Vrijdag op het hackercamp

Ik hoor mijn wekkertjes één voor één afgaan. Ik heb heerlijk geslapen, ben uitgerust. Dus alleen de eerste om kwart voor zeven tik ik uit. Om acht uur gaat mijn ‘aankleden!’ wekkertje, om kwart over acht mijn ‘vertrek’ wekkertje. Oké, ik word echt wakker.

Rond half negen begint mijn tent al een aardig oventje te worden, dus ik glip in de eerste de beste combinatie van korte broek en t-shirt die ik vind. Mijn t-shirt met puntmuts is een geweldig ding, en ik ben blij hem te hebben meegenomen, maar tegen de zon is hij echt onpraktisch. Mijn schouders zullen in een mum van tijd verbranden, dus dat shirtje trek ik niet aan. Kijkend naar wat ik dan wél aan shirtjes heb is het wat zielig: mijn blauwe Haxogreen-shirt van twee jaar terug is ronduit zweterig van gisteren. Mijn nieuw verkregen zwarte Haxogreen-shirtje wil ik ook niet gelijk aan (lijkt alsof je niks mee hebt genomen). En dan blijft er over… ja niks. Twee merinowollen truien ‘voor als het ’s avonds koud wordt’ en een knalgele navelsweater (ja het bestaat) waar ik zelf ‘CYBER’ op heb gekalkt.

In de maintent, na het tandenpoetsen en opfrissen, vind ik de oplossing. Terwijl ik mijn ontbijt zit op te kauwen zie ik dat er een tafel vol ‘gratis free stuff’ is, met ook twee aardige t-shirtjes in de maat medium. Die gaan mee!
Ik haal een kopje koffie bij de HackSaar tent, maar kom een beetje bedrogen uit. Ze hebben een tweederangs Senseomachine bij zich… maargoed, de koffiepads zijn gratis! en nadat ik het bakje troebel water heb opgeslurpt, is Martijn wakker en zegt hij toe échte koffie te gaan zetten in zijn reusachtige mokacafé. Gelukkig.

Nippend aan die bak sterke koffie komt het besef tot me, dat kamperen bij dit buitengewoon hete weer eigenlijk een slechtere keus is dan thuiszitten bij dit weer. Ik bedoel: in Nederland is het nu dagenlang 30 graden. Maar daar bewoon ik een stenen huis, dat ik met wat slim luchten koel houd op 25 graden. Hier, in Luxemburg, is het even heet – maar zit ik in een nylon tent die 12 uur per dag midden in de zon staat. Geen isolatie, geen schaduw.

Berustend in mijn lot haal ik mijn laptopje op uit mijn groene oventje, pak stroomkabel en muis erbij, en ga in de maintent aan een tafel zitten. De maintent staat grotendeels in de schaduw en waait redelijk door. Ik kan het hier wel een paar uur uithouden. Bijkomend voordeel is dat je omringd wordt door alle andere Haxogreeners.

Nee, er gebeurt niet veel. Ik leen geld van Dave opdat ik meer drankjes dan alleen water kan halen. Tussen wc, laptop en bar kom je aan de praat met iedereen. Belgisch, Nederlands, Engels of Duits, iedereen heeft een verhaal, en met wat geluk ook leuke projecten om te laten zien.

Tegen het eind van de middag wordt de hitte me te veel. Ik zoek mijn witte badpak op en pak een blauw shirtje om mijn schouders bedekt te houden tegen de zon. Merk op dat ik er in deze combinatie uitzie als een smurf in een luier. Ik wandel daarom maar benedenlangs naar het zwembadje toe. Zo, ik zet me in het koele water. Er drijft een dobber met chloortabletten in, een pomp zorgt voor de minimale verversing van het water. Zo hangen we en praten we weer in allerlei talen door elkaar over onze afkomst. Het leuke is (vind ik) dat die gesprekken ook al gauw over linguïstiek gaan. Het badwater koelt echt heerlijk af, ik snap dat mensen met gemak een verschrikkelijk hete dag in een zwembad kunnen doorbrengen tot de schemer valt. Je kan er niks – niet met electronica, niet met papieren boeken, want je bent omgeven door water – maar het koelt wel zo af, dat het gerust smoorheet mag zijn.

