Zaterdag op het hackercamp

Wederom een lekkere, warme nacht. Als mijn nachten in een tent altijd zo waren, hoefde ik nooit al die isoleermatjes en dekentjes mee te nemen. Dat is nu al jaren een ding, maar desondanks kampeer ik nog graag. De extra isolatieuitrusting die ik dit jaar heb meegenomen, is echter nog niet heel erg van pas gekomen. Het is simpelweg ’s nachts te warm. Na één nacht in mijn merinotrui heb ik zelfs in een t-shirtje geslapen. Dit mag in de krant, mensen.

Als tegen zevenen mijn wekkertjes gaan, hoor ik gespetter op de tent. Lichte regen. Wat is dat fijn! Ook al kan ik niet direct naar buiten kijken, het lijkt bewolkt. De regen houdt de tent ook koel. Tevreden draai ik me weer om en luister naar het geroffel op het doek. Als ik er nu uit moet, trek ik wel even mijn regenjasje aan… met die gedachte soes ik weer weg. Twee uur later word ik echt wakker. Alle sporen van de regen zijn alweer opgedroogd.

Ik wandel weer rustig richting de keurig schone frisse toiletten, maak me enigszins toonbaar, en ga in de rij staan voor het ontbijtje in de maintent. Vandaag staat er een jongen in enkel korte broek voor me. Omdat hij niet opschiet ga ik hem voorbij, en hij daarna mij weer. We raken aan de praat over talen en dialecten, en ik noem de serie ”Allo ‘Allo’. Ik kijk nogmaals naar de jongen. Nee. Hij is te jong, hij kent het niet.

Hij komt bij ons aan tafel zitten, Martijn biedt weer aan om koffie te maken, en zo bevinden we ons een paar minuten later op het midden van het veld, in de brandende zon. We zetten ons in stoeltjes, met onze nieuwe gast in ons midden, en wachten op het gepruttel van de koffiepot. De gast heet Hugo en ik praat een mix van Engels en Frans met hem. Hij blijkt ook te balfolken, en kent typisch al die bals in de Benelux waar ik gewoon nooit heen ga (en zal gaan). Na een goede bak koffie en leuke gesprekken sta ik op om wat anders te gaan doen. Hugo laat ik achter, in verwachting dat mijn groepsgenoten (het aantal is gemaximaliseerd naar 5) de conversatie met hem wel zullen voortzetten. Dat mislukt. Als ik terug ben uit mijn tent blijkt iedereen Nederlands te praten, en is Hugo maar weggelopen omdat hij er geen snars van verstond. Dat vind ik nou best wel jammer…

Daarom loop ik hem even achterna, en ga bij zijn tentje staan praten, een terras hoger. Mijn groepsgenoten kijken veelbetekenend naar me. Oh oh, dit gaat mee in onze Goede Hackers, Slechte Hackers-soap.

Ik ga een tijdje in de maintent zitten werken aan mijn vertaling, die eigenlijk veel en veel te groot is voor het bedrag dat hij oplevert. Maargoed, laat dat dan een les zijn. Ik zit naast onbekende hackers, naast wie je prima even je laptop (wel gelockt) achter kunt laten als je naar de wc gaat. Echt, zo werkt dat hier. Ik maak me geen moment druk.

Bas en ik willen nog wel samen gaan wandelen, maar het komt er telkens niet van. Ik zie een appje van hem te laat, en hij is al onderweg. Gelukkig start er niet lang daarna een half georganiseerde tour over het mijngebied, geleid door één van de organisators. In zijn beste Engels legt hij ons uit hoe hier de ijzermijnen werkten, en waar nog restanten van de ijzerwinning te zien zijn. In een aardige groep van zo’n 15 man wandelen we mee, achter de camping langs, het heuvelgebied in. Hier heb ik twee jaar geleden ook al met Bas gewandeld, toen een beetje op de bonnefooi. Maar juist doordat we toen zo zoekende waren, ken ik nu de verschillende paadjes en landmarks nog goed. Wil degene die mij ‘het navigatievermogen van een zeepaardje’ toedichtte, even zijn hand opsteken? 😉

We wandelen eerst een stuk onderlangs de afgraving in. Ik schiet wat foto’s, want ik heb mijn DSLR dit keer meegenomen. Ook heb ik een lange broek aan en mijn stevige bergschoenen – eigenlijk twee acessoires die ik puur mee heb genomen voor de wandelingen hier boven op de berg. Ze komen nu goed van pas, want we lopen stevig door over rotsige paden en banen ons een weg door het hoge gras vol distels. De wandelaars die mee zijn op hakjes, op teenslippers, en met blote benen, hoor je af en toe een gilletje slaken.

