Terug naar huis

Om vijf uur ’s ochtends word ik wakker omdat ik naar het toilet moet. Geen probleem, ik zet niet eens mijn bril op. Ik ga zitten op het toilet en zie voor me in de douchebak een enorme spin. Daar heb ik geen bril voor nodig! Wat een joekel! Dit zijn de spinnen die ik heus thuis wel in mijn berging heb, maar gelukkig zelden in levende lijve aantref. Ook deze jongen is kennelijk per ongeluk in de badkamer beland.

Terwijl ik nog in roes van slaap naar hem zit te staren doet hij verwoede pogingen om uit de douchebak op te krabbelen, in mijn richting. Dat lukt hem niet, maar ik vind het sowieso wel welletjes. Ik ben klaar hier. Snel verlaat ik de badkamer en ga weer in mijn bed liggen. Helder nadenken over deze nieuwe huisgenoot doe ik later op de