Vrijdag naar Helsa

Het is vrijdagochtend, tegen achten. Ik word wakker en besef, dat ik nu echt een paar dagen op vakantie mag. De afgelopen weken ben ik erg druk geweest – met werk, bestuur van theatersport, afspraken hier en daar… ik mag er wel weer eens tusenuit. En nee, in een jaar als dit – met wat wisseling van werk, is er geen ruimte voor lange zonovergoten vakanties in exquise oorden. Ik ga dit jaar lekker ‘dicht bij huis’ weg. Helsa in het voorjaar, Luxemburg in de zomer, en … Helsa in het najaar. Maar ditmaal ga ik niet alleen!

Ja, dit nieuws doet Adventura wel wat op zijn grondvesten trillen, niet? Maar niets is minder waar. Ik heb een fervent solo-reiziger gevonden, die geïntrigeerd was om wel eens met mij een weekendje weg te gaan. Dus hebben we plannen gemaakt, een datum geprikt, en vertrekken we deze ochtend naar het idyllische huisje nabij Kassel. De gegadigde: mijn buurman Yvo. Met amper 500 meter tussen onze appartementen pakken wij deze ochtend apart van elkaar in.

Yvo heeft me geappt, dat hij voor twaalven kan vertrekken. Dat stelt me natuurlijk iets teleur, want ik ben een vroege vogel die op een reis naar de Alpen al met genoegen om zes uur al in de trein zit. Maar, Yvo heeft een bepaalde gereserveerdheid, waar ik mij door de jaren dat we elkaar kennen, in heb aangepast. Een zekere rust ook. Ik zet de klok op elf uur en pak gemoedelijk in. Natuurlijk heb ik ook voor een kort tripje als dit een paklijst. Die volg ik op de voet, alles afstrepend wat ik op het bed klaarleg. Wat het bed weer verlaat krijgt een uitroeptekentje.

Ik ruim het huis op, voer de katten, app wat met Yvo. Krijg van theatersportvereniging Pro Deo allemaal vragen die ik links en rechts delegeer. Om kwart voor elf ben ik helemaal klaar. ‘Ik was om 9 uur al klaar’ appt Yvo me terug. Goed! Dat weet ik dus voor de volgende keer.

Mijn baggage bestaat vandaag uit 3 tassen: mijn vaste trekkingrugzak, een rugzak met spelletjes en eten, en een tas met mijn veldbed. Of ik dat laatste ga gebruiken weet ik niet; dat hangt af van hoe gemakkelijk het bed in de woonkamer dagelijks in- en uit te klappen is. Yvo slaapt in de slaapkamer.

Yvo rolt de auto voor (makkelijk, hij stond dichter bij mijn huis, dan bij het zijne) en we leggen de tassen achterin. Voor dit tripje heeft Yvo de auto van zijn vader te leen gekregen. Een robuuste Mercedes stationwagon, die lekker geruisloos over de Duitse snelwegen kan zoeven.

De trip verloopt spoedig. We kletsen wat af en bereiken weldra Dortmund. Wat me opvalt is dat de route ernaartoe niet veel verschilt van die van de trein. Er is geen brede snelweg; er is een typische Duitse autobaan met op- en afritten en een gedeelde derde baan in het midden. Van tijd tot tijd moet iedereen op zijn helft invoegen, omdat dan de tegenliggers vanaf daar een dubbele baan hebben. Al met al zorgt dat dat je een beetje behouden blijft rijden.

Vanaf Dortmund hebben we wél een echte snelweg, om zo maar te zeggen. Met echte Staus, natuurlijk. Kilometerslange wegopbrekingen, soms met ernstig smalle betonnen sluizen waar je maar doorheen jakkert. Bijna geplet worden door gezellig links rijdende vrachtwagens is de orde van de dag. Gelukkig laat Yvo zich niet gek maken en rollen we lekker door.

Als we Kassel naderen, tegen tweeën, overkomt ons opeens een klein ongemak: de motorkap springt open. Een heel klein stukje maar, maar met 120 kilometer per uur willen we natuurlijk niet dat het ding opeens verticaal in ons gezicht klapt. Dus we sturen de auto braaf naar de vluchtstrook en Yvo wringt zich uit de auto – daarbij een laderkabeltje meepakkend, waarin hij verstrikt raakt, en een ongemakkelijk dansje moet doen terwijl de vrachtwagens langs hem heen scheren en ik de laderkabel binnenhaal. Gelukkig kan hij eenvoudig de motorkap dichtdrukken en kunnen we weer verder. Wel wordt er even een notitie naar zijn vader gestuurd.