Aan het einde van de vallei besluit onze gids dat we hier steil omhoog kunnen. En steil is het! Terwijl hij nog wat uitlegt, gaan een paar fanatiekelingen hem vast voor. Het wordt echt klauteren naar boven, waarbij sommigen best hard naar beneden roetsjen omdat het kruimelige pad onder hen wegbrokkelt. Misschien is mijn inschatting van de klim door al die ongeoefende klimmers wat verkeerd, en ga ik aanvankelijk heel behoedzaam naar boven. Dat blijkt  niet erg nodig; het pad is stabiel, de klimmers zijn gewoon ongetraind en hebben hun voeten op de verkeerde plaatsen neergezet. Ik zigzag wat om anderen heen en sta dan ook boven op de berg. Met camera en telefoon maak ik wat kiekjes en selfies van het prachtig uitgestrekte landschap hierboven. Je kunt het kampeerterrein niet zien liggen, maar Dudelange wel. In de verte links zien we windmolens – in Duitsland, wordt gezegd. In de verte links zien we de goudgele heuvel met strorollen, en hoog bovenop de rood-witte ‘RTL-mast’ waar we twee jaar geleden nog omheen hebben gewandeld. Fantastisch.

Nu is het vanaf hier vlak, en daar zijn veel mensen wel blij mee. We gaan op zoek naar de laatste achtergelaten mijnkar, zegt de gids. Die is bewust achtergelaten als herinnering aan een lange tijd van ijzerertswinning. Na een paar meter komen we al bij de eerste grote kegel ‘slack’, een restproduct, die halverwege de heuvel is gestort, en daar is blijven liggen. Iets zegt me dat we inderdaad hier op de heuvel lopen, waar ik met Bas lang geleden tegenaan keek. De zon staat goed, de heuvel heeft precies de juiste vorm… jawel. Daar staat de laatste wagon. Onze ploeg stuift eropaf en volwassenen en kinderen beklimmen het enorme ijzeren vehikel. Het is eigenlijk gewoon een joekel van een trommel, opgehangen in twee vorken, op een platte treinwagon. Aan één zijde zit een stookcabine, opdat de ijzererts tijdens het rijden op temperatuur (en dus vloeibaar) gehouden kon worden.

Na wat uitleg en diverse kiekjes lopen we verder. Ik weet dat we nu bij het kleine, later gemaakte spoorbruggetje gaan komen. De gids vertelt dat hier vroeger helemaal spoor lag, tot in het centrum van Dudelange. Op de plek waar nu de grote Match-supermarkt staat, stond toen de ijzerfabriek. Er lagen twee sporen naartoe, omdat er natuurlijk dagelijks een doorlopende af- en aanvoer was. Maar, dat alles is verleden tijd. De sporen zijn weggehaald, de routes waarover ze liepen, overgroeid. We volgen het pad door het bos tot aan het bruggetje. Weer stuiven mensen erop. Ik loop er voor de verrassing eens onderdoor, en daarmee blijk ik geluk te hebben. Als ik omhoog kijk zie ik mensen kermend wegsprinten, van de brug af. Reden: aan weerszijden zitten bijennesten, en diverse mensen worden in hun onderbenen gestoken. Phew, dans ontsprongen.

We lopen verder, en aangezien niemand (aahh) het verhaal in het dorp echt wil gaan bekijken, gaan we gezamenlijk terug naar de camping.

Een bijkomende reden daarvoor is, dat de sushiworkshop zal beginnen (in een uur, beste mensen, maar ik zeg maar niks). Ik kleed me nog even om naar iets warmers, en wanneer ik nog even naar de wc wil lopen word ik al driftig naar de tafel met sushi-pupillen gemaand. Ondanks de inschrijflimiet van 20 personen zitten we toch echt met bijna het dubbele aan de tafels. Workshopleidster Tatiana is zo te zien blij, maar ook wat overdonderd door de opkomst. Snel maakt ze twee potten vol rijst en we kunnen beginnen.

