Op weg naar Luxemburg

Het is donderdagochtend, half zes. Ik word vroeger wakker dan normaal, omdat ik weet dat ik nog aardig wat bagage moet inpakken. Mijn kat Meisje ligt niet naast me op bed, dus ik roep haar. Met een fijn getik van haar pootjes komt ze de slaapkamer in en springt naast me op bed.

Ik lees routineus mijn e-mail en favoriete websites, aai Meisje, en stap uit bed. De kattenbak moet schoon, de katjes moeten voer, ik moet ontbijt… en er moeten allerlei klusjes gedaan worden.

Het vervelendste, na alle vaste klusjes, is wel het legen van de groenbak. Dat komt omdat het de laatste weken voor Nederlandse begrippen erg heet is geweest. Het metalen groenbakje staat op het voorbalkon en is elke dag verschrikkelijk warm geworden – een perfecte broeiplek voor vliegen. Ik zal jullie de details besparen, maar het eruit tillen van de vuilniszak verdient echt een aparte studie in de fijne organismen.

Op slippers, in mijn oudste verfkleding, ga ik naar beneden en gooi ik het dubbel verpakte zakje weg. Meestal combineer ik het met de rest-afvalbak, maar daar heb ik nu echt helemaal geen zin in. Daarna spuit ik met de tuinslang het afvalbakje schoon, waarbij ik zelf ook aardig nat word. Zo. Die kan weer mee naar boven, lekker een paar dagen drogen in de zon.

De verpakkingenzak zet ik bij de voordeur, en dan kan het inpakwerk beginnen.

Zoals gewoonlijk heb ik een paklijst opgesteld, maar die voor dit keer ook uitgebreid met kampeer- en hackerspullen. Denk aan een tent en mijn nieuwe veldbed, maar ook kabels, een tang, ijzerdraad en ProtoPlast korrels. Als ik alles ingepakt heb komt het, exclusief tent en toebehoren, op twee plastic kratjes en een paar handen vol losse spullen uit. Dat doet mij de alarmbellen rinkelen dat ik veel te veel meeneem. Ik kan het namelijk niet allemaal zelf dragen. Maar hush: dit is een hackerkamp en we gaan met de auto, die regel mag ik nu laten varen.

Via WhatsApp hoor ik dat ik niet half elf, maar half tien word opgepikt. Oei. Ik moet mijn laptopje en een bestand daarop nog controleren. Ik vraag uitstel tot tien uur en pak haastig door. Shit – mijn laptopje heeft ongemerkt aangestaan vanaf dinsdag. Te laat om op te laden, ik moet vertrekken met 12% batterij. Het bestand is leesbaar, al is mijn werkveld piepklein. Tot overmaat van ramp heb ik onlangs mijn cloud-opslag verkeerde geconfigureerd en stampt die nu bij synchronisatie mijn hele hardeschijf tot de laatse MB vol. Oops… tijd om dingen naar een andere plek op mijn NAS over te hevelen heb ik niet. Dit moet ik op Haxogreen maar fixen. Als de auto met Michiel en Leroy voorrolt kan ik alles net naar beneden sjouwen. Ook uit de berging moeten wat grote zaken mee. Ik laat Michiel alles in de auto puzzelen terwijl ik zelf boven een rondje huis afsluiten doe. Ik aai de poezen beide nog één keer en beloof ze echt met een paar dagen terug te zijn. Opdat het maar niet te warm voor ze wordt.

Met de zak verpakkingsafval uit het raampje bungelend rollen we het park uit. Daar gooi ik de zak weg in de oranje container en kunnen we echt vertrekken. Op naar Haaksbergen om Martijn, onze laatste passagier, op te pikken.

Binnen een half uur zijn we echt onderweg. Met Michiel aan het stuur scheuren we Duitsland in, zuidwaarts. Het wordt langzaam warmer in de auto, die door technische aanpassingen niet meer over werkende airco bezit. Michiel en Leroy voorin hebben ruime zitplaatsen, maar worden gegeseld door de brandende zon. Martijn en ik achterin hebben krap twee derde van de achterbank tot onze beschikking. Gelukkig zijn we niet zo breed.