Enkele tientallen kilometers verder, op een rondweg om Kassel, begint het te regenen. We praten wat, en voordat ik het doorheb stuurt Yvo de auto abrupt weer naar de vluchtstrook. Hij wijst op de enkele ruitenwisser, die midden op de ruit stilstaat. Regen gutst al gauw overal en vertroebelt ons zicht. We staan stil. Weer stapt Yvo uit de auto; ditmaal weet ik net op tijd het laderkabeltje weg te pakken. Yvo beweegt de ruitenwisser: dat gaat. Hij probeert het nog eens vanuit de auto: dat werkt niet. We staan stil.

Terwijl de regen over de ruiten stroomt, appt Yvo zijn vader. Wist hij al dat de ruitenwisser stuk was? ‘Ja’ luidt het antwoord van de thuisbasis. ‘Achterin ligt ook al een nieuwe ruitenwissermotor.’ Ik weet niet of ik blij of triest moet zijn met dit nieuws. Op de achterbank ligt inderdaad een simpel rood-wit doosje dat mij nog niet eerder opgevallen was. Daar staan we dan.

Yvo start de motor weer en rolt de auto rustig aan naar de volgende afrit, die gelukkig net voor ons in het verschiet ligt. Naarstig kijkend door de vertroebelde voorruit nemen we twee afslagen naar links en staan we op een parkeerplaatsje in een buitenwijk, op ongeveer een half uur van Helsa. Het internetbereik is hier ronduit matig. We bellen de ANWB. Ze kunnen op deze vrijdagmiddag een wagen sturen, maar die moet vanuit Nederland komen: over drie uur kan hij bij ons zijn. Met onze bestemming zo dichtbij vinden we dat een stom idee. Ik zoek met moeite naar een garagebedrijf en vind er één, maar aarzel om hem aan Yvo te melden. Maar; het is net tien minuten droog, dus lijkt het hem de beste keus. We rijden naar het adres, twee straten verder. Het blijkt het postadres van een online bandenservice te zijn. Pech…

Inmiddels is het weer gaan regenen. Zonder enig zicht door de voorruit rollen we het wijkje uit, voorzichtig een doorgaande weg over, op het parkeerterrein van een drankenhandel. Yvo kijkt me aan. Hij is er klaar mee. Het is onverantwoord om zo nog maar één meter verder te rijden. Ik heb dat zelf nog niet ervaren, dus ik heb moeite hem direct te geloven. We stappen uit – het is zowaar weer heel even droog – en op aanraden van Yvo’s TomTom lopen we naar een garagebedrijfje twee straten verderop. Uiteraard belemmert een ongelukkige wegopbreking ons een snelle doorsteek naar dat straatje. Maar we komen er.

Achter de balie van de kale, lege showroom met witte plavuizen zit een bourgondische Heinzl. Hij kijkt me aan en leunt achterover in zijn verschoten bureaustoel. In het Duits leg ik hem uit wat we hier doen en dat onze ruitenwisser kapot is. Heinzl wijst op de open deur rechts van hem. ‘Iedereen is naar huis, het is vrijdagmiddag’ verzucht hij. Ik kijk in de richting van zijn gebaar en zie zeker één monteur met een vies overall staan. ‘We hebben het onderdeel bij ons’ zeg ik stellig ‘en we kunnen het zelf, maar we hebben gereedschap en een droge werkplaats nodig. Bitte?’ Heinzl zucht en gaat rechtop zitten. ‘Feierabend’ zegt hij kort. Om de hoek zit een ADAC, de Duitse wegenwacht. Die zijn tot acht uur open en zullen het voor ons oplossen.

