simpelweg ’s nachts te warm. Na één nacht in mijn merinotrui heb ik zelfs in een t-shirtje geslapen. Dit mag in de krant, mensen.

Als tegen zevenen mijn wekkertjes gaan, hoor ik gespetter op de tent. Lichte regen. Wat is dat fijn! Ook al kan ik niet direct naar buiten kijken, het lijkt bewolkt. De regen houdt de tent ook koel. Tevreden draai ik me weer om en luister naar het geroffel op het doek. Als ik er nu uit moet, trek ik wel even mijn regenjasje aan… met die gedachte soes ik weer weg. Twee uur later word ik echt wakker. Alle sporen van de regen zijn alweer opgedroogd.

Ik wandel weer rustig richting de keurig schone frisse toiletten, maak me enigszins toonbaar, en ga in de rij staan voor het ontbijtje in de maintent. Vandaag staat er een jongen in enkel korte broek voor me. Omdat hij niet opschiet ga ik hem voorbij, en hij daarna mij weer. We raken aan de praat over talen en dialecten, en ik noem de serie ”Allo ‘Allo’. Ik kijk nogmaals naar de jongen. Nee. Hij is te jong, hij kent het niet.

Hij komt bij ons aan tafel zitten, Martijn biedt weer aan om koffie te maken, en zo bevinden we ons een paar minuten later op het midden van het veld, in de brandende zon. We zetten ons in stoeltjes, met onze nieuwe gast in ons midden, en wachten op het gepruttel van de koffiepot. De gast heet Hugo en ik praat een mix van Engels en Frans met hem. Hij blijkt ook te balfolken, en kent typisch al die bals in de Benelux waar ik gewoon nooit heen ga (en zal gaan). Na een goede bak koffie en leuke gesprekken sta ik op om wat anders te gaan doen. Hugo laat ik achter, in verwachting dat mijn groepsgenoten (het aantal is gemaximaliseerd naar 5) de conversatie met hem wel zullen voortzetten. Dat mislukt. Als ik terug ben uit mijn tent blijkt iedereen Nederlands te praten, en is Hugo maar weggelopen omdat hij er geen snars van verstond. Dat vind ik nou best wel jammer…

Daarom loop ik hem even achterna, en ga bij zijn tentje staan praten, een terras hoger. Mijn groepsgenoten kijken veelbetekenend naar me. Oh oh, dit gaat mee in onze Goede Hackers, Slechte Hackers-soap.

Ik ga een tijdje in de maintent zitten werken aan mijn vertaling, die eigenlijk veel en veel te groot is voor het bedrag dat hij oplevert. Maargoed, laat dat dan een les zijn. Ik zit naast onbekende hackers, naast wie je prima even je laptop (wel gelockt) achter kunt laten als je naar de wc gaat. Echt, zo werkt dat hier. Ik maak me geen moment druk.

Bas en ik willen nog wel samen gaan wandelen, maar het komt er telkens niet van. Ik zie een appje van hem te laat, en hij is al onderweg. Gelukkig start er niet lang daarna een half georganiseerde tour over het mijngebied, geleid door één van de organisators. In zijn beste Engels legt hij ons uit hoe hier de ijzermijnen werkten, en waar nog restanten van de ijzerwinning te zien zijn. In een aardige groep van zo’n 15 man wandelen we mee, achter de camping langs, het heuvelgebied in. Hier heb ik twee jaar geleden ook al met Bas gewandeld, toen een beetje op de bonnefooi. Maar juist doordat we toen zo zoekende waren, ken ik nu de verschillende paadjes en landmarks nog goed. Wil degene die mij ‘het navigatievermogen van een zeepaardje’ toedichtte, even zijn hand opsteken? 😉

We wandelen eerst een stuk onderlangs de afgraving in. Ik schiet wat foto’s, want ik heb mijn DSLR dit keer meegenomen. Ook heb ik een lange broek aan en mijn stevige bergschoenen – eigenlijk twee acessoires die ik puur mee heb genomen voor de wandelingen hier boven op de berg. Ze komen nu goed van pas, want we lopen stevig door over rotsige paden en banen ons een weg door het hoge gras vol distels. De wandelaars die mee zijn op hakjes, op teenslippers, en met blote benen, hoor je af en toe een gilletje slaken.

Aan het einde van de vallei besluit onze gids dat we hier steil omhoog kunnen. En steil is het! Terwijl hij nog wat uitlegt, gaan een paar fanatiekelingen hem vast voor. Het wordt echt klauteren naar boven, waarbij sommigen best hard naar beneden roetsjen omdat het kruimelige pad onder hen wegbrokkelt. Misschien is mijn inschatting van de klim door al die ongeoefende klimmers wat verkeerd, en ga ik aanvankelijk heel behoedzaam naar boven. Dat blijkt  niet erg nodig; het pad is stabiel, de klimmers zijn gewoon ongetraind en hebben hun voeten op de verkeerde plaatsen neergezet. Ik zigzag wat om anderen heen en sta dan ook boven op de berg. Met camera en telefoon maak ik wat kiekjes en selfies van het prachtig uitgestrekte landschap hierboven. Je kunt het kampeerterrein niet zien liggen, maar Dudelange wel. In de verte links zien we windmolens – in Duitsland, wordt gezegd. In de verte links zien we de goudgele heuvel met strorollen, en hoog bovenop de rood-witte ‘RTL-mast’ waar we twee jaar geleden nog omheen hebben gewandeld. Fantastisch.

Nu is het vanaf hier vlak, en daar zijn veel mensen wel blij mee. We gaan op zoek naar de laatste achtergelaten mijnkar, zegt de gids. Die is bewust achtergelaten als herinnering aan een lange tijd van ijzerertswinning. Na een paar meter komen we al bij de eerste grote kegel ‘slack’, een restproduct, die halverwege de heuvel is gestort, en daar is blijven liggen. Iets zegt me dat we inderdaad hier op de heuvel lopen, waar ik met Bas lang geleden tegenaan keek. De zon staat goed, de heuvel heeft precies de juiste vorm… jawel. Daar staat de laatste wagon. Onze ploeg stuift eropaf en volwassenen en kinderen beklimmen het enorme ijzeren vehikel. Het is eigenlijk gewoon een joekel van een trommel, opgehangen in twee vorken, op een platte treinwagon. Aan één zijde zit een stookcabine, opdat de ijzererts tijdens het rijden op temperatuur (en dus vloeibaar) gehouden kon worden.

Na wat uitleg en diverse kiekjes lopen we verder. Ik weet dat we nu bij het kleine, later gemaakte spoorbruggetje gaan komen. De gids vertelt dat hier vroeger helemaal spoor lag, tot in het centrum van Dudelange. Op de plek waar nu de grote Match-supermarkt staat, stond toen de ijzerfabriek. Er lagen twee sporen naartoe, omdat er natuurlijk dagelijks een doorlopende af- en aanvoer was. Maar, dat alles is verleden tijd. De sporen zijn weggehaald, de routes waarover ze liepen, overgroeid. We volgen het pad door het bos tot aan het bruggetje. Weer stuiven mensen erop. Ik loop er voor de verrassing eens onderdoor, en daarmee blijk ik geluk te hebben. Als ik omhoog kijk zie ik mensen kermend wegsprinten, van de brug af. Reden: aan weerszijden zitten bijennesten, en diverse mensen worden in hun onderbenen gestoken. Phew, dans ontsprongen.

We lopen verder, en aangezien niemand (aahh) het verhaal in het dorp echt wil gaan bekijken, gaan we gezamenlijk terug naar de camping.

Een bijkomende reden daarvoor is, dat de sushiworkshop zal beginnen (in een uur, beste mensen, maar ik zeg maar niks). Ik kleed me nog even om naar iets warmers, en wanneer ik nog even naar de wc wil lopen word ik al driftig naar de tafel met sushi-pupillen gemaand. Ondanks de inschrijflimiet van 20 personen zitten we toch echt met bijna het dubbele aan de tafels. Workshopleidster Tatiana is zo te zien blij, maar ook wat overdonderd door de opkomst. Snel maakt ze twee potten vol rijst en we kunnen beginnen.

Aangezien ik de workshop twee jaar geleden ook al heb gevolgd, en de tactiek verbluffend snel bij me terugkomt, besluit ik dit jaar gewoon rustig wat groenten te snijden en verder gewoon lekker alles op te eten. Dat lukt goed! Ik produceer wat reepjes paprika en leg me daarna toe op het proeven van alle schijfjes maki. Dat lijkt ook wel het enige type sushi dat dit jaar gemaakt wordt. Ik trek er een pilsje bij open en de avond is compleet. Snaaiend van de bereide rolletjes, de surimisticks en reepjes zalm, komt mijn buik langzaam vol. Ik wacht niet meer op de tweede batch rijst, ik ga weer (met een nieuw biertje) bij de tent hangen.

Daar blijkt ons hackersgroepje gezellig bijeen te zitten, vergezeld door een gezellige Nederlandse hackster uit een andere ploeg. We blijken beiden lang geleden naar Megabit te zijn geweest, en dat schept een band! We praten heel wat af over de tijd van toen, de lanparties, de netwerkkwaliteit, de typische quirks van als vrouw tussen de honderden mannen zitten. Langzaam wordt het donker. De sushiworkshop is achter ons opgeruimd. Ik ga nu echt wat warmers aantrekken, want vanavond is het kouder dan voorheen. Dat merk je. Met een ongeziene merinolegging onder, en een lang merinovest over mijn kleren begeef ik me naar de bar voor mijn eerste Tschunk die avond. Maar oh! De bar is nog niet open!

Ik zet me daarom maar op de bank met een langharige Duitser met een vrolijke lach. Michiel komt aan de andere kant ernaast zitten. Na een tijdje lullen over werk en programmeren heb ik het wel weer gezien, het wordt donker en zeker tien mensen heb ik al bij de bar zien weglopen met een heerlijk glas Tschunk. Ik wil ook, en bovendien ben ik op zoek naar ander gezelschap. Het is tenslotte zaterdagavond en er zijn mannen in overvloed. Hoppa.

Met mijn kersvers vergaarde Tschunk loop ik een willekeurige Duitse tent in tussen die van ons en de otters. Dit is de tent met veruit de meest imposante muziekinstallatie. Door de dagen heen hebben mensen een eveneens zo imposante connectie opgezet, opdat er via een shared playlist mensen zelf muziek kunnen afspelen en toevoegen op deze zeer centraal gelegen speakers. Ik moet zeggen, ik heb niet veel slechts gehoord dit weekend. Een jongen genaamd Nicholas, met wie ik al eerder in het zwembad zat te praten over Wacken Open Air, draait nu zijn playlist. En jawel, ik herken Nightwish! Hij heeft wat leuke nummers, en als vanzelf gaan we meezingen. Doordat ik al wat alcohol op heb ben ik niet zo geneigd hem bijzonder veel te vragen over zijn achtergrond in zingen. Hij zingt in een koor, en dat is fijn om te horen. Samen zingen we wat nummers van Nightwish mee, midden op het veld. Ik krijg het compliment dat ik bij Nemo ‘die ene acapella noot gewoon loepzuiver inzette en aanhield’ – van zijn tentgenoot. Kijk, dat vind ik complimenten!

Als er weer te veel onbekende muziek op komt ga ik weer een tentje verder. Een tweede Tschunk wil ik eigenlijk niet, want ik hoef geen hangover. Dus pols ik Hugo even. Hij blijkt in de maintent te zitten, alwaar hij met twee vrienden driftig aan een badge voor een opkomend event programmeert. Okee. In een keer ben ik weer nuchter. Ik bedoel, gezellig bij hem zitten wil ik nu wel, maar hij doet duidelijk niet aan het feestje buiten mee. Dus zet ik de knop om, haal ik ook mijn laptop, en ga ik maar vertalingen zitten hakken.

Het wordt niet erg gezellig op die manier, en ik word met name alleen maar slaperiger. Dus zeg ik de boys goedenacht en zoek mijn tentje op. Morgen maar weer eens echt wat nuttigs doen, zoals naar de braderie in het dorp gaan, en mijn eenhoorn-hoorn en -staart aan mijn tent bevestigen…

zondag

Op zondagochtend slaap ik met genoegen een beetje uit. Het enige dat me van mijn veldbed krijgt, is de gedachte dat het ontbijt weldra vergeven zal zijn. Daarom werk ik me maar overeind en maak me klaar om naar buiten te gaan. Door het doek hoor ik de Duitsers links en rechts naast me praten. Ik sta namelijk ingebouwd tussen een shelter en een partytent, en in beide zitten delegaties van onze oosterburen al vroeg te kletsen. Ik vind het wel leuk.

Ik doe weer een rondje wasbak, pak ontbijt. Martijn en Leroy zijn nog niet uit de veren, dus ik haal koffie bij HackSaar. Ik word vriendelijk begroet terwijl ik naar de Senseo achterin de tent loop. Het apparaatje staat er troosteloos bij. Ik moet eerst alle bakjes leeggooien, daarna overstroomt mijn kopje ook nog eens. Ik ruim alles op en ga weer in de maintent zitten eten.

Dan is het tijd om mijn boeltje te pakken en richting dorp te gaan. Er is namelijk twee dagen lang braderie. Ik app de jongens dat ik beneden ben, en dat ze me moeten appen als er iets is. Het is tien minuten lopen naar het dorp, ik verwacht geen onrust. Uit voorzorg neem ik wel de rugtas van mijn veldbedje mee. Je zult maar net iets heel gaafs tegenkomen. Als het in de tas past, past het zeker nog wel ergens in de auto.

Zo loop ik het terrein af, het eerste onverharde pad links in. Al gauw bevind ik me in een tunnel van struiken. Links ontstijgt de achtertuin van het scoutinggebouw me. Rechts zie ik door het dichte struikgewas aangrenzende tuinen van de huizen verderop aan de straat. Al gauw bereik ik het einde van het overgroeide tunneltje en sta ik bovenaan een zijstraat van het dorp. Ik wandel naar het centrum, maak foto’s, let meer op de straatnamen en de omgeving dan ik deed, toen ik met de jongens liep. Ik voel me zowaar een beetje meer ‘Heidi de reiziger’ als op de reizen, waar ik helemaal alleen ben.

De braderie in het dorp is niet moeilijk te vinden. Het centrum is een stuk afgesloten met dranghekken. Ik beland er midden in. Daarom ga ik links, en volg het voetgangersgebied. Het is een markt; niet echt iets bijzonders. Het wemelt er van de kledingkraampjes met gebloemde jurken, harembroeken, oude-damesshirtjes en schoenen van namaakleer. Die hebben we thuis ook wel. Wat me wel bekoort zijn de standjes met hapjes, waar je netjes overal iets aangereikt krijgt. Ik eet het met smaak op.

Dan zie ik de Zeeman. Ja, Luxemburg heeft dus ook al de Zeeman! Wat een fantastische winkel is het toch, ik ga me er ook niet voor schamen. Met een aanbod dat net de pulp van de Action overstijgt vind ik toch altijd weer iets aparts daar, of het nou in Nederland of in het buitenland is. Nieuwsgierig stap ik naar binnen en loop meteen naar de huisraad. Inderdaad, ze hebben verrassende snuisterijen. Ik neus rond, pak hier en daar wat, vind zelfs wat voor Yvo; ik weet niet of hij het al heeft, maar het kost amper wat, dus het gaat mee. Voor de katten vind ik zowaar een juten matje, veertig centimeter in doorsnee, dat precies lijkt op mijn dure nieuwe tapijt. Het gaat mee. Ik sluit de shoppingspree af met de aankoop van een stijlvolle, spotgoedkope witte zonnehoed, en troon naar de kassa. De conversatie gaat gemakkelijk. Het Frans gaat me nog niet zo slecht af.

Met mijn tasje volgeladen wandel ik met hernieuwde blik de markt op. Zo. Ik heb mijn slag geslagen. Nu nog even neuzen hier en daar en ik ga weer terug naar het kampeerterrein.

Het blijkt, dat ik eigenlijk vrij aan het begin van de markt erin stapte, dus na de hele route terug is er niet zo veel nieuws meer. Ik zoek op mijn telefoon even een brievenbus op. Dat lijkt lastig, maar waar kun je die beter vinden dan bij het postkantoor? Terwijl ik dat opzoek, rollen er WhatsAppjes van vrienden in Nederland binnen. Er is iemand op zijn teentjes getrapt door een voorval van drie jaar geleden, en ik moet het emotionele brandje blussen. Ik zet me op een bankje op het plein voor het Hôtel de Ville, alwaar ik bijna gelijk door een man weer opgejaagd word. ‘Mademoiselle! De bus gaat niet hier! Dit is niet de busstop! De bus gaat niet hier!’ ‘Nee oké’, stel ik de man gerust, ‘ik wil gewoon op een bankje zitten, geen nood’. De man druipt af, blij dat hij de mensheid weer voor groot onheil behoed heeft. Ik pak mijn toestel er weer bij en ga even rustig in gesprek met de gepikeerde vriend. ‘Ik word nooit serieus genomen’ flapt hij er uiteindelijk uit. Hèhè. Zeg dat dan gewoon. Enfin, ik heb geen zin om daar nu hier op in te gaan. Ik doe mijn telefoon weer weg en wandel de twee straten naar het postkantoor. Daar post ik de ansichtkaart aan mijn oma. Zo. En route, terug naar het kampeerterrein.

Terug bij de tent is er een hoop veranderd. Her en der zijn slaaptentjes zijn ingepakt. De maintent staat er wat bedremmeld bij met al zijn flappen omhoog. Mensen lopen driftig heen en weer. Ah ja, het is de laatste dag…

Ik begeef me naar de maintent voor een fles drinken. Daar zit Hugo met twee vrienden. Hij kijkt blij op als hij me ziet. Dat kan ik niet weerstaan, dus na het kopen van een flesje drinken zet ik me naast hem op de bank. Hij is nog steeds druk bezig met het aanzwengelen van prototypes van zijn badge. Ze zien er allemaal nog niet uit zoals ze eruit móeten zien – een witte wolfskop met als ogen twee cijferdisplays. ‘Daarmee kun je straks zien hoeveel mensen er om je heen zijn’ legt hij me enthousiast uit. ‘Oh’. Kun je dat niet gewoon zien dan, denk ik. Dus ik formuleer het als een grapje. ‘Dus als je in een tent naast het doek staat, en de teller geeft vijftig aan, dan… weet je dus dat er naast je buiten die tent heel veel mensen op een kluitje staan?’ Hij kijkt me even aan. ‘Euh, ja.’ Beats me, maar ik zie er het nut nog niet van in.

Een vriend van Hugo wandelt rond met één van de badges aan een powerbank. Hij hangt hem een eindje weg op om te zien of de badges elkaar nog binnen bereik detecteren. Dat lijkt te lukken. Hugo komt USB-poorten tekort om al zijn prototype badges mee van stroom te voorzien, dus kijkt hij mij tot mijn genoegen eens lief aan. Of ik alsjeblieft mijn laptop wil pakken…? Ik kan op die blik geen nee zeggen, dus haal ik mijn laptop uit mijn slaaptent op. Ik installeer me bij de rest en voorzie Hugo van twee extra stroombronnen. Ik kan zelf geen plekje in het stekkerblok krijgen, dus wil ik mijn laptop niet te lang aan houden. Ik moet hem in de auto terug nog gebruiken voor die verschrikkelijke vertaling, en liefst niet weer met twaalf procent batterij.

Dan verzint Hugo wat slims. Althans, dat denkt hij. Hij prikt alle badges in serie op een breadboard, en voorziet dat van stroom. Ik geef hem draadjes aan en prik lustig mee. Als we twee bordjes met elk drie badges hebben liggen ontdekken we een probleem: niet alleen zitten de pootjes muurvast in de gaatjes, ook krijgen de achterste twee badges niet genoeg stroom om goed te reageren. Zuchtend frunnikt Hugo dan maar weer alle badges los uit de bordjes, zonder de pootjes kapot te maken.

Wordt vervolgd…

vrijdag

Yvo heeft me geappt, dat hij voor twaalven kan vertrekken. Dat stelt me natuurlijk iets teleur, want ik ben een vroege vogel die op een reis naar de Alpen al met genoegen om zes uur al in de trein zit. Maar, Yvo heeft een bepaalde gereserveerdheid, waar ik mij door de jaren dat we elkaar kennen, in heb aangepast. Een zekere rust ook. Ik zet de klok op elf uur en pak gemoedelijk in. Natuurlijk heb ik ook voor een kort tripje als dit een paklijst. Die volg ik op de voet, alles afstrepend wat ik op het bed klaarleg. Wat het bed weer verlaat krijgt een uitroeptekentje.

Ik ruim het huis op, voer de katten, app wat met Yvo. Krijg van theatersportvereniging Pro Deo allemaal vragen die ik links en rechts delegeer. Om kwart voor elf ben ik helemaal klaar. ‘Ik was om 9 uur al klaar’ appt Yvo me terug. Goed! Dat weet ik dus voor de volgende keer.

Mijn bagage bestaat vandaag uit 3 tassen: mijn vaste trekkingrugzak, een rugzak met spelletjes en eten, en een tas met mijn veldbed. Of ik dat laatste ga gebruiken weet ik niet; dat hangt af van hoe gemakkelijk het bed in de woonkamer dagelijks in- en uit te klappen is. Yvo slaapt in de slaapkamer.

Yvo rolt de auto voor (makkelijk, hij stond dichter bij mijn huis, dan bij het zijne) en we leggen de tassen achterin. Voor dit tripje heeft Yvo de auto van zijn vader te leen gekregen. Een robuuste Mercedes stationwagon, die lekker geruisloos over de Duitse snelwegen kan zoeven.

De trip verloopt spoedig. We kletsen wat af en bereiken weldra Dortmund. Wat me opvalt is dat de route ernaartoe niet veel verschilt van die van de trein. Er is geen brede snelweg; er is een typische Duitse autobaan met op- en afritten en een gedeelde derde baan in het midden. Van tijd tot tijd moet iedereen op zijn helft invoegen, omdat dan de tegenliggers vanaf daar een dubbele baan hebben. Al met al zorgt dat dat je een beetje behoudend blijft rijden.

Vanaf Dortmund hebben we wél een echte snelweg, om zo maar te zeggen. Met echte Staus, natuurlijk. Kilometerslange wegopbrekingen, soms met ernstig smalle betonnen sluizen waar je maar doorheen jakkert. Bijna geplet worden door gezellig links rijdende vrachtwagens is de orde van de dag. Gelukkig laat Yvo zich niet gek maken en rollen we lekker door.

Als we Kassel naderen, tegen tweeën, overkomt ons opeens een klein ongemak: de motorkap springt open. Een heel klein stukje maar, maar met 120 kilometer per uur willen we natuurlijk niet dat het ding opeens verticaal in ons gezicht klapt. Dus we sturen de auto braaf naar de vluchtstrook en Yvo wringt zich uit de auto – daarbij een laderkabeltje meepakkend, waarin hij verstrikt raakt, en een ongemakkelijk dansje moet doen terwijl de vrachtwagens langs hem heen scheren en ik de laderkabel binnenhaal. Gelukkig kan hij eenvoudig de motorkap dichtdrukken en kunnen we weer verder. Wel wordt er even een notitie naar zijn vader gestuurd.

Enkele tientallen kilometers verder, op een rondweg om Kassel, begint het te regenen. We praten wat, en voordat ik het doorheb stuurt Yvo de auto abrupt weer naar de vluchtstrook. Hij wijst op de enkele ruitenwisser, die midden op de ruit stilstaat. Regen gutst al gauw overal en vertroebelt ons zicht. We staan stil. Weer stapt Yvo uit de auto; ditmaal weet ik net op tijd het laderkabeltje weg te pakken. Yvo beweegt de ruitenwisser: dat gaat. Hij probeert het nog eens vanuit de auto: dat werkt niet. We staan stil.

Terwijl de regen over de ruiten stroomt, appt Yvo zijn vader. Wist hij al dat de ruitenwisser stuk was? ‘Ja’ luidt het antwoord van de thuisbasis. ‘Achterin ligt ook al een nieuwe ruitenwissermotor.’ Ik weet niet of ik blij of triest moet zijn met dit nieuws. Op de achterbank ligt inderdaad een simpel rood-wit doosje dat mij nog niet eerder opgevallen was. Daar staan we dan.

Yvo start de motor weer en rolt de auto rustig aan naar de volgende afrit, die gelukkig net voor ons in het verschiet ligt. Naarstig kijkend door de vertroebelde voorruit nemen we twee afslagen naar links en staan we op een parkeerplaatsje in een buitenwijk, op ongeveer een half uur van Helsa. Het internetbereik is hier ronduit matig. We bellen de ANWB. Ze kunnen op deze vrijdagmiddag een wagen sturen, maar die moet vanuit Nederland komen: over drie uur kan hij bij ons zijn. Met onze bestemming zo dichtbij vinden we dat een stom idee. Ik zoek met moeite naar een garagebedrijf en vind er één, maar aarzel om hem aan Yvo te melden. Maar; het is net tien minuten droog, dus lijkt het hem de beste keus. We rijden naar het adres, twee straten verder. Het blijkt het postadres van een online bandenservice te zijn. Pech…

Inmiddels is het weer gaan regenen. Zonder enig zicht door de voorruit rollen we het wijkje uit, voorzichtig een doorgaande weg over, op het parkeerterrein van een drankenhandel. Yvo kijkt me aan. Hij is er klaar mee. Het is onverantwoord om zo nog maar één meter verder te rijden. Ik heb dat zelf nog niet ervaren, dus ik heb moeite hem direct te geloven. We stappen uit – het is zowaar weer heel even droog – en op aanraden van Yvo’s TomTom lopen we naar een garagebedrijfje twee straten verderop. Uiteraard belemmert een ongelukkige wegopbreking ons een snelle doorsteek naar dat straatje. Maar we komen er.

Achter de balie van de kale, lege showroom met witte plavuizen zit een bourgondische Heinzl. Hij kijkt me aan en leunt achterover in zijn verschoten bureaustoel. In het Duits leg ik hem uit wat we hier doen en dat onze ruitenwisser kapot is. Heinzl wijst op de open deur rechts van hem. ‘Iedereen is naar huis, het is vrijdagmiddag’ verzucht hij. Ik kijk in de richting van zijn gebaar en zie zeker één monteur met een vies overall staan. ‘We hebben het onderdeel bij ons’ zeg ik stellig ‘en we kunnen het zelf, maar we hebben gereedschap en een droge werkplaats nodig. Bitte?’ Heinzl zucht en gaat rechtop zitten. ‘Feierabend’ zegt hij kort. Om de hoek zit een ADAC, de Duitse wegenwacht. Die zijn tot acht uur open en zullen het voor ons oplossen.

Zuchtend verlaten we de garage. We gaan eerst de auto halen, want de ADAC is wel een eind verderop. Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Slim rollen we de auto van parkeerterrein naar parkeerterrein, zo drukke straten en verkeerslichten vermijdend. Maar dan moeten we toch echt de weg op. We voegen in naar links en rijden mee met het verkeer. De regen stroomt over de voorruit en alles wat ze zien zijn vage, troebele grauwe vlekken. Elke andere minuut steekt Yvo zijn arm uit het raam, beweegt de ruitenwisser op en neer, en tuurt dan door het schoongeveegde hoekje de weg op. Je hoofd uit het raam steken gaat niet – daarvoor regent het te hard. Plotseling bumpsen we aan de rechterkant over de stoepband. Oké, nu vind ik het ook officieel onverantwoord. Laten we die ADAC snel bereiken.

Dat doen we. Het is een zo mogelijk nog kleinere garage. We zetten de auto in een vrij hoekje en ik loop op de monteurs af, die met zijn drieën onder een auto op de brug staan. Eén van hen, een enorme beul met een vierkante kaak, stapt naar buiten toe op ons af. Hij zegt niks, hij gromt alleen wat. Ik steek van wal en leg weer uit wat we hier doen en wat er kapot is. Zijn blik flitst naar de Mercedes. ‘Schade’ zegt hij, ‘wij kunnen het onderdeel bestellen, dan is het er maandag. Wij mogen geen onderdelen inbouwen die u zelf meebrengt.’ Ik knipper met mijn ogen. Wat is dit! Ik snap hem wel – maar dit is de omgekeerde wereld! Ik bal mijn vuist achter mijn rug en snuif om tot een kalm antwoord te komen. ‘Hebt u een alternatief voor ons?’ glimlach ik. ‘Wij mogen geen spullen van derden inbouwen.’ Hij draait van me af en loopt weg. ‘Zo krijg ik problemen met mijn baas. Ga nu weg.’ dan voegt hij er zacht aan toe ‘…tweemaal links, deze straat uit. Daar vindt u garage Elan. Die doet het wel.’

Verbolgen kijk ik naar het gele bordje van de ADAC. Met zo’n behandeling kom je als ANWB’er niet op de voorkant van de Kampioen, meneer. Ik hoef echter ook geen dreun van deze knul, dus stappen we maar weer in en gaan we op weg. Yvo weet de ’tweemaal links’ wonderwel snel te vinden. Het regent weer zachtjes, nog altijd moet hij om de zoveel meter met zijn arm de ruitenwisser bewegen. Zo ook als we een volgende hoofdweg naderen en er een politiebusje recht voor ons optrekt. Ze rijden gelukkig door.

Garage Elan is zo gevonden. We rollen de ruime parkeerplaats van het tankstation op en parkeren onze auto achteraan tussen de andere wagens. Een goedlachse, drukke Turkse man komt ons tegemoet. Weer doe ik mijn verhaal. Hij glimlacht. ‘Eén uur – dan help ik jullie. Hierachter is een Kaufhaus – ga maar winkelen. In één uur help ik jullie.’ Ik brief het door aan Yvo. ‘Goed’ zegt die. Het aanbod om te gaan winkelen slaan we af. We installeren ons in de auto op de voorstoelen en pakken elk een boek. Zo lezen we het uur weg. De garage-eigenaar komt geregeld langsdrentelen. Hij praat met vrienden, rookt sigaretten, regelt de werkuren van het meisje van het tankstation, rookt nog wat sigaretten, prutst aan een auto, en keuvelt met zijn werknemers. Ik loop even heen en weer naar het tankstation en sla wat chocolade in. Als je dan toch moet wachten…

Ik SMS met Jonathan, de eigenaar van de Airbnb. Die vraagt of hij ons kan komen ophalen. Yvo schudt nee. We hebben veel losse baggage (maar Jonathan een grote SUV!) en hij wil liever bij de auto blijven. Ik ook, eigenlijk.

Na een klein uur komt de monteur op onze auto af. Hij gebaart Yvo de auto met zijn neus de garage in te rollen. Het gaat nu toch echt plaatsvinden! De man is blij dat we onze eigen vervangende motor meegebracht hebben. Als ik rondkijk in de smerige, overvolle werkplaats zie ik inderdaad her en der soortgelijke doosjes liggen. Voor de rest is de werkplaats typisch, en ook wat nostalgisch; afgezien van de enorme chaos ruikt het er als in de metaalwerkplaats waar mijn vader vroeger lesgaf. Een geur van olie, warm metaal, stof, op de achtergrond een blikkerige radio. Gereedschapskasten overal, schoonmaakpapier op rol, werktrolleys. Ik sta er rustig bij en tolk voor Yvo, terwijl de garagehouder schroefje voor schroefje de kappen van de motorkap af haalt. Ondertussen rookt hij sigaretjes, wuift hij klanten weg, plant hij nieuwe klanten in, en betaalt hij de tankstationmedewerkster uit. Vast een typische vrijdagmiddag voor hem.

Terwijl ik wat met hem praat over Duitsland, Turkije, en god weet ik wat, heeft hij opeens de motor te pakken. Hij haalt hem er voorzichtig uit en doet een nadere inspectie. ‘Ahaaa…’ zegt hij met een glimlach. Hij pakt een tang en draait een grote moer voorop het blad aan. Plaatst de motor terug. Gebaart Yvo dat hij de auto mag starten. Yvo zet de ruitenwisser aan en jawel, die slaat weer als een molenwiek over de ruit. We zuchten eens diep. ‘Ik maak ‘m weer dicht, rij ‘m er zo maar uit’ lacht de monteur hartelijk.

Als alles weer op z’n plek zit is het mijn beurt om naar voren te stappen. ‘Vertel, wat mag het ons kosten?’ ‘Vijftig euro’ lacht de man. Ja, daar zou ik ook om lachen. Met al zijn kunst- en vliegwerk tussendoor heeft hij net een kwartiertje onder de motorkap gekeken. Dat is snel verdiend. Maar Yvo en ik zijn beiden wel klaar met dit avontuur. Yvo betaalt, ik vraag een kwitantie, en zwaaiend rijden we weg. Kan de vakantie nu eindelijk beginnen?