We jakkeren de Duitse snelwegen af. Tegen de middag gaan we autogas bijvullen. Dat kan niet bij elk tankstation, dus we moeten slim kiezen. Bijkomend voordeel van de schaarsheid van autogas is wel, dat niemand achter ons in de rij staat. We kunnen de auto na het tanken rustig nog even onder de schaduwgevende overkapping laten staan. Ik loop allang in het winkeltje, maar daar is het niet al te veel koeler dan buiten. Martijn wijst slim naar het dak, waar we een provisorisch vastgemaakte waterslang een straal water op de airco zien gutsen. Iets zegt ons dat dat ding niet optimaal werkt vandaag.

Gelukkig kunnen we even naar de wc en kan ik een espresso drinken. Hehe. Ik doe de hele dag al niet veel actiefs en reageer op de meeste gesprekken met een diepgaand ‘uhuh’ omdat met minimale hersenkracht de tijd sneller voorbij lijkt te gaan. Ik klap de laptop even open en doe iets aan mijn (vertaal)werk, maar in een ongemakkelijke houding zitten terwijl je wegsmelt op de achterbank is een enorm slecht plan. De laptop gaat weg, ik ga de komende dagen wel vertalen.

Suf en duf sjezen we door naar onze bestemming. Martijn rijdt vanaf de autostop. Tegen half vijf komen we in het mooie heuvelachtige Dudelange aan. Ik herken het van twee jaar geleden. We laten de volbepakte auto voorzichtig de berg op klimmen naar het scoutingterreintje. Eerst slaan we een paadje te vroeg af en staan voor de voetgangerstoegang. Die is overgroeid met gras en struikjes, dus we zijn zo slim om onze kaarten te herzien en de volgende weg omhoog te pakken.

We mogen met de auto niet meer helemaal het terrein op. Wel mogen we even kort op een hellinkje parkeren en uitladen. Dus doen we dat. Ik kies een plaats uit die goed gelegen is. We passen er net. Ik zal mijn tent tegen het hoger gelegen terras achter de tent van de jongens opzetten. Dan moet er nog een Duitser met zijn slaaptentje naast, en dan is het echt wel vol. We parkeren de auto op het hellinkje, zien hoe hij het met handrem én in de eerste versnelling niet houdt… en zetten hem ietsje lager. Zou toch vervelend zijn geweest als hij tijdens het uitpakken naar beneden was gerold!

Ik zet mijn tent op, de groene Eureka! waar ik al jaren erg content mee ben. Het is mijn kleine kasteeltje voor onderweg geworden. De jongens, vijf in totaal, slapen in de grote opblaasbare Karsten-tent van Michiel. Het is een joekel van een ding, maar dat heeft weer een voordeel: hij verschaft mij in de ochtend een klein tijdje schaduw, en is een goede buffer voor het licht, geluid en feestgedruis rond de maintent.

Dorst nekt me. Ik ben een kameeltje: ik heb het niet gauw warm, heb niet vaak dorst, maar deze dagen begin ik mijn limieten te voelen. Dus sjok ik naar de maintent, en kom erachter dat ik zonder contant geld alleen aan een fles koud water kom. Dan die maar. Tot plots Paul van een ander hackerspace achter me staat, en een lekkere Apfelschorle voor me wil betalen. Graag! De fles water was toch gratis dus die neem ik er ook mooi bij.

Tegen zevenen zijn we geïnstalleerd en gaan we op zoek naar avondeten. Daar is wat discussie over. Zelf koken werd de afgelopen keer niet gewaardeerd, is gezegd. Maar nu we toch onze eigen barbecue mee hebben, en er nog geen andere tent een goed eetvoorstel heeft gedaan, lonkt het toch om even zelf vlees en salade te halen (dit schijnt standaardvoedsel te zijn als je kampeert). Dus voor ik het weet zijn er twee van mijn ploeg terug met tassen vol eten en drinken, en gaan we barbecuën. Prima. Ik eet een hapje mee.

In de avond ben ik erg moe. De lange reis was uitputtend, juist omdat ik mezelf op standje onbenullig had gezet. Ik ben gaar, het is nog warm, ik wil m’n bed in. Maar nieuwsgierigheid naar alle hackers die ik een tijd niet gezien heb houdt me wakker. Ik krijg van Bas een Tschunk aangeboden en meng me in het feestgedruis rond de maintent. Ik spreek met leuke mensen in Duits, Engels en een beetje Frans.

Tegen half één ga ik toch echt slapen. Eens zien hoe mijn nieuwe veldbedje bevalt!