Dinsdag

Ik ben weer in alle rust wakkergeworden, ditmaal ook goed uitgeslapen. Bij het ontbijt zitten maar drie mensen, niet eens interessante. Hè, waarom voel ik me nog steeds zo leeg? Ik ben toch op vakantie in een heerlijke omgeving! Ik moet snel wat aan dat gevoel gaan doen. Ik heb een SMS ontvangen, van Samuel de improspeler. Het bericht komt van een ander nummer dan ik gekregen had. Prima zo. Ik SMS terug met een voorstel voor morgenavond.

Na het ontbijt kleed ik me rustig aan en wandel ik in het zonnetje naar de stad. Bij de boekhandel koop ik nog een laatste kaart voor een vriend, en schrijf die terwijl ik op een bankje aan de Waltherplatz zit. Ja, hier zat ik vorige zomer ook, met een bijzondere ansichtkaart met bergen in de mist. Wat is dat alweer lang geleden. Waar toen toeristen werden gepaaid door schuchtere straatverkopers lopen nu kinderen met schooltasjes zich te vervelen. Ze jagen stampend duiven op en gooien lege drinkflesjes zomaar op straat. Ik kan het niet aanzien.

Als mijn vingers koud worden van het schrijven (elke kaart is een taalkundig puzzeltje, daar moet je niet kort over gaan) sta ik op en loop ik richting postkantoor.

Ik ken tot op heden maar één postkantoor in Bolzano, en dat is Bozen 3. Het kantoortje bevindt zich in het oude stadsdeel Zwolfmalgreiner, oftewel aan de pittoreske rotonde achter de jeugdherberg. Twee straten van het station af waan je je dagelijks (vooral in de ochtend) in een typisch Italiaans tafereel. Scootertjes, vrachtwagentjes en snelle auto’s proberen zich zo snel mogelijk door de spits te wurmen, en komen daarbij allemaal minstens éénmaal vast te zitten op het rotondetje dat daar zo mooi in de schaduw ligt. Het is een dorpje op zich. Dat was het ooit ook, toen Bolzano nog geen naam had, en het rijke volk hier uitstapte om zich per koets of misschien al auto verder te laten transporteren naar de geroemde bronnen van Gries, tegenwoordig juist weer een buitenwijk ten noorden van Bolzano.

Enfin, ik loop dus vanuit het centrum naar het postkantoortje. De wandeling is heerlijk, wat een frisse ochtendlucht, wat een cultuur – ik kijk mijn ogen uit. Wat ik bij binnenkomst in het kantoortje aantref is ook weer typisch Italiaans. Waar ze hun postkantoren voor hebben – ik weet het niet, maar post versturen is er duidelijk maar een zeer kleine bezigheid van. De postkantoren zijn geopend van grofweg halfnegen tot vijfendertig minuten over twaalf. Op de zaterdag is het kantoortje zelfs een uur langer open, op zondag is het simpelweg dicht. Het is geen groot kantoortje – zoiets als een ruime woonkamer. De vloer is betegeld als in een supermarkt en het systeemplafond is benauwend laag. Gelukkig is de hele voorzijde van glas, waar heerlijk zonlicht door naar binnen valt. Ik kom binnen en mag gelijk een listige manoeuvre maken om mij bij in de wachtrij te scharen. Die rij begint iets links van de deur, gaat er dan naar rechts dwars voorlangs, langs een keurig nylon scheidingslint, en slingert dan terug naar links, alwaar ook de twee geopende balies zijn. Achter mij is nog een balie met een medewerker, maar het is onduidelijk waarom die niet open is. De medewerkster zit driftig allerlei dozen van en op de balie te stapelen. Welkom bij de Italiaanse bureaucratie.

We hoeven geen nummertje te trekken. De rij beweegt zich zelf vooruit en de aanwezigen in de rij houden nauwlettend toezicht op het snel doorstromen. Iedereen wil namelijk zo snel mogelijk weer weg. Dat wordt dan ook continu her en der gemompeld. Wie aan de beurt is gooit zich over de balie alsof zijn leven er vanaf hangt. Sommigen krijgen geld uitgekeerd, anderen overvallen de medewerkers met tien brieven, die allemaal stuk voor stuk beoordeeld moeten worden. Bij sommigen moet er echt uitzoekwerk gedaan worden, en dan pakt de medewerkster de leesbril en stempel erbij. Discussies gaan er verhit aan toe. Ik ben zo blij dat het nog maar februari is en lekker koel. Hoe anders was het toen ik met Jeroen in Ventimiglia eenzelfde actie ondernam, en wel ‘even’ bij het postkantoor onze kaarten zou gaan posten. Twee uur in de rij onder het gezoem van een op hol geslagen airco. Nee, dan is dit nog een lachertje.

(hier nog een anekdote van een struise boerin met zwart lang haar).

Ik schuifel langzaam naar de voorzijde van de rij. Mensen maken grapjes over ‘niet in slaap vallen’. Ik staar naar links. Daar is een klein glazen hokje waarvan de wanden niet eens tot het plafond reiken. Toch is het een zeer privé hokje, met zelfs twee personen erin: een bezorgd ogende klant en een druk gebarende financieel adviseuse. De deur staat gewoon open, maar ze praten toch onverstaanbaar zacht. Misschien gaat het over de jaarlijkse belastingontduiking, stijgende onkosten aan de maffia, de geplunderde spaarrekening van zoonlief? Ik weet het niet. Een bijzonder hokje in ieder geval. Schijnheilige privacy.

‘Allora!’ mijn achterbuurvrouw prikt me speels in mijn rug. Ik sta al aan het begin van de rij! Ik krijg een hoofd als een tomaat en lach ‘haha, verboden in slaap te vallen hè’ in het Duits. De rij knikt wat ongeduldig en lacht niet. Ik loop snel naar het tweede loket en leg mijn brieven op de toonbank. De leesbril gaat op. De kaartjes worden met een achteloos gebaar in de postzak achter de medewerkster gegooid, de bubbeltjesenvelop voor Cecilia vergt meer onderzoek. ‘Normaal?’ vraagt de vrouw over haar brillenglazen. ‘Eh, ja’ antwoord ik beduusd. Wat zou speciaal zijn? Of met uitjes? Ik doe het maar. Ze tikt dingen uit op haar zakcalculator en wijst me dan het bedrag. Vijf vijftig voor alles. Ik ben verbaasd, maargoed. Ik trek mijn portemonnee en wijs op de dikke envelop, waar ze net een verzendsticker op plakt. ‘Wieviel?’ zeg ik. Ze houdt de envelop stevig vast, alsof ik hem zal terugpakken, en toont me het bedrag. Ongeveer drie euro. Tja, het zal wel kloppen, het is ook een boekje en geen flintertje papier. Maar in Nederland zou dit echt niet zoveel hebben gekost, in Finland zelfs niet! (daar stuurde ik een melamine papbordje en twee pannenlappen naar huis in een bubbeltjesenvelop, voor maar 2,50!) Ik vind het wel goed, ik betaal en verlaat het pand. Achter mij is de rij allang weer tot aan de deur gegroeid.