We stellen de TomTom weer in en zetten vaart naar Helsa. Inderdaad, we zijn er zo. Oooh, die drie uur dat we hebben rondgereden in deze voorstadjes… het is inmiddels ook weer droog. Daar hadden we ook op kunnen wachten natuurlijk, maar dan had Yvo dit weekend nog eigenhandig de ruitenwisser moeten fiksen. En daar is vakantie niet voor.

We zetten de auto onderaan de weg onder de carport (ik vergeet even dat het gezin twee auto’s heeft) en klimmen omhoog. Jonathan staat al met hun dochtertje in de voortuin en duwt haar op de schommel. We worden hartelijk onthaald. Het huisje is al warmgestookt, het bankbed is opgemaakt (onpraktisch, want we willen eerst nog een paar uurtjes zitten). Het bureautje is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de tafel uit de keuken. Ik vind het heerlijk om weer terug te zijn. We maken de kachel verder aan en pakken rustig uit. Tijd voor avondeten.

Yvo biedt spontaan aan te koken, iets waar ik nu helemaal geen sjoege meer aan heb. Prima. Er zijn nog steeds niet bijster veel lampen in de woonkamer (behalve de oogverblindende plafonnière…), dus ik scharrel wat uit de slaapkamer op en zet die op de eettafel. Als we met z’n tweeën willen eten, of bordspelletjes spelen, hebben we toch wat degelijk licht nodig. Na het eten drinken we chocomel en thee. Yvo game’t op zijn Nintendo DS, ik schrijf in mijn boekje en internet wat. De zon gaat onder in het dal, het wordt langzaam schemerig.

We lopen in het donker nog even naar beneden, naar de auto. Ik trap bijna op een prachtige vuursalamander – gelukkig dat Yvo net even bijlicht. Naast wat praktische spullen haal ik ook Yvo’s kampeerstoeltje naar boven, opdat we meer comfortabele zitplaatsen hebben. Voor een beetje personal space wil je niet continu als sardientjes in blik naast elkaar op de bank zitten, en de witte caféstoelen bij de tafel zijn wel mooi, maar niet erg goed voor de rug. Boven bij het huisje lopen we over de veranda en zetten ons er even neer. Het is vanavond helder, dat zal het de komende avonden niet zijn. Daarom heeft Yvo zijn telescoop ook niet meegenomen. Ach, we kijken zo met het blote oog, en dat is ook al erg mooi. We benoemen wat sterrenbeelden, kijken naar de gloed in het dal, waarschijnlijk afkomstig van de lichten van Kassel. Dan gaan we naar binnen, maken beiden ons bed gereed, en gaan slapen.

zaterdag

Deze ochtend word ik vroeg wakker, om zes uur al. Van geschreeuw uit het dal. Eerst dringt het geluid moeizaam tot me door. Is er nou iemand aan het schreeuwen? Heeft iemand de bus gemist? Is er een gek uit de DRK-kliniek losgelaten? Nee, het is een haan, die beneden in het dal kraait. Hoe beter ik het geluid identificeer, hoe meer ik ook echt hoor dat het een haan is. Maar ik heb nooit beseft dat die zo klinken. Wat een streber, zeg.

Van zeven tot negen slaap ik weer verder. De haan houdt vanaf dat uur zijn kop. Om negen uur ruim ik het bed op en stook de haard warm. Yvo komt uit zijn slaapkamer en we doen samen de afwas. Dan bak ik mijn eitjes, terwijl Yvo ook ontbijt maakt.

Tegen half elf zitten we aan de koffie. We pakken wat kleins aan eten en drinken in onze tassen en beginnen aan een korte wandeling. Eerst bovenlangs, de achtertuin uit. Ik herken het paadje nog goed, al is het nu weelderig overgroeid met volle groene struiken. De grond is niet langer besneeuwd, maar overwoekerd met vaalgroen droog gras. Al gauw komen we bij de eerste dwarse boomstam, die er tot mijn verbazing nog ligt. Hier is dus heel de zomer geen zaag bij geweest. Het is even wrikken voordat ik over de stam heen ben. Yvo stapt er met zijn lange benen gewoon overheen. Dat is een gelukje, want voor de res is hij minder outdoorsy gekleed dan ik. Ik hoop vooral dat hij geen natte schoenen krijgt. We zijn namelijk nog even niet op de gewone weg.

We lopen nog een stuk door het woud en komen her en der omgeknakte bomen tegen, die ik ook allemaal nog herken. Ik heb er destijds heel wat foto’s van gemaakt. Eigenlijk dacht ik dat ze in de weken daarna wel rap zouden omvallen, of weggehaald zouden worden. Dat is dus niet gebeurd. We wringen ons een weg tussen de stammen door en komen op het pad dat het dal omzoomt. Daar gaan we rechts. Nog even een slinger het dal in, dan bij de Gabelung weer naar links, en we lopen heuvelafwaarts naar het dorp. Voor mij nog allemaal appeltje-eitje, al ben ik wel wat beteuterd dat het uitzicht naar Helsa toe nu helemaal overgroeid is. In de winter kon je er een prachtige foto maken, nu zie je alleen maar bladeren.

Ik loop met Yvo de route die ik destijds ook wandelde. Bovenlangs het dorp, de bocht naar beneden, tot we bovenaan bij de Fröbelstrasse zijn. Het moet ook niet al te moeilijk worden hè? We lopen de straat af, en ik kijk op naar de enorme witte seniorenappartementen die inmiddels hier verrezen zijn. Wat jammer voor de mensen die er achter op de heuvel wonen. Heel hun uitzicht weg.

Onderaan de weg staan we gelijk bij de Edeka. We halen biertjes, en eten voor zondag. Dan raken we in discussie over paneermeel. We hebben gehakt mee, dus Yvo wil wel gehaktballen. Maar daar moet paneermeel doorheen. Waar vind je dat in zo’n buurtsuper? Na alle rekken te zijn afgestruind vinden we een joekel van een pak onderin een schap. Aangezien mijn kleine looprugzakje al vol zal zitten met flesjes vind ik het geen jofel idee om dat hele pak mee te nemen. Bovendien hebben we maar een scheutje nodig. Yvo bedenkt dat hij ook wel brood in de oven kan bakken, en dat verkruimelen. Mij ook best. Uiteindelijk besluiten we gewoon geen gehaktballen te maken. Ook opgelost.

We rekenen de rest af. Ojee, daar is de kassadame weer – ik ben haar nog niet vergeten. De laatste keer dat ik tegenover haar stond, had ik vijf euro nogwat in contanten nodig, om met de tram mee te kunnen. Dat lukte toen maar net. Ik steek haar mijn pinpas toe en mompel iets van ‘card’. Gelijk denkt ze dat het een creditcard is. ‘Nee nee, EC Karte’ zeg ik er haastig bij. Met een frons steekt ze me het pinautomaatje toe en is werkelijk wat verbaasd als de transactie ook echt lukt. Betalen in Duitse buurtsupers… altijd spannend.

We snacken onze verse lunch op en Yvo is helemaal blij met zijn pretzel. (hij is even later ook helemaal niet blij als zijn pretzel op is…). We lopen het dorp weer uit, heuveltje op. Dat is wel erg steil, dat kun je niet ontkennen. Ik loop wat langzamer dan normaal zodat het voor beiden leuk blijft. Dan bereiken we bovenaan weer de ingang naar het smalle valeitje. We worden weer overschaduwd door hoge boomkruinen.

Naaldbomen zijn maar gekke dingen. Een enorme lange dunne stam, met hier en daar dorre scherpe takken, tot aan de top. Daar, in de top, een parmantig kerstboompje dat heel hard zijn best doet om net boven de andere kruintjes uit genoeg zonlicht te vangen. En dat waait dan maar zo’n beetje heen en weer.

Ik heb nog wel zin in meer wandelingen vandaag, maar eerst even uitrusten. Yvo maakt courgettesoep. Daarbij ontbreekt het hem aan aardig wat keukengerei en -ruimte, wat hij me geregeld laat horen. Ach ja. Als ik hier alleen ben mis ik niks, eigenlijk. Het is in zo’n vakantiehuisje altijd behelpen, en dit vakantiehuisje is duidelijk een aflegplek van alle oude spullen van de eigenaren. Je kunt geen volwaardige keuken verwachten als iemand er niet dagelijks woont. Ik nestel me op de bank en even later eten we soep.

Via een postservice stuur ik een kaartje naar mijn oma, met een kersverse foto van mij op de veranda erop. Daarna schrijf ik alle belevenissen bij in mijn boekje. Onkel Sven, de kat, komt langs. Hij staart zoals eerder weer op een triomfantelijke manier door de terrasdeur naar binnen. Ik haal hem even aan. Als ik naar de lucht kijk, zie ik dat het langzaam betrekt. Dat was alle zon voor dit weekend…

Tijd voor een spelletje. Yvo en ik blijken beide Carcassonne te hebben ingepakt. Ik heb ook Cards Against Humanity mee, maar dat vindt Yvo niet zo’n leuk spel. Dus dat blijft in de tas. We pakken Jaipur, nemen de regels weer even door, en gaan van start. Ik verlies eerst, maar word dan beter. We gaan feller spelen en jatten kaarten van de markt voordat de ander er z’n handel mee kan drijven. De stemming zit er weer goed in!

Na het spelletje trekken we een biertje open en gaan Finding Nemo kijken. Die staat, met heel wat andere (Duitse) films, hier in de kast. Gelukkig heeft de film gewoon Engels geluid. Heerlijk melige film is dat. Naderhand maken we elk ons bed op en gaan slapen.

 

zondag

Deze ochtend word ik weer lekker laat wakker, ondanks de wederom schreeuwende haan. Ik heb het rolgordijn aan de zuidkant dichtgedaan en het raam ook, dat scheelt al een hoop. Yvo komt ook zijn slaapkamer uitstommelen, en zo wandelen we de ochtend rond in pyjama. Ik maak weer ontbijt, en snaai wat van Yvo’s brood mee (hij heeft namelijk Nutella!).

Ik ga op de bank zitten lezen, Yvo zit naast me te gamen. Buiten is het grauw, windstil, maar wel echt herfstig. Heel af en toe piept de zon door, maar het wordt steeds minder. Terwijl we zo op de bank zitten hebben we ook wel heel nuttige, en uiterst vermakelijke discussies. Mijn liefde voor chocola is een terugkerend item, al moet ik zeggen dat Yvo onverwacht erg fan is van pretzels. Het smelten van chocola kun je prima vervloeibariseren noemen, maar weer niet liquideren. We hebben geregeld een miscommunicatie, en daar hebben we dan weer een discussie over. Heerlijk om zo te kunnen redeneren en analyseren – en als je een tijdje niets hoort, is de ander weer in game of boek verzonken.

Ik vind het tijd om me aan te kleden. Ik wil namelijk nog een stuk wandelen, ondanks het minder prettige weer. Yvo ziet dat niet zitten (slim) en blijft lekker in huis. Na gewik en geweeg over wat ik meeneem pak ik mijn DSLR wel in. Wandelrugzakje, emergency stroopwafel, water, regenjas. Dat water is eigenlijk direct al overbodig, want dat valt al zachtjes als een fijne nevel uit de hemel. Gelukkig loop ik voornamelijk onder de bomen.

Ik ga op pad. Onderaan de tuin kom ik Jonathan tegen. Hij staat bovenop het spiksplinternieuwe stroomhokje en schept aarde en houtsnippers terug op hun plaats. Hij vraagt me naar mijn mening over wat zaken in het huisje, dus ik geef wat tips en ideeën. Op zich wordt mijn Duits niet beter van iemand toeschreeuwen op een heuveltje in de regen, maar zeg nou zelf: Duits is daar wel weer de ideale taal voor. Jonathan geeft me nog complimenten op mijn leren hoedje. Na ons over en weer-geroep af te hebben gerond loop ik verder.

Eerst bij de gabelung rechtuit, de heuvel op zoals gisteren. Rechtsom met de bocht mee dit keer, niet rechtdoor naar het dorp. Ik maak een grote ronde, die ook een stuk het naastgelegen Ibachtal in gaat. Zo loop ik een half uurtje, drie kwartier. De natte nevel verandert langzaam in een miezerige regenbui. Ik merk het nog niet zo, omdat ik door de bossen loop. Maar mijn camera heeft er al last van, dus die gaat achter in de rugzak. Ik bewaar hem namelijk in een net niet passende filmcameratas, en er kan regen naar binnen sijpelen. Dat zou zonde zijn.

Aan het einde van het Ibachtal hoop ik echt op een scherpe bocht naar rechts, zodat ik bovenlangs terug kan lopen. Gelukkig, die is er. Het is verbazend hoe snel je stijgt in zo’n bocht in het pad. Na een paar honderd meter sta ik boven op de heuvel en kijk neer op het stuk pad waar ik net liep, vlak langs een verlaten huisje. Dat ligt nu echt meters en meters onder me. Hoe fantastisch groot is de natuur, en hoe klein voel je je als mens. Dat maakt dat ik me altijd nog het meest thuisvoel hier, en in de bergen nog veel meer.

Ik stap door, de motregen verandert langzaam in een hoosbui. Ik schuil onder een boom (dat helpt niet) en pak mijn regenjas uit. Stop mijn camera nog wat dieper weg en drapeer mijn buff-sjaal eroverheen. Zo, hopelijk vangt dat allemaal niet te veel regen. Mijn windstopperjack is tot dusver droog gebleven; ik kan me uitsschudden als een eend, en al het water valt van me af. Maar hoe langer ik loop, hoe minder waar dat wordt. Dus ik trek de rode regenjas maar aan.

Er komt een splitsing in het pad. Ga ik links of rechts? Beide wegen lijken goed. Ik heb gelukkig tegenwoordig gewoon data onderweg, dus ik pak Google Maps erbij. Mijn telefoon vindt de regen ook niet leuk: de nattigheid op het scherm zorgen ervoor dat zowel mijn vingers als druppels herkend worden als aanraking. Met moeite kan ik de kaartfunctie ertoe krijgen mijn locatie op te zoeken. Elke aanraking zorgt ervoor dat mijn telefoon als een malle schermen en apps laat zien. Ik stop de telefoon maar weer terug in mijn broekzak en hoop dat hij geen blijvende schade hieraan overhoudt.

Ik moet rechts. Later leer ik, dat links een weg is die als een slakkenhuis omhoog kronkelt, naar de top van de heuvel. Dat is leuk, maar niet voor nu. Ik vervolg mijn route om de heuvel heen en kom weer in het Lautenbachtal. Met wat goede wil denk ik zelfs de heuvelkam aan mijn linkerkant te kunnen herkennen. Wishful thinking, houd ik het op. Terwijl het om me heen giet van jewelste blijf ik relatief droog en warm. Het wandelt echt heerlijk zo, al moet ik me om de paar meter een beetje uitschudden.

Dan bereik ik weer een samenloop van wegen in het pad. Ik herkende ze als mijn startpunt boven het dorp. Fijn! Het werd onderhand wel eens tijd om weer huiswaarts te keren, niet zozeer voor mijzelf, maar meer voor de inhoud van mijn rugzakje. Ik loop het pad af richting het huisje. Dit pad is nog vrij nieuw, onverhard, en aangedrukt met geel kleizand. De bovenlaag van dat kleizand stroomt nu in twee smalle streepjes regenwater met mij mee het pad af. Het lijken wel riviertjes van koffiemelk!

Bij het huisje tref ik Yvo aan op de veranda. Hij is nog altijd in pyjama. De regen klettert echt mooi op het dak. Ik kom er een tijdje bij zitten. Onkel Sven heeft zich in een raamkozijntje gedrukt en zit daar te pitten, terwijl hij ons een beetje in de gaten houdt. Yvo bekent dat hij buiten zit, omdat hij binnen iets te fanatiek met de kachel aan de gang was. Inderdaad, binnen is het nog steeds zeer aangenaam warm. Maar dat deert niet. Ik wilde toch net douchen, dus dan heb ik het zeer zeker niet koud.

We spelen nog een spelletje Carcassonne, gevolgd door Jaipur. Voor het avondeten maak ik twee borden vol vlees, erwtjes en aardappelpuree. De avond gaat voorbij met nog meer bordspelletjes. We hadden ons voorgenomen ook nog Finding Dory te kijken, maar het wordt al laat. Morgen willen we bijtijds vertrekken. Dus we nestelen ons op de bank, ik drink mijn Schwarzbier.

Yvo game’t, en ik slinger wat internetpagina’s voor Pro Deo’s lustrum het web op. Tijd om te gaan slapen.

maandag

Om vijf uur ’s ochtends word ik wakker omdat ik naar het toilet moet. Geen probleem, ik zet niet eens mijn bril op. Ik ga zitten op het toilet en zie voor me in de douchebak een enorme spin. Daar heb ik geen bril voor nodig! Wat een joekel! Dit zijn de spinnen die ik heus thuis wel in mijn berging heb, maar gelukkig zelden in levende lijve aantref. Ook deze jongen is kennelijk per ongeluk in de badkamer beland.

Terwijl ik nog in roes van slaap naar hem zit te staren doet hij verwoede pogingen om uit de douchebak op te krabbelen, in mijn richting. Dat lukt hem niet, maar ik vind het sowieso wel welletjes. Ik ben klaar hier. Snel verlaat ik de badkamer en ga weer in mijn bed liggen. Helder nadenken over deze nieuwe huisgenoot doe ik later op de ochtend wel.

Inderdaad, op een christelijke tijd later die ochtend zit de spin nog steeds in de douchebak. Ik maak voorzichtig een foto. We weten nu wel dat hij er niet uit kan klimmen, maar hij is wel razendsnel. Ook al is mijn angst voor spinnen de laatste paar jaar drastisch afgenomen, oppakken en buiten zetten is niet echt een idee waar ik wild van word. Yvo heeft er ook niet zoveel behoefte aan, dus we laten de spin mooi zitten.

We pakken in, stoken de haard nog een beetje warm, ruimen het huisje op. Tegen tienen brengen we alle spullen weer naar de auto en laten het huisje achter. Ik sms Jonathan dat we vertrokken zijn, en meld hem daar natuurlijk even bij dat er een Riesengrosse Spider in de Duschwanne zit. Dat doe je toch voor elkaar.

Ondertussen is Yvo wat ongerust over de ruitenwisser. Ja, terug naar het begin van deze reis. We zijn keurig bij droog weer vertrokken, maar als het nou gaat regenen hebben we misschien weer een probleem. Die kans acht ik overigens niet zo groot; de moer was het probleem; die was in de loop der maanden of jaren losgetrild, die is nu weer stevig vastgezet. We gaan echt prima thuiskomen, daar hebben we immers ook nog de hele dag voor. Yvo maakt zich er wat meer druk om, dus hij probeert gelijk de ruitenwisser even uit wanneer we wegrijden. Het ding hapert eenmaal en doet het dan prima. Toch zet Yvo hem maar gauw weer uit. We kijken elkaar aan. ‘Hij haperde hè.’ ‘Ja.’ En zo gaan we op pad.

Tegen elven hebben we eventjes een paar spatjes regen, waarop ik grap over het aanzetten van de ruitenwisser. Dat hoeft gelukkig niet. Tegen tweeën zijn we thuis. Rijdend op de Westerval nabij Enschede komt er zowaar weer wat regen uit de lucht vallen. Nu zet Yvo vol enthousiasme de ruitenwisser aan. Die doet het als een zonnetje. Nou, hiephoi, we zijn weer thuis!

woensdag

Met Michel naar Helsa

dinsdag

- ⟡ -
Tien dagen naar Ohrid.

donderdag

maandag

Voor de vierde keer naar Helsa!

vrijdag

vrijdag

Vrijdagochtend wordt de paklijst uitgeprint en alles bijeengescharreld en afgestreept. Het is routine. Als laatste geef ik buurvrouw Ellen het gezag over mijn katten en naai ik vlug het veldbedhoesje in elkaar. Dan draag ik alles naar beneden en haal zonder veel nadenken klapstoel, tafel en tent uit de berging. Ik laat mijn doos met zes eieren onhandig over de vloer van de berging kletteren. Snel opgeruimd, snel weer door.

Om half zes staat Jeroen op de stoep met zijn Jeep Renegade. Tijd om te gaan! Eerst op naar de tweede coronatest in Gronau.

- ⟡ -

Safe planners als we zijn, hebben Jeroen en ik eerst donderdag al een heuse Duitse coronatest ondergaan aan de rand van Gronau. Netjes planden we een Termin in via de Chaynz app, het middel om in Duitsland snel en gemakkelijk coronaproof te worden bevonden. Met die negatieve uitslag waren we beide klaar om naar Vlotho te reizen – de eigenlijke bestemming van dit weekendje weg. Maar op de camping in Vlotho waren de toiletten nog niet open, maandag pas. En we zijn goede kampeerders, maar samen op zo’n emmer-met-deksel in de tent… nah. Liever dan een camping met gewoon sanitair.

Die heb ik op donderdagavond gevonden, een uurtje over de grens in Haselünne. En toegegeven, het ziet er uit als een heel leuke kleine camping. Geen heuvels en geen brede rivier zoals in Vlotho, maar zeker mooi gelegen in het bos, lekker stil – mits je niet op de velden met groepsreizen staat. Ik vraag speciaal na of het nu rustig is – aldus bevestigd – en daar gaan we dan heen.

Maar eerst nogmaals door de coronatest. Want deze camping vraagt beslist om een test die maximaal 24 uur oud is – niet 48 uur. Nouja, iedere locatie heeft zo z’n quirks, zeg maar. Jeroen haalt me dit maal iets te laat op, maar we weten inmiddels dat de coronatest echt een fluitje van een cent is (minder nog: hij is gratis). Dus we kachelen in het forenzenverkeer naar Gronau en draaien de stoffige parkeerplaats op bij een onopvallend tentje. Een verveelde studente hijst zich in een plakkerige wegwerpponcho en komt naar buiten voor de test.

Terwijl wij ons melden met de QR-code die buiten de tent op het paaltje hangt, haalt zij de wattenstaafjes. We worden wederom vriendelijk in onze neus gepoerd. Jeroen vindt het zo kriebelig dat hij moet niezen, ik vind het wel best. Mijn neusje kan veel hebben. We rijden voor de zekerheid al door richting Haselünne en krijgen dan beide de negatieve uitslag bevestigd. Mooi!

dinsdag

Na 3 weken streng doorwerken aan de jurk en alle toebehoren ligt hij (bijna) klaar. Het treinticket is geboekt, een nacht in een Airbnb geregeld, en een aansluitende overnachting bij studievriendin Annelore, die op een half uurtje van Brussel woont. Ze zal zelfs meegaan naar de film. Ik ben er klaar voor.

Op de bewuste dinsdagochtend naai ik de laatste details aan mijn kostuum en pak mijn tas in. Bij het verlaten van het huis ontvang ik nog een vervelende brief waardoor ik acuut wat telefoontjes met mijn coach moet plegen, maar ze verzekert mij dat het geregeld gaat worden en ik lekker naar Brussel moet gaan. Dus dat doe ik.

De eerste kilometer loop ik door het park onder de bomen. Het is nog altijd heerlijk warm. Anders geen probleem, maar ik heb het nu wel wat warmer door de hoge Dr. Martens-laarzen die ik onder mijn lange broek draag. Die laarzen zijn onderdeel van het kostuum en ze passen niet bij in mijn tas. Tsja. Ik stap door naar de bushalte en kies ervoor om niet via Enschede Centraal, maar gelijk via Hengelo te gaan.

Aan het Hengelose hoofdstation zit tegenwoordig mijn nieuwe kantoor, dus kan ik daar nog mooi even een espresso drinken en mijn laatste Facebookberichten lezen. Binnen tien minuten zit ik in de bus.

- ⟡ -

Ik word binnengelaten in ons kantoor. Lekker koel hier. Eerst snel een kopje espresso. Ook check ik op mijn desktop nog even mijn Facebookberichten, want dat werkt op mobiel niet zonder die vermaledijde app te installeren.

Ik krijg Annelores telefoonnummer, handig.

Dan probeer ik mijn eerste ticket te activeren. Dat wil niet. Ik vermoed gelijk wat er mis is. Ik reis in Nederland, met een Interrail. En je eigen land telt niet mee. Máár dit is een Be-Ne-Luxticket! Tja… ook dan telt de ‘Ne’ dus niet mee als je er zelf woont. Ik ben flabbergasted. Boos.

‘Komt wel goed’ zegt Michel terwijl we samen een espresso halen. Ja. Ik reis het wel op saldo. Maar zo zuur. Nu ga ik zeker niet over Schiphol, maar recht op Breda af via Zutphen. Wat zuur.

Ik zwaai iedereen uit en vertrek naar de trein.

- ⟡ -

Afgezien van de kosten gaat alles voorspoedig. Ik pak de boemel naar Zutphen, stap over op de Intercity naar Roosendaal, en stap uit op Breda.

Snel check ik uit, zoals dat moet. Ik heb de regelgeving hierover 2x op screenshot van verschillende NS-gelieerde bronnen, maar Interrail rept er niks over. Ik hop in de wachtende trein tegenover.

Ik moet mijn ticket activeren, mag dat nu wel? Ik zet me alvast in de eerste klasse. De conducteur meldt zich al, hij lijkt goed geluimd. Het kaartje activeren lukt niet, dus ik speel maar gelijk open kaart.

‘Ik heb een probleem.’ Ik laat het hem zien. Hij ziet aan mijn OV-chipkaart waar ik vandaan kom. ‘Dan moet je nog even een kaartje kopen’ doelende op een kaartje van Breda naar Noorderkempen. ‘Je moet hem iets later kiezen, dan doet ie het wel.’

Ik laat me bewust hierdoor verwarren en hij loopt even verder. Als hij terugkomt zeg ik trots ‘het is gelukt!’ en toon hem het reisticket van Noorderkempen naar Brussel Centraal. Hij kijkt natuurlijk bedenkelijk. ‘Ik bedoelde eigenlijk…’ dan laat ik hem de twee screenshots zien waarin gezegd wordt uit te checken op ‘overstapstations’ Breda e.a. . Hij wil het nu zelf ook weten en loopt weer weg. ‘Blijf maar zitten.’ Zegt hij nog. Mooi. Ik reis dit eindje illegaal, maar wel met toestemming. En hoe moet het anders?

In tien minuten zijn we op Noorderkempen en ik zie daar geen uitcheckpoortjes. Laat staan dat de trein er lang genoeg wacht om dat te doen. Dus, zo moet het.

Ik verkas naar het raam, opdat ik mijn telefoon aan de stroom kan hangen. De conducteur komt terug en spreekt eerst de verkeerde dame aan. Dan komt hij naar mij en bevestigt dat Interrail ook iets over overstapstations rept. Hij vindt het maar vreemd, maar ach we zijn nu toch België al in. En hij vindt het zielig dat ik de hele reis door Nederland zelf betaald heb.

Kan ik nog lachen? Ja, nog net. Ik ga ten slotte naar Mad Heidi! Maar dat vertel ik hem niet.

- ⟡ -

We boemelen de grens over en komen door en Antwerpen en Mechelen.

Mijn herinneringen aan België zijn wisselend. In mijn middelbareschooltijd ben ik er twee keer een week geweest. De eerste week waren we een groep schapen, in de kille regen rondgeleid met bussen, braaf bij elkaar. Het was vermoeiend maar oké.

De tweede week ging naar het gastgezin van een drukke populaire scholiere. Dagen waren koud, lang en intens, en ze vraten energie. Meerdere malen bleef ik in thuis van groepsactiviteiten, zat in mijn logeerkamer, las boeken of nam een douche.

In de zomervakanties heb ik met mijn ouders en zus in een huisje verbleven of gingen we kamperen, wat leuker was. Ook dát was België.

In mijn studiejaren bezocht ik tweemaal het Huis van de Toekomst in Vilvoorde. Dat was maar een dagje, strak georganiseerd, met enthousiaste studiegenoten en inspirerende uitvindingen. Nog meer leuk België.

En nu vandaag rijd ik hier de grens over. Je merkt het al gelijk aan de huisjes: geen één is er hetzelfde. Hoge en lage dakgoten slingeren zich door het landschap. Steentjes, shingles, pleisterwerk, variërende raampjes. Elke Belg lijkt zich te willen distantiëren van zijn buur. De wegen: hobbelig en kronkelig. Is dit het, dat België zo distinct maakt, zo herkenbaar, zo anders dan Nederland?

Is er ook mooi België? Of moet je dat binnenshuis zoeken, in de bieren en de kazen en het guitige taalgebruik?

Terwijl we op Brussel-Nord af suizen, vraag ik de twee conducteurs of zij weten waar ik de S3 naar Dendermonde vind. Dat weten ze niet. Ik zie op Google Maps dat mijn Airbnb eigenlijk zelfs dichter bij Brussel-Nord ligt. Busafstand zelfs. Maar ik stap niet uit, het is vast logischer vanaf Centraal.

We bereiken Brussel Centraal, waar ik ondergronds uitstap. Ik neem de trap naar boven en kom in een lage, zacht verlichte beige marmeren hal. Niet verkeerd, op zich, al wil ik nu wel weten waar ik heen moet. Mijn volgende trip is, volgens de Interrail app, een ‘S3’ naar Bockstael. Duitsland kennende zijn ‘S’ en ‘U’ banen (die laatste hebben ze hier niet, maar toch) geen echte treinen, maar respectievelijk boven- en ondergrondse metro’s. Daarom heb ik me net in de laatste paar minuutjes nuttig gemaakt en een metroticket voor Brussel gekocht van € 2,50. Nu die vermaledijde metro nog vinden.

Ik koop eerst een warm kaasbroodje en loop het station aan de oostzijde uit. Vraag een meisje waar ik die S3 kan vinden, want binnen staat het niet op bordjes. Ze weet het niet, ze is niet van hier. Maar ze raadt me aan de hoofdingang te pakken en dan moet er propere bewegwijzering zijn. Ik volg dat advies op.

Met een omtrekkende beweging kom ik bij de hoofdingang aan, op een groot rond marmeren plein, geflankeerd door luxe hotels. Ik ga weer naar binnen en sta opnieuw in de marmeren hal. Geen bordjes. Geeneens een vertrekbord. Ik ben terug bij af.

Ik loop het kantoortje met reisadvies in en zie aan de rij dat het wel meer mensen onduidelijk is hoe dit grote station nu precies werkt. De rij is me te lang, ik loop weer weg. Dit moet toch niet moeilijk zijn? Ik kijk nogmaals. S3. Onder mij lopen meerdere treinsporen. Misschien ligt de metro dieper? Ik informeer bij een broodjeszaak in het Frans naar de metro. Twee meisjes wijzen me richting een bepaalde uitgang die ik het beste versta als ‘Backhand’ of ‘Bekant (IKEA)’ en aldaar aangekomen totaal niet op de bordjes zie staan. Maar ik zie wel typische logo’s met een brede minimalistische ‘M’ erop. Zou dat de metro duiden? Ik loop de gang maar in.

Na een paar honderd meter verdwijnen zowel de M’s als elke andere vorm van aanwijzingen. Ik moet linksaf slaan. Ha, een kioskje met twee beambten! En roltrappen en metrolijnen! Maar geen S3. Ik vraag het de beambtes. ‘Ik moet met de S3, ik heb al een kaartje. Welke metro is het?’ ‘Dat is een trein.’ ‘Wat voor trein?’ ‘Nou gewoon een trein, op het station. Het station is ginder.’ ‘Daar kom ik vandaan, gaat de S3 op een speciale plaats?’ ‘Nee, gewoon op het spoor.’ ‘Spoor 3 dan?’ ‘Dat weten we niet, gewoon op het spoor. Ga daar maar heen.’

Beteuterd dat ik dus niet daar moet zijn, en dat ik een overbodig kaartje heb, loop ik terug. Wat een eind was dat eigenlijk ook. Ik duik de lagere regionen van de marmeren hal weer in en zoek langs de muren. Daar, een vertrektijdenbord! Het enige in de hele hal. Ik zie een zekere S3 naar Dendermonde aangekondigd. Ik huppel naar platform 1 en schaar me bij de wachtende reizigers. Het is warm en drukkend hier beneden. De trein zal, jammer genoeg, dus eerst stoppen op Brussel-Nord. Daar had ik dus ook gelijk kunnen uitstappen, drie kwartier geleden…

- ⟡ -

Bockstael, hier moet ik eruit. Volgens de Airbnb-beschrijving moet ik uitgang 1 hebben, die komt het dichtst bij de Leopoldstraat uit. Helaas staat er in het station geen enkele uitgang aangegeven en loop ik maar gewoon ter plekke naar straatniveau. Ik bevind me midden op een gezellig drukke kruising. Google Maps wijst me de weg.