Aangezien ik de workshop twee jaar geleden ook al heb gevolgd, en de tactiek verbluffend snel bij me terugkomt, besluit ik dit jaar gewoon rustig wat groenten te snijden en verder gewoon lekker alles op te eten. Dat lukt goed! Ik produceer wat reepjes paprika en leg me daarna toe op het proeven van alle schijfjes maki. Dat lijkt ook wel het enige type sushi dat dit jaar gemaakt wordt. Ik trek er een pilsje bij open en de avond is compleet. Snaaiend van de bereide rolletjes, de surimisticks en reepjes zalm, komt mijn buik langzaam vol. Ik wacht niet meer op de tweede batch rijst, ik ga weer (met een nieuw biertje) bij de tent hangen.

Daar blijkt ons hackersgroepje gezellig bijeen te zitten, vergezeld door een gezellige Nederlandse hackster uit een andere ploeg. We blijken beiden lang geleden naar Megabit te zijn geweest, en dat schept een band! We praten heel wat af over de tijd van toen, de lanparties, de netwerkkwaliteit, de typische quirks van als vrouw tussen de honderden mannen zitten. Langzaam wordt het donker. De sushiworkshop is achter ons opgeruimd. Ik ga nu echt wat warmers aantrekken, want vanavond is het kouder dan voorheen. Dat merk je. Met een ongeziene merinolegging onder, en een lang merinovest over mijn kleren begeef ik me naar de bar voor mijn eerste Tschunk die avond. Maar oh! De bar is nog niet open!

Ik zet me daarom maar op de bank met een langharige Duitser met een vrolijke lach. Michiel komt aan de andere kant ernaast zitten. Na een tijdje lullen over werk en programmeren heb ik het wel weer gezien, het wordt donker en zeker tien mensen heb ik al bij de bar zien weglopen met een heerlijk glas Tschunk. Ik wil ook, en bovendien ben ik op zoek naar ander gezelschap. Het is tenslotte zaterdagavond en er zijn mannen in overvloed. Hoppa.

Met mijn kersvers vergaarde Tschunk loop ik een willekeurige Duitse tent in tussen die van ons en de otters. Dit is de tent met veruit de meest imposante muziekinstallatie. Door de dagen heen hebben mensen een eveneens zo imposante connectie opgezet, opdat er via een shared playlist mensen zelf muziek kunnen afspelen en toevoegen op deze zeer centraal gelegen speakers. Ik moet zeggen, ik heb niet veel slechts gehoord dit weekend. Een jongen genaamd Nicholas, met wie ik al eerder in het zwembad zat te praten over Wacken Open Air, draait nu zijn playlist. En jawel, ik herken Nightwish! Hij heeft wat leuke nummers, en als vanzelf gaan we meezingen. Doordat ik al wat alcohol op heb ben ik niet zo geneigd hem bijzonder veel te vragen over zijn achtergrond in zingen. Hij zingt in een koor, en dat is fijn om te horen. Samen zingen we wat nummers van Nightwish mee, midden op het veld. Ik krijg het compliment dat ik bij Nemo ‘die ene acapella noot gewoon loepzuiver inzette en aanhield’ – van zijn tentgenoot. Kijk, dat vind ik complimenten!

Als er weer te veel onbekende muziek op komt ga ik weer een tentje verder. Een tweede Tschunk wil ik eigenlijk niet, want ik hoef geen hangover. Dus pols ik Hugo even. Hij blijkt in de maintent te zitten, alwaar hij met twee vrienden driftig aan een badge voor een opkomend event programmeert. Okee. In een keer ben ik weer nuchter. Ik bedoel, gezellig bij hem zitten wil ik nu wel, maar hij doet duidelijk niet aan het feestje buiten mee. Dus zet ik de knop om, haal ik ook mijn laptop, en ga ik maar vertalingen zitten hakken.

Het wordt niet erg gezellig op die manier, en ik word met name alleen maar slaperiger. Dus zeg ik de boys goedenacht en zoek mijn tentje op. Morgen maar weer eens echt wat nuttigs doen, zoals naar de braderie in het dorp gaan, en mijn eenhoorn-hoorn en -staart aan mijn tent bevestigen…