Zodra het een tijdje lang betrokken is stap ik uit het water. Tot mijn verbazing heb ik het gelijk koud. Michiel ook. Ik ga douchen. Zodra de zon weer achter de wolken vandaankomt is het ook gelijk weer smerig warm.

Als de schemer valt wordt het gelukkig wat draaglijker op het terrein. Wat eten we vanavond? Een paar mensen willen pizza’s laten bezorgen vanuit het dorp. Een paar anderen, waaronder ik, willen daar wel even heen lopen. Goed, dan lopen we er met z’n allen heen. Het is echt maar een kilometer heuvelaf, dat is wel fijn. De eerste de beste pizzeria aan de straat schieten we in. Wat verlaten staan we binnen in het airco-koele stijlloze restaurantje.

Een meisje van de bediening merkt ons op en troont ons mee naar achteren, waar nog een heel ander restaurant blijkt te zitten. ‘En de prijzen zijn zojuist verdubbeld’ grinnik ik Michiel toe. We mogen buiten zitten onder een overkapping. Voor amusement wordt gezorgd door een enorm grote projectie-TV achter ons. De projectie-TV was de voorloper op de grote flatscreens en plasmaschermen. Deze bij onze tafel is ongeveer 49 inch. Hij geeft niet bijzonder veel licht, maar wel leuk geluid: er staat een non-stop hitzender met muziek uit de jaren ’90 op. Ik swing vergenoegd mee met alle oudjes zoals Snap, Dr. Alban, Vaya Con Dios, en Toto. Als de kastelein de gemiddelde leeftijd van ons zestal inschat, verandert de muziek langzaam naar de hits van deze tijd. Hè, jammer.

De kastelein – een oudere, knokige man met een enorme zwarte bril – merkt op dat ik de enige ben die Frans kan. Dat doet hem genoegen. Enthousiast legt hij aan mij de kaart uit, in verwachting dat ik het de rest wel uit zal leggen. Ik volg zijn snelle Frans redelijk goed, met een verduidelijking hier en daar. De jongens zitten me met klapperende oren aan te horen, terwijl we over specialiteiten als zalm, linguine alla vongole, en koteletten praten.

Als hij wegloopt kijken de jongens me aan. ‘Wat heb je nou voor ons besteld?’ ‘Heb je Leroy verkocht?’ grijnzend vertel ik ze de drie extra specialiteiten op de kaart, en overweeg zelf de pasta te bestellen. In een pizza heb ik niet zo veel trek. Zo gezegd zo gedaan. Als ik terugkom richt de kastelein het woord weer aan mij en neemt hij de bestelling op. Hij kan ook wel wat Engels, gelukkig. Ik neem de pasta.

Al gauw brengt hij voor mij een kommetje, en een keurig verpakt doekje om mijn handen mee schoon te maken. Ik twijfel. Ik kreeg toch pasta? Te zien aan het bestek – een vork en een lepel – is dat ook zo. Linguine eet je prima met dat gereedschap. Maar dat kommetje? Wat betekende vongole ook alweer? Ik wil me niet laten kennen en blijf braaf aan tafel zitten zonder te Googlen. Vooraf krijgen we een bordje met twee bolletjes visprakje, wat duidelijk heel, heel snel op moet voordat het over datum raakt. Goed hoor.

Als alles is opgediend, blijkt mijn gerecht helemaal niet zo gek, voor een restaurant dat faam maakt met visgerechten: alla vongole betekent met schelpen. Hèhè. Blij wip ik de schelpjes open en slurp de inhoud eruit (trivia: wie vond uit dat je dit kon eten en wat bezielde hem toen hij de eerste maal dit deed!?). Daarbij eet ik de lekkere pasta. Heerlijk. De mondbrand die ontstaat door twee tactisch verstopte pepertjes stil ik met mijn bier.

Na het eten, waarbij ik nog netjes de fooi aanvul, want de bediening was keurig – splitsen we ons op en gaat een deel van de groep even pinnen. Bijna haken we af bij de ING in het dorp, want de deuren zitten dicht. Gelukkig weet ik dat je dikwijls gewoon een knopje hebt om in een voorportaaltje bij de pinautomaat te kunnen. Zo ook hier. Anders hadden we nog bij de Sparkasse buiten kunnen pinnen – met als leuke detail dat de naam in het Luxemburgs ‘Spuerkeess’ is. Ik word best blij van Luxemburgs.

’s Avonds blijft het nog lang warm. We hangen voor de tenten, bij de Nederlandse enclave aan de overkant. Die hebben dan weer vrij uitzicht op onze buren: een delegatie van Warpzone. Nou moet gezegd worden dat Warpzone, onze buurtjes in Münster, een prima hackerspace met echte hackers is. Echter, het groepje dat hier op Haxogreen kampement houdt, heeft duidelijk wat aparte sociale voorkeuren. Ik keur niets af, maar heb – en met mij heel wat anderen – af en toe best wel met opgetrokken wenkbrauwen zitten kijken. De Warpzoners hebben een vierkante tent, die van de voorkant open is. Heel mooi, want ze hebben twee slush-apparaten opgesteld. Daarover misschien nog meer. Maar de rest van de tent is nagenoeg alleen bezet door een paar grote luxe luchtbedden, en op de achterwand worden doorlopend videofilmpjes van schattige otters geprojecteerd. Het is niet alleen daarom, dat de jongens al gauw ‘de otters’ worden genoemd. Hun gedrag krijgt al snel de term ‘otteren’. Kijk je op een willekeurig moment op de dag de tent in, dan kun je van het luchtbed 2, 3, soms wel 4 paar jongensbenen en -armen zien uitsteken. De combinatie van jongens is telkens wisselend, maar waar één of meer Warpzoners bij elkaar zijn, wordt er heftig geknuffeld en innig over elkaar heen gerold. Het is geen stoeien. Ja. En het is, als je er niet al te veel door verbaasd bent, best een aandoenlijke aanblik. Er wordt af afgeaaid, gelebberd, en met handen overal hier en daar gezeten. Kleding gaat niet uit, maar er is desondanks genoeg te zien. De otterboys trekken zich er duidelijk niks van aan, maar het begint wel een dingetje te worden. Voorbijgangers besteden er simpelweg maar zo weinig mogelijk aandacht aan – of ze nu een vaatje slushie tappen, driftig zitten te solderen (want ja, dat doen de boys ook daar), of in gesprek met elkaar zijn. Het is wat aparts, op een hackerkamp.

Die avond is ook de maansverduistering te zien. Je merkt het aan de groepjes Haxogreeners die, zo na tienen, samenscholen en allemaal richting het zuiden kijken – een enkeling met een betoeterde camera en statief. Er wordt gepraat, gewezen, en… gegaapt. Want de maan, zoals gezegd bloedrood, wordt verhuld door flarden wolken. Het is geen optimaal zicht. Ik laat mijn DSLR daarom in mijn tent, want ik heb alleen mijn 50mm lens bij me. Daarmee kun je de maan als een postzegeltje op een ansichtkaart krijgen, en met de bijkomende bewolking zie je gewoon praktisch niks. Dus ik ga niet lopen showen met mijn spullen, ik kijk gewoon liever. Omdat het gezelschap op het terrein me niet bevalt, loop ik om de camping heen naar een hoger gelegen punt boven aan de weg. Daar staan nog wat vrienden en onbekenden. Ee kijken hoe de wolken wegtrekken en de maan, waterig en perzikkleurig, langzaam weer zichtbaar wordt. Al met al is het een aardige aanblik. Ik merk op dat het zicht op oostelijk Dudelange vanaf hier wel erg mooi is. Daarom haal ik, als iedereen weg is, toch nog mijn camera en statief. Inmiddels heb ik wel een Tschunk achter de kiezen, dus heel recht fotografeer ik niet meer. Inderdaad, de maan is een zielig vlekje in mijn zoeker. Die laat ik links liggen. Ik fotografeer de lichtjes van de stad.

Even zit ik stil op het rotsblok, en staar lang naar de maan. Mag je op zo’n mooie avond wensen? Om iets, om …iemand? Ik schud mijn hoofd en loop terug naar mijn tent. Slapen maar.