Ik volg enkele straten en merk dat ik eigenlijk parallel aan het spoor loop. Dan kruis ik een brug. Ja, hé, daar zit ook een uitgang van het spoor waar ik net op uitstapte. Goed, weten we dat. Ik sla linksaf mijn straat in en word op de stoep omvergereden door een jongetje op een crossfiets. Zég! Ik ben wel Nederlander hoor. En je rijdt mij niet zomaar omver, wij Nederlanders zijn koning van de stoep! Maar niet hier dus, waar stoep en fietspad gecombineerd zijn. Zouden Belgen veel fietsen?

Eindelijk herken ik de huizen en sta ik voor het juiste nummer. Mijn deurcode werkt. Fijn. Ik ga naar boven en tref mijn kamer met sleutel in de deur aan. Het huis is een steile pijpenla, met bij binnenkomst eerst rechts een deur voor de huiseigenaren. Op de eerste verdieping bevinden zich Kamer 1 (van mij) en Kamer 2. Dan, nog een smalle trap naar boven, vind ik de keuken, wc, en badkamer, en daar achter Kamer 3. Op de vliering boven de keuken vind ik Kamer 4 (ja, die is nogal ongemakkelijk gelegen, daarom huur ik die ook niet).

Ik pak uit in mijn riante kamer met hoog plafond, tweepersoonsbed en heus dakterras. In de avondschemering word ik gelijk kennis met de herdershond van de eigenaren (1 verdieping onder mij op hun terras) en de onophoudelijke passagiers- en vrachttreinen die recht achter het huis voorbijdenderen. Gelukkig ligt er een diepe tuin tussen.

Het is even voor acht en ik heb pech: de supermarkten sluiten allemaal binnen vijf minuten. ‘Uit eten dan!’ oppert Michel. Eigenlijk heb ik daar geen zin in, maar ik heb geen andere keus. Ik zie op de hoek een leuk etablissement genaamd ‘Brasserie Royal’ en besluit daar te gaan eten. Dat stelt niet teleur.

- ⟡ -

Ik vraag de garçon of ik wat kan eten en zet me vervolgens buiten aan een soort ‘stamtafel’ neer. Nee, dat mag niet, daar wordt geen eten geserveerd. Oké. In Macedonië heb ik dat ook al eens geflikt en inderdaad, dat was zowel grappig als wat ongemakkelijk. Dus doe ik het hier niet. Of ik om de hoek wil gaan zitten?

Ik sta onmiddellijk oog in oog met een joekel van een kathedraal. Da’s niet mis! Ik zet me met de rug naar de andere gasten zodat ik de kathedraal vol in zicht heb. Ja, hoehoe, daar dóe je het toch voor? Fantastisch, zo’n decor. Alcoholvrij biertje erbij. Ik bestel cannelloni met ricotta en spinazie. Daarna een schotel met inktvisringen (maarliefst vier, en verder veel sla en patat). Maar: alles is smakelijk en netjes opgediend.

Achter mij zit een viertal Noordafrikaanse mannen rond een tafel. Het lijkt alsof ze met veel beklag hun dag doorspreken. Hoewel ik ze amper versta lijken ze goudeerlijk tegen elkaar, overtuigd van hun kijk op de wereld, en teleurgesteld in alles wat dat brengt. Ze zijn redelijk vermakelijk om naar te luisteren. Achter mij zet zich nog een oude man met een gleufhoed en een ruitjesblouse, die mij aandachtig aankijkt. Ben ik zo’n vertoning dan? Misschien is hij wel schrijver en kom ik in zijn volgende boek. Of is hij filmrecensent en vraagt hij zich af of ik dé Mad Heidi ben!

Voor mij zetten zich twee Marokkaanse boys met warme kleding zoals lange mouwen en bodywarmers. Ze drinken braaf glazen thee en mopperen op het leven. Ach, ze zullen het wel nodig hebben.

Het begint wel te regenen, maar echt erg is het niet. We zitten onder een brede luifel, eigenlijk zijn die druppels best wel prettig.

Als ik klaar ben ga ik naar binnen en reken af, kleine fooi.

Het is al donker. Ik loop om de kathedraal heen en bekijk hem eens goed. Wat een detail zit er in. Wie bedacht nou een kathedraal? Zonder digitale tools nog wel! Wie bepaalde hoeveel budget er was voor een galerij meer of minder? Wie rekende alle poortjes, beuken en bogen door? De verlichting maakt het ook werkelijk prachtig af.

Na wat sightseeing loop ik rustig de paar honderd meter terug naar mijn kamer.

- ⟡ -

Goed dan, het station mag dan Bockstael heten, deze wijk heet Laeken. Thuisgekomen van het etentje én het rondje om de kathedraal, ga ik eens lekker in de warme avond in de deuropening van het dakterras zitten.

Hé, het drupt. Het drupt harder. Ik maak de linkerdeur ook open en schuif mijn stoel naar binnen. Zo, ik zit droog. Het druppen houdt ook zo weer op.

Ik bedenk me, dat ik geen ontbijt heb. Hmm. Ik kan nog even naar de avondwinkel lopen. Dan maar iets van yoghurt… ik vertrek uit mijn kamer en steek de straat over. Er komt elke keer wel een man in djellaba voorbijwandelen, en elke groet me keurig ‘bonne soiree’. Dat doe ik dus ook terug.

Voor de avondwinkel hebben zich inmiddels vier mannen op stoeltjes geschaard. Ik groet ze en wandel het piepkleine helverlichte winkeltje binnen. De eigenaar komt loom achter me aan en gaat braaf achter de toonbank op zijn telefoon kijken.

Ik koop eieren, champignons, en een flesje AA. Als er morgen geen koffie is heb ik tenminste iets van pep.

Ik reken af en keer huiswaarts. Zo, terug op het dakterras. De regen lijkt te hebben gewacht. Het barst los met onweer en al.

Tevreden drink ik een halfje AA en zit ik in de deuropening. Schrijf, app.

Dan ga ik tandenpoetsen. Opeens blijk ik wel buren te hebben. Oh, daar hoor je mooi weinig van. Ik zeg hallo tegen een roodharig meisje en boven tegen een bebaarde jongen.

Op de vliering boven de keuken brandt licht. Ook die ruimte kun je huren, maar daar heb ik bewust niet voor gekozen.

Ik keer terug naar mijn eigen rustige vertrek. Laat de metershoge terrasdeur open terwijl er nog een bui overtrekt.

Tijd om te gaan slapen.

woensdag

Tegen acht uur word ik wakker. Ik heb als een blok geslapen, heerlijk. Dit was een prima kamer. Tijd om op te staan.

Ik ga eens naar boven voor het toilet en inspecteer dan de keuken. Haal mijn bril en mijn ontbijtje op.

De kookplaat moet aan. Dat is niet heel intuïtief, maar aan gaat-ie. Pan erop. Temperatuur verhogen. ‘PIIEEP’. Foutcode E00. En uit. Leuk, dat.
Ik probeer het nog een keer of vier en pak dan het boekje erbij. Volg alle stappen in het Nederlands. ‘PIEEEP’. E00, en uit. Ik sla de tabel met foutcodes erop na. Die begint bij E01, wat een stroomstoring is. E00 staat in geen enkele taal in het boekje. Zo komen we dus niet verder.

Ik schrijf een berichtje aan host Leo en probeer ondertussen op andere creatieve manieren te komen om twee eitjes te bakken. Volgens Google kán dat wel in de magnetron, maar wel voorzichtig. Jawel. Bord insmeren met olie, eieren erop, en gaan met die banaan. Ik moet zeggen, de magnetron spuugt na een tijdje (en wat twijfelachtige knallen) wel iets uit dat op twee gebakken eieren lijkt. Ik pak het bord voorzichtig met een handdoek uit de micró en steek een vork erin.

Gétver… het voelt aan als leer. Het smaakt naar ei. Ik moet toch wat binnenkrijgen. De gastheer reageert niet zo snel. Tja, dooreten dan maar. Dit is mijn enige ontbijt, tenzij ik buiten de deur wat zoek. En dat kost allemaal maar tijd en geld.

Degelijke koffie is er ook niet. Er staat een koffiemachientje, maar er zijn geen koffiecups. Er staat een vergeten pak losse koffie in het onderkastje, maar er is geen ding voor… ja, oké, een thee-ei. Dus, we hadden toch al slecht ontbijt, hier komt oploskoffie. Ik kook een kop water en plons een thee-ei vol gemalen koffie erin. Ik laat het vijf minuten trekken en drink het dan op. Tweede maal gétver…

Goed. Klein afwasje. Terug naar boven, inpakken, en eens zien wat ik vandaag ga doen.

Mijn eerste plan is om naar de ‘Serre Royal’ te gaan. Dat zijn de koninklijke serres en ze liggen echt op steenworp afstand tegenover dit appartement. Ik zoek de openingstijden op. Ze zijn dicht. Om precies te zijn, zijn ze maar één week per jaar geopend voor publiek, en dat is niet deze week. Nou, dat is jammer.

Gare Maritime, waar ik ook heen wil, gaat pas open om 11 uur. Dus besluit ik dat ik in tussentijd maar beter naar het Huis van de Toekomst kan gaan in Vilvoorde. Daarvoor moet ik met de bus en die vertrekt aan een straat voorbij Brasserie Royal. Omdat de koffie zo ontzettend tegenviel ga ik eerst daar een espresso halen.

- ⟡ -

Ik loop weer naar het café, groet de zelfde twee jongens met bodywarmers van gisteravond – hoewel veranderd van tafeltje zitten ze er gewoon vandaag weer…

Ik groet dezelfde garçon achter de toog en bestel een espresso. ‘Sit down relax I’ll bring it’ glimlacht hij. ‘Oh I just want to drink it at the bar quickly’ zeg ik. Dat is niet echt zijn plan, want hij is de koffiemachine nog aan het schoonmaken. Maar hij weet snel een espresso te produceren en ik ben blij.

We raken in gesprek. Ik vertel dat ik hier voor een filmfestival ben en laat hem de foto’s in mijn artikel zien. Hij is onder de indruk, maar hij houdt helemaal niet van grindhouse films. Ik ook niet, zeg ik gemoedelijk. De barman komt uit Macedonië. ‘Aaah I have friends there!’ roep ik uit. ‘I have been to Ohrid!’ Oh ja lacht hij, Ohrid kent iedereen natuurlijk. Hij komt uit een andere plaats en woont al een aantal jaar hier in België. Ik vraag hem of hij veel talen spreekt en hij somt een heel rijtje op. Daarna vertelt hij over goede raki, de raki die eigenlijk iedereen zou moeten drinken. Ik zeg dat ik Mastika heb gedronken aldaar, en vraag of hij er niet goed aan doet om die goede raki dan voor zijn bar te importeren. Jazeker, dat doet hij!

Dan moet ik echt verder om mijn bus te halen. Hopelijk is het een korte straat erheen. Ik groet de barman met ‘dobro jutro!’ en hij corrigeert me met een ander woord, dat ‘bye’ betekent. Ik denk dat hij ‘zdravo’ zei, wat ik wel ken, maar dat haal ik er dan niet uit. Ik zwaai en ren de straat over.

Shit, ik moet nog een heel lange straat tot aan de bushalte. En de bus gaat over twee minuten. Nee, ditmaal heb ik het kaartje nog niet gekocht. Ik schijn in de bus te kunnen pinnen. Ik haast me door de lange straat naar een grote kruising. Tweehonderd meter vantevoren zie ik de bus kruisen. Die heb ik gemist. Maar hé, dit is een stad, hij komt vast over tien minuten weer. En dat is ook zo.

Terwijl ik sta te wachten check ik de openingstijden van het Huis van de Toekomst. Ook informeer ik mijn gastheer dat ik misschien niet om twaalf, maar om één uur terug ben. De gastheer heeft inmiddels wel navraag gedaan over de kookplaat, waarvan ik hem snel een foto stuur. Of mijn wens tot een uur langer blijven granted is, zien we straks wel.

Ik zie op de site van het Huis van de Toekomst tot mijn teleurstelling dat het vandaag niet voor individuen geopend is. Groepen mogen er wel op reservering in. Ja koekkoek! Gelukkig maar dat ik nog niet in de bus erheen zit, wat een domper.

Nouja, het Gare Maritime is op 22 minuten lopen vanaf hier, en net tien minuten open. Dan dáár maar heen…

- ⟡ -

De weg naar Gare Maritime loopt volledig langs de havens. Het zijn dezelfde soort havens als we hier in Enschede hebben. Grote terreinen met loodsen, afgesloten door hoge hekken. Palletwagentjes rijden rond. Ik volg de weg aan de linkerkant, en dat is over het fietspad. Dat wordt me ook wel duidelijk door alle keren dat een fietser me bijna schept. Ik moet eigenlijk naar de overkant, waar zo’n zelfde stoep is, maar die meer voor voetgangers bestemd lijkt.

Echter: hoe kom ik de brede drukke weg met aan weerszijden geparkeerde auto’s over? Ik probeer het op een paar plaatsen, maar het is onbegonnen werk. Er wordt rustig 60 gereden en de stroom houdt van beide kanten maar niet op.

Aan de overkant passeer ik bovendien allerlei grote gebouwen waar mensen van niet-Belgische afkomst zich ophouden. Ze dolen wat rond of hangen op de trappen van hulpgebouwen zoals het Rode Kruis en het immigratiekantoor. Liever loop ik daar niet tussendoor, want als me iets overkomt schiet niemand me te hulp.

Na een hele tijd vind ik een redelijke oversteekplaats en schiet de weg over. Ik loop nu dichter langs de rondhangende mensen. Het is wel leuk ook. Er wordt een man geschoren terwijl hij op een kratje afwacht. Echt vrolijk kijken de mensen niet. Ik loop maar stevig door.

Eindelijk, eindelijk, na die 22 minuten lopen, zie ik in een zijstraat het gebouw dat ik zoek. Het valt niet op tussen de andere kolossale gebouwen. Het toeval wil dat er net een enorme vrachtwagen uit rijdt en ik daarom naar binnen spiek en het gebouw herken. Dus, aangezien de deur toch open staat, wandel ik naar binnen.

Niemand houdt me tegen. Niemand kijkt ook op. Er staan IKEA-kasten schots en scheef naast het laadstation, net gebracht zeker. Er zit een jongen verveeld op zijn telefoon te kijken. In een glazen hok – een popup office – zitten twee yuppen achter hun Macbooks heel belangrijk werk te doen. Er is een mooi gedecoreerd ‘Post Office’ waar mensen in de weer zijn. Ik wandel verder de hoofdruimte in.

Het is een oud station, waarvan in het midden de rails zijn geasfalteerd. De zijkanten van het station zijn geheel bekleed met mooi houtwerk. Ja echt, het is imposant. Ruimtelijk en fris, groots en toch gezellig. Maar wat is het nou?

Ik loop van voor tot achter door het gebouw heen. Een popupwinkeltje, een 3D-printing-store, een NFT-shop of zoiets. In het midden worden beurswanden opgezet. Mannen en vrouwen lopen zachtjes pratend rond, wijzen dingen aan. Een oude vrouw zit op een bankje, alsof ze op de trein wacht die nooit meer komen zal. Zonlicht schijnt door de bovenramen naar binnen en maakt stofspikkels zichtbaar in de lucht.

Achteraan zie ik een soort food court. Ha, eten! Daar kan ik mooi lunchen dan. Ik wandel er rustig naar toe. Er is geen kip die naar me omkijkt, en toch. Er is iets vreemds aan deze ruimte. Het lijkt alsof je je in een time-glitch bevindt. Alsof meerdere clusters mensen elk iets aan het doen zijn in dit gebouw – werken, plannen, wachten, vergaderen – maar dat niemand in dezelfde tijd verkeert. Ook ik niet. Ik merk iedereen op, en niemand merkt mij op. Het voelt gewoon heel surrealistisch, maar zelf ben ik volkomen helder (een beetje hongerig, wel).

Ik nader de voedselkraampjes en zie dat ze nog aan het opbouwen zijn. Iedereen miert maar een beetje rondom zijn kraampje. Voedselbakken gaan nog over de toonbank. De ovens worden aangezet. Broodjes worden uit koelkasten getrokken. Niemand is nog klaar. Maar halló, het is toch dik na elf uur? Elf uur open, wil niemand nu wat eten dan? Ik zie mensen aan de balies, maar het blijkt nog meer personeel te zijn. Verveeld slaan ze wat met een poetsdoekje of knopen ze hun sloof voor. Het is toch écht, écht al veertig minuten na openingstijd?

Helaas, dus, ik kan hier geen lunch halen. Maar ik heb bij me. Ik vis mijn vijgenbrood uit mijn tas en neem een paar happen. Oei… het vijgenbrood is oud geworden. Ik heb het ook niet altijd in de koelkast bewaard, denk ik. Het is een beetje gaan gisten zelfs, het ruikt en smaakt naar alcohol. Elke hap smaakt sterk. Dat kan niet goed zijn. Hoewel ik er gisteren ook al wat van heb gehad wil ik nu niet verder eten. Hier in dit stille tijdloze landschap, straks ga ik er nog van hallucineren.

Dus ik stop de koek terug in mijn tas en kijk op mijn telefoon hoe ik nu terug naar mijn kamer moet.

Dat kan door het gebouw via de achterkant te verlaten en dan met een ruime boog terug naar Bockstael te lopen. Joe.

Buiten aangekomen is Google Maps het ook even kwijt. Overal staan bouwhekken. Overal ligt zand. Dat gaat in mijn sandaaltjes zitten en dat is niet prettig voor mogelijk nog komende blaren. Ik wandel maar wat in de juiste richting totdat ik een moeder met kind op hun fietsen door de bouwhekken zie schieten. Eh, hallo? Bouwterrein? Ik volg ze en sta opeens buiten het Gare Maritime-gebeuren, in een heel groot industrieel stadspark. Okee…

Volgens Google Maps moet ik gewoon het pad door het park volgen. Doe ik. Het is nog lekker warm en zonnig en ik kan nog net een stukje op deze sandaaltjes voor ik blaren loop. Dus ik wandel, en ik wandel… ik kom onder diverse oude spoorbruggen door en besef, dat het pad waar ik op loop ooit ook zelf een spoorrails was. Toch best leuk.

Na een tijdje moet ik rechts zigzaggend omhoog en kom ik weer op straatniveau. Wat wel vervelend is, is dat België geen opruimplicht heeft. Overal ligt hondenpoep. Je moet echt goed opletten, vooral als je wat aan de randen van het trottoir gaat lopen. Gelukkig stap ik nergens in.

Ik sta bovenaan eigenlijk gelijk aan de Leopoldstraat en weet mijn kamer te vinden. Gelukkig, de deurcode werkt nog en mijn kamer is ook nog onbetreden. Om 13:05 leg ik de sleutel op het bureau en verlaat de kamer.

- ⟡ -

Ik wandel terug naar station Bockstael en pak dit keer wel de juiste trap om af te dalen naar het perron. Nouja, juiste… de afstand blijft hetzelfde, want nu moet je het hele stuk gewoon over het perron lopen. Maargoed.

Na een tijdje wachten arriveert de trein naar Dendermonde, die mij meeneemt naar Denderleeuw!

- ⟡ -

Annelore appt me over mijn aankomsttijd. Haar hond Butch is vannacht ziek geworden en ze moeten er mee naar de dierenarts. Ze vraagt me om mijn aankomst voor, of na het dierenartsbezoek te plannen. Het lukt ervoor.

Met enige vertraging rol ik station Denderleeuw binnen. Annelore staat al te wachten. Jéétje, we hebben elkaar 13 jaar niet gezien! En toch zijn we allebei nog geen spat veranderd, heb ik het idee. We rijden met de auto door diverse dorpjes verder naar Denderhoutem, dat zelf geen treinstation heeft. Annelore legt ondertussen uitgebreid uit hoe het leven er hier aantoe gaat.

We stoppen bij een hofje met vrij moderne huizen en parkeren voor de deur. Er is veel domotica, vertelt Annelore, terwijl ze de voordeur met haar telefoon opent. Ik vind het wel mooi. Gelijk springen er twee enthousiaste honden op me af. Iker, een zwart type jachthond met leuke flaporen en een spitse snuit. En Butch, meer een model lijkende op een golden retriever. Je hoort het al, ik ben niet zo’n hondenkenner, maar ik vind ze wel lief. Beide honden zijn al oud en hebben kwalen. Butch heeft vannacht overgegeven en daarom blijven Annelore en Jorn liever beneden slapen, plus Jorns moeder komt vanavond zodat ze morgen onder werktijd op de honden kan passen. Ik vraag me af of Annelore het niet hartstikke druk heeft. ‘Nee, nee’ wuift ze weg ‘ik heb juist vanavond een verzetje, leuk naar de film, even ertussenuit.’ Ik ben dan wel van de beloofde logeerkamer naar de studeerkamer verhuisd, maar dat is niet erg; Lore’s schoonmoeder hoort in een bed te slapen.

We installeren ons even met een glas water en een paar koekjes buiten. Het is dreigend weer, maar nog wel lekker warm. Even bijkletsen tot Annelore met Jorn en Butch naar de dierenarts gaat.

Dan laten ze me achter met Iker. Na wat geblaf gaat hij rustig liggen tukken. Ik ga boven even douchen, dat had ik nog niet gedaan vandaag.

Bij terugkomst gaan Annelore en ik nog een ronde om het dorp lopen. Voorheen deed ze dat met beide honden, maar die zijn te oud om mee te gaan. Het wandelen heeft ze echter volgehouden. Terwijl Annelore dingen aanwijst in het dorp stappen we stevig door over allerlei paden. Ik heb geen idee, ik volg haar maar. Soms lopen we zo ineens buiten over de stoppelvelden, dan weer nemen we een nauw steegje tussen twee huizen door. Ik vind het allemaal wel mooi.

We komen weer thuis aan, waar Jorn al ruim bezig is met vlees, rode kool en aardappels klaarmaken. Heerlijk. We zetten ons nog even buiten met een glas water (en M&M’s, waar ik zo voor etenstijd niet te veel van moet hebben) en daarna kunnen we aan tafel. Het eten smaakt goed, en het is sowieso fijn om ook vanavond weer goed te eten.

Na het eten gaat Jorn zijn moeder van het station halen. Annelore voert de honden hun medicatie. Zo langzaamaan wordt het tijd om me te gaan omkleden. Zodra haar schoonmoeder arriveert vertrekken we naar boven.

- ⟡ -

We hebben welgeteld een uur om ons om te kleden. Nou, in vijftien minuutjes heb ik mijn jurk aan. Lore helpt met dichtritsen. Het zou wat zijn als ik net nu de rits zou breken, dus dat moet met wat beleid.

Lore weet nog niet wat ze dragen wil, maar met een tuinbroek past ze helemaal in het plaatje van alle figuranten die ik gezien heb. Dus dat is ook geregeld.

Dan de vlechten. Eerst maakt Lore een mooie knot op mijn rechter achterhoofd. Maar mijn haar is veel te glad en te dun en de knot ziet eruit als een soort suikertaartje. Doen we niet. Aan de andere kant maakt ze een strakke vlecht die over mijn schouder komt te hangen. Yeay! Doe daar maar twee van. Het is echt leuk.

Mijn kostuum zit, past, ik doe nog wat extra make-up op. Heel even zitten we nog in de woonkamer, waar Jorn en zijn moeder bespreken waar dat hele Mad Heidi-verhaal nou om draait. Oké, tijd om te gaan…

Gelukkig heeft Annelore een prima idee van waar het is (dát had ik dus nog niet uitgezocht) en dus stappen we in de auto en we zoeven erheen. De snelweg op, de ringweg rond Brussel, die tot Lore’s genoegen echt lékker rustig is zo bij nacht (wat? Ik vind het aardig druk!). We naderen Brussel en gaan richting het Atomium. Daar zullen de beurshallen (oftewel ‘paleizen’, spreek uit palè-zen) zijn en in Paleis 10 draait de film. You say it!

Naarmate we dichter langs het Atomium rijden probeer ik uit het raam foto’s te maken. ‘Geen moeite!’ zegt Annelore en parkeert de auto er echt vlak onder. Ik ben flabbergasted. Wat cool! Het is nog steeds droog en warm, dus we lopen even wat richting het Atomium voor een paar foto’s. Daarna terug naar de ‘paleizen’ – stuk voor stuk heel verschillende imposante gebouwen op een enorm beursterrein. Het overkomt me.

We lopen de trappen van Paleis 10 op. Vrijwel gelijk loopt er iemand door de zuilengallerij op ons af. Ik herken hem. ‘Heidiii you’re here, how cool!’ roept hij uit, en geeft me een joviale omhelzing. ‘Gotta get something from the car, be right back’ roept hij ons na terwijl hij zijn weg vervolgt. Wij gaan naar binnen. ‘Wel leuk zeg, dat je gelijk herkend wordt zo!’ zegt Lore blij. ‘Ja, dat was de regisseur’ glimlach ik.

Ennnn! Dat is hoe het begint…

We staan na binnenkomst gelijk in een grote zacht verlichte hal met een glanzende plavuizenvloer. In het midden zijn bistrotafeltjes en -stoeltjes, waaraan fans wat zitten te drinken. Langs de wanden zijn de muntverkoop, de bar, de VIP-ruimte, de ingang naar de zalen, een fotobooth, een paviljoentje voor de Q&A sessions. Op de bovengallerij rondom is een expositie van I.R. Giger-achtige kunst.

Oké, eerst maar eens muntjes en wat te drinken. Gelijk word ik aangesproken door het personeel. Trots laat ik zien dat ik écht Heidi heet. Iedereen achter de balies is onder de indruk. We gaan door naar de bar en halen frisdrank. Ik moet nog even terug voor een extra statiegeld-munt, en ook dat geeft oponthoud omdat ik benaderd word. Allemaal leuk, hé!

Terwijl we onze drankjes krijgen zegt Lore ‘uhm, ze kijken naar je vanuit de VIP area’. En dat klopt. Diverse cast en crew kijken bewonderend over het hekje naar mijn outfit. Ik glunder.

Lore en ik besluiten maar gewoon een rondje langs de expositie te gaan doen. Dat is ook mooi. Er zijn allerlei surrealistische beelden en buitenaardse creaturen om te bewonderen. Dan kijken we naar beneden. ‘De cast en crew staan in de fotobooth’ merkt Lore blij op. ‘ Ja, nou, uh, daar durf ik niet zomaar tussen te gaan staan hoor…’ ‘maar we kunnen er toch voorbij lopen. Kijk de zaal is daar, we móeten er langs…’ haar ogen glimmen. Oké! Fijn om Lore bij me te hebben, gewoon rustig… maar als het erop aankomt zó’n heldin!

We gaan naar beneden maar worden onderweg door de zaal weer opgehouden door allerlei fans. Foto’s, foto’s, foto’s. Er is zelfs één fan die mij van mijn Instagram herkent! Hallo hé! Hijzelf is figurant in de film geweest.

Tegen de tijd dat we de fotobooth bereiken is de cast en crew van Mad Heidi al weg. Ah, pech. Die zien we vast nog wel vanavond. Een groep Ghost Busters-figuranten wil met me op de foto. Hey joh, tof! Een soldaat van Mad Heidi sluit zich er ook nog bij aan. Lore maakt overal foto’s van, wat een lol.

Midden in de zaal staat echter actrice Alice Lucy nog. Heel onopvallend in een zwarte catsuit, soms pratend met mensen. Ik loop op haar toe, ze draait zich om. We kijken elkaar allebei even verbaasd aan, met als gevolg dat ik echt even geen woord uit kan brengen. Ik zie in haar blik dat ze het cute vindt dat ik gewoon met de stomheid geslagen ben. Dan barsten we los in gepraat.

We lopen naar de fotobooth en worden vrijwel direct gevolgd door een zwerm fans en journalisten. flits, flits, flits doen de camera’s. Ik heb geen idee hoeveel foto’s er genomen worden. We doen stoere poses en praten tussendoor met elkaar. Een slimme fan wil ook nog met ons allebei op de foto.

Dan lopen Lore en ik verder naar de zaal. Een behoorlijke menigte begint zich voor de zaaldeuren te vormen. Lore probeert vooraan te blijven opdat we een goed plekje zullen hebben. Ik vergeet dat en word ook meermaals gevraagd om nog op de foto te gaan. Dus we dwarrelen wat af naar de staart van de groep. Ik maak foto’s van de meute. Een groot deel blijkt zelf figurant te zijn geweest. Eén boer is zelfs in mosterdgele wollen trui en tuinbroek en heeft een grote houten dorsvlegel bij zich.

Het loopt tegen half elf, maar kennelijk moeten er voor de ingang van de zaal eerst nog een behoorlijk aantal foto’s met de crew worden gemaakt. Dan opeens gaan de zaaldeuren open en mogen we op vertoon van ons ticket naar binnen. Ik heb onze kaartjes keurig geprint meegenomen dus we kunnen zo door. Lore en ik zoeken een plaatsje vooraan, maar wel op zo’n plek dat we geen nekpijn gaan krijgen.

Zodra we zitten spot ik de cast & crew rechts vlak voor het podium. Ik wandel er even naartoe. Een journalist maakt met mijn telefoon foto’s van ons. Een journaliste begint mij te interviewen. ‘So you are the eeh… actress, right?’ ‘No that’s her, behind me’ en ik wijs op Alice. De journaliste verontschuldigt zich en stapt gelijk op de totaal onopvallende Alice af om het gesprek voort te zetten. Was leuk!

Ik ga weer naar mijn plaats terug en we wachten op het begin van de film. Eerst moet de cast en crew – na introductie van de spreekstalmeester – het podium op, en gaan ze zowaar zelfs het ‘Heidi thema’ zingen. De hele zaal zingt mee, dat belooft wat.

De film begint. Iedereen joelt uitbundig. Ik begin steeds meer te geloven dat het gewoon 50/50 figuranten en filmfanaten is. Het joelen gaat de hele film lekker door. Bij bloedspatters wordt er flink geschreeuwd. Als de bad guys in beeld komen wordt er gegromd en getierd. Als de good girl en guys in beeld zijn, wordt er instemmend gejoeld. Als mevrouw Rottweiler (oorspronkelijk Rottenmeier) aan het woord komt, wordt er geblaft. En zodra Mad Heidi van zich af begint te slaan, gaat de zaal helemaal los in aanmoedigend geschreeuw. Lore en ik lachen wat af, ondanks de herhaaldelijke ‘ketchup-scènes’.

Na de film lopen we terug naar de grote hal. Er worden blokjes kaas uitgedeeld, die ik schuchter aanneem (spoiler: in de film weigert Heidi kaas). Dus elk blokje eet ik opzichtig achter mijn hand op, wat ook weer de aandacht van mensen trekt. Dan passeer ik twee figurant-soldaten en een kampbewaakster met een knuppel. De soldaten en ik zien er wel een lolletje in en ze grijpen mij bij mijn lurven. Hevig theatraal spartelend laat ik me meevoeren naar de hal. Ik trek de raarste bekken. Lore loopt eerst achter ons, maar omzeilt de groep en loopt dan voor ons uit. Daarvan dus die memorabele foto’s…

Na nog wat steelse blokjes kaas laten de soldaten mij gaan en begint de Q&A-sessie. Lore en ik lopen nog een rondje door de zaal, voor niets eigenlijk – het voelt als tijd om naar huis te gaan. Toch nog even bij de Q&A-sessie luisteren en een inhoudelijke vraag stellen. Joe, signing off. Het is echt bedtijd.

Buiten motregent het, maar gelukkig de auto stond niet ver weg. Ik reken het parkeerkaartje af en we cruisen weer naar het gezellig kleinschalige Denderhoutem.

In de studeerkamer ligt een matras en een dekentje voor me klaar. Ik poets gauw mijn tanden en plof neer, op naar dromenland…

donderdag

Weer een heerlijke nacht als een blok geslapen. Wat kan ik dat toch goed. Er is echter wel een fanatieke haan in de tuin hier ergens achter, die zijn aanwezigheid moet laten horen. In je slaap heb je geen besef van tijd, maar volgens mij heeft dat beest sinds vier uur onafgebroken lopen kraaien. Maargoed, zo heb ik ze wel vaker meegemaakt.

Tegen acht uur word ik echt wakker. Ik app Annelore met de vraag waar zij uiteindelijk geslapen heeft, gezien de gezondheid van de honden. Gelukkig boven. Haar man is vroeg gaan werken en haar schoonmoeder is zo te horen ook al op. Enfin, dan kan ik wel even inpakken en komen ontbijten.

Ik ruim mijn matras af en pak mijn rugzak in. Ik raak nog ergens mijn drie etuitjes kwijt – lenzen, make-up en zonnebril – en zoek me er een ongeluk naar. Ik blijk ze bovenop in het mesh-vak te hebben geparkeerd, waar ik ze totaal niet zoeken zou.

Beneden zitten Lore en schoonmoeder al aan de bar. Ik schaar me erbij en we eten pistoletjes met beleg. Annelore’s schoonmoeder praat zachtjes, omdat ze iets aan haar stem heeft. Ze mag ook niet veel praten. Ik doe mijn uiterste best maar soms versta ik haar zachte Vlaams gewoon niet en moet ze het herhalen! Oh, oh oh. Annelore voert haar honden weer de medicatie en vraagt me hoe laat ik op de trein wil.

Iets na tienen gaat er een trein, kan dat? Ja, dat lukt. Ik poets mijn tanden, haal mijn tas van boven en we springen in de auto. Lore hoeft zelf pas ’s middags te werken.

Bij het station word ik weer geconfronteerd met het geweldig onduidelijke Belgische reissysteem. Op het papieren vertrektijdenbord staat de trein naar Brussel aangekondigd op spoor 6. ‘Oh das wel ver’ weet Annelore en trekt een sprintje. Da’s ook wel waar, dus ik ren mee. Staan we boven op spoor 6, zien we één spoor verder dat de trein aangekondigd is op spoor 3. Echt? Ja echt. Okay, hup de trap weer af, een terug de trap weer op. Nou, op zich nog geen trein, we zijn nog op tijd. Als we er staan blijkt hij ook nog op spoor 4 te komen en niet op 3. Da’s gelukkig op hetzelfde perron. We maken nog snel een selfie waarop we wel ‘heel kleine oogjes hebben’ aldus Annelore, en dan stap ik in de aankomende trein.

Hoe ik het presteer om nauwelijks 10 minuten later de volgende foto te maken met mínder kleine oogjes, weet ik niet. Misschien keek ik wel gewoon tegen de zon in?

We hobbelen voort richting Brussel. Ditmaal vraag ik wat het juiste vertrekspoor voor de trein naar Verviers is en loop er ook direct goed heen. Hoplakee, Go West!

De reden dat ik vandaag nog zo’n toer door België ga maken is simpelweg rancune. Eigenlijk had ik gewoon hup noordwaarts richting huis willen gaan en tegen vieren thuis willen zijn. Nu ik weet dat ik in België tot aan de Nederlandse (ofwel Duitse!) grens gratis reis, wil ik daar nog even volop gebruik van maken.

Mijn wens was eigenlijk zelfs om naar Luxemburg te gaan. Clervaux en Troisvierges klonken als interessante namen (misschien omdat Epica een song ‘Trois Vierges’ heeft, maar wat zegt dat over zo’n stad?). De Interrail app rekent me allerlei routes voor, maar ik moet ook weer terug. Ik kan praktisch gezien ongeveer een half uurtje in Luxemburg vertoeven en dan moet ik alweer op de trein terug. Kortom: dat is niet genieten en dat is het niet waard.

Wat is dan wel genieten? Eh… even wat drinken van het water van Spa? Deal.

Vanaf Brussel trein ik dus rustig via Verviers naar Spa. We stoppen nog in Leuven, stads, en daarna wordt het landschap steeds romantischer. Glooiende heuvels worden lage beboste bergen, de windmolens maken plaats voor kleine watervalletjes. Dit moet dan de noordflank van de Ardennen zijn. Niet te veel op mijn telefoon staren, buiten is het mooi en zonnig!

- ⟡ -

Tsjoek-tsjoek!

- ⟡ -
Tsjoek-tsjoek!
- ⟡ -

We komen aan op Verviers. Ik heb nog driftig in de Interrail-app zitten herberekenen of Luxemburg niet tóch nog een optie was. Zo ben ik. En als je eenmaal Luik voorbij bent en je ziet hoe dichtbij dat derde land lijkt, dan wil je er voor de volledigheid gewoon éven heen. Toch?

Nee, ik ga het niet doen. De bestemming is Spa.

Op Verviers heb ik overstaptijd, dus ik loop even naar de stationsrestauratie. Buiten is het een beetje grauw en bewolkt. Een normale doordeweeksedag, je ziet het. Belgen sloffen rond het station, schooljeugd kijkt verveeld naar me op.

Er is geen eetgelegenheid open of wat, dus ik houd het maar op de vending machine. Die spuugt voor mij twee – heel toepasselijk – Luikse wafels uit. Ik stap in de eerste klasse van het kleine treintje naar Spa, dat al klaarstaat op het achterste spoor. Mijn kant kijkt uit op een rotswand, maar ik vermoed nog wel mooier uitzicht op de route!

De conductrice checkt mijn kaartje en daar gaan we. Op naar de wondere wateren van Spa!

- ⟡ -

Dit gaat bij uitstek één van ‘Heidi’s Hachelijke Ondernemingen’ van deze reis worden, wees gewaarschuwd.

We komen aan in het slaperige Spa. Op een klein stationnetje (tralalala) stap ik uit. Het is bewolkt, maar warm. Ik raadpleeg Google Maps voor de route naar de thermen. Hoe ingewikkeld moet dit zijn voor Engelssprekenden. De spa in Spa! Is niet het hele dorp de spa dan? Nee, die ligt vast… juistem. Op een berg. Niet te hoog, hoop ik.

Ik loop noordwestwaarts het station uit naar de hoofdstraat. Rechts hoor ik aanhoudend kindergekwetter. Vast speelkwartier, maar hoe luid! Het hele dorp kan meegenieten van het gejoel en gegiechel. Ik zie de kinders ook niet. Maar hé, zo dicht bij het spoor, daar zal wel een groot dicht hek omheen staan.

Ik heb me net in de trein even ingelezen op de toegangsregels van de thermen. Er is een zwembad, een sauna voor gekleed volk en een sauna voor naturisten. Er is ook een lunchroom (optie) en een restaurant (mogelijk optie). Ik heb min of meer al bepaald dat een glaasje Spa-water drinken niet voldoet. Nu ik hier ben wil ik er ook in ronddobberen. De regel hiervoor is strikt: alleen in badpak. Laat ik dat nou net niet ingepakt hebben. Je kunt ze ter plekke wel kopen, voor maarliefst € 25,-. Ik heb al drie badpakken, dus dat vind ik een beetje gortig. Is er geen shortcut naar de naturistensauna? Zal ik er toch alleen gaan lunchen?

Aan de stationsstraat valt me een autootje op met op de achterbank een tas van de Action. Ze hebben hier vast een Action! Dáár ga ik heen en koop een badpak van een tientje! Verguld met dit idee begin ik mijn weg. Hé, daar rechts is een Zeeman. Die hebben vast wel badpakken! Verheugd loop ik er binnen met mijn bepakking, zo door naar achteren. Ze hebben wel pyjama’s en lingerie, maar geen zwemkleding. Ik overweeg nog of een combinatie van slip en sportbh door kan gaan voor badkleding, maar durf het niet aan. Onverrichter zake marcheer ik de winkel weer uit. Door naar de Action.

’22 minuten lopen, in een zijstraat’ weet Google Maps me te vertellen. Moet te doen zijn. Ik weet precies waarvoor ik kom dus ik hoef maar vijf minuten binnen te zijn, en de terugweg is korter want de thermen liggen halverwege. Ik stap stevig door.

Onderweg stop ik even bij een fonteintje en steek mijn handen onder het water. Zó! Ik heb water uit Spa aangeraakt!

Even verderop twijfel ik toch over de omweg. Ik bel de thermen. Doorkiesnummer drie voor Nederlands, wat fijn. Een Vlaamse staat me te woord terwijl ik me ophoud in een echoënde inrit onder een oud gebouw. ‘U kunt alleen komen lunchen, ja dat kan, zonder te baden.’ ‘Voor het baden móet u badkleding hebben, ja.’ Hm. Ik bedank haar en loop dan maar verder. Ik ben nu toch al halverwege.

Het gaat nog een stukje heuvelop en dan moet ik linksaf. Dit is wel duidelijk het centrum uit, deze weg kronkelt zelfs rond om de berg waartegen het stadje gebouwd is. Schuin omhoog gaat het. Parallel links zie ik een weg die lager rond de berg loopt. Links beneden mij de Carrefour-supermarkt. De ingang ligt aan de andere straat, maar er is vanaf hier ook een strook asfalt naar de parkeerplaats. Zal ik hier oversteken en daar verder lopen? Nee, Google Maps zegt dat de voorkant aan deze straat ligt, straks sta ik onderaan een berg met bovenop de Action. Ik wandel door. Ik kijk op het dak van de Carrefour, bosjes, één, twee woonhuizen… ‘U meent dit niet’ zeg ik regelmatig hardop. De Action zou hier links moeten zijn, waar is het? Na nog ettelijke tuinen en huizen zie ik links onder me, achter een muurtje, opeens het platte dak van de Action. De ingang ligt dus tóch aan de andere kant!

Het hoogteverschil is nu zo groot dat ik echt een meter of drie moet afdalen naar de parkeerplaats. Gelukkig hebben meer mensen dat gedaan, door een poortje in de muur, over een braakliggend stukje grond met een geitenpaadje. Wat een geluk dat ik stevige schoenen aanheb en een ergonomische trekkingrugzak. Ik hups behendig de laatste anderhalve meter van het landje af op de parkeerplaats, en loop doodgemoederd richting de Action.

De Action in Spa ziet er precies uit als eentje die ik in Hengelo ken. Ik wandel met spoed door de paden. Sportkleding, badartikelen, … geen badpakken. Gewoon geen badpakken. Nouja, die zijn ook een hel om te ruilen. Ik trek mijn conclusies en loop gewoon de winkel maar weer uit. Zie de Bristol. De Bristol! Gelijk de Bristol in.

Op een donderdagmiddag is de Bristol nagenoeg uitgestorven. Een jong meisje komt verveeld van achteren doet met een wat onbestemde blik alsof ze kleding op haakjes rechthangt. Ik loop direct op een rekje met damesbadpakken af. Het eerste badpak is beige met oranje-witte margrietjes. Hallo! Ik wilde een badpak, maar niet dit! Dit schijnt vast door. Dan zie ik zwarte badpakken hangen. Ik kijk naar de prijs. 25 euro… onwillekeurig knars ik met mijn tanden. Ik, Heidi, ben een loei-eind omgelopen, een heuvel op, een hellinkje af, een Action door, om een badpak te vinden dat precies zoveel kost als bij de thermen!? Oh, waarom leer ik toch nooit van mijn geweldige koppigheid?

Een beetje teleurgesteld scan ik de winkel af naar andere rekjes met andere badpakken. En ik heb geluk! In een middenpad staat een rekje met sportbadpakken. Ik pluk een mooie maat 42 ertussenuit en die blijkt ‘maar’ 17,50 te kosten! Victorie! Ik vind het model (sportief) de kleur (zwart) en de prijs (minder dan in de thermen) oké en de tijd dringt onderhand, dus ik reken af. Ik poekel in het Frans wat beleefdheden en vervolg mijn weg. Nu hoef ik alleen nog maar naar de thermen.

Toch. Toch??

Ik loop nu langs de ‘juiste’ kant de weg weer omlaag. Het is nog steeds lekker warm en zonnig, eigenlijk best wel mooi zo’n wandelingetje. Google Maps vertelt me dat ik ‘de binnenbocht’ kan pakken, gelijk hier ergens rechts de straat in en dan met een bochtje de weg volgen… en dan zal ik de thermen bereiken. Nou, doen we.

Ik volg een eindje de straat en kijk dan naar rechts. ‘Rue du Jeu de Paume’ zegt het bordje. Ja, dat is juist. Hier moet ik in. En steil omhoog! Enige hesistatie, maar ik ga door. Dit is de snelste weg volgens Google, en ik wil nu wel eens badderen. Ik stiefel met flinke tred omhoog, raak buiten adem, stiefel verder, het zweet breekt me uit, stiefel weer verder. Maak een scherpe bocht naar links en stiefel weer hardnekkig verder, steil de berg op. Dit is maar even, houd ik mezelf voor. Maar dat is het natuurlijk nooit, ik heb meer van dit soort weggetjes gelopen. Dit is nooit ‘even’.

Achter me komt een wit autootje de bult op rijden. Een vrouw parkeert in de bocht – waarschijnlijk omdat haar wagentje het verder gewoon niet trekt – en loopt langs me heen naar een huis. Waarschijnlijk zie ik er met mijn trekkingkleren en rugzak zo normaal uit dat ze gewoon denkt dat ik een lange wandeling aan het maken ben.

Ik loop almaar verder – het doel is nu welzeker, ik heb het badpak, ik gá naar de spa, daar is geen twijfel meer aan! maar nu ga ik toch echt het bos in. De geasfalteerde weg eindigt, het laatste huis laat ik achter me, en ik wandel gewoon domweg het bos in. Weer linksaf, dat gaat wel goed. Maar deze mooie bosroute, die eerst niet onderdoet voor de buitenwijken van Helsa, en later zelfs doet denken aan de Dorenther Klippen, had ik toch niet bepaald verwacht. Maar houd moed, de thermen zijn vast om de hoek. Het is immers nog maar vijf minuten lopen, zegt Google Maps. Het móet wel dichtbij zijn!

Ik zweet me onderhand te apelazerus. De jas gaat uit en onder in de tas. Op een gabelung kom ik een mannetje met een wandelrugzak tegen. ‘Bonjour’ ‘Bonjour, je viens a les thermes’, lach ik. ‘Là, a gauche’ wijst hij, en loopt in een langzamer tempo achter me aan dezelfde heuvel op. Al snel raakt hij verder achterop. Ik moet weer ergens linksaf slaan, maar Google is niet duidelijk over de locatie van dit bospad. Parallel lopen twee verharde wegen naar de huizen hier op de heuvel, en als ik de verkeerde pak daal ik te veel af. Dan zit ik te laag en moet ik (door iemands tuin) weer omhoog. Een paar keer twijfel ik wat, maar dan sta ik opeens op een verharde rotonde. Op één hoek staat een groot imposant bord. De thermen!

- ⟡ -

Ik ben er, tien over half twee. Zwetend als een malle, maar blij, stap ik binnen. ‘Bonjour’ begin ik weer, maar merk al snel dat ik deze kwestie niet red in het Frans. We gaan over op Engels. De dame wijst me waar ik moet zijn. Ik vraag om een korting, omdat ik weet dat ik echt maar één uurtje blijf. ‘Gotta catch the train back to the Netherlands’. ‘One hour…’ mompelt ze terwijl ze in de computer zoekt. ‘Eight euros, then’. Ik ben echt superblij met deze uurs-prijs (dat kan dus blijkbaar!) en vertrek naar de omkleedhokjes.

Ojee, mijn tas! De kluisjes zijn veel te klein. Ik mag mijn tas achter de balie leggen. Snel pak ik de meest belangrijke spullen eruit en haast me weer richting badhokjes.

Vanaf daar is het allemaal ‘a breeze’. Mijn badpak past netjes, ik kan mijn spullen iets verderop kwijt, en dan ga ik met mijn handdoekje het zwembad in. Stralend als een koningin betreed ik de baden. Heerlijk warm, mooi gebouwd, in een groot koepelvormige ruimte met overal glas. Door de bomen heen heb je uitzicht over het hele stadje. Ik zwem loom rondjes en hang hier en daar op bubbelbankjes. Hier en daar moet je een hoekje of bubbelbadje delen met een verliefd paartje, maar toe maar.

Ik zwem naar buiten en ook daar is het heerlijk. Warm water, sproeiers, bubbelbankjes en een stroomversnelling. Echt lekker. Ik blijf overal een beetje hangen en let ondertussen op de tijd. Ik moet om 14:40 weer het bad uit zijn. Nou, dan heb ik alles ook wel gezien ook. Oh nee! De sauna’s!

Snel loop ik nog even naar boven. Snel en sauna combineert natuurlijk niet, dat is wel jammer. Dus zit ik 2 minuten in de Finse sauna, die ook uitkijkt over de stad, en het kabelbaantje naar beneden toe. Ik zeg je: je kunt hier nog veel langer verbrengen, eten op het terrasje boven de kabelbaanstation enzo. Maar dat hoeft nu allemaal niet. Ik duik nog even 2 minuten de hammam binnen, wat een stiltezone is, maar daar wordt absoluut geen rekening mee gehouden. Ik loop een donkere mistige ruimte in en overal klinkt Frans gebabbel. Ik zet me dus maar heel even op een hoekje op de bank, maar ga ook snel weer naar buiten. Aan de stemmen te horen lijkt het alsof er wel vijftig man om me heen zitten.

Ik ga weer naar beneden en richting de badhokjes. Je moet even door een voetenbad heen met aan weerszijden ‘barres’ en ik kan het niet laten om even een korte imitatie van Lucille Ball’s ‘I Love Lucy – The Ballet Class’ te mompelen. Zoek maar op, hilariteit uit de zwart-wittijd. Dan druppel ik het omkleedhokje in en doe mijn business. Het badpak knijp ik zo goed mogelijk uit en wikkel het in de handdoek. Hij moet maar zo mee in de tas.

Ik krijg bij de ingang mijn tas terug, stop alles er redelijk netjes in, en begin mijn wandeling terug naar het station.

Inmiddels heeft het geregend en is het bospad wat nat. Ik moet over een boel boomwortels die allemaal glad zijn. Even voorzichtig nu, ik ben goed in uitglijden zo. Ik eet nog een laatste stuk van mijn Luikse wafel en daal dan af naar de straat. Hé, fijn, een Spar. Ik doe even cheape inkopen – wat plakjes vleeswaren, een rond doosje Maredsous-kaasjes, en een banaan. Ik vervolg mijn weg naar het stationnetje en ga het daar op een bankje oppeuzelen.

Ik blijk naast het heertje te zitten dat ik eerder vanmiddag in het bos tegenkwam! We voeren een simpel gesprekje in het Frans. Hij komt uit de buurt en hij wandelt graag. Wat aardig toch. Ik houd het ook maar kort. De thermen waren mooi.

Een scholiere zet zich tussen ons in wanneer de hemelsluizen opengaan en het opeens stortregent. Ik geniet ervan. Het wordt ook niet echt kouder en de zon is zo weer terug. Dan arriveert onze trein. We hebben nog steeds dezelfde conductrice, die mij ook weer herkent. Ik hoef mijn ticket niet te laten zien.

Nou, dit was dan het zuidelijkste punt… op naar Nederland!

- ⟡ -
Terug naar huis… het lijkt nog zo ver, maar volgens de Interrail app gaat het lukken!
- ⟡ -

Seinstoring, staking…

Wederom moet ik bij de grensovergang een kaartje tot aan het grensstation kopen. In dit geval is dat Visé en ik koop dus netjes via de NS-website een ticket van Visé naar Maastricht. Achteraf gezien was Visé – Eijsden ook in orde geweest, maar dat wist ik daar nog niet. Zoveel glitches in deze reis, meestal ben ik beter voorbereid.

Onderweg fluistert er opeens een nieuwsbericht door de coupés. ‘The Queen has passed away’. Ik neem het in me op, Google. Het is echt net bekend. De Britse nieuwswebsite ligt plat. Ik lees er elders een beetje over en ga dan weer verder in mijn boek. Het gebeurt, de wereld gaat door.

Ergens bij ’s Hertogenbosch of Nijmegen komt er opeens een stroom aan passagiers de coupé binnen. Vier meisjes ploffen neer op de vierzits naast me. Ik denk net dit Gooise gekwebbel direct te moeten aanhoren als er zich ook nog drie dames hierbij voegen. Eigenlijk ongevraagd komen ze in mijn vierzit zitten. Dat past, maar dan moet mijn trekkingrugzak ergens heen. Ik doe wat het simpelst is: ik ga een plaats naar achter zitten. Zonder omhaal vervolgen de dames hun klaaggesprek, er kan ook geen bedankje vanaf.

Ik zit inmiddels wel rustig een bank verder weg van deze dubbele kakofonie. De meiden kwebbelen over alles waar jonge studentes het maar over kunnen hebben. De pikorde is compleet; je hoort gelijk wie het hoogste woord heeft, wie bijvalt, wie erbij wil horen. Dan de dames recht voor me. Kennelijk zijn ze rotten in het vak, dames van het eerste uur, in een baan die waarschijnlijk iets met content management te doen had. In hun ‘heydays’ vonden zij uit hoe het allemaal moest, documenteerden het, en toen gebeurde er iets… en nu zijn al hun banen overgenomen door goedkope jonge contentmanagers (niet toevallig de meisjes links, die zijn heuse rechtenstudentes, die kirrend naar links swipen op elke jongeman die een minder imposante opleiding heeft). Kortom, de voormalige content-manager-dames zijn verbolgen over hun aftreden. Ik merk ook op dat het een soort reünie is, dit uitje. Op een volgend station ergens gaan ze met veel gezwaai uit elkaar en beloven elkaar dit gauw weer eens te doen. Ja, het zal wel lekker zijn, zo klagen. Ik begrijp niks van vrouwen, jong of oud.

Op Zutphen hop ik uit de trein. Hier neem ik de boemel naar Hengelo, en dan… …dan zal ik stilstaan op Delden. De trein rijdt niet verder. Een seinstoring verderop, wordt ons verteld. Ik app en bel Michel, of die toevallig nu in Delden is? Hij heeft natuurlijk zijn videopresentatie, ik wil hem niet storen. Ik moet wat doen. Dus hop ik weer terug de intercity in die me naar Deventer brengt.

Op Deventer hoor ik dat een terugkerende trein naar Roosendaal niet zal rijden, vanwege de morgen beginnende stakingen. Heb ik in die drie dagen treinreizen die dans mooi ontsprongen…

Afijn, zo stap ik op Deventer over in de intercity naar Enschede. Welke optie ik ook neem, ik ben altijd om 22.14 thuis.

In de laatste trein kom ik naast een wat nors kijkende vrouw te zitten. Ze is ouder dan ze op het eerste gezicht lijkt. Ik – moet je nagaan, nog altijd met de twee vlechten van gisteren – parkeer mijn tas, trek mijn groene veldfles eruit. Pak ook het gekochte flesje aloë vera-water erbij. Giet de inhoud (water) van het veldflesje bij de aloë vera. Drink het met smaak op. Onderwijl lees ik mijn e-book ‘My Home in the Alps’. De vrouw gaat geloof ik van nors steeds verbaasder kijken, hehe. Nou, homeward!

zaterdag

Michel en ik staan rond negen uur op. Hij zet koffie en dekt de ontbijttafel. Daar lag gisteravond nog een heel grid aan reisspullen op, maar nu zit alles ingepakt en heb ik de tafel ‘vrijgegeven’ voor ontbijt. Het is me gelukt om één rugtasje, wederom het 6-euro rugtasje van de Wibra, wat een ding toch – vol te pakken met kleren, toilettas en meta-spul (opladers, sloffen, badpak). Dan het dikke koeltasje van Epartment vol met stroopwafels, pindakaas, Goudse kaas, en chocoladeletters. Én, voor baby Julen, het boekje ‘Nijntje vliegt’. Wordt nog een knappe uitdaging om dat voor te lezen, maar Julen heeft zijn eerste vliegreis al gehad, dus het zal zeker toepasselijk zijn in de latere jaren.

Om tien voor half elf stappen we in de auto. We zoeven eerst langs de manege, waar een chocoladeletter voor mij klaarligt. ‘Ha Heidi, de chocoladeletters liggen in het kantoor, kun je gelijk even…’ ‘nee! Ik ben onderweg naar m’n reisbus!’ Ik snaai snel mijn chocoladeletter mee, noteer mezelf als afwezig voor de les van maandagavond, en vlieg de manege weer uit. Naar het busstation!

Michel parkeert de auto ten noorden van het station en trekt een kaartje. We lopen onder het Randstadgebouw door naar de haltes. Het is zo koud. Ik ben gelukkig warm gekleed en houd Michel warm. ‘Zullen we in de auto gaan zitten, of ergens een koffie drinken?’ Ik vind dat laatste een prima idee, mits we maar uitzicht hebben op de Flixbushalte.

Bij het koffiebarretje aan het station halen we een espresso en hebben, als de Makro-vrachtwagen is weggerold, vrij uitzicht over de vertrekplaatsen. Ik ontwaar al wat andere reizigers met groene labels. Net als ik mijn espresso op heb, rolt de bus binnen. Ik snel naar buiten. Michel volgt me op de voet. Ik geef hem nog snel wat kussen en knuffels en dan mag ik de bus in. Mijn koeltasje met eten mag mee en hoeft niet onderin. De chauffeur doet geheel niet moeilijk over de maten van mijn bepakking. Fijn. Het koeltasje gaat in het bovenvak, mijn rugtas voor mijn voeten. Ik kies een plaats naast een meisje met rode krullen. Zij gaat naar een kerstmarkt in Münster.

Onze buschauffeur stelt zich voor als Busfahrer Klaus. Nou, wie het instructiefilmpje van Staplerfahrer Klaus heeft gezien… goed. Te vinden op Youtube, niet voor de zwakke maag. We rollen langs de normale wegen Enschede uit en bereiken rond kwart over twaalf Münster. Het stadsverkeer stokt een beetje, we moeten natuurlijk helemaal in het centrum zijn, dicht bij het station. Anders dan met een trein is dat gewoon wat lastiger. Hier geen groen of rood sein, maar minstens tien verkeerslichten die net allemaal op rood springen. De bus wurmt zich overal tussendoor.

Wachten in Münster

We houden halt op een winderig pleintje met meerdere bussen. Ergens vierhonderd meter verderop ligt het treinstation. Ik heb niet veel zin daar heen te lopen. Mijn aansluitende bus komt pas over een uur, dus ik steek de straat over naar een paar kleine shops. De dönertent en kiosk met TL-verlichting sla ik maar over. Koffiehuisje Benami lijkt me perfect. Het is als de Bagels en Beans. Ik settel aan een tafeltje en bestel een lekker ontbijtje met een cappuccino. Nu een uurtje wachten…

Om 13:00 komt er een groep binnen die mijn stoeltjes aan hun tafel schuiven wil. Dat vind ik goed, als zij even op mijn tassen passen terwijl ik een pipi doe. Snel geregeld. Daarna pak ik in, reken ik af, en steek netjes via de zebra de straat weer over naar de standplaats. Er staan al twee Duitse meisjes, Silke en Meike. Ze hebben geshopt in Münster en hebben het nu al koud. Gedrieën stappen we rondjes over de bushalte, in hoop de bus aan te zien komen. Niks.

Een kwartier gaat voorbij. Een half uur. Tegen tien voor twee kijk ik weer op mijn horloge. Er staat geen wind, maar langzaam verkleumen we toch. Ik beweeg mijn vingers en mijn tenen en ben maar blij dat ik die warme groene jas aan heb gedaan. Ik pak mijn boek erbij en wandel naar een beschutter plekje. Na een paar bladzijden lezen zie ik dat Silke en Meike weglopen. Hebben ze een ander plan? Nee, ze steken netjes bij de zebra de straat over en gaan bij Benami binnen zitten. In de Flixbus-app zie je helemaal niks. ‘Op tijd’ vermeldt de businformatie. Nou, het is tien over twee, de bus is helemaal niet ‘op tijd’! Komt hij überhaupt nog wel? Hoe gaat dat bij Flixbus?

Ik denk inmiddels na of Flixbus in dat geval wel iets voor toekomstige reizen is. Ik houd ervan goed geïnformeerd te worden en ik houd ervan dat vervoer op tijd is. Met treinen betaal je wel wat meer, maar dan krijg je ook meer om op te vertrouwen. Aankondigingen bijvoorbeeld, en een vervangende trein, als het echt – heel – lang -duurt. We zitten nu al op bijna een uur, en ik weet niks.

Ik verkas naar de rand van het busterreintje opdat ik beter op straat kan kijken. Maar geen bus is geen bus, hoe ver je ook kan zien. Dus steek ik met tegenzin over en ga ook maar weer binnen staan bij Benami. Ik bestel een espresso to go en houd mijn ogen stijf op de deur gericht.

Na nog een kwartier wachten zie ik ein-de-lijk de Flixbus op het kruispunt verschijnen. ‘Daar issie!’ roep ik in het Duits achterom, en Meike en Silke kijken op. ‘De bus naar Kiel!’ om zeker te weten dat we het hier niet over de verkeerde hebben. Ik heb mijn espresso gelukkig al op en kan zo met tassen en al de straat over rennen. Dat doe ik en dat vindt het verkeer niet bepaald jofel. Pech. Als je eenmaal rent moet je niet stoppen. ‘Endlich’ glimlach ik naar de buschauffeur. ‘Ja’ zegt hij. Ik zie Silke en Meike niet achter me, dus ik informeer de buschauffeur dat er nog ‘zwei Mädel’ komen. ‘Ja’ zegt hij. ‘Die waren eerder ook al mee’. Hij begroet ze hartelijk, zet rustig aan al hun waren in de bus, en we kachelen op ons dooie gemakje Münster uit. Ik kan je wel vertellen dat met deze instelling ik wel begrijp waarom de bus hier al een uur vertraging heeft…

Gelukkig gaan we vlug de snelweg op en gaat het verder met 100 kilometer per uur. Er zitten in totaal maar tien mensen in de bus. Niemand naast me, dus al mijn spullen staan gewoon bij me. De saaie kille velden zoeven langs ons. We halen vrachtwagens in, er wordt naar ons getoeterd, en we worden ingehaald door echte Deutsche Raser , dikke Audi’s en BMW’s die met hun motorgeluid wel laten horen dat ze hier de koning van de weg zijn. We genieten ondertussen van allerhande popmuziek.

Bij Vechta kondigt de buschauffeur een stop aan, waarbij we allemaal echt maar vijf minuten de bus uit mogen. Niet langer! En oh ja, er is daar niks. Geen bus, geen trein, geen taxi. Dat wist ik al, en ik wil de bus ook niet uit. We stoppen op een grote Rastplatz langs de snelweg waar inderdaad niets is, behalve een tankstation en een shop. Daar staan we net wat te ver vanaf, dus ik ga ook geen moeite doen om daar een zoveelste koffie of iets lekkers te halen. Ik heb nog Corny-repen, water, en het toilet in de bus is ook prima. Al gauw wandelt de nieuwe Busfahrer binnen: een dikke oude man met woest blond haar. Hij begroet ons niet en stuurt de bus gauw weer de snelweg op. Terwijl de schemer invalt jakkeren we weer noordwaarts.

Het OV-ticket

Inmiddels vind ik het tijd om mijn OV-ticket voor Hamburg te gaan boeken. Ik heb een beetje spijt dat ik dat niet eerder heb gedaan, fijn comfortabel vanuit huis, met al mijn betaalmogelijkheden at hand. Maar het zij zo. Moet zo gepiept zijn.

Ik had de Hamburg-app al, maar daarin kan ik de weekkaart niet terugvinden. Kennelijk moet ik de HVV-app hebben, ofwel de HVV-alles-in-één app, ofwel de HVV-switch app. Ik probeer beide. Ze installeren, niet. Ik pak de laptop erbij en doe nog een poging. De Android Playstore belooft de apps te installeren, maar ook dat is na een kwartier nog niet gebeurd. Ik swap maar naar 4G en tethering. Ik probeer het ticket te kopen via een account op de HVV-website. Betaalsystemen falen. 404’s Vliegen me om de oren. Wat een jammerlijke herhaling van mijn pogingen met de Kassel-card in het verleden! Wat zijn Duitsers toch enorm stupide met hun pogingen tot online verkeer. Verbaast me niks dat één van onze klanten nog steeds doorjakkert met zijn verroeste Magento 1-shop: ze hebben hier gewoon niet zoveel kaas gegeten van webshops en koppelingen met payment providers…

Ik meld Sarah en Hanna dat het me maar niet lukt om een weekkaart te kopen. Sarah probeert het vanaf haar Handy ook, vertelt ze later, maar een ticket voor een ander kopen lag toch wat ingewikkeld.

Ik switch weer naar 4G, kan eindelijk de HVV-apps op mijn telefoon installeren, en bestel dan vanaf de website het ticket. Na drie pogingen zie ik dat je vlák voor de creditcardbetaling nog snel moet inloggen. Ik train mijn vingervlugheid, ga nog eens door de checkout, en weet net op tijd Google mijn wachtwoord te laten invullen. Go! Het ticket is gekocht!

Het verschijnt ook in mijn app, met een mooie QR-code en wat andere tierelantijnen. Ik kan er denk ik prima mee door alle metropoortjes.

We bereiken Hamburg, rollen de stad in, en raken weer vast in het stadsverkeer. Deze stad is groot, met brede ringwegen, vierbaans-verkeer, hoge verlichte gebouwen en veel straatverlichting. We kruisen over sporen heen en ik denk het Centraal Station te zien. Daar moet ik straks op de U-Bahn stappen. Ik probeer me de weg terug al te herinneren. Dan draait de bus het Busbahnhof in en parkeert in een vak. Mooi. Ik maak nog een selfie en wandel door langs wat döner-tentjes.

Koerdische Köfte

Het tweede dönerhuisje ziet er uit alsof het met liefde door een man gerund wordt. Hij heeft veel meer in zijn vitrines liggen dan döner alleen en verkoopt het geduldig aan zijn klanten. Een man voor me krijgt een bord rijst met köfte, en geloof ik nog wat meer. ‘Doe mij hetzelfde’ zeg ik joviaal, want het lijkt erop dat dit echt door hem gemaakt is. Dus ik krijg voor een whopping € 10,40 (foei, en dat voor een bord eten, bedenk ik me te laat) een bord dampend hete köfte. Toegegeven, het is bijzonder smakelijk. Goed gekruid, lekker van smaak, zelfs de rijst, helemaal top. Maar dat bedrag? Ik zie de man voor me met een kommetje yoghurt en een flesje frisdrank zitten, hoorde dat er niet bij? Het boeit me ook niet want frisdrank en yoghurt hoef ik toch niet. Ik wil gewoon niet te veel betalen. Maar het smáákt. Ik vraag de kok waar hij vandaan komt. ‘Koerdistan’ zegt hij trots. Da’s goed, denk ik, daar komt Tania ook vandaan en die maakt haar eten ook met liefde.

Ondertussen appt Sarah dat haar man Nudel-Auflauf zal maken. Oops! Ik zeg dat ik al wat gegeten heb, maar er kan straks vast nog wel wat bij. Ik wandel richting Hauptbahnhof. Het is niet zo ver, en ook niet koud. Wel opletten op zwervers en dronkelappen hier. Je kunt merken dat dit een grote stad is. Ik vind de ingang naar de U-Bahn U2 richting Niendorf Nord snel en er komt ook gelijk een metro. Hupsakee, paar haltes mee, en ik sta weer bovengronds. Sarah komt me snel afhalen, haar man brengt de kleine naar bed.

Het avondeten staat al op tafel en er kan nog best wel wat bij in mijn maag. Na het eten ruimen we af en kletsen we wat. Baby Julen wil niet echt slapen, dus af en toe wordt er naar de slaapkamer gewandeld om hem weer even in slaap te sussen. Het is, zo vertelt Sarah, een huilbaby. Ze hebben al veel gedaan en hulp gezocht, en ze zijn nu vooral moe. Moe van alle oplossingen, moe van het waken en slapen met de baby. Toch, Julen is een leuke lachebek, en ja de eerste maanden zijn zwaar. Ze doen hun best, maken veel te veel excuses, ik red me wel. Ik hoop gewoon dat ik goed kan slapen vannacht. Nadat Marcos Julen weer op bed heeft gelegd, praat ik nog wat bij met Sarah. Daarna gaan we slapen.

zondag

Deze ochtend begint om zeven uur met vreemde dromen. Ik hoor gejammer in de verte en mijn dromen sluiten daarbij aan: in de ene droom is mijn ene kat behangen met decoratieve lapjes, bij wijze van experiment. Ik vind het vreselijk zielig voor haar. In een andere droom overkomt me ook iets waarvan ik me echt heel triest voel. Telkens word ik tussendoor wakker en hoor ik het gejammer aan het eind van de gang. Ik weet inmiddels dat het Julen is, die niet meer slapen wil. Maar ik wil wel slapen, dus dan draai ik me met die wetenschap weer om. Mijn dromen trekken zich daar werkelijk niets van aan. Om half tien word ik wakker en neem me voor om morgen de oordopjes klaar te leggen.

Zodra ik mijn kamer uit kom en in de woonkamer spiek, zie ik daar al keurig vier bordjes klaarstaan en lekkere ontbijtspullen. Sarah is al druk in de keuken. Marcos is Julen aan het vermaken. Vandaag komt huisvriend Markus hier brunchen en hij zal een zelfgebakken brood meebrengen.

Ik draal wat rond in het huis, typ wat op mijn telefoon, totdat Sarah voorstelt om nog even met Julen een rondje te gaan wandelen. In het geval dat Markus’ brood niet lekker is, hebben we ten minste wat achter de hand. Ik pak me in en zo gaan we te voet, met Julen bij Sarah in de draagzak. We lopen een heel eind door de woonwijk, door parken, langs mooie huizen. Veel bomen, sportvelden, en parkjes met kinderspeeltoestellen. Tussen de bomen veel typische Duitse appartementenblokken. Ik weet niet wat het is, leg ik Sarah uit, maar je kunt het zien; deze gebouwen zijn zo typisch Duits. Zijn het de vierkante ramen, de afstand daartussen, of de centrale portieken? Sarah weet het ook niet. Ze vindt wel dat je in Nederland zo handig naar binnen kunt kijken, door de grote ramen in de woonkamers, waarachter je dan mensen ziet TV-kijken of eten. Duitsers bouwen alles zo dicht, je ziet alleen maar of er een lamp aan is.

We slaan de hoek om en komen weer in de winkelstraat uit. Sarah weet een warme bakker waar het toevallig net rustig is. Ik zie zo gauw geen Schnittbrötchen, waar Michel zo van houdt, dus dat laat ik even. Sarah koopt een zak vol broodjes en wat zoetere varianten. Met een volle tas wandelen we terug naar huis.

Markus is iets verlaat. Ik staar op mijn telefoon, uit het raam, en zie een groengrijze wagen behendig afslaan op de rotonde. Dat moet Markus zijn. Zeker weten doe ik het niet, maar twee minuten later gaat de bel. We gaan aan tafel met Julen bij ons in de wipstoel. Hij giert van pret als we gekke gezichten naar hem trekken. Maar, er moet ook gegeten worden. Het zelfgebakken brood is lekker. Ik knabbel nog wat andere broodjes weg en drink bruiswater. Dan gaat Sarah van tafel om Julen voeding te geven in de andere kamer. We zien haar niet terug, ze is vast daar in slaap gesukkeld. Ook goed. De twee jongens praten door over politiek en meer, en ik volg het niet zo erg. Links en rechts weet ik nog wel, maar zodra ze er allemaal slang voor gebruiken wordt het lastig. Ik sta stilletjes op van tafel en ga douchen in de badkamer. Zoiets hoef je niet aan te kondigen, zeker niet aan twee mannen.

Na een frisse douche ruim ik nog wat van tafel af. Meer hoeft niet, vindt Marcos; misschien wil Sarah zo nog wat als ze terugkomt. Ik vind het oké en ga naar mijn eigen kamer. Even wat aan m’n laptop zitten en dingen plannen.

Sarah komt inderdaad terug en blijft nog een tijdje in de woonkamer met Markus en Marcos kletsen. Nadat Markus weer vertrokken is meldt ze, dat Hanna vandaag nog wel even wandelen wil. We zullen haar in het park treffen. Ik lanterfant nog wat rond in het huis en dan gaan we aan de wandel. Julen gaat mee in de wandelwagen. Helemaal ingepakt met twee mutsjes op, grote pretogen wanneer hij ons aankijkt.

We lopen ongeveer weer dezelfde ronde als vanochtend. Halverwege op een pad zie ik opeens een bekend silhouet. Hanna! ‘Warte mal warte mal!’ roept ze terwijl ze haar mondmasker achter haar oren haakt. Dan stuiven we op elkaar af en doen een omhelzings-rondedansje. Gekke nichtjes dat we zijn 🙂 Ik geef haar de los verpakte stroopwafel, die ze gelijk oppeuzelt.

We lopen een paar blokken verder en maken een leuke selfie van ons vier. Hanna loopt mee tot aan Sarah’s huis. Ik heb nog eten voor haar, en haar tas is gelukkig groot genoeg om het mee te nemen. Trots geef ik het pakje stroopwafels en de pindakaas aan haar. Dan gaan we even de keuken in opdat de zusjes het blok kaas kunnen verdelen. Het is namelijk zó groot, dat het vast niet op tijd op komt als Hanna het helemaal meeneemt! Dus wordt met veel gegiechel het mes erin gezet opdat ieder een helft krijgt.

Later deze week zal ik naar Hanna’s huis verkassen en zullen we ook Harald nog opzoeken. Maar vooralsnog wil ze even bijkomen van haar vakantie op Sicilië en het griepje dat ze daarna kreeg. Ze wil ook haar vriend even niet zien. Vriend? Roep ik uit. Ja, ze heeft al ongeveer tien jaar een vriend. Wist ik niet. Heeft ze goed verborgen gehouden! En met reden, zegt ze; zo werkt hun relatie. Niet te klef.

Terug thuis aangekomen is het nog niet echt etenstijd. Dus ik verschans me weer in mijn kamer en typ er nog lustig wat op los. Marcos, Sarah en Julen liggen te slapen. Dat hebben ze ook wel even verdiend. Volgens mij slapen ze echt heel weinig deze weken. Toch blijven ze er nuchter onder en hebben zelfs mij te gast. Stilletjes zit ik in mijn slaapkamer. Ik sneak even naar de keuken en vind in de koelkast wat ik verwachtte: de bak met overgebleven wortel- en paprikareepjes. Ik sluip terug naar de slaapkamer en knabbel alles op.

Tegen half zes hoor ik geluiden uit de slaapkamer. Het drietal is weer wakker, Julen nog wel het meest. Die baby lijkt echt eindeloze energie te hebben. Met een beetje gymnastiek wordt Julen op Sarah’s rug in de draagzak gezet. Zo kan ze met hem door het huis lopen, en dat vindt Julen eigenlijk wel erg leuk. Hij raakt nu niet zo snel verveeld. We pakken de vaatwasser uit en ruimen de keuken op. Dan beslissen we wat we gaan eten. Het was al bedacht om wat te laten bezorgen, dus we kiezen Indiaas. Ik heb wonderwel Sarah’s rekeningnummer nog in mijn app staan, dus ik ben zo netjes en betaal het gelijk terug. Dan nog wachten op de bezorger…

Het arriveert redelijk snel en we kunnen ontwaren wat van wie is. Ik heb een mango/rijstcombinatie met tofu in plaats van kip. Moet ook eens kunnen. Maar hoe knapperig gebakken de tofu ook is, ik vind het maar smakeloos spul. Volgende keer maar weer kip dan. Na het eten ruim ik weer af terwijl Sarah en Marcos Julen de voeding geven en naar bed brengen.

Ik trek mijn jas weer aan en meld Sarah dat ik nog een rondje met de tram ga maken richting Landungsbrücken. Dat is helemaal aan de Elbekade. Het lijkt me leuk om die bij avond te zien. Ik weet mijn weg te vinden richting de juiste U-Bahnstops en binnen twintig minuten ruik ik de zilte geur van de Elbe in mijn neus. Ik maak foto’s van de Elbe en de skyline met de honderden lichtjes. Na wat wandelen door de kou bekruipt me het gevoel dat ik toch een pipi moet. Tsja, zo op zondagavond is er geen winkel met toilet open. Een openbaar toilet hier op de kade vind ik ook geen aantrekkelijk idee. Dus ik ga de reis weer in omgekeerde richting maken, opdat ik op tijd thuis ben.

Ik vind de metro’s eenvoudig en leg mijn reis af alsof ik hier een ware local ben. Voor ik het weet sta ik weer in Sarah’s straat en steek ik mijn sleutel in het slot. Sarah en Marcos blijken nog samen TV te zitten kijken, dus ik ga er heel even bij zitten en zeg ze dan goedenacht. Marcos gaat al slapen, Sarah neemt nog even wat tijd voor zichzelf op de bank. Ik gun het haar van harte.

- ⟡ -

Ik heb wat onrustig geslapen, wat er was wederom babygehuil. Ditmaal niet op christelijke tijden en niet van Julen. De buurvrouw, zo weet Sarah, heeft een dochter met een baby. Ook die baby huilt nu en dan, en zodoende weten we dat hij regelmatig logeert bij oma. Hij ligt precies aan de andere kant van mijn logeerkamermuur. In de nacht huilt hij enkele keren, en hij wordt niet direct door zijn moeder gesust.

Ik weet dat dit een techniek is die ik zelf aanmoedig, maar voor mij is dit nu niet zo’n pretje. Ik hoop dus maar vurig dat de jengelaar gauw weer intukt. Halverwege de nacht begint het gesnik en gesnotter opnieuw, dus ik trek mijn klaargelegde oordopjes uit hun hoesje en pit verder. Het helpt aardig goed.

In de ochtend hoor ik ook Julen wakkerworden, maar die is vrij gauw weer stil. Stereogeluid is nog niet gelukt. Wat een werk heb je er toch aan.

Dan tik ik onhandig het hoesje van mijn oordopjes van de vensterbank af. Shit, waar liggen ze? Ik wil het rolgordijn ietsje optrekken, maar in plaats daarvan gaat alleen maar verder en verder naar de grond. Shit, wat is dit? Het rolgordijn flapt op mijn spullen en is bovenaan totaal van de rol af. Eraan trekken heeft geen zin meer, hij veert niet op. Ik stap uit bed en ga pardoes op het oplaadsnoer van mijn telefoon staan, die ik daarmee grof uit de telefoon ruk. Shit, dat is niet goed! Ik klim maar met één voet op bed en begin het rolgordijn op te rollen in de enige richting die wil. Wat dit me oplevert weet ik niet, maar er komt nu ten minste weer licht de kamer in. Morgen zoek ik met Sarah en Marcos wel uit of dit fixen of vervangen betekent. Nu ik licht heb kan ik de oordopjes zoeken. Ze liggen verder weg dan ik dacht. Dan het oplaadsnoer weer de telefoon in… die laadt gelukkig ook nog op. Ik rol terug mijn bed in en houd het even voor gezien.

Zodra ik om half negen wakkerword, Google ik wat naar oplossingen voor dit rolgordijn. Ikea adverteert echter zo goed met hun dozijn aan rolgordijnen, dat je alleen maar links naar Ikea zelf krijgt. gelukkig vind ik één linkje waarop simpel staat: rol het gordijn helemaal tegendraads op tot het bovenaan op de rol zit. Dat activeert het treksysteem weer. Zonder enige hoop klim ik maar weer op het bed en doe dat, en verhip! Opeens zoeft het gordijn weer naar boven en beneden alsof het nooit anders gedaan heeft.

Een beetje verbaasd over mijn fix gun ik mezelf nog maar een extra half uur in bed.

maandag

Als ik opsta is het fluisterstil in huis. Ik neem aan dat Sarah en Julen slapen, en dat Marcos naar zijn werk is. Wat hij daarover had gezegd begreep ik niet helemaal, maar het kwam neer op een soort eigen gepland ouderschapsverlof omdat hij Sarah niet in alles alleen wilde laten. You go guy!

Er staan nog ontbijtspullen op tafel. Voor de eerste keer valt me op dat er een vers bosje tulpen staat. Wat lief, Hollandse tulpen! Vast omdat ik kwam, want zo lang staan ze er nog niet. In de schemer maak ik yoghurt met muesli en maak ik crackers met hummus. Op de ontbijttafel vind ik nog twee schijven brood en boter. Dat gaat er ook wel in, ik moet straks een heel eind door de stad.

Na het ontbijt ruim ik de tafel geheel af en zet zo veel mogelijk stilletjes in de vaatwasser. Dan hoeft Sarah dat niet straks te doen. Bij het aankleden sta ik een tijdje uit het raam van mijn kamer te turen. Aan de overzijde gaat een man zijn huis binnen met een fiets aan de hand. Ernaast staat een mannetje voor de ruit van de ‘cadeauwinkel’ wat natuurlijk gewoon een growshop met extra’s van AliExpress is. Verderop komt opeens fietser achter het appartementenblok vandaan met een ingesnoerde kerstboom onder zijn arm. Kerst! Vlak voor me, door het parkje, komt een stoet stuiterende en rennende kleuters voorbij, gevolgd door hun kdv-leidsters. Die trekken twee rode bolderkarren waarin de wat luiere kleuters en peuters zich bevinden. Zo veel kleine kinderen op straat hier gedurende de dag, ook allemaal met felle wollen mutsjes, wantjes met een koord door de mouwen, en regenlaarsjes. Ik zeg je, typisch Duitse kinderen. Alleen dat superveilige hardcase schooltasje met fluoriserende strepen ontbreekt. Die hadden ze vanochtend toen ze naar hun kdv gingen natuurlijk allemaal wél op. Dit is Duitsland ten voeten uit.

Ik kleed me verder aan met een warme merinowollen onderbroek onder mijn reisbroek. Een t-shirt, een trui, en een vest, allemaal merino. Jas aan, hoed op, nog éven een pipi. Ik kan niet vaak genoeg gaan, ik vind dat onderweg zo vervelend.

Zodra ik de deur uit wil, hoor ik Julen jammeren. Ik verwacht dat Sarah wakker is, dus ik roep nog zachtjes ‘Tschüss!’ en trek de deur achter me dicht. Op naar de Bijoux Brigitte. Sinds die winkel niet meer in Enschede zit is het op reis een klein Mekka voor me geworden. Er zit een limiet aan de hoeveelheid bijzondere oorbellen die een mens kan hebben, maar toch ga ik er vandaag even kijken.

Ik kom eerst langs de Tschibo, die ik verwar met de Butler. Okay, lemme explain. De Butler heb ik gisteravond gezien, toen ik uit de metro kwam en éven bij de Bijoux Brigitte ging kijken. Dit lijkt een soort Xenos, maar dan iets meer high class en op dit moment puur op kerst gericht. Daar wil ik sowieso vandaag even kijken. Per ongeluk loop ik de naastgelegen Tschibo in en ik snap er geen kont van. Achter in de winkel is een koffiebalie. Links achterin hangt dameslingerie en liggen er cozy huispakken. Linksvoorin zie ik truien, mutsen, en pyjama’s. Rechts alleen maar schappen vol met trendy electronische gadgets. In het midden een displaytafel met een keur aan koffie in cadeauverpakking. Waar ben ik beland?!

Schoorvoetend bestel ik dan maar een espresso to go (ik had immers nog geen koffie gehad), die wonderwel best wel lekker smaakt en ook niet bijster veel kost. Terwijl ik ervan nip kijk ik vol verbazing het kleine winkeltje rond. Er loopt ook voldoende volk binnen, alsof dit gewoon de supermarkt is. Ik ben totaal begeistert waarom een koffiemerk een zo brede collectie aan hippe goodies in een winkel verkoopt, maar in Duitsland is dit kennelijk de gewoonste zaak van de wereld.

Ik loop naar buiten en maak een u-bocht zo de Butler in. Ah, een overdadige kerstmeuk-winkel. Geurkaarsen, breekbare spullen, aardewerk, veel rendieren… need I go on? Ik slenter wat door de schappen en besef pijnlijk dat ik nu toch echt aan het winkelen ben. Ik! Verschrikkelijk. En je weet het, winkelen kost vaak geld. Dit ben ik niet. Ik vergaap me aan alle stofjes, vormpjes, kleurtjes en patroontjes, en koop uiteindelijk een pakje servetten met alpenprint. Veel te duur, maar weet je, ze liggen vast nog honderd jaar in mijn huis en zo lang ga ik er ook van genieten. Na de kassa (waar een mijnheer mij onbedoeld klemzet tussen een kaartenmolen) vind ik nog een hele muur met uitzonderlijke kerst’ballen’. Van rainbow unicorn floaties tot hamburgers (pun intended) en van laptops tot Mick Jagger, van alles is een glazen kerstbal te vinden. Verder niet mijn ding en onmogelijk mee naar huis te nemen, dus ik weet me gered door het kassameisje dat de kaartenmolen wegrolt en maak mijn weg naar buiten.

Nu eindelijk de Bijoux Brigitte in. Hoezeer ik ook vind dat ik écht al genoeg oorbellen heb, en dat je ze beter tweedehands, of via Marktplaats kunt overnemen, …ik vind weer een paar uitzonderlijke. Als er een sector op een gekke manier getroffen is door inflatie dan zijn het de Schmuckwaren wel. De prijzen voor oorbellen zijn werkelijk waar verdubbeld. Maar ik betaal het. Dit is mijn souvenir, niemand gaat me hierin tegenhouden. Met een tasje vol gaafs loop ik de winkel uit.

Hè, het regent. Waar wilde ik nog heen? De Edeka, om de provisiekast hier wat te spekken. Ik loop er bijna aan voorbij, en als ik binnen sta, merk ik dat de ingang wel op een heel rare plek zit. Maargoed, ik vind mijn weg wel. Ik vind een aantal specifieke Duitse én Zuidtiroolse etenswaren. Met name de Vipiteno Sterzing honingyoghurt. Die is hemels ! Ik kan het niet laten, ik pak een mandje, en laad vier potjes in. Ik ben gek op dat spul. Geen andere yoghurt smaakt hetzelfde.

Voor Michel vind ik ook wat typische etenswaren. Ze kunnen op mijn terugreis mee in de koeltas, die is toch al bijna leeg. Met een rugtasje vol keer ik eerst weer terug naar Sarah’s huis.

Daar tref ik zowel Sarah als Marcos aan, die net Julen aan het inpakken zijn. Ze gaan gedrieën naar de tandarts. Sarah heeft een controle en Julen mag voor het eerst zijn vier tandjes laten zien. Ik zwaai ze uit en zet dan mijn laptop op tafel. Zo, even lunchen en het blog bijwerken. Vanmiddag maar weer de deur uit.

- ⟡ -

Ik pak de U2 in de richting van Schlump en ga vanaf daar wandelen. Het motregent, dat is wel jammer, maar met mijn dubbele broek en mijn drie lagen merino onder de jas heb ik het echt heerlijk warm. Hoedje op, lekker doorstiefelen. Mijn jas is nat maar hij raakt niet doorweekt. Mijn hoedje belet dat er regen in mijn ogen spat. Oh heerlijk loop ik de straten van Hamburg door, alsof ik er al jaren kom.

Ik bereik de drukke Grindelallee en buig af naar links. Dan steek ik de straat over en loop ik tussen grote appartementenblokken van gele steen. De appartementen hebben louter Franse balkons, wat een armoe moet dat zijn. Sommige bewoners presteren het om zelfs op dat ene richeltje nog een santenkraam aan planten, decoratie, en zelfs kinderfietsjes te zetten.

Ik loop een stuk door tussen de blokken en check in de drupregen mijn telefoon. Het Bezirksamt Eimsbüttel moet hier ergens kantoor houden. Ik loop onder een lange luifel door en werp door het glas een blik naar binnen. HEE! DE PATERNOSTER! Ik zoek snel een deur in de wand en loop opgewekt naar binnen. In de schemerige hal staat alleen een formica tafeltje met een man op een stoel erachter. Hij kijkt verbaasd en wil weten wat ik kom doen. Ik leg hem uit over de lift en hij begrijpt het gelijk. ‘Je hebt geluk’ zegt hij zelfs ‘we hebben er twee hier, maar die aan de andere kant van het gebouw is tijdelijk stuk. Er zijn maar drie werkende paternosterliften in heel Duitsland.’ ‘Eh’ zeg ik ‘er zijn er meer hoor, ik heb een heel lijstje!’ maar daar gaat hij niet op in. Ik bemerk zijn trots dus ik laat het zo. ‘En’ vult hij blij aan ‘deze kun je niet alleen bekijken, je kunt er ook een ritje in maken!’ Hier word ik weer dolenthousiast van. Snel stiefel ik door naar de lift, die tijdens ons gesprek al ettelijke rondjes heeft gemaakt.

Eerst fotografeer ik hem, dan stap ik in. Ik mag tot de elfde verdieping, heeft de man gezegd; daarna moet ik uitstappen en is er nog een klein trapje naar boven. Gewoon naar boven komen is al een leuke bezigheid. Ik stap op diverse verdiepingen even uit de lift, ga weer mee naar beneden, stap weer uit, ga weer omhoog. Ik maak foto’s en filmpjes. Op maar één verdieping kom ik iemand tegen. Ook hij benadrukt me hoe bijzonder deze lift is. En dat hij er alleen nog is, omdat dit gebouw onder monumentenbescherming staat en er niets aan veranderen mag.

Hoewel deze paternoster niet heel mooi is om te zien – eigenlijk gewoon een stroom glanzende blikjes – is dit het eerste exemplaar van een lift, waar ik nooit dacht echt in te zullen staan. Ik ben als een kind zo blij. Nadat ik de twaalfde verdieping heb bereikt (via de trap) reis ik weer in etappes terug naar beneden. Bij de laatste verdieping lees ik de waarschuwing dat de lift hier eindigt ‘en dat verder meeliften ongevaarlijk is’ maar toch durf ik het niet aan om me door de kelder weer omhoog te laten vervoeren. Je wordt niet geplet, en je eindigt ook niet op zijn kop, maar het is gewoon niet de bedoeling. Dus stap ik netjes op de begane grond weer uit. Ik groet de man achter zijn tafeltje nogmaals. Ik ben zo blij, dat hij er ook van moet lachen. Ja, dat zo’n ervaring iemands dag helemaal goed kan maken!

Glunderend wandel ik naar buiten, de grauwe regen in.

Ik ga nog even langs de Lidl en loop dan noordwaarts richting Hoheluftbrücke. Daar stap ik op de U3 naar Schlump en vanaf daar op de U2 naar huis. Alles vlotjes. Tijd voor avondeten!

- ⟡ -

Als ik thuiskom zijn Sarah, Marcos en Julen er. Ik kleed me om opdat ik het binnen niet zo warm heb. Sarah doet de was. De twee slipjes die ik vanochtend in de wasbak heb gespoeld, kunnen nog wel een rondje mee met haar was. Zijn ze mooi echt schoon, en heb ik voor de rest van de week genoeg.

We moeten nog even langs de groentewinkel voor onze pompoensoep, meldt Sarah. Dat is leuk, want de eigenaar van de groentewinkel is stapelgek op Julen. Dus hij wordt in de wagen geladen en we steken de straat over. Nee, het is niet moeilijk, in deze buurt is alles dichtbij. Ik merk wel hoe koud het eigenlijk is nu ik niet mijn warme merinolaagjes aan heb. In een mum van tijd staan we binnen in de winkel. Nadat de eigenaar met de aanwezige klanten klaar is buigt hij zich enthousiast over de wandelwagen. Met ‘stapelgek’ is geen woord te veel gezegd. Deze man leeft voor kinderen. Hij maakt Julen aan het lachen met allerlei groente, knuffelt hem, betrekt hem in alles. Ze hebben echt schik met elkaar.

Ondertussen geeft hij Sarah een tas rode bieten en pepers, en zoekt zij wat dingen uit. Uiteraard moet er een grote kurbis mee voor onze soep. We blijven nog lang praten met de winkelier, maar we moeten nog door. Sarah heeft een ’to good to go’ voucher bij de cheesecakewinkel twee straten verderop. Die moeten we verzilveren voordat de winkel sluit. Dus we rollen de wandelwagen naar het hippe koffiehuisje en halen onze deal op. Onderweg maak ik wat foto’s en praten we over van alles.

Thuis maken we soep. Sarah en ik choppen wat groente, Marcos slacht de pompoen, en we gooien alles in de pan. Daarna houdt Sarah zich met Julen bezig, Marcos zet de staafmixer in de pan zodra de soep een beetje gaar wordt, en ik lees wat bij op mijn telefoon. Mooi teamwork. Dan moet Julen wel gevoerd worden en naar bed, dus ik ga nog even naar mijn kamer. Maar de soep is klaar en mijn maag rammelt. Ik hoop meer en meer dat we zo aan tafel kunnen. Dan komt Marcos de slaapkamer uit. ‘Sarah kommt gleich, wir können essen’. Dan zet Julen het weer op een snikken en wordt het plan anders. Sarah komt met mij eten en Marcos sust Julen weer in slaap. Marcos sluit zich later weer aan en eet nog twee bordjes pompoensoep. Daarna hebben we onze overheerlijke cheesecake. We praten nog wat over hobby’s en kijken video’s, als Julen opeens van zich laat horen. En hij stopt ook niet. Beide jonge ouders trekken zich maar terug in de slaapkamer. Ik ruim een beetje af.

Na ettelijke pogingen Julen weer in slaap te krijgen besluiten ze er maar bij te gaan liggen. ‘Zal ik de was nog even ophangen?’ vraag ik Marcos. ‘De was…’ hij wil eigenlijk nee zeggen, maar neemt het aanbod aan. Fijn, dan kan ik nog wat doen! Zachtjes pak ik wasmand en wasrek uit de Wintergarten en haal de machine leeg. De was ruikt heerlijk fris en is een plezier om op het rek te hangen. Bij de laatste dingetjes komt Sarah terug en is zichtbaar blij. Zelf was ze de was vergeten en wilde het laten liggen tot morgen, wat eigenlijk niet kan. Als ik klaar ben ruimen we het laatste eten en drinken van tafel en zeggen goedenacht.

dinsdag

Ik word weer tegen tienen wakker, nadat ik in de ochtend Julen af en aan heb gehoord. Ik slaap er inmiddels wel doorheen, maar voor Sarah en Marcos is het niet prettig.

Vandaag ga ik in de ochtend een beetje lanterfanten, en in de middag naar de Finse Zeemanskerk. Die is namelijk pas vanaf twee uur geopend.

Ik ontbijt heel stilletjes in het ochtendlicht van de woonkamer. De was, op het rek achter me, is bijna droog. Ik zal hem zo wel opvouwen. Na een kopje oude koffie en een kom yoghurt met muesli klaar ik dat klusje. Nog niet alles kan van het wasrek, maar het is een start.

Zodra ik me klaarmaak om te vertrekken komt Marcos thuis. Hij heeft zijn wielrenfiets ter reparatie weggebracht, begrijp ik. Sarah wordt ook wakker en komt met Julen op de arm de slaapkamer uit. Ze heeft heel kleine oogjes. ‘Drie pogingen, een half uur slaap’ verzucht ze. Marcos schudt ook zijn hoofd. Hoe lang gaat dit nog zo door? Ze zien er allebei uitgeblust uit. Ik laat ze maar alleen.

Ik maak een wandeling richting de winkels, noordwaarts met de klok mee. Het stratenplan hier is niet zo moeilijk en zo zie je nog wat nieuws. Ik zeg je: vooral typisch Duitse appartementengebouwen en parkjes met kinderspeelplaatsjes. Ik verwacht ook gewoon niet anders meer hier. Al gauw bereik ik de winkelstraat weer en ga richting cheesecake-shop. Toen we gisteren cheesecake hadden, had Sarah namelijk geen stuk. De vegan opties waren op, en in alle anderen zit melkvet, iets waar ze al jaren allergisch voor is. Dus heb ik beloofd dat, op 6 december, ‘Sinterklaas’ een stukje voor haar gaat meebrengen.

Maar, voordat ik de taartjeswinkel bereik, kom ik langs de 2nd hand shop. Daar kwamen we gisteravond ook langs. ‘Ze verkopen hier per kilo’ wist Sarah me te vertellen. De kleren die je uitzoekt worden gewogen, en afhankelijk van of het de eerste of de tweede week is (te zien aan een groen of rood verkeerslicht in de zaak) is je prijs laag, of nog lager. ‘Maar’ zegt Sarah ‘het is niet echt waar voor je geld. Best wel duur nog eigenlijk’. Ik maak al auw het rekensommetje dat je dan geen goedkope zooi van zware materialen moet kopen, maar hé, dat ga ik vandaag zelf ervaren.

Op goed geluk stap ik de winkel binnen. Rechts kinderkleding, links van alles voor mannen en vrouwen. Ik struin door de rekken. Eigenlijk heb ik niets nodig, maar wie weet vind ik een bijzondere jurk of trui.

En die trui vind ik. Halverwege een rek hangt een nette witte wollen trui met rode en blauwe bretonse strepen. De iconische trui van Lena Furberg’s ‘Molly’. De trui die ik al jaren aan het zoeken dan wel namaken ben (alle pogingen dusver vastgelopen). Het is maat S, maar hij lijkt behoorlijk ruim. Hij is van wol en kasjmier en is echt keurig, geen pluisje of wat. Verguld neem ik hem mee terwijl ik nog wat andere kleding probeer. In het pashokje doe ik hem aan en hij zit perfect, ondanks de kleine maat. Ik maak snel een foto en ga dan naar de kassa. De schade? Zes euro twintig. Nu ben ik helemaal blij.

Wat het is met deze winkel, trouwens, is dat je genoeg onzin kunt kopen waar je je hier helemaal blauw aan betaalt. Dat moet je gewoon niet doen. Zware spijkerbroeken, lange jurken, jassen: gewoon niet doen. Flinterdunne bloesjes van synthetisch spul zijn ook dom, maar die moet je sowieso nooit kopen. Een winkel als deze is handig voor linnen, viscose, en dungebreide wol, van heel dure merken. Het weegt geen drol en je hebt heel goede kwaliteit. Dat is waarom ik in de winkel ook voornamelijk elk kledingstuk aan de linkerzijkant optilde en gelijk in het waslabel keek.

Hup, door naar de cheesecakeshop. Het is er werkelijk uitgestorven, en ik begrijp in een mum van tijd waarom. De twee cheesecakes die ik voor Marcos en Sarah koop (de vegan cake van Sarah is maar de helft van een normale punt) kosten maarliefst vier euro per stuk. Dit is geen dagelijkse hobby, mensen. Ik heb het beloofd dus haal ik twee punten. Ik kijk nog wat bij de andere winkels en haal bij de Edeka nog wat honingyoghurt, kaas voor Michel, en voor mezelf een bekertje artisjokharten en dadelrolletjes in spek. Ook dat tikt aan, de Edeka hier op de hoek is niet goedkoop.

Ik wandel terug naar huis en tref Sarah op de bank. Julen slaapt eindelijk weer. Ik zet de cheesecake in de koelkast en zet me op de bank om te lunchen. We praten heel wat bij. Als Julen weer wakker is krijgt hij eten en maakt Sarah zich klaar om een rondje langs wat winkels met hem te doen. De vrouw van de groentenboer wilde hem graag zien en is er alleen vanochtend. Ik laat even verstek gaan, ik ga sowieso een andere kant op.

Het is inmiddels na twee uur, dus ik pak me goed in en stap op de U-Bahn richting het centrum. Al gauw zoef ik voorbij Schlump, stap over en bereik Landungsbrücke. Dat is voor de zeemanskerk echt het dichtste bij. Ik loop de Ditmar Koel-Strasse in en verwonder me over al het Portugese, Italiaanse en Spaanse in deze buurt. Als ik de nauwe straatjes omhoog kijk, is het net als het straatje waar ik in Porto verbleef! Links van me zie ik Kuhberg en Venusberg, een rustige groene buurt waar Sarah vroeger woonde. Het is zeker tien jaar geleden, en nu niet zonnig, maar schemerig en koud, maar ik vergeet locaties niet zomaar. Mijn gevoel zegt dat ik zo bij de zeemanskerk ben en dat klopt: ik sta er recht voor.

Vrolijke wit-blauwe vlaggetjes wapperen op het pleintje voor de kerk. Ik maak selfies, maar het is te schemerig. Een vrouw zegt me gedag en gaat me voor naar binnen. Mijn hoofd switcht om naar Fins. Moi, kylla, menetko… het is echt een wirwar, na dagen Duits te hebben gesproken, en al zeker twaalf jaar geen volzinnen Fins. Dus vraag ik maar in het Duits waar de shop ook al weer is en word naar beneden gewezen. Oja, in de kelder. Nou, I’m in for a treat. Pardoes kom ik zo in de sauna uit. Niet echt hoor, de damp slaat me nog niet om de oren. Maar ik hoor mensen opgewekt Fins praten en er hangen gaandeweg allemaal bordjes over handdoeken en hygiëne. Dit is niet de shop. Vertwijfeld meld ik me boven weer. ‘Oh is de deur dichtgevallen’ zegt de vrouw, en doet een onopvallende deur rechts open. Gelijk zie ik het weer. Een kale kelder in TL-verlichting. ‘Kom boven maar afrekenen zo’ zegt ze en laat me alleen.

Het is hier warm en verstoken van frisse lucht. Ik weet weer waarom ik me hier vorig keer onwel begon te voelen (de eerste keer was de shop nog niet hier maar boven, in een hoekje naast de ingang). Na een tijdje rondstruinen tussen de peperdure Fazer-reepjes en andere versnaperingen kies ik beteuterd maar wat betaalbare dingen van enige sentimentele waarde uit. Een doos met frambozen-yoghurt-chocoladereepjes is er niet. Ik ben niet heel verrast, want dat is precies het smaakje Fazer wat alleen in Finland zelf wordt verkocht. In tien jaar tijd is daar niks aan veranderd; ik zal er voor naar Finland moeten.

Achter mij komen drie Franse jongens binnen. Daar ben ik dan wél verbaasd over. Hoe hebben die deze shop gevonden en wat denken ze hier te gaan vinden? Ze kwetteren in Frans tegen elkaar, vinden inderdaad eigenlijk niks, en vragen mij in het Duits waar ze af moeten rekenen. Flabbergasted antwoord ik half in Duits, half in Frans. Zij gaan weer naar boven. Ik leg nog wat kleine dingen in mijn mandje en volg ze maar. Boven bestellen ze verse koffiebroodjes (ze hebben geen flauw idee wat alles is) en gaan in het cafeetje zitten lunchen (wat een gekke plek, nogmaals, van alle honderden locaties in Hamburg, waarom lunchen ze hier?). Ik reken mijn waren af en vraag of de winkel nog jas-reflectoren heeft. ‘Helaas, die hebben we al tijden niet meer’ is het antwoord. Wat jammer! Ik wilde zo graag mijn feloranje ster van AliExpress inruilen voor een nette ronde badge met het logo van deze kerk. Dat gaat dus niet door.

Ik dump al mijn snoepjes in mijn handtas en verlaat de shop met nog wat keurige Finse afscheids-groeten. Dat stelt de dame wel op prijs. Terug de straat in, door het park, naar het noorden.

- ⟡ -

Het wordt van schemerig nu donker om me heen. Het park ten noorden van Kuhberg is mooi, al ligt het midden tussen de hoge kantoorgebouwen. Ik steek er dwars doorheen en volg de straat over het water. Wat een uitzicht hier. Ik maak foto’s van de zonsondergang over de stad.

Even puzzelen waar ik moet zijn. Twee kruispunten rechtdoor, en dan linksaf. Ik loop een lange straat met enorme kantoorflats en parkeerdecks in. Boven mij suist geregeld de S-Bahn over een verhoogde rails. Ik ben nooit in een Amerikaanse stad geweest, maar dit is wat ik me er van voorstel. De zonsondergang maakt het mooi en onrealistisch. Ik voel me insignificant, maar niet alleen. Ik ben onderweg.

Zoals ik verwacht vind ik aan het eind van de straat rechts het Függerhaus. Helaas staan er allemaal steigers omheen, en binnenin. Het artikel wat ik erover las was kennelijk de aankondiging tot een grootscheepse verbouwing. Geen kans dat ik er nu zo even naar binnen loop.

Vanaf de trappen van de tegenovergelegen S-Bahnstop kan ik naar binnen kijken op de eerste verdieping. Er staan bouwlampen aan, maar er is geen mens te bekennen. Het is ook al tegen vijf uur, de werkdag zal wel voorbij zijn. Ik zie een man de toegangspoort in gaan, langs de bouwhekken. Dus schiet ik het stationnetje uit en ga hem achterna. ‘Hallo, bent u hier bekend?’ vraag ik hoopvol. ‘Nee, ook niet’ lacht hij. Verdorie. Hij verdwijnt weer in de straat. Ik loop langs het bouwhek en kom op een binnenplaatsje van een universiteit uit. Een student fietst net weg en laat mij er alleen achter. Ik kijk loodrecht omhoog naar de hemel. Wat een mooi apart uitzicht hier! Alleen het overvliegende vliegtuig ontbreekt. Het beton onder mijn voeten is schoon en droog, dus ik ga plat op mijn rug liggen en maak foto’s van het kruisje lucht dat zich boven mij bevind.t Hier zou een betere camera dan mijn telefoon stukken mooiere plaatjes schieten, maar die heb ik nu niet. Die had ik ook echt nergens meer kwijtgekund, dus het zij zo.

Ik krabbel weer overeind (au, ik word oud!) en loop terug naar de straat. Net als ik naar het station wil terugkeren, komt een oude man in werkkleding naar buiten stappen. ‘Meneer!’ zeg ik verheugd. ‘Werkt u hier?’ ‘Ja….’ Snel vraag ik hem in keurig Duits of het mogelijk is om de lift te zien. Hij zegt dat het kan, als ik overdag terugkom. Ik hoef zelfs geen helm op, knipoogt hij. Als ik maar goed oplet. Nou, dat onthoud ik. Ik bedank hem en pak de S-Bahn verder noordwaarts.

Hier komt nog een stukje over de oude Elbetunnel.

Dit bericht op Instagram bekijken

Een bericht gedeeld door Heidi Antoinet Ulrich (@ha_ulrich)

- ⟡ -

Na twee haltes S-Bahn bevind ik me in een prachtige winkelstraat. Het is inmiddels donker en alle feestelijke straatverlichting is aan. Tegenover me zie ik stalletjes van een kerstmarkt. Er zijn er meerdere hier door Hamburg, en het lijkt me wel mooi om er nu eentje te bezoeken. Ik zie een stalletje met crêpe Nutella en daar heb ik zin in, dus die koop ik. De prijs is net op de CCC, niets nieuws: 4 euro voor een pannenkoek met beleg, waar je twee hele potten pasta voor terug kunt kopen.

Smekkend van mijn zoete pannenkoek slenter ik tussen de houten stalletjes door. Hoewel ik nog wel uitkijk naar een bruin wollen hoedje zie ik hier niks van mijn gading. De andere snuisterijen zijn ook niet zo mijn ding. Ik zie een kraam met houten geurnoten, zelfs kokos, maar ik zie er weinig heil in om zo’n noot mee naar huis te slepen. Als hij hier al zijn geur ligt te verliezen, is dat er thuis wel helemaal af. En wat heb je dan? Driehonderd kilometer gesleept met een simpele houten kraal. Doen we niet.

Ik bereik het einde van de markt en ga op zoek naar de REWE supermarkt. Die moet ergens midden in een gebouw zitten. Dat blijkt midden onder in de kelder van de Europapassage te zijn, een enorm winkelcentrum met meerdere verdiepingen. Ik struin de supermarkt door op zoek naar Borotalco-deodorantjes. Die heb je eigenlijk het meest in Italië, maar het zou leuk zijn als ik er hier weer wat bij kan kopen. In Nederland zijn ze een tijd gepromoot maar het sloeg bij ons geloof ik niet aan.

De supermarkt blijkt helemaal niet zo uitgebreid uitgerust te zijn in die artikelen, dus ik koop – met tegenzin – een flesje limoen-gemberwater en wat chocolade voor het thuisfront. Als ik nou gewoon mijn waterfles meegenomen had, had ik nu niks hoeven kopen. Maargoed, zoals ik al tegen Marcos zei gisteren ‘serendipity – het vinden van dingen waar je eigenlijk niet naar op zoek was’. Zo vind ik op het prikbord van de supermarkt een advertentie van iemand, die graag nieuwe talen wil leren door ze met een ander te spreken. Het aanbod is Duits, Spaans en Chinees (Mandarijn), dus ik noteer ‘m even voor een tegenaanbod in Nederlands. Later.

Ik ga nog even op zoek naar een DM drogisterij, wederom met de Google Maps-app. Echt handig, ik raak nergens meer verloren. Helaas, het is drie minuten voor acht, en de dichtsbijzijnde DM aan het marktplein gaat zo sluiten. Ik wandel er nog snel heen, maar de rolluiken gaan al dicht. Gelukkig is er buiten een bruisende kerstmarkt, met zelfs een verteller, die over Rudolf het Rendier verhaalt. Ik zet mensen op de foto (op verzoek), fotografeer mezelf temidden van alle lichtjes, en lees wat appjes.

‘Ik ben zo thuis en wil heel graag eten, waar ben je?’ appt Hanna out of the blue. Eh? Ik app maar terug dat ik nog in de stad ben, en zoek driftig op hoe ik ofwel eerst naar haar, of via Sarah naar haar kan komen. Mijn telefoon is ook op twintig procent, ai ai. Ze wil toch heel graag nu gelijk eten en dus ga ik wel eerst langs Sarah’s huis en kom dan met mijn tassen naar haar.

Ik check hoe ik het beste in hun richting kan komen. Dat is via halte Jungfernstieg, die dicht bij Rathaus ligt. Dus loop ik Rathaus voorbij en volg Google Maps richting… ja, het duister. Ik steek bruggen over, loop langs wateren, kantoorgebouwen. Nog meer brede straten, nog meer kantoorgebouwen. Ik ben ondertussen een goede twintig minuten onderweg en vraag me af waar Jungfernstieg dan liggen moet. Ik ben er vroeger al een keer geweest, en het voelt niet alsof het hier is!

Op mijn laatste procent batterij check ik met Google Maps. Haha, gefopt! Ik loop al twintig minuten in exact de verkeerde richting! De pointer van Maps vliegt over mijn telefoonscherm tot midden in Speicherstadt en dan zet mijn telefoon zichzelf uit. Het scherm blijft zwart, ik sta bij volle maan in de verkeerde wijk van Hamburg.

Lekker dan, bries ik. Google Maps, you did it again. Dit is niet de eerste keer dat ik lange tijd aan het lijntje word gehouden, en dan opeens straal in de verkeerde richting blijk te zijn gegaan. Nee, je kunt het niet wijten aan de GPS in mijn telefoon. Twintig minuten in de verkeerde richting en gewoon continu de pointer in de verkeerde richting updaten, dat is gewoon wrong. Ik keer me resoluut om en loop door het duister precies dezelfde weg weer terug. Ik moet letterlijk aan Rathaus voorbij en dan zal ik Jungfernstieg zo vinden. Als ik eindelijk bij mijn beginpunt, de kerstmarkt, terug ben, ben ik er klaar mee. Ik kon ook niet op bussen stappen, want bij inkomst moet je je app met je vervoersbewijs tonen; en dat kan niet wat mijn telefoon ligt op apegapen.

Terwijl ik de ondergrondse bij Rathaus in ren, besef ik dat ik nu ook geen ticket kan tonen als ik onderweg naar Sarah ben. Dit is dus zwartrijden en dat is precies wat ik nu ga doen. Ik bezin me vast op goede uitvluchten, of mogelijkheden om toch aan te tonen dat ik een valide ticket heb. Maar hey, hoe vaak ben ik de afgelopen dagen nou gecontroleerd? Dit moet goed gaan.

Toch kijk ik op mijn hele route langs Landungsbrücken, Schlump, en verder noordwaarts, wel een paar keer om, of ik controleurs zie instappen. Niks. De mensen die ik er enigszins van verdenk controleurs in burger te zijn (zijn die er?) hebben waarschijnlijk zelf geen kaartje.

Ik kom bij mijn stop en wandel naar Sarah’s huis. Ik zie dat ze nog TV zitten te kijken en zet me even bij in de woonkamer, terwijl ik kort uitleg hoe ik verdwaald ben, en ik tegelijk mijn telefoon oplaad. Sarah appt Hanna dat ik er zo aankom. Ze heeft nog een groene peper met roomkaas voor me, en wat rijst. Het eten was te pittig voor haar. Dankbaar zet ik het spul in de oven, pak mijn reistassen in, en peuzel het eten naast haar op de bank op. Na nog een goed nichtjes-gesprek maak ik aanstalten om te vertrekken en gaan zij naar bed.

- ⟡ -

In een kwartiertje ben ik bij Hanna (Maps geeft aan: lopen is korter) met de U-Bahn. Even zoeken waar het ook alweer was, netjes aanbellen en mezelf niet zomaar binnenlaten. Hanna was moe, maar heeft door mijn komst hernieuwde energie. Ik leg mijn tassen in de woonkamer, maak het bed op (daarover later meer) en zet me met haar aan de keukentafel voor een glaasje thee.

We zijn allebei kletsgrage AD(H)D’ers, dus waar een begin is, is geen eind. Twee keer geef ik aan dat ik echt wil gaan slapen, maar we raken telkens weer aan de praat. Dan sluit ik mijn kamerdeur en hervind de rust die in Sarah’s huis zo vanzelfsprekend was.

Mijn bed is overigens een groot woord. Ik verblijf in de kleine woonkamer van een propjevol typisch Altbau-huis. Ruwhouten vloeren, witte muren, waar weinig van te zien is want elke kamer staat mudjevol kasten, plankjes, stapels dozen, stoelen, manden, nog meer kastjes, trapjes, tafeltjes, snuisterijen en vooral heel veel planten, overal, in elk hoekje, op elk richeltje. Pannenkoekplantjes, monstera’s, hangplanten, vetplantjes. Dit is Hanna ten voeten uit. Ik vind het wel gezellig, maar ook overweldigend. Voor de grap stuur ik Michel wat foto’s toe van hoe mijn huis níet moet worden 😉 .

Oja, het bed. Het is een drieslag-matras, drie blokken aan elkaar, die je uitvouwt en er dan een veel te groot hoeslaken omheen wrapt. Het dekbed zit al in zijn hoes, het kussen – met veel te groot kussensloop – krijg ik toegeworpen. Ik trek nog een dikke sprei over mijn dekbed heen en vind op de bank een stekkerblok dat ik net ver genoeg naar me toe kan halen om mijn telefoon bij me te hebben. Slapen dan maar…

woensdag

Ik slaap op woensdagochtend lang uit. Het is vakantie, dat mag. Door de dunne gordijntjes is het al vroeg licht in de kamer en ik overweeg mijn slaapmasker (een zwarte haarband) op te doen. Toch maar niet, daarvoor moet ik uit bed. Heel de nacht heb ik niet echt kunnen draaien. Het matras is smal, en als ik op mijn zij lig, ligt mijn heup op de grond. Dat moet volgende nacht beter. Tegen tien uur hoor ik Hanna naar haar werk vertrekken. Ik sta op in een leeg huis.

Eerst maar eens koffie en ontbijt. Gelukkig heeft Hanna ongeveer dezelfde pistonmachine als ik. In enkele tellen heb ik uit alle hoeken van de keuken de benodigde spullen gehaald en staat het ontbijt voor me op tafel. Boven hoor ik wat gestommel van de buren. In de tuin schijnt flauw zonlicht. Heerlijk, geen bewolkte dag vandaag.

Na het ontbijt ga ik douchen en zet ik me op de bank in mijn kamer. Eerst een paar uurtjes typen aan mijn weblog, want dat kwam er gisteravond helemaal niet meer van. Ik moest na het gekwetter eerst nog een uur tot mezelf komen. Ik merkte het, omdat ik doelloos op Instagram videootjes aan het scrollen was, terwijl ik allang meermaals gegaapt had. Energie is verraderlijk, en het wordt met de jaren schaarser.

Even na één uur zet ik koers richting Schlump. Hanna tipte me dat je voor Schlump geen straat hoeft over te steken, en voor Christuskirche wel. Bovendien arriveren er op Schlump meer metro’s in verschillende richtingen. Hanna heeft me gisteravond ook nog een stukje historie over de uitbreiding van Schlump verteld, nadat er een nachtelijke lege trein onderlangs haar achtertuin kwam rollen. Over ongebruikte sporen en het tactisch verdelen van de treinen voor het opvangen van de spits elke morgen. Super interessant, later eens kijken of daar wat over op internet staat.

Maar nu eerst naar een Drogerie hier in de buurt. Bij Hoheluftbrücke moet er één zijn, een grote DM. Dus laat ik me vanaf Schlump daarheen kachelen en kom achter Hanna’s huis langs. Duidelijk is dat we de rails bovenlangs nemen, niet onderlangs. Ik kan hem wel zien liggen. Ben nu echt benieuwd. We zijn zo bij de halte en van daar weet ik het wel te vinden. Ik loop langs de brede Hoheluftchaussee en vind de DM aan de rechterkant.

Het is een enorme drogisterij, fantastisch, maar ze hebben er geen Borotalco. Pech. Ze hebben er wel andere kleine leuke deodorantjes, en halyuronzuur-maskers, een stofje waar ik net vorige maand naar gezocht heb. Tegen rimpels, voor het geval ik die ooit krijg. Omdat ik het totaal niet nodig heb, maar wel leuk vind, neem ik ook twee maskers mee. Dan nog wat nieuwe tubetjes reistandpasta, voor geen geld. Even afrekenen, met Duitse smalltalk, en we staan weer buiten. Ik gooi een vrolijke trompetspeler nog wat geld toe, en ga dan weer naar Hoheluftbrücke. Ik heb nog twintig minuten om naar Sarah te komen, dat lukt me prima.

Ik rijd ongeveer dezelfde route terug, en dan door noordwaarts. Stap bij Emilienstraße uit en wandel vanaf daar heerlijk door een bomenlaan in het waterige zonnetje. Al gauw ben ik bij Sarah’s huis. Ze weet dat ik eraan kom en staat al aan het keukenraam, opdat ik niet op de bel druk. Ook oom Harald wachten we op die manier op. Hij arriveert een paar minuten na mij. Sarah heeft chocoladecake en frisdrank voor ons. Harald is erg blij me te zien en wil gelijk honderduit in het Nederlands praten. Hij weet bijzonder veel woorden voor iemand die dagelijks alleen nog maar Duits praat. In zijn Duitse gesprek herhaalt hij elk woord dat hij in het Nederlands weet, ook even zo, voor mij. Ik vind het maar mooi.

Ik vertel dat ik morgen met een rondvaartboot mee wil, twee uur door de havens heen. Het kost 33 euro, net zo veel als mijn trip naar Hamburg. ‘Je kan ook met de HVV busboten gaan hè’ tipt Harald. De busboten! Daar had ik nog niet aan gedacht. Dan krijg ik geen uitleg bij alles, maar het kost me niets! Wat een goed idee, dat ga ik vanavond uitzoeken.

Na een uur is Harald’s parkeertijd voorbij en begint hij wat te aarzelen. Hij eet nog een mandarijn op en maakt dan toch echt aanstalten om te gaan. Snel geef ik hem nog zijn chocoladeletter en stroopwafels. Nadat Harald weer naar huis is gereden praten Sarah en ik nog wat na over haar en mijn werk. Marcos komt de slaapkamer uit. Hij heeft drie uren met Julen op bed gelegen, opdat de baby bleef slapen. Wegleggen was er niet bij, hij moest vastgehouden worden. Word je ook moe van, denk ik.

Terwijl Sarah Julen te drinken geeft en hem verschoont praat ik met Marcos over hoe moe en droevig hij zich voelt. Ik kan hem alleen maar een verbaal schouderklopje geven voor zoveel geduld als hij en Sarah opbrengen. Ook maak ik wat grapjes tussendoor.

Sarah vraagt hoe ik geslapen heb, en als ze hoort dat dat niet jofel was, biedt ze aan dat ik nog wel een nachtje bij hen kan komen slapen. Ik wil dat wel, maar ze heeft net het bed afgehaald en alles gewassen. Voor één nachtje slapen moet dat dan allemaal weer opnieuw en dat vind ik eigenlijk niet kunnen.

We maken ons klaar om weer naar buiten te gaan, want Sarah heeft nog wat op te halen van To Good To Go, en wat kinderspullen via eBay, in de buurt. Gevieren rollen en lopen we de wijk weer in. Ik neem afscheid bij het metrostation. ‘We zien elkaar nog wel hè?’ vraagt Sarah. Ik denk het wel. Nu eerst naar… ja, pff, naar huis.

- ⟡ -

Ik stap op de U-Bahn naar Schlump en wandel naar Hanna’s huis. Even wat tijd voor mezelf. Hanna is nog op haar werk. Als ze thuiskomt, zullen we samen met Yannick wat koken. Ik ben benieuwd, ik heb Yannick nog niet ontmoet. Wie is toch die vriend die Hanna al tien jaar verborgen houdt?

Eerst zit ik een paar uur op de bank en schrijf mijn blog bij. Zodra Hanna thuiskomt verhuis ik naar de keuken en help haar groente snijden. Yannick, een boom van een jongen, meldt zich. Hij lijkt ook moe van de dag en zet zich aan de keukentafel. Terwijl Hanna al onze gesneden groente in ovenschalen opwarmt, houdt hij zich bezig met het kruiden van het eten in de pan. Hij zegt niet veel, maar lijkt me wel een gezellig persoon. Hij kan goed koken, zegt Hanna, maar zij is zelf ook eigenwijs. Dat geeft een leuke dynamiek.

Bij het eten trekken we een droge witte wijn open. Schalen wortels, aardappelpartjes, en zelfs spruitjes gaan er doorheen. We praten – het meeste in het Duits – over werk, financiën, huizen huren of kopen. Harald, Sarah en Hanna huren allemaal een appartement of huis via hun ‘Genossenschaft’. Zij zijn als familie al jaren lid van het Schiffszimmerer-genootschap, zoals een gilde vroeger. Ze hoeven er niets voor te doen, alleen een regelmatige financiële bijdrage, heb ik begrepen. Het genootschap heeft door heel Hamburg heen vastgoed, dat ze voor lange termijn verhuren aan hun leden. Zo wonen de Friedrichsen al jaren in huizen van hun genootschap, en kunnen ze verhuizen naar andere woningen als dat beter past.

Je hebt daarmee altijd keuze in huizen hebt in een steeds drukker en duurder wordende stad. Maar, je doet geen investering in vastgoed dat je op latere leeftijd kunt verkopen, om je oude dag wat te spekken. Dat vinden zowel Sarah als Hanna een gemis. Na jaren in hun nette huurwoningen willen ze wel wat kopen, maar ja, in Hamburg is alles al net zo duur als bij ons in de grote steden.

Na het eten doen Hanna en ik een afwasje. Hanna moet morgen voor werktijd bij de IKEA zijn en gaat bij Yannick slapen, omdat hij daar vlak bij woont. Yannick woonde in een uitgestorven wijk, waar overdag geen kip op straat liep. Maar om leegstand tegen te gaan heeft de stad een IKEA haar intrek laten nemen in een groot centraal pand. Inmiddels is de buurt weer geliefd, maar daarmee zijn de huren ook aan het stijgen en daar is Yannick niet blij mee. In ieder geval is Hanna er nu bij gebaat. Ze pakt wat spullen in en ik mag vanavond in haar bed slapen. Fijn, want ik brak mijn rug behoorlijk, op dat matje op de grond.

Opeens ben ik weer alleen in huis. Ik zit nog wat op de de bank met warme thee en kaarsjes aan, en ga dan richting bed. Het is niet anders dan een AirBnb, toch voel ik me vanavond een beetje eenzaam.

donderdag

Ik heb vannacht goed geslapen in Hanna’s bed. Het is nog steeds stil als ik in de ochtend een ronde door het huis doe. Terwijl ik wakkerwerd hoorde ik achter het huis de U-Bahns naar Schlump gereden worden. Het begint een familiair en geruststellend geluid te worden. Gelukkig is er weer genoeg daglicht, dat geeft toch een minder eenzaam gevoel. Ik kan goed alleen zijn, maar in het huis van je nichtje terwijl ze er zelf niet is, dat blijft toch een beetje gek.

Ik zet het slaapkamerraam op kiepstand en kijk naar de rijp op de heggen voor het huis. Dan ga ik naar de keuken en maak koffie. In de koelkast vind ik wat hartig beleg en op de plank wat brood. Zo, met een simpel ontbijtje kan ik de dag wel beginnen.

Terwijl ik mijn koffie nip, beginnen er dunne vlokjes in de achtertuin te vallen. Wat? Sneeuw! Begeistert zit ik er een tijdje naar te staren. Maak filmpjes. Heel de achtertuin wordt wit. Na een tweede kop koffie wordt het tijd om te gaan. Voor de zekerheid neem ik dikke bruine wanten met teddyvacht mee uit Hanna’s voorraad. Die komen met deze vrieskou vast van pas.

Buiten blijkt het niet zo erg koud. Ik loop de straten af naar Schlump en laat me naar Landungsbrücken vervoeren. Daar is de sneeuw eigenlijk helemaal weg: het is gewoon grauw, bewolkt, en eigenlijk wel aangenaam van temperatuur.

Ik wilde met een betaalde havenrondvaart meegaan, maar zie daar vanaf. Er is met deze grauwe lucht toch weinig moois te zien in de haven, en ik spaar er dik dertig euro mee uit (evenveel als mijn Flixbus-retourticket!). Zo’n begeleide rondvaart doe ik in de zomer wel eens.

Ik struin langs de kades, helemaal richting de oude Elbetunnel. Waar zijn nou die normale veerboten? Ik keer om en, een beetje schoorvoetend, spreek ik een havenmedewerker aan. ‘Brücke 1’ lacht hij gemoedelijk. ‘Huh?’ Ik loop met de stomheid geslagen gewoon naar de eerste loopbrug die naar de lager gelegen kades gaat. Zie een veerboot met het juiste vaartnummer: 62 naar Finkenwerder. Dit is het gewoon. Het is een mooie warmgele boot met overal beschildering van de Leeuwenkoning. Die opdruk is niet zo vreemd, want aan de overzijde van de Elbe liggen tegenwoordig twee theaters, waarin continu de Leeuwenkoning en Frozen worden vertoond. Zoals Nederland Soldaat van Oranje heeft, heeft Hamburg dit. Double feature.

Langs de kade staat een dame te roepen. Denk ik dat ze omroept dat mijn boot zo vertrekt: neehoor. Ze werkt voor een toeristenrederij en hengelt op deze suffe ochtend toeristen naar haar schip. Terwijl ik nog een stukje langs de kade loop, op zoek naar een broodje en koffie, zie ik meer van die roepers. Ik besteed er geen aandacht aan, ik ga mooi met de veerboot mee waar ik al voor betaald heb! Zonder versnaperingen keer ik terug naar de boot, ga aan boord, en we dobberen weg.

Al gauw zetten we straffe koers naar het westen. We halen een rode BILD-veerboot in die een andere route vaart. In de verte zien we joekels van schepen in de rivier liggen. Ik sta een tijdje aan dek, maar het is bitter koud en de wind slaat in mijn gezicht. Ik heb mijn hoedje vastgeklikt aan mijn sjaal met het kettinkje. Ik film wat een maak foto’s, maar dan wordt het echt te bar om buiten te blijven. Hup, lekker naar binnen. Ik zet me aan een raampje en tuur door de regendruppels op de ruiten naar de enorme vrachthavens. Containerschepen worden traag volgeladen vanuit nog immensere hijskranen. Je kunt het je vanaf hier in het bootje gewoon niet voorstellen, hoe groot die kolossen zijn.

Als we de havens op de zuidoever voorbij zijn verandert het landschap. Er komen een aantal kleinere landtongen met rotskust, landhuizen, bomen. We meren hier en daar even aan. Dan een landtong met een klein vuurtorentje erop. We varen er linksom omheen tot we bij de kade erachter zijn: Finkenwerder. Dit lijkt me wel een plek om even te stoppen, dus ik ga van boord. Volgens de dienstregeling gaat er elk kwartier een boot, dus ik moet hier ook weer weg kunnen komen!

Ik beklim het land over een grote brede natte houten brug. Slippery when wet… nou ik bereik de heuvel bovenaan. Het is bijna Deens hier, zoals ik het kende rond Bornhack twee jaar geleden. Boven zijn twee uitspanningen, waarvan de verste nog dicht lijkt. Ik stap maar eens binnen in een kleine stenen keet met de naam ‘Dampfer Imbiss’ en trakteer mezelf op een espresso en een broodje gebakken vis. ‘Het duurt eventjes hoor’ waarschuwt de dame achter de balie me. Ja wel duh, ik heb geduld? Met mij sjokken er nog wat oude mannetjes met schipperstruien en warme mutsen binnen. Waar ze vandaan komen en wat ze hier zoeken weet ik niet, maar het lijken wel vaste klanten.

Ik eet mijn visbroodje, bezoek even het toilet in de kelder, en reken af. Dan weer naar buiten, tegen de wind in. Ik loop de kade weer af en ben nog net op tijd voor een prachtig stukje zeemanskunst. Een zwarte veerboot met bestickering van Fritz Cola komt binnenvaren. Zijn boeg wijst oostwaarts. Vlak voor de aanlegsteiger draait hij, met volle vaart, alsof hij slippend de bocht doorgaat. Nadat de neus 180 graden gedraaid is en hij westwaarts ligt, zet hij de motor om en klotst hij behoedzaam zijwaarts tegen de steiger aan. Ingeparkeerd! Ik heb het helemaal gefilmd en stuur het gelijk door aan Jelle. Driften met een lijnveerboot, joehoe!

Ik wil aan boord gaan, maar mijn aandacht wordt afgeleid door de rode veerboot die net een steigertje verder ligt. Waar gaat die heen? Niet twijfelen, ik hop aan boord. Kom vast wel weer terug. Dus laat ik me meevoeren naar de halte ‘Teufelsbrücke’ en zie zo nog een stuk van het Elbestrand. Mooi, maar bij goed weer vast mooier! Dus gelijk daar weer terug naar Finkenwerder.

Met dezelfde gave draai verlaten we daar de haven ook weer. Ik blijf op de boot zitten tot we weer bij Landungsbrücken zijn. Vanaf hier wil ik de nummer 73 naar de Ernst August Schleusse nemen. Die komt toevallig net aan, dus ik hop erop. Inmiddels is binnen zitten het enige dat ik wil, brrr druilerig weer! Als ik ver naar achter ga zitten heb ik zelfs een warm kacheltje naast mijn linkerbeen, heerlijk.

We tuffen nu zuidoostwaarts de haven uit. Eerst passeren we de theaters, dan de Argentinienbrücke. Dan varen we tussen hoge betonnen aanlegsteigers waar bedrijven en loodsen hun plekje hebben. Uiteindelijk de bocht om, en dan gelijk naar een lieflijk gelegen sluisje met een eigen aanlegsteiger. Er loopt een weg, een brug, en achter die brug is nog wel wat. Maar er van uitgaande dat deze veerpont niet zo frequent vaart, blijf ik maar mooi zitten. Het regent en het is koud buiten, ik heb het hier aangenaam. Nieuwsgierig rondwandelen op een buitenweg doe ik een andere keer wel.

We bereiken na een zelfde rustig vaartje terug Landungsbrücken weer. Zo, het is tegen twee uur. Waar zal ik nu eens heengaan?

Flüggerhaus. Daar wil ik nog even mijn geluk beproeven op het zien van de ingemetselde paternosterlift. Dus ik koop een chocolademuffin en zowaar een pastel de nata, eet de eerstgenoemde alvast op, en zet me in de U-Bahn richting Rödingsmarkt. Ik weet nu dat ik daar gewoon kan uitstappen, geen eindeloos gewandel meer.

Ik loop wederom het steegje onder het Flüggerhaus in. Ik hoor bouwgeluiden, maar zie niemand binnen… totdat er opeens arbeiders voor mijn neus staan. ‘Hallo’ waag ik het. Ik zeg in simpel Duits waar ik voor kom. ‘Ik versta je jammergenoeg niet’ zegt de eerste arbeider met handgebaren. Hij is Kroatisch, leer ik. Tja, mijn Kroatisch is heel roestig. Ik laat hem snel een filmpje van de andere paternosterlift zien. Hij kijkt verbaasd. Ik gebaar dat dat binnen in het gebouw ook zit. ‘Nee’ meent hij ‘niet in dit studentengebouw hier achter?’ ‘Nee’ houd ik vol, in jullie gebouw! Nog niet gezien, schudt hij, en ook zijn kompanen zeggen een lift van zo’n soort nog niet gezien te hebben. Tsja. Ze houden spijtig hun handen op en gaan dan een blokje om voor hun rookpauze.

Dat geeft mij de gelegenheid om de deur open te trekken die zij net achter zich dicht deden. Hij zit niet op slot. Nieuwsgierig stap ik de lege ruimte binnen. Tegen de eerste steunpaal, vijf meter van de deur, hangt een gelamineerd vel papier met een plattegrond. Ik speur er snel op, maak een foto – bewogen – en besluit dan maar te blijven staan. Als de Kroaten terugkomen zeg ik wel sorry. Even merk ik wel het ‘pas op, asbest’ bordje op, maar eh, vast niet zo erg. Ik speur de plattegrond af en kom tot de beste conclusie dat de paternoster zich recht voor me bevindt. Dat is echt de meest logische plek, vlak bij de deur, in een centrale koof. Maar, op deze verdieping is die inderdaad dichtgemetseld. Verdorie.

Van de plattegrond word ik niets wijzer. Verder lopen dieper het gebouw in lijkt me ook geen verstandig idee. Ongevraagd een bouwplaats binnengaan is één, dan moedwillig de ruimtes door gaan lopen, dat is gewoon stompzinnig. Als de bouwvakkers me hier ergens vinden heb ik wat uit te leggen. Eigenlijk ben ik dan meer bang dat zij op hun flikker krijgen voor het niet dichtdoen van de deur. Dus ik maak nog wat foto’s van de koof waar vermoedelijk de lift achter zit, en ga weer naar buiten. Ik heb het geprobeerd!

Via halte Rödingsmarkt ga ik verder naar… ja naar Rathaus. Ik wil nog even over de kerstmarkt lopen. Dat doe ik en ik koop een paar prijzige, maar erg nuttige gebreide ‘klapwanten’ – vingerloze handschoenen met een opklapbaar want-stukje dat je over je vingers kunt schuiven. Ideaal voor op de fiets bij het straffere weer deze winter.

Ik ga nog even door naar het winkelcentrum, maak een rondje door de supermarkt, en ga door naar het restaurantje dat ik had uitgekozen. Het heet Erdapfel en daarvoor moet ik bij Mönckebergstraße eruit. Nog een stukje lopen, maar eerst… een H&M Home winkel! Wow! Begeistert loop ik er even binnen, maar besef gelijk dat het niks voor mij is. Snel naar buiten. Dan zie ik een BonPrix winkel…? Wat?! Ik moet daar even naar binnen. Waarom bestaat er een filiaal van een enorme postorderketen? Nieuwsgierig kijk ik naar wat er in de paar rekjes hangt. Een verkoopster staat er een beetje doelloos bij. Om mijn bezoek niet voor niets te laten zijn, zoek ik zoveel mogelijk kleren uit die ik mogelijk eens zou willen kopen, en voel aan de stofjes. Mocht ik nou nog eens wat willen bestellen, dan weet ik nu vast wat de kwaliteit is. Nouja, eigenlijk doet het weinig. Ik ga maar weer op weg naar mijn eigenlijke bestemming: het restaurantje.

Ik wandel de straten door en kom op een pleintje omringd door prachtige huizen. Denk de Beurs van Berlage, Amsterdamse School, en dat dan overal rondom je. Het is ook vroeg in de avond dus alle gebouwen zijn luxe verlicht. Ik maak zo goed als het kan wat foto’s en ga dan op zoek naar Erdapfel. Dat blijkt in het gebouw Sprinkenhof te zitten, waar nota bene een prachtige paternoster zit! Ik vind de hoofddeur naar de appartementen en bezin me op het lukraak aanbellen. Maar ik vind het te brutaal. Ik ga eerst eten.

Dat gaat uitstekend bij Erdapfel. Ik krijg een ovenschaaltje met daarin een joekel van een halve aardappel, aangevuld met verse aardappelpuree. Erbovenop de topping van mijn keuze, namelijk iets Grieks of Turks. Sterk gekruid, knoflook, lekkere zure room, kappertjes, wat vegavlees. Ik smul me helemaal rond, echt, je zit er in no time vol van. Ik laat een partje staan en vraag of ik het mee kan nemen. Jahoor! Terwijl ik even het toilet bezoek wordt mijn hapje ingepakt. Mijn spullen heb ik gewoon op de bank laten liggen. Het is echt een gemoedelijke hippe tent waar je je echt gelijk veilig en vertrouwd voelt.

Ik trek een extra rugzakje uit mijn tas en verdeel mijn spullen over de hand- en de rugtas. Ik bedank en groet en ga weer op mijn weg terug naar Mönckebergstrasse. Hmm.. nog even treuzel ik bij de ingang van Sprinkenhof, maar er komt niemand die naar binnen of naar buiten moet. Jammer! Dan maar door.

Ik pak de metro terug naar Rathaus en ga nog even een trui passen in de New Yorker. Nee, hij zit me echt niet, ik ben net een enorme bol kokos. Wat Michel niet erg zou vinden, denk ik… maar dit gaat echt te ver. Wat ook te ver gaat, is de kruidige etenslucht die uit mijn rugtasje komt. Ik wil het bakje eigenlijk meenemen naar huis, maar wat ga ik er daar mee doen? Hanna heeft al gegeten, en ik krijg dit vanavond niet meer op. Morgen op weg naar huis meenemen is met deze (lekkere) doordringende lucht ook geen snugger plan. Buiten de winkel sta ik een tijdje naar een kerkkoor te luisteren. De kerstgedachte in hun liederen brengt me op een plan zodra ik de metrotunnel inloop. Ik loop terug.

Boven staat een nette zwerver met een fiets, en op die fiets een gazillion aan tassen, een slaapzakfoedraal, nog meer tassen. Hij blikt me meewarig aan. ‘Hebt u honger?’ vraag ik. De man twijfelt of dit een strikvraag is, maar zegt dan glimlachend ‘Ja altijd!’ ‘Okay’ zeg ik en houd hem het open bakje met de geurige aardappel voor. Hij kijkt verguld en bedankt me. Zo, heeft hij eten voor later!

Ik zoef met de metro terug naar Schlump en tref Hanna thuis aan. Ze ligt op de bank in het woonkamertje en zegt daar te blijven. Ze zal zo bij het TV-kijken toch wel in slaap vallen, dan is haar bed voor mij. Tsja, ik vind het een gul aanbod, maar afslaan wil ik het ook niet. Mijn rug is te blij met een goed bed in plaats van een dun matrasje op de vloer.

Hanna voegt er zelfs aan toe dat ze dit per sé zo wil, omdat ze na een nachtje ‘kamperen’ zo veel meer geniet van in een lekker echt bed slapen. Wat een grappige schat is het toch, mijn nichtje! Okay, ik ga overstag. Ik sleep al mijn tassen naar haar slaapkamer en na wat herpakken heb ik alleen het rugzakje en de koeltas over. Klaar voor morgen.

vrijdag

’s Ochtends staan Hanna en ik ongeveer tegelijk op en maken koffie en ontbijt. Hoe gemakkelijk is het samenwonen met je nichtje eigenlijk, terwijl je elkaar anders nooit ziet. Hanna hoort van steeds meer kanten dat iedereen griep heeft. Ook haar collega’s liggen in de lappenmand. Ze doet een coronatestje, dat uitwijst dat zij in ieder geval geen corona heeft. Dat scheelt ook voor mij, zegt ze nuchter, want anders zou ik striktgenomen nog een week bij haar in huis in quarantaine moeten blijven. Proest, wat? Natuurlijk ga ik naar huis! Hanna besluit vandaag niet naar haar werk te gaan, want ze voelt zich best wel ziek.

Ze drukt me op het hart om in de Flixbus vooral een mondkapje te dragen. ‘Eén op de drie Duitsers heeft griep, Heidi! In een bus vol reizigers zijn dat er veel! Je moet niet ziek worden!’ Nee nee, wimpel ik het af. Ik kom wel thuis.

Om vijf over tien pak ik mijn boeltje op, geef Hanna een knuffel, en vertrek richting Schlump. Daar neem ik de metro zuidwaarts, direct naar Hauptbahnhof. De dag begint met een waterig zonnetje. Op het station ben ik bijna gelijk waar ik zijn moet. Ik begeef me in het drukke forenzenverkeer dat individueel allemaal doodgemoederd lijkt te weten waar het heen gaat.

De Flixbus staat al klaar voor me. Ik toon mijn ticket, mijn ID-kaart, en mag weer met beide tasjes aan boord. Het is zelfs dezelfde blonde buschauffeur van de rit hierheen. Ik ga op mijn plaats zitten, krijg niemand echt naast me. Nu zitten er in totaal misschien twintig mensen in de bus.

Al gauw suizen we Hamburg uit en gaan we de snelweg op. Nu, eindeloze uren zuidwaarts…

Bij Bremen en bij Vechta gaan we er weer even af. Bij Vechta is een chauffeurswissel en ongeveer een half uurtje rust. Dus stop ik mijn tassen een beetje dicht, neem het hoognodige mee, en begeef me snel naar de kiosk bij de Raststätte. Ik haal een dubbele espresso en kom weer aan boord. Zo, die had ik nodig!

Tegen drie uur zijn we in Münster. Ik ga maar gelijk bij Benami binnen zitten en bestel een lekkere bagel. Daarbij een … warm glas Aperöl? Wat is dat, vraag ik de serveerster. ‘Uhh, ja warme sinaasappellikeur… kan ook zonder likeur… of niet…oh nee! Het is altijd met alcohol.’ ‘Ik hoef toch niet te rijden’ lach ik terug.

Zo zit ik een twintig minuten, maar de tijd gaat dit maal wel sneller. De bus hierheen was al te laat, en voor vertrek wil ik natuurlijk weer tijdig klaarstaan. Ik laat de Aperöl omgieten in een papieren beker en ga langzaam naar buiten. Mijn handen warmend aan de beker is het nog wel te doen. Als ik een tijdje op het buspleintje sta komt er een vijftal studenten aanlopen. Vier jongens, éen meisje, duidelijk licht beschonken. Twee moeten plassen, allen hebben het koud. Ze mopperen op de vertrektijd van de bus. Ik maak me niet druk en sta er nog wel eventjes. Tien minuten te laat, twintig… *bliep* zegt mijn telefoon. ‘Hij is vertraagd!’ roept ook een van de jongens, die zonet achter een bus tegen een boompje is gaan pissen. Ik neem de aankondiging voor waar aan en graaf me nog wat dieper in in mijn kraag.

Eindelijk, na 30 minuten, rolt de Flixbus om de hoek! We gaan weer aan boord en ik laat me het laatste uurtje naar Enschede tuffen. Onderweg heb ik mooi de tijd om mijn sinterklaasgedicht te schrijven en Michel te verwittigen dat ik eraan kom. De schat komt me nog ophalen van het station ook. Wat een luxe trip naar …huis!

zaterdag

Terwijl we zo in ’the darkest before the dawn’ over de achterbak gebogen staan, bemerkt Michel dat hij zijn toilettas vergeten is. Overweging, tja, dan maar terug. Er is nog tijd. Dus zoeven we even langs de Dennenbosweg en schieten daarna de snelweg op naar Düsseldorf.
- ⟡ -

Deze reis begint met heel andere plannen. Michel gaat in april een lang weekend met de band de hei op, dus ik wil ook even weg. Zodra ik dat idee opper zegt hij ‘ik wil eigenlijk wel naa Lanzarote’. Daar is hij vaker geweest om te mountainbiken met bandgenoot Bas. Ik zeg dat het voor mij ver buiten budget is en ga verder zoeken naar een huisje dichterbij.

Dat wordt Genua… Bolzano… Heidelberg… Helsa… naarmate de kilometers droppen, zo ook de temperatuur. Dichterbij is wel beter betaalbaar, maar eigenlijk gewoon niet leuk. Met twaalf graden in een stad rondwandelen heb ik in december ook al gedaan, nietwaar?

Zomaar een dag op kantoor. Ik overweeg Helsa en wandel naar Michels bureau om dat te melden. Uit het niets laat hij me in zijn browser een huisje op Lanzarote zien. ‘Dit is wel mooi toch? Ik denk dat ik dit ga boeken. Ik ga dit boeken. En ik nodig jou uit.’ Flabbergasted annuleer ik mijn toezegging aan Jonathan in Helsa en concludeer dat ik nu aan boord ben van een reisje naar de zon.

Ik regel een kattenoppas, voor het eerst via Pawshake. Dat ziet er allemaal goed uit. De paklijst komt op tafel, warme en koude kleren wisselen elkaar af. Wat moet er nou mee voor 22 graden en ’s avonds fris weer?

De week vantevoren wordt Michel ziek en blijft thuis van werk. Ik voel me fris en fruitig en kom Michel twee keer avondeten brengen. Maar, ik ben op zaterdag nog naar een Balfolkavond geweest en en word op de donderdag voor vertrek ook ziek. Ik voel me zo gammel dat ik mijn fiets bij Michel achterlaat en hij me naar huis brengt. Vervelend, maar geen reden om niet te gaan! Vrijdag werk ik vanuit huis met griep. Mooi nog even de gelegenheid om in te pakken en bij te slapen, dat wel.

Zaterdagochtend vijf uur gaat de wekker. Ik heb slecht geslapen, koorts gehad, bizar gedroomd. Maar ik ben wakker en ik ga zo op reis! Dat geeft me altijd wat energie. Ik voer de katten, pak de laatste dingetjes in, en verlaat om 6:40 het huis. De Alfa Romeo met Michel, Bas, en Juliana rolt voor.

- ⟡ -

Bij Parkplatz Elwen doe ik onderweg nog even een pipi, daarna zoeven we door naar Düsseldorf. De navigatie leidt ons keurig naar Parkhaus 5. Het is koud en winderig op straat en er valt nevelige motregen. We bibberen naar de overkant, een betonnen trap op, en daar komt de Skytrain. Met ons parkeerticket mogen we gratis mee naar Terminal B.

Binnen gaat Michel naar de balie en checkt zijn paarsgroene sporttas in. Hij zit knap vol en ik vraag me af of hij heelhuids over gaat komen. Er zijn amper passagiers bij de desk en we zijn dan ook zo onderweg richting douane.

Daar is het al drukker. We worden een rijtje in gesluisd. Ik leg al mijn spullen gedwee in de bakken en doe een dansje door de scanner. Mijn schoenen moeten uit en ook in een bak. Aan het eind wordt mijn tas eruit geplukt. Ik heb mijn vloeistoffen niet in een ziplockje. ‘Je komt vast uit Nederland, hè?’ ‘Ja’ ‘Ja daar is dat niet meer nodig. Maar als je een euro hebt…of twee… dan kun je … ergens een ziplockje kopen’. Het is allemaal zo vaag, maar ik wil dat het opgelost is.

Dan verschijnt achter me uit het niets een Duitse vrouw met een extra ziplockje. Ik dank haar hartelijk. Snel alle flesjes in het zakje, wat niet dichtgaat. De beveiligers vinden het wel best. Heh… ? Nou, door dan maar.

We wandelen door de slingerende tax-free-shopping route en vinden prompt de gate. Nog even naar de wc… die kennelijk in verbouwing is… hmm. Al gauw mogen we boarden en zitten we in onze jet naar het Spaanse eiland.

- ⟡ -

Tijdens de vlucht heb ik heel de tijd mijn tas voor me gehouden. Dat heeft mijn beenruimte nogal beperkt. Vier uur vliegen in dezelfde houding geeft je nogal een houten kont. Ook kwam ik erachter dat, om onduidelijke redenen, mijn e-books niet naar mijn reader zijn gezet. Het enige dat ik vind is het boek ‘My Home in the Alps’ – een wat oubollig boek over alpiene heldendaden in de vorige eeuw, een boek dat ik maar blijf lezen omdat het nooit uitraakt, en het altijd wel op mijn reader staat als er écht niks meer te lezen valt.

Ik probeer zo veel mogelijk te slapen. Af en toe hoest ik een beetje. Michel naast me slaapt ook. De zon schijnt door het cabineraampje en verwarmt de linkerkant van mijn gezicht. Al gauw zijn we over Frankrijk en Spanje heen en suizen we over de Oceaan. Nou, nu is het vast niet ver meer.

Niets blijkt minder waar. Het helpt ook niet dat alle catering aan boord tergend traag is omdat dit zo’n lange vlucht is. De stewardessen kondigen hun ronde eerst aan, wachten dan een half uur, en gaan dan op hun dooie gemakje met hun kar door het gangpad. Betalen kan alleen met contanten. Hebben we niet. Dus ik laat mijn waterzak volgieten met gratis water, want dat kuchje…

Eindelijk kondigt de captain de landing aan. Die duurt nog goed veertig minuten. Tot op het laatst hebben we eindeloze blauwe zee onder ons. Dan maken we een mooi u-bochtje naar rechts en landen we hobbelend op de tarmac van Arrecife airport.

Op dit punt ben ik nog redelijk helder van geest. De tas moet van de band gehaald worden. Dat laten we Bas en Jul doen. Michel en ik gaan in de rij voor de autohuur staan. Daar staan echter al heel wat andere mensen. De rij schiet ook bepaald niet op. ‘Dit gaat een uur duren’ verzucht hij. Ik loop Bas en Jul tegemoet en wacht met ze op de tas die van de band komt.

Michel heeft een beter plan. We gaan met een taxi naar Costa Teguise en huren daar een auto. Aldus kiezen we een stilstaande taxi uit, die ons voor een nette 20 euro naar ons vakantieoord zoeft en in het centrum afzet. De stadsbussen waren niet beter geweest.

- ⟡ -

Het centrum blijkt afgezet vanwege de carnaval. Dat merken we al snel. We sjokken met onze bagage en iets te warme kleren de hoofdstraat in. Bas en Michel wijzen me van alles aan dat ik moet zien. Ik ben echter mijn helderheid behoorlijk kwijt. Hoofdpijn bonkt tegen mijn slapen en ik heb het erg warm.

We zetten ons bij La Bocacita aan een tafeltje. We zijn omringd door feestende carnavalsgangers. Kleurige pruiken, vrouwen en mannen in vreemde uitdossingen, rondrennende kinderen. Iedereen viert feest. Behalve ik, nouja, in mijn hoofd wel.

We bestellen drankjes en zitten zo even uit te blazen van de reis. Er wordt bekeken of er nog autoverhuurcentrales open zijn, en of we al boodschappen moeten halen. Ik ben er niet echt bij. Het is zó warm, ik ben zó moe. Ik spot op Maps dat we maar een kilometer van ons huisje af zitten. We kunnen er nog niet in, maar al gauw krijgen we de deurcode toegestuurd. ‘Ik ga erheen lopen’ zeg ik woozy. Vindt Michel geen goed idee. Bas en Jul rekenen af en Michel en ik lopen vast richting huisje.

Het is inderdaad een stoffige rotsachtige route die gelijk de onbebouwde buitenwijken van Costa Teguise in gaat. Met de zon op je hoofd en een zware rugzak op de rug is dat geen pretje in je eentje. Ik hoest inmiddels hard en mijn buik rommelt ook vreemd. Gaar stappen we voort richting huisje.

- ⟡ -

We staan bij de tuinpoort van het huisje, en zoals altijd zoeken we het sleutelkastje. Michel kijkt overal maar vindt niks.

Ik ben inmiddels zo uitgeteld en ziekig dat ik me op de stoep laat zakken en met mijn hoofd op mijn rugzak ga liggen suffen. Michel controleert of dit echt de juiste straat is.

Dan sta ik op, open de tuinpoort met de klink van binnenuit, en wandel naar de voordeur. Daar hangt het sleutelkastje zoals beschreven. We hadden gewoon nog niet bedacht dat het tuinpoortje gewoon open zou zijn…

We laten onszelf binnen, gevolgd door Bas en Jul die ook gearriveerd zijn. Na een snelle wc-stop kiezen we de linker slaapkamer. Bij nader inzien blijkt die ruimer dan de rechter. Michel laat het erbij, gekozen is gekozen. Ik ga er maar in mee, ik ben te suf om Bas en Jul nu nog deze kamer te geven. Ik leg mijn rugzak tegen de muur en plof op bed. Slapen wil ik, slapen. Slapen in koelte. Ik hoor de party om me heen uitpakken en dingen regelen en dan ben ik weg.

Ik ben nog heel even wakker als de party me informeert over hun avondeten die avond. Nee, ik ga echt niet mee, ik leef nog niet. Tot twee keer toe word ik plotseling wakker in kletsnat bezwete beddenlakens, die ik dan maar verschoon met spullen uit de linnenkast. Koortsachtige dromen houden mijn uitgeputte hoofd bezig. Maar ik slaap, dat is goed. Ik merk het amper als de party tegen half elf terugkomt uit het restaurant.

zondag

Wat een feest, vandaag voel ik me goed! Michel noemt het een opleving. Ik weiger dat te geloven. We slepen de eettafel naar buiten, naast het huisje, en ontbijten met zijn viertjes.

- ⟡ -

Juliana heeft een autoverhuur gevonden die op zondag tot 13:00 open moet zijn. Hij zit in het centrum van Costa Teguise. We moeten sowieso ook Michel en Bas’ gehuurde fietsen ophalen, dus tijd om te voet koers te zetten naar het dorp. Juliana blijft op de casa passen.

Het is opvallend warm. Michel en Bas lopen vooruit en ik schiet wat foto’s. Ik heb nu meer oog voor het landschap dan gistermiddag.

Na een kwartiertje zijn we op de kruising met de autoverhuur. Het is niet druk en ze hebben zowaar twee auto’s beschikbaar voor ons. Ik Google snel. De ene is een brave sedan, de andere is een Ford EcoSport SUV. Dat klinkt als de betere wagen. Hij is nog honderd euro goedkoper ook. Vast omdat die niet zo gauw kapot gaat in dit landschap.

Michel rekent af en is bij deze de designated driver. Dat is niet erg, hij drinkt toch geen alcohol.

We steken de straat over naar dé parkeerplaats van Costa Teguise, waar onze bolide staat. Inderdaad, daar staat hij, felrood en ready to go. Maar wij nog niet.

We wandelen naar fietsverhuur Vulcan Bikes, in de volgende straat. Michel noemt zijn reservering en de stoere dame achter de toog wijst ze meteen twee al klaarstaande fietsen. Goed geregeld. Er moeten nog wat dingetjes afgesteld worden, trappers verwisseld, en dan zijn hun fietsen klaar voor het racewerk.

Ik steek mijn hand op. ‘Ik wil graag ook een fiets huren. Maar wel een simpele.’ De jongens raden me toch aan wel iets van een mountainbike te nemen, en die krijg ik dan ook. Een eenvoudige metallic blauwe mountainbike, met zeker tien versnellingen. Even wennen weer. Na mijn verblijf in Finland had ik ook een mountainbike, dus ik moet even mijn geheugen opfrissen en dan sjees ik met de jongens mee. We stuiven over de gravelpaden terug naar huis.

Wat een heerlijke dag, zo in het zonnetje! Ik ben er weer bovenop! Toch?

- ⟡ -

Het is zulk lekker weer, ik moet deze kans aangrijpen om flink zon te pakken en op te knappen. Ik trek mijn bikinitop aan en zet me op een ligbed in ons betegelde tuintje.

Het is lenteachtig… hoewel het na het middaguur toch wel erg heet wordt. Ik sleep mijn ligbed naar een schaduwrijk randje van de tuin en bedek mijn benen met mijn sjaal. Gek, het brandt toch wel redelijk na… zo heet is het toch niet?

Juliana komt met de jongens terug van het dorp. Ze hebben de auto opgehaald en boodschappen gedaan. Gelukkig, er is thee, honing, en heel grote mandarijnen. Hoestdrank is Michel nog vergeten, maar de winkels en apotheken zijn hier tot laat in de avond open, dus dat komt vanavond wel.

Hè, ik voel me toch warm… ik kijk in de badkamerspiegel en zie dat ik fiks verbrand ben. Oeps!

We trekken een flesje witte wijn open en zitten in het namiddagzonnetje totdat de wind opsteekt. Ik voel me wat woozy, dus ik ga even op bed liggen. De party maakt zich klaar om ergens in het dorp uit eten te gaan.

Ik overweeg mee te gaan. Ja. Nee. Ja toch. Nee. Ik voel me te ziekjes. Of moet ik er gewoon uit? Ik draal een beetje tussen slaap- en woonkamer en verander meermaals van plan.

- ⟡ -

Oh, fuck it! Roep ik uiteindelijk, en grijp mijn jas. ‘Ik ga gewoon mee!’ Ik zit nog niet in de auto of ik voel me al zo beroerd, dat ik eigenlijk nu al terug mijn bed in wil. Dat heb ik even daarvoor ook nog voorspeld, maar ja… ik wilde toch mee.

We zetten de auto op de parkeerplaats en wandelen langs een paar restaurants. Overal is het nog druk, mensen praten en hebben vertier. Alles gonst rond mijn hoofd. We vinden een restaurantje waar we naar beloofd maar vijf minuten hoeven te wachten. Ik lach om Michels aparte manier van krijgen wat hij wil. Op een vreemde manier heeft het personeel ontzag voor ons en krijgen we ook echt binnen vijf minuten een tafel, terwijl er gewoon mensen buiten staan te wachten.

Ondertussen hoest ik me behoorlijk te pletter – het is gewoon niet in te houden. Ik meld desgevraagd dat ik me niet oké voel. Maar ja, ik ben nou eenmaal mee. Zal ik teruglopen? Michel weigert dat. Dan gaat hij me wel brengen. Dat vind ik weer een ondoenlijk plan, zo de tafel verlaten. Het is maar eén kilometer en ik weet de weg, wat zou het? De sfeer aan tafel wordt stiller en stiller. ‘Morgen…?’ probeer ik het gesprek op gang te brengen terwijl ik met mijn armen gebaar om mensen aan het praten te krijgen. De party kijkt me verwilderd aan. ‘Wat – willen – jullie – morgen – doen?’ proest ik, resulterend in een volgende hoestbui. Langzaam komt het gesprek op gang. Het blijkt dat niemand een idee heeft en ook niemand nu wat wil bespreken. Well, dat was jammer.

Dit komt echt niet goed zo, ik voel me beroerd en wil nu weg. Maar net als ik op wil staan komt de ober aan onze tafel. Wat willen we eten? Ik bestel een carpaccio en laat de anderen voor- en hoofdgerecht bestellen. Kan het allemaal tegelijk op tafel? Dat schijnt te kunnen. Toch komt mijn gerecht eerder en zit ik een goede tien minuten ontzettend ongemakkelijk naar mijn bord te staren. De ober merkt het op en informeert of mijn tafelgenoten hun eten tegelijk wilden. ‘Jaha!’ hij spoedt naar de keuken en onze gerechten worden met veel haast eerst bereid.

Ondertussen begin ik vast aan mijn carpaccio te peuzelen. Veel honger heb ik niet, maar het staat toch voor mijn neus. Ik ben halverwege als de rest hun gerecht heeft. Ik probeer het gesprek nog een beetje op gang te houden, maar er is echt een ijskoude ongemakkelijke sfeer over tafel neergedaald. ‘Wil je wat van mijn vlees?’ vraagt Michel. ‘Nee’ bedank ik. Even later vraagt hij of ik dan wat van zijn groenten wil. ‘Nee, en stop me eten aan te bieden! Ik heb geen honger, anders had ik wel meer besteld toch!’ kift ik. Gelijk is de sfeer aan tafel echt tot het nulpunt gedaald en ik zie dat ik dat ook niet meer goed ga maken zo. Okay, tijd om te gaan dan. Ik eet mijn laatste hap carpaccio, drink nog een slok water, en sta op. ‘Dit wordt niet meer gezellig zo, ik wandel naar huis jongens.’

Ik hoop hiermee de rest van de avond niet te verpesten, maar Michel staat ook op en weigert me alleen te laten vertrekken. ‘Dit is belachelijk’ zeg ik nog, maar hij staat erop. Met tegenzin verlaten we het restaurant en hij rolt me met de auto naar huis, om daarna terug te keren naar Bas en Juliana.

Ik plof in bed, boos, verdrietig, maar vooral: ziek. Ik voel nu pas dat ik behoorlijk koorts heb en dat van rustig slapen ook weinig komt. Vrienden stellen me via de app gerust. ‘Ga maar slapen, morgen is een nieuwe dag. Deze kun je niet meer redden.’

En zo slaap ik in… tot de party tegen half elf terug is. Ik ben nog even wakker en dan slaap ik weer verder. Wat een helse avond.

maandag

Vandaag ben ik minder goed te pas bij het ontbijt, maar ook minder overmoedig.

- ⟡ -

Tegen 13:00 lig ik rusteloos naar het plafond te staren. Als ik weer wat wil gaan doen, kan ik het beste zelf op mijn eigen tempo de start maken. Er is nu niemand thuis, dus niemand om me voor te haasten.

Ik keil mezelf uit bed, de hoofdpijn bonkt en mijn hoofd tintelt, het gevoel van ontstoken neus- en keel laat me niet los. Maar ik ben overeind. En nu ga ik de wereld tegemoet. Ik ben helder genoeg om te fietsen, dus laat ik mijn mountainbike pakken en eens richting dorp gaan.

In zo’n half-delirische staat van zijn is het nog knap lastig om alle voorbereidingen logisch uit te voeren. Ik pak mijn tas in, kleed me aan, hoest veel, knijp mijn ogen toe om de hoofdpijn te vermijden, en ga weer door. Uiteindelijk beland ik buiten. Wat een heerlijke zon, wat een warmte! Met veel precisie sluit ik het huisje af en laat de sleutels achter in het kluisje, zodat mijn reisgenoten ook weer naar binnen kunnen als ze terugkomen.

Rustig fiets ik naar het dorp. Ik weet niet precies wat de snelste weg is, maar het stratenplan is hier zo eenvoudig, je komt er uiteindelijk toch wel. Ik geniet van het zonnetje en de frisse wind. Ik geniet van weer buiten zijn en weer iets ondernemen. Ho, wel even op de langsrollende auto’s letten.

Ik ga eerst naar de supermarkt. Ik heb helaas nood aan zonnebrandcrème, after sun, en ook gorgelen met mondwater wil ik proberen. Dus neus ik door de schappen tot ik de beste value for money flacons van elk goedje heb. Ik pak er nog twee dikke mandarijnen bij en wandel naar de kassa. Voor mij hoor ik hoe men in het Spaans vraagt, of je een tasje wil. Dus, zodra ik op mijn beurt die vraag gesteld krijg, kan ik direct beleefd ‘no, gracias’ antwoorden. Zo, Heidi de reiziger komt weer een beetje bij me boven.

Ik ga buiten voor de supermarkt op de rand van een plantenbak zitten en nuttig mijn mandarijnen. Voor de aankopen had ik een rugtasje meegenomen, dus die zitten me niet in de weg. Ik liep zowaar met sokken in mijn sandalen, omdat ik dacht dat het koud zou zijn, (en ik me geen klap aantrek van modegevoel als ik me niet jofel voel). Maar niets is minder waar: het is zo heerlijk lekker warm dat ze wel uit kunnen. Ik prop de sokken bij in mijn tas en pak de fiets richting strand.

Eerst stop ik nog even bij een typische Chinese prullaria-winkel. Michel heeft hier gisteren een aardige zonnebril gekocht (want ook die lag nog thuis, waarom zou je die nodig hebben op een zonnig eiland?). Ik groet de twee Chinese meisjes die zich voornamelijk bezig houden met nietsdoen en struin wat door de shop. Tja, precies wat je verwacht eigenlijk. All this glitter, no gold. Ze hebben wel enige koelkastmagneten, niet al te cheesy, dus voor het geval ik ze nergens anders meer tegen ga komen neem ik nu een mooi beschilderde hagedis met ‘Lanzarote’ erop mee. Ik wil eigenlijk nog iets van een doek om mijn verbrande hals te bedekken, maar ze verkopen alleen tenenkrommende boerenzakdoeken. Ik heb al twee sjaals mee, dus daar moet ik eerst maar wat mee.

Verder naar het strand!

- ⟡ -

Het is voor mijn gevoel (voor zover ik helder denk) wat tegenstrijdig waar het strand ligt. Google Maps wijst me aan het einde van de straat naar links, en beweert ook dat er de hele tijd aan mijn linkerhand al strand ligt, achter de gebouwtjes.

Het zal wel, het voelt meer alsof het rechts ligt, maar ik zal Google Maps maar weer vertrouwen. Die heeft me ten slotte in het verleden nog maar twee keer compleet de verkeerde kant op gestuurd.

Inderdaad, aan het einde van de dwarsstraat kom ik (na nog talloze Chinese prullaria-winkels, supermarktjes en farmacieën te zijn gepasseerd) op een grote parkeerplaats met bombastische hotels, en: strand. Ik hoor de zee heerlijk bruisend aanrollen en tegen de rotsen stukslaan.

Volgens mij mag je hier overal met de fiets komen, dus ik neem hem lekker mee. Hij kan mooi bij een andere fiets boven aan de kade staan. Ik wandel naar beneden en trek mijn sandalen uit. Há! Ik sta met mijn voeten in de… eh, hoe heet het hier eigenlijk?

Ik trek mijn telefoon tevoorschijn en raadpleeg Google Maps weer. Ik sta, tot mijn teleurstelling, net als vorig jaar in Porto, in de Atlantische Oceaan! Een beetje beteuterd accepteer ik dat al mijn vreugde om hierheen te gaan nu is doodgeslagen met de gedachte dat ik al eens met mijn voeten in deze oceaan heb gestaan. Nouja, nu is het wel meer midden in de oceaan dan toen.

Ik plons een beetje rond, laat de golven over mijn benen spoelen, zie andere mensen rond mij het water in gaan. Ja, ik heb nu geen badkleding of handdoek bij me, ik doe even niet mee.

Terwijl ik op een rotsje van de golven zit te genieten, komt er een jolige man met twee koelboxen langsstruinen. ‘É signorita, ice cream?’ Dat laat ik me geen twee keer zeggen! Mijn eerste ijsje van dit jaar! Het kost ook bijna niks, deze nep-Cornetto. Ik laat het me goed smaken.

Ik meld the party wel dat ik aan zee ben. Mijlpaal van deze dag. Ik heb wat van het eiland gezien!

- ⟡ -

We beginnen de avond met op het terras zitten en staren hoe de zon langzaam ondergaat over de huisjes in de verte. Juliana heeft bedacht dat ze, met de weinige ingrediënten die ze hier heeft, sangria gaat maken. Nou, ik ben wel benieuwd. Ik ben een hele dag goed te pas geweest, dus doe mij ook maar een glaasje. Ze maakt een mix van rode wijn, water, sap…? en wat verschillend fruit in een wijnglas.

Ik nip er aan en de smaak is niet heel vervelend. Maar na drie slokken zegt mijn maag falikant ‘nee’. Ik kan geen slok meer nemen, wat verschrikkelijk! Ik word draaierig en voel me acuut beroerd. Achteraf bedenk ik me dat het nemen van de hoestdrank, fluimucil én deze alcohol wel eens een slechte combinatie zou kunnen zijn. Maar ik ben op dat moment te ziek om dat te realiseren. Ik zeg iedereen gedag en rol me op in bed. Ik zet geen stap meer buiten de deur vanavond.

Na een aantal uren voel ik me weer in orde, al is mijn beddengoed weer eenmaal klaar om in de was opgefrist te worden. Het is midden op de avond. De party is uit eten gegaan en zal rond half elf terugkomen. Ik moet wel wat slapen nu, want als Michel terugkomt zitten we elkaar zeg maar… nogal in de weg qua slaapgeluiden. Dus moet ik nu mijn rust pakken. Ik leg mijn hoofd weer op het kussen en bedenk me heel rustig dat ik moet slapen.

Twee uur later lig ik met razende gedachten nog steeds zo wakker. Echt van houding veranderen kan niet, want alleen op deze kant hoest ik niet. Dus lig ik uren met mijn ogen dicht te wachten tot ik in slaap val. Mijn hersenen maken er een compleet visueel circus van. Ik zie blokjes die aaneenschuiven, knikkers die vallen, treintjes, Tetris, schaapjes zelfs… alles komt voorbij. Alles is een gedachte. Geen enkele gedachte is slaap. Ik doe ontspanningsoefeningen door al mijn ledematen in gedachten te benoemen en me af te vragen of ze in een gespannen houding liggen. Niks. Ik denk aan fractals en probeer ze te volgen terwijl ze voor mijn gesloten ogen oneindig inwaarts spiralen. Niks. Ik denk aan wolken, rivieren, wind en water. Niks sust of stilt mijn razende brein. Het speelt met me en ik heb het niet door.

Tegen half elf draait de sleutel om in het slot. De party komt thuis. Ik werk me uit bed, hijs me in een shirt en legging, en zet me bij ze op de bank. We drinken kopjes thee met honing en ik vraag tussen mijn geblaf door hoe hun avond was. Ze vertellen over de sfeer en het eten. Hoofdpijn bonkt tegen mijn slapen. Ik ben blij dat ze er weer zijn.

Als ik ze kort vertel hoe ik geslapen heb, realiseer ik me pas dat ik koorts moet hebben gehad. Nou, hopen dat die niet terugkomt. We gaan ons bed weer in en ik spreek met Michel af dat we elkaar aantikken als we elkaar ongemerkt wakker houden. Dat werkt redelijk goed, geloof ik. Hoe haal je de morgen…

dinsdag

We ontbijten weer ietsje later dan gisteren. Ach, er hoeft ook niks. Ik voel me nog steeds niet jofel, maar ik kan de dag weer aan. Kijk eens wat een leuke stoere plakken kaas ze hier dan hebben. In de achtergrond de moka caffè op het tuinmuurtje. Ideale plek als hij nog heet is aan de bodem.

- ⟡ -

Bas en Juliana hebben toegezegd dat ze vandaag niet met de auto weg hoeven, en dat het ze leuk lijkt als Michel en ik een dagje samen hebben. Dat vind ik lief, en ook wel een leuk idee. Ik wil wel wat van het eiland zien. Hopelijk houdt mijn hoest zich een beetje in.

Michel stelt voor om naar Playa Quemada te rijden. Hij weet daar een leuk restaurantje aan zee. Zo zoeven we even later door het zonnige, kale landschap. Voorbij aan Arrecife, Tías. Opeens ergens links, zigzaggend de heuvels af. Ik zie de zee en maak foto’s.

Langs de kust zijn overal kleine plukjes huizen, die samen een dorp vormen. Er is zoveel onbewoond land over dat de dorpen ook nog lang niet aan elkaar gegroeid zijn. Vanaf een kustdorp is één weg naar de hoofdroute over het eiland. Vast om het simpel te houden.

Michel weet precies waar hij wil zijn. We zetten de auto achter een onbeduidend wit gebouwtje en zetten ons in de zon op het terras aan het water. Heerlijk, even lunchen. Ik moet wel vaak hoesten, maargoed we zitten buiten. Ik ben liever hier met wat ongemak dan dat ik nog een dag doelloos op bed lig.

Na het eten wandelen we nog even een stukje langs zee. Het is schitterend, warm, met een klein briesje. Ik voel me niet optimaal, maar ik voel me gelukkig.

- ⟡ -

Michel weet nog een mooie locatie: Caleta de Famara. Een kust aan de noordzijde van het eiland. We cruisen met de SUV schuin door alle woeste landen heen, soms een dorpje passerend. Er is hier weinig. Je ziet wel dat mensen hard hun best doen om ook maar iets van vegetatie te laten groeien.

Buiten de witte blokkerige dorpjes zijn op akkers halve maantjes van stenen gemaakt. Michel had me hier al een keer over verteld. De donkere aarde is tot aan de horizon (waar vaak een vulkanische heuvel begint) volgelegd met kleine stenen hoefijzertjes, waarbinnen één enkel struikje groeit. Of het hoefijzertje nou juist de wind buiten, of het water binnen moet houden, dat snap ik niet helemaal. Het ziet er wel bijzonder uit, zoals zoveel op dit eiland.

We bereiken de kust. ‘Kijk’ zegt Michel tussen twee hoestbuien van mij door. ‘Dit is typisch zo’n wild-west-stadje. Ik snap het, het lijkt op Tenda, waar Jeroen en ik ooit doodvermoeid binnenzwalkten. Op een hippe auto na leek het daar net zo. Je verwacht eigenlijk elk moment een paar eenzame tonen op een mondharmonica.

Michel wijst een restaurant aan. Ik zie het als kans om even een pipi te doen, want bij de lunch heb ik aardig wat gedronken om mijn keel niet te laten uitdrogen. Ik mag bij het restaurant even gaan en bemerk dat ze een vriezer vol ijsjes hebben. Dus eten Michel en ik samen een ijsje aan de kust. Wel peperduur, maar ik geloof van Michel ook dat het een goed restaurant was. Misschien kunnen we er nog een keer gaan eten deze week.

We gaan weer aan het rotsstrand staan en turen uit over de brekende golven. Ik houd normaal niet bijzonder veel van de zee, maar hier is hij echt prachtig. Zo ongeremd, zo natuurlijk. Het water speelt met het land. In de verte liggen twee kleinere vulkanische eilandjes: La Graciosa en Isla de Montaña Clara.

- ⟡ -

We zetten weer koers terug op huis aan.

Vlak voor deze kustplaats kwamen we voorbij een grappige x-vormige kruising in de weg. Een punt, waar twee bijna parallel lopende wegen elkaar raken, en waar met een soort van x-vormige rotonde mogelijkheid is om af te slaan naar de parallelle weg.

Tot onze verbazing geeft de navigatie aan dat we inderdaad schuin door het kruisje mogen rijden om via Teguise naar huis te gaan. Michel neemt het aanbod blij aan, maar bemerkt dan dat we rechtstreeks op een onverharde weg zijn beland. Houd je vast! Gelukkig hebben we een SUV onder onze kont!

Het gaat een eind bergopwaarts waarbij we de heuvel volgen. Onder ons liggen velden en daaronder de hoofdweg waar we net op de heenweg over reden. Wat avontuurlijk dit! Hoe hoger we komen, hoe rotsachtiger het pad ook. Michel zegt dat hij dit soort paden ook met de fiets wel kiest. Alleen de ribbels, die door sommige auto’s gemaakt worden, zijn verschrikkelijk om overheen te fietsen. Daar hebben we met onze dikke autowielen gelukkig geen last van.

Als ze denken echt in de middle of nowhere te zijn beland, staan we opeens aan de rand van Teguise.

- ⟡ -

Terwijl we door de straten rijden, herken ik de ‘oude stad’ Teguise. Ik vraag Michel of hij wil parkeren op het marktplein.

Het is half bewolkt, er is nauwelijks iemand. We lopen een beetje rond (en ik maak weer dankbaar gebruik van een keurig schoon openbaar toilet). Heel toeristisch is het hier niet, terwijl dit toch echt het middelpunt van het dorp is.

Ik neem de sfeer van de huisjes een beetje in me op. Alles wit, glad gepleisterd, vierkant, met platte daken. De kozijnen altijd in het typische groen of zwart. Elke tuin ommuurd, geen huis meer dan twee verdiepingen hoog. Geen uitbundige gevelreclame, niet meer dan sobere wegbewijzering. Geen wonder dat dit ‘de oude stad’ wordt genoemd. Het is alsof je bijna honderd jaar teruggaat in de tijd, op de auto’s na.

De tuinmuren zijn wel opmerkelijk om te zien. Niet alleen de vorm; straten zijn schots en scheef, veelal direct om tuinmuren heen aangelegd. De wijze van bouwen is ook bijzonder. Er zijn tuinmuren als dalmatiërs: wit pleister afgewisseld met dikke zwarte rotsen.

We rollen het dorp weer uit en wagen ons weer de heuvels in, nu over een normale asfaltweg. Op naar Costa Teguise.

- ⟡ -

We komen weer thuis aan, waar Bas en Juliana ook al zijn.

Ik waag me nog aan een restje witte wijn dat ik aanleng met water, maar al gauw houd ik het voor gezien. Weer ga ik vanavond niet mee, ik ga mijn bed weer in.

- ⟡ -

Ik besluit vanavond wakker te blijven en wat in mijn reisdagboekje te schrijven. Ik nestel me op de bank met een schemerlamp erbij en drink kopjes thee met honing.

Zo gaat de avond kalmpjes voorbij.

Voordat ik het weet is het alweer kwart over tien en hoor ik de party thuiskomen.

Slapen gaat vannacht wat anders. Michel stelt voor dat we elkaar niet bij elk geluidje een por geven, om zo elk toch wat langer achter elkaar te kunnen slapen. Ik vind het wel jammer, want ik vond de afspraak wel goed zoals hij stond.

Ik probeer in slaap te vallen, maar dat lukt niet. Al gauw hoor ik geluid uit het bed naast me en kan ik me alleen nog daarop focussen. Dat wordt geen slaap zo.

Ik pak mijn boeltje op en ik verhuis naar de woonkamer. Ik schuif de gordijnen strak dicht, want de maan staat helder aan de hemel. Ik leg de wifi-extender plat op zijn smoel, want er zitten erg felle ledjes op die de halve kamer verlichten. Dan ga ik op de bank liggen en slaap daar heerlijk verder.

woensdag

We ontbijten weer op het terras. Het waait vandaag een beetje meer dan gisteren. We moeten een beetje uitkienen dat verpakkingen niet onder onze neus wegwaaien.

- ⟡ -

Vandaag gaan we met zijn vieren naar National Park Timanfaya, oftewel: de vulkaan.

De jongens weten nog wel waar het ongeveer was, dus we tikken het in op de navigatie en rijden erheen. Bijna goed. We komen bij een parkeerplaats waarvandaan te wandelen is, maar we willen nog ietsje verder.

Het landschap is hier bijna buitenaards. Links en rechts van ons zien we alleen maar donkere, heftig omgewoelde aarde. Het is alsof je piepklein bent en dwars door de akker van een reus rijdt – wel over een asfaltweg dan. Nergens groeit een struik of boom. Het land weerkaatst ook minder zonlicht, zo lijkt het. De bewolking is hier wat troostelozer en het lijkt alsof we op een andere planeet zitten, alsof tijd en ruimte stil zijn gezet.

We komen voorbij een slagboom, kopen een ticket, en belanden in de rij voor een parkeerplaats hoger op de berg. Braaf laat ik me mee naar boven voeren.

Bovenaan is een bijzonder schuine parkeerplaats. Alle auto’s staan zo schots en scheef op de helling geparkeerd, het is bijna knap dat geen een aan het rollen gaat. Parkeerwachten dirigeren ons driftig naar een vrije plaats. Tussendoor rijden touringcars zonder veel moeite af en aan de steile parkeerplaats over.

We gaan naar het restaurant. Even snel een pipi, in een keurig uitgerust toiletgebouw dat bij het restaurant hoort. Het valt me op dat het hier werkelijk niet vaak of hard zal regenen. Je loopt grotendeels buitenlangs overal naar toe, sommige ruimten hebben geheel geen dak. Het hele gebouw bestaat uit grote rotspoorten en ronde pleintjes. Het doet me denken aan de wereld van The Flintstones.

We gaan met een touringcar mee. Michel en ik zetten ons achterin op een bankje achter een zoenend stelletje. Of hun stoelen wel even normaal rechtop kunnen? Ja, dat kan. Zo, kan ik ook zitten. Onze bus rolt behendig, potsierlijk als hij is, met een laag toerental over de schuine heuveltjes tussen de vulkanen. Ik ben verbaasd dat een touringcar dit kan, en dat de motor niet overkookt terwijl we zo, als ware het een geasfalteerde achtbaan, onbereikbare delen van het vulkaanlandschap te zien krijgen.

Hier en daar staat de bus even stil. Er wordt uitleg gegeven in het Spaans, Engels en Duits. Het is wel apart, maar ik weet niet echt wat ik nou voor bijzonders moet ontdekken. Het is gewoon heel onherbergzaam en vooral kaal en onaards. Voor we het weten zijn we alweer terug bij de parkeerplaats. Bas en Juliana mompelen dat de trip de vorige keer een stuk langer duurde, en ze meer vulkanen liet zien. Ik weet het niet, ik had ook best nog wel en stukje verder het landschap in willen rijden. Maar ik zat me ook een ongeluk te hoesten, dus ik ben wel blij dat ik weer in de buitenlucht sta.

Nu krijgen we nog even een demonstratie te zien van de hitte van de aarde. Eerst gooit een man wat droog hooi in een holte vlak onder het oppervlak. Het hooi vat gelijk vlam en verkoolt voor onze ogen. Dan loopt zijn collega naar een paar buizen die vlak voor het restaurant uit de grond steken. Hij giet er eerst een scheutje water in. ‘Floooof’ horen we als het water er met een sisser weer uit spuit, ongeveer een meter de lucht in. Dan wacht hij even, en giet met een kwak de rest van de inhoud van zijn emmer in een andere buis. Hij doet een stap terug en ‘POF!’ als een woeste geiser knalt stoom en water met een schot de lucht in. Het publiek schrikt en lacht dan, een peuter zet het van schrik op een krijsen.

We gaan even aan de rand van de parkeerplaats staan en daar maken Michel en Juliana leuke foto’s van ons: dansend op de vulkaan. Dat moet toch wel even, ook al ken ik het liedje eigenlijk niet. In mijn hoofd klinkt het als Bløf’s ‘Dansen aan zee’ (lees voor zee ‘op de vulkaan’). Maar dat deert niet, het is grappig.

We gaan wat eten in het restaurant. Pas hier binnen merk ik hoe oud het gebouw is. De architectuur is zowaar uit de sixties, space-age gevoel, met enkelglas ruiten in ijzeren sponningen. Een smalle rij ruiten geheel rondom, in een koof onder het dak. Maar veel tijd heb ik niet om daar naar te kijken, want ik moet natuurlijk veel hoesten. Het personeel heeft ook geen tijd voor kleinigheden; waarschijnlijk zijn wij net het staartje van lunch rush hour, en moeten we snel van alles voorzien worden.

Bestellingen worden half begrepen, broodjes worden ongevraagd op onze borden gekwakt, onze hele bestelling wordt op een godsonmogelijke manier op onze grote ronde tafel geparkeerd. Maar dan, als we alles hebben, keert de rust terug. Bedienend personeel laat onze tafel met rust, en afgezien van mijn hoest en de rondrennende kinderen, is alles sereen. Ik eet kipkroketjes, de party deelt een vrij dure hele kip, die hier op het vulkanisch vuur buiten op een enorme barbecue bereid is. Ach, ook wel eens leuk om gegeten te hebben toch?

Na het eten sneaken Juliana en ik even het souvenirwinkeltje in. Juliana weet niks te kopen, ik neem twee mooie stilistisch vormgegeven magneetplaatjes mee. Eéntje van het onherbergzame landschap, ‘planet lanzarote’, en eentje met net zo’n woestijn tot aan de horizon, en één enkele fietser. Die vind ik mooi voor op Michels magneetbordje in de keuken, die past bij hem.

We lopen weer naar de auto en rollen de lange weg af, dit onaardse park uit.

- ⟡ -

‘We moeten éigenlijk nog even naar de grotten’ merkt Juliana op. ‘Heidi, houd je het nog vol?’ ‘Jahoor’ zeg ik gemoedelijk. Zolang jullie je niet doodergeren aan mijn onverwachte hoestbuien, laat ik me wel overal mee heen slepen. Zo op de voorstoel van de auto is dat absoluut niet moeilijk.

We rijden naar ‘de grotten’ oftewel Los Hervideros. Het is een rotsachtig stuk kust dat veel toeristen trekt. Waarom dit nou zo speciaal is ten opzichte van andere rotskusten, ik weet het niet. Dit is een eiland, volgens mij heb je om de paar kilometer een stuk als dit?

We treffen bij de bewuste rotskust een hele sliert auto’s en campers aan. Het verbaast me dat hier campers staan; hoe komen die hier? Later zoek ik het op en leer, dat je vanaf Huelva in Spanje in 24 uur met je camper de overtocht kan maken. Wel prijzig, maar dan heb je wel je eigen huisje op wielen mee.

We rijden naar het einde van de weg, waar toevallig een wegafzetting is én de parkeerplaats is afgezet. Ik vermoed dat het iets met hoge golfslag op stormachtige te maken heeft. Alle bezoekers parkeren nu maar gewoon langs de kant van de weg. Er is ook geen politie of wat om er op toe te zien.

We klauteren een beetje de rotsen over en laten ons imponeren door de sinkholes die zich hier in de rotsen bevinden. Elke paar minuten ruist er een fenomenale golf de grotten onder ons in, vult de hele sinkhole, en slaat met veel bruis en spetters stuk op de rotsen. Je kunt het aan zien komen doordat de golf, als muur van water, de hele poort naar open zee afsluit van het licht. Terwijl het water laag staat, wordt het plotseling donker in de grot. Het volgende moment spat er een explosie van blauw naar wit schuimend water onder je uiteen. Mooi, om even van te genieten.

We klauteren verder en kijken wat uit vanaf bijzondere doorkijkjes. We zien Juliana hier en daar wandelen en zoeken Bas. Die blijkt een onbekend meisje tegen te zijn gekomen, dat hem met nadruk vroeg of hij haar even hier op de foto wilde zetten. Er was geen ander capabel persoon in de buurt, dus zegde hij toe. En zo treffen we Bas, die ergens in een uithoek een poserende millennial blij maakt met een paar kiekjes voor haar Instagram. We kunnen er wel om lachen.

- ⟡ -

‘We gaan ook nog even naar El Golfo, dat is hier om de hoek!’ weet mijn party. Okay, ik ben van de partij, de energie voor vandaag is nog niet op.

We rijden maar gewoon rechtuit, voorbij alle campers, hippies en surfers. Ook hier bij El Golfo is de weg weer afgesloten. Tsja, dan zetten de we de auto maar gewoon ergens langs de kant. Gelijk volgen andere auto’s ons voorbeeld, en ziedaar, we zijn een parkeerplaats gestart.

We lopen, zo hoor ik, vanaf de non-toeristische kant naar iets dat ‘El Golfo’ heet. Ik zie sowieso een mooie, grillige rotspunt, dus ik vind het wel leuk. Dan slaan we rechtsaf om de punt heen en zien een prachtige kust, met azuurblauw water, en een enkele rots. We lopen verder naar rechts een pad af. Mensen dartelen in de ondergaande zon. Het is al met al nog steeds best leeg hier. Er zijn hier in totaal denk ik maar tien toeristen. Een beetje verdwaald wandelen we allemaal rond.

De zee slaat op de rotsen en bruist over het strand. Hoe mooi om te zien dat zeewater zo veel tinten blauw kan hebben! En dat het omslaat in schuimige, romige massa als de golven breken. Het is ook fascinerend om een golf ver vanaf zee te blijven volgen totdat hij dichtbij komt. Zal hij zijn kracht en grootte behouden? Wordt het een echt grote surfgolf, zo’n mooie blauwe transparante krul in het water? Welke combinatie van factoren maakt een golf een daverend succes, welke combinatie laat hem als een kabbeltje ten onder gaan? Prachtig, ik kijk met een nieuwe blik naar de zee.

In de bocht, onder de rotsen, ligt een klein meertje. ‘Jammer’ merkt de party op ‘we zien het meertje nu van de verkeerde kant. Je kan bijna niet zien hoe groen het is.’ Ik geloof het wel (al zoek ik het later online op, en ja van bovenaf is het echt bijzonder groen). Je kunt er vlak overheen turend ook wel aan zien dat het een heel andere kleur dan de zee heeft. Waar dat door komt weet ik niet, vast de algen in het stilstaande water. Voor nu lijkt het een soort kopergroen.

We staan een tijdje in de wind te turen en lopen dan weer terug naar de auto. Daar vraag ik de party om even stoer bij de wagen te poseren. Dit is Lanzarote tenslotte; hét eiland waar stoere autoreclames worden gemaakt! Dus moeten ze ook even met onze stoere bolide op de foto (die hier overigens niet tussen staat).

Tijd om weer richting Costa Teguise te kachelen – de wekelijkse markt begint zo.

- ⟡ -

We rijden terug via het dorp. Bas en Juliana stappen uit en lopen naar de markt. Ik vind het jammer dat ik niet mee kan, maar ik weet dat als ik nu aan de slenter ga, ik al gauw een verveling word voor hun twee. Ik moet nu naar huis en niksdoen.

Dus rollen Michel en ik de auto terug naar de casa. We doen een onplezierige ontdekking: een vogel is over onze patio gevlogen en heeft precies in de patio op de vloer gescheten! Ik laat het zo en strek me uit op de bank, Michel pakt de zwabber en poetst alle vogelpoep van de vloer. Ik vind het er prachtig uitzien in het gouden zonlicht, het doet me een beetje aan een romantische videoclip van Whigfield denken. Ik wil dit moment bewaren, dus kom ik van de bank en zet Michel op de foto.

De zon gaat langzaam onder en we zitten stilletjes op de bank. We hebben geen honger meer na de lunch van vanmiddag. We appen nog wat met Bas en Juliana, of zij nog boodschappen meebrengen en opgehaald moeten worden. Maar niets van dat alles. Tegen de avond komen ze lopend naar huis. Michel en ik zijn beide zo ongeveer knock out.

donderdag

Ik ga steeds meer van de ontbijtjes genieten! Maar de wind trekt ook aan, elke morgen iets meer. We hebben de tafel maar naar de patio verplaatst en ontbijten daar, zodat niet alles constant van tafel vliegt.

Hoewel de patio afgesloten is, kan het daar ook stevig rondwaaien. Dat merken we wel aan ons wasrek. Handdoeken, badmatjes en Juliana’s wasgoed vliegen er met regelmaat vanaf. Gelukkig kan het binnen de hoge muren nergens naar toe.

- ⟡ -

Vandaag rijden we met zijn vieren noordwaarts, naar ‘andere grotten’. Vast ook leuk. Ik heb gisteravond nog hoestsnoepjes gehaald en eet er nu ongeveer één per minuut, zodat mijn keel in de illusie blijft stralend fris en prikkelvrij te zijn.

Halverwege tussen Costa Teguise en de stad Teguise ligt een dubbele witte poort. We rijden er onderdoor en gaan dan rechts de snelweg op. Die blijven we een tijdje noordwaarts volgen.

Cueva de Los Verdes is een enkele grot, die zeven kilometer onder de aarde doorloopt. We kunnen er direct bij parkeren en lopen dan tussen de lage begroeiing van rotsplantjes door naar een gat met een hekje. Vanaf daar gaat er een net wandelpad dieper richting de grot. Al een stuk of dertig mensen zitten op ons te wachten: bij vijftig man vertrekt een nieuwe tour. Dus kopen we kaartjes en wachten met smart op die laatste twintig personen.

Die komen al gauw op een zonnige dag als deze, dus we kunnen gaan. Een Spaans- en Engelstalig meisje gaat ons voor. Ze heeft veel plezier in het vertellen, maar ze praat wel rap en met een dik Spaans accent.

Het is bij uitzondering eens niet koud in deze grot. Het is dan ook geen grot die ontstaan is door sijpelende stalactieten en stalagmieten. Deze grot bestaat gewoon omdat hij door warm gesteente en explosie gevormd is. Die warmte zit er duidelijk nog in. We volgen een keurig pad door de spelonken heen. Af en toe is het even bukken opdat je je hoofd niet stoot. We lopen maar 1 kilometer van de 7, maar volgens de gids gaan we wel 40 meter diep. Of dat waar is betwijfelen we, want zo voelt het niet.

Tegen het einde komen we opeens bij een kleine concertzaal! Heel apart. Er staat een piano, goed ingepakt in zeildoeken. Hier worden regelmatig concerten gegeven vanwege de mooie akoestiek. Die is te danken aan de rotsen met talloze putjes, die het geluid heel mooi absorberen. We worden even op stoeltjes gezet en gaan dan verder naar het laatste onderdeel van de tocht.

Dat is een bijzondere spelonk in de grot, waarvoor we allemaal op afstand moeten verzamelen. Voetje voor voetje laat de gids ons dicht bij een rand komen. Het lijkt alsof we voor een enorme holte staan, zowel boven als onder strekt die zich ver uit. Dan doet ze een trucje en laat ons zien, hoe onze perceptie ons kan misleiden; hoe groot is deze spelonk écht eigenlijk? Dat houd ook ik geheim, daarvoor moet je zelf gaan waarnemen.

We draaien om en gaan voorzichtig weer terug, nu de trappen op richting uitgang. Ik verbaas me erover dat ze die hele piano hier hebben gekregen. Moet wel in delen zijn gegaan, en heel voorzichtig gemanoeuvreerd tussen wat smalle spelonken door. Ik vraag me ook af of hij in dit klimaat vaak gestemd moet worden. Apart toch maar.

We komen weer bovengronds en zien dat de volgende ploeg ons al staat op te wachten. Hè heerlijk, zonlicht. Terug naar de auto.

- ⟡ -

Op de terugweg weet de party al waar we éigenlijk moeten gaan lunchen. Houd ik het nog vol? Jahoor. Dus we gaan naar het restaurantje ‘Sol y Luna’ oftewel ‘Zon en Maan’ hier aan de kust. Ik geloof dat de party er deze week al eerder is geweest.

We rijden vanaf de hoofdweg rechtstreeks een dorpje binnen. Nouja, het is eerder gewoon een witte blokkerige woonwijk aan de kust. Zo liggen er hier wel een aantal van naast elkaar. Rechte, smalle straatjes, lage witte bebouwing. Geen kip op straat. Zit iedereen binnen? Zijn hier geen winkels, kantoren, scholen? Waarschijnlijk niet in deze straatjes.

We rollen de auto een paar blokjes richting de kust en parkeren dan ergens aan de straat. Ik heb het idee dat we echt midden tussen de strandwoninkjes beland zijn, maar nee: precies in de hoek van de straat is één huis verbouwd tot restaurant. We lopen binnendoor naar het overdekte achterterras en zetten ons neer.

Tijd voor mij voor een kopje thee. Ik bestel iets van een vissoepje en de party kiest ook iets met vis, tentakels, en zeedieren. Ik eet nog steeds niet veel. Enerzijds mis ik mijn smaak een beetje doordat mijn neus totaal van zijn padje af is, zo ontstoken van binnen. En anderzijds voer ik overdag ook niet zo veel uit, dus heb ik ook niet veel honger. Misschien vanavond, als ik mee ga naar het restaurant.

We laten de zeewind lekker om ons heen waaien en lopen na het eten nog even een beetje langs de rotskust. Opmerkelijk hoe stil, sereen en dichtbij hier alles is. Die huisjes ook. Er zijn dus mensen die hier dag in, dag uit wonen. Die niets anders kennen dan dat de atlantische oceaan in hun achtertuin ligt, zoals ik het Ledeboerpark heb. Wat is hun perceptie van struiken, bomen en uitgestrekte woud