Zuchtend verlaten we de garage. We gaan eerst de auto halen, want de ADAC is wel een eind verderop. Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Slim rollen we de auto van parkeerterrein naar parkeerterrein, zo drukke straten en verkeerslichten vermijdend. Maar dan moeten we toch echt de weg op. We voegen in naar links en rijden mee met het verkeer. De regen stroomt over de voorruit en alles wat ze zien zijn vage, troebele grauwe vlekken. Elke andere minuut steekt Yvo zijn arm uit het raam, beweegt de ruitenwisser op en neer, en tuurt dan door het schoongeveegde hoekje de weg op. Je hoofd uit het raam steken gaat niet – daarvoor regent het te hard. Plotseling bumpsen we aan de rechterkant over de stoepband. Oké, nu vind ik het ook officieel onverantwoord. Laten we die ADAC snel bereiken.

Dat doen we. Het is een zo mogelijk nog kleinere garage. We zetten de auto in een vrij hoekje en ik loop op de monteurs af, die met zijn drieën onder een auto op de brug staan. Eén van hen, een enorme beul met een vierkante kaak, stapt naar buiten toe op ons af. Hij zegt niks, hij gromt alleen wat. Ik steek van wal en leg weer uit wat we hier doen en wat er kapot is. Zijn blik flitst naar de Mercedes. ‘Schade’ zegt hij, ‘wij kunnen het onderdeel bestellen, dan is het er maandag. Wij mogen geen onderdelen inbouwen die u zelf meebrengt.’ Ik knipper met mijn ogen. Wat is dit! Ik snap hem wel – maar dit is de omgekeerde wereld! Ik bal mijn vuist achter mijn rug en snuif om tot een kalm antwoord te komen. ‘Hebt u een alternatief voor ons?’ glimlach ik. ‘Wij mogen geen spullen van derden inbouwen.’ Hij draait van me af en loopt weg. ‘Zo krijg ik problemen met mijn baas.’ voegt hij er zacht aan toe. ‘Ga nu weg. Tweemaal links, deze straat uit. Daar vindt u garage Elan. Die doet het wel.’

Verbolgen kijk ik naar het gele bordje van de ADAC. Met zo’n behandeling kom je als ANWB’er niet op de voorkant van de Kampioen, meneer. Ik hoef echter ook geen dreun van deze knul, dus stappen we maar weer in en gaan we op weg. Yvo weet de ‘tweemaal links’ wonderwel snel te vinden. Het regent weer zachtjes, nog altijd moet hij om de zoveel meter met zijn arm de ruitenwisser bewegen. Zo ook als we een volgende hoofdweg naderen en er een politiebusje recht voor ons optrekt. Ze rijden gelukkig door.

Garage Elan is zo gevonden. We rollen de ruime parkeerplaats van het tankstation op en parkeren onze auto achteraan tussen de andere wagens. Een goedlachse, drukke Turkse man komt ons tegemoet. Weer doe ik mijn verhaal. Hij glimlacht. ‘Eén uur – dan help ik jullie. Hierachter is een Kaufhaus – ga maar winkelen. In één uur help ik jullie.’ Ik brief het door aan Yvo. ‘Goed’ zegt die. Het aanbod om te gaan winkelen slaan we af. We installeren ons in de auto op de voorstoelen en pakken elk een boek. Zo lezen we het uur weg. De garage-eigenaar komt geregeld langsdrentelen. Hij praat met vrienden, rookt sigaretten, regelt de werkuren van het meisje van het tankstation, rookt nog wat sigaretten, prutst aan een auto, en keuvelt met zijn werknemers. Ik loop even heen en weer naar het tankstation en sla wat chocolade in. Als je dan toch moet wachten…

Ik SMS met Jonathan, de eigenaar van de Airbnb. Die vraagt of hij ons kan komen ophalen. Yvo schudt nee. We hebben veel losse baggage (maar Jonathan een grote SUV!) en hij wil liever bij de auto blijven. Ik ook, eigenlijk.

Na een klein uur komt de monteur op onze auto af. Hij gebaart Yvo de auto met zijn neus de garage in te rollen. Het gaat nu toch echt plaatsvinden! De man is blij dat we onze eigen vervangende motor meegebracht hebben. Als ik rondkijk in de smerige, overvolle werkplaats zie ik inderdaad her en der soortgelijke doosjes liggen. Voor de rest is de werkplaats typisch, en ook wat nostalgisch; afgezien van de enorme chaos ruikt het er als in de metaalwerkplaats waar mijn vader vroeger lesgaf. Een geur van olie, warm metaal, stof, op de achtergrond een blikkerige radio. Gereedschapskasten overal, schoonmaakpapier op rol, werktrolleys. Ik sta er rustig bij en tolk voor Yvo, terwijl de garagehouder schroefje voor schroefje de kappen van de motorkap af haalt. Ondertussen rookt hij sigaretjes, wuift hij klanten weg, plant hij nieuwe klanten in, en betaalt hij de tankstationmedewerkster uit. Vast een typische vrijdagmiddag voor hem.

Terwijl ik wat met hem praat over Duitsland, Turkije, en god weet ik wat, heeft hij opeens de motor te pakken. Hij haalt hem er voorzichtig uit en doet een nadere inspectie. ‘Ahaaa…’ zegt hij met een glimlach. Hij pakt een tang en draait een grote moer voorop het blad aan. Plaatst de motor terug. Gebaart Yvo dat hij de auto mag starten. Yvo zet de ruitenwisser aan en jawel, die slaat weer als een molenwiek over de ruit. We zuchten eens diep. ‘Ik maak ‘m weer dicht, rij ‘m er zo maar uit’ lacht de monteur hartelijk.

Als alles weer op z’n plek zit is het mijn beurt om naar voren te stappen. ‘Vertel, wat mag het ons kosten?’ ‘Vijftig euro’ lacht de man. Ja, daar zou ik ook om lachen. Met al zijn kunst- en vliegwerk tussendoor heeft hij net een kwartiertje onder de motorkap gekeken. Dat is snel verdiend. Maar Yvo en ik zijn beiden wel klaar met dit avontuur. Yvo betaalt, ik vraag een kwitantie, en zwaaiend rijden we weg. Kan de vakantie nu eindelijk beginnen?

We stellen de TomTom weer in en zetten vaart naar Helsa. Inderdaad, we zijn er zo. Oooh, die drie uur dat we hebben rondgereden in deze voorstadjes… het is inmiddels ook weer droog. Daar hadden we ook op kunnen wachten natuurlijk, maar dan had Yvo dit weekend nog eigenhandig de ruitenwisser moeten fiksen. En daar is vakantie niet voor.

We zetten de auto onderaan de weg onder de carport (ik vergeet even dat het gezin twee auto’s heeft) en klimmen omhoog. Jonathan staat al met hun dochtertje in de voortuin en duwt haar op de schommel. We worden hartelijk onthaald. Het huisje is al warmgestookt, het bankbed is opgemaakt (onpraktisch, want we willen eerst nog een paar uurtjes zitten). Het bureautje is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de tafel uit de keuken. Ik vind het heerlijk om weer terug te zijn. We maken de kachel verder aan en pakken rustig uit. Tijd voor avondeten.

Yvo biedt spontaan aan te koken, iets waar ik nu helemaal geen sjoege meer aan heb. Prima. Er zijn nog steeds niet bijster veel lampen in de woonkamer (behalve de oogverblindende plafonnière…), dus ik scharrel wat uit de slaapkamer op en zet die op de eettafel. Als we met z’n tweeën willen eten, of bordspelletjes spelen, hebben we toch wat degelijk licht nodig. Na het eten drinken we chocomel en thee. Yvo game’t op zijn Nintendo DS, ik schrijf in mijn boekje en internet wat. De zon gaat onder in het dal, het wordt langzaam schemerig.

We lopen in het donker nog even naar beneden, naar de auto. Ik trap bijna op een prachtige vuursalamander – gelukkig dat Yvo net even bijlicht. Naast wat praktische spullen haal ik ook Yvo’s kampeerstoeltje naar boven, opdat we meer comfortabele zitplaatsen hebben. Voor een beetje personal space wil je niet continu als sardientjes in blik naast elkaar op de bank zitten, en de witte caféstoelen bij de tafel zijn wel mooi, maar niet erg goed voor de rug. Boven bij het huisje lopen we over de veranda en zetten ons er even neer. Het is vanavond helder, dat zal het de komende avonden niet zijn. Daarom heeft Yvo zijn telescoop ook niet meegenomen. Ach, we kijken zo met het blote oog, en dat is ook al erg mooi. We benoemen wat sterrenbeelden, kijken naar de gloed in het dal, waarschijnlijk afkomstig van de lichten van Kassel. Dan gaan we naar binnen, maken beiden ons bed gereed, en gaan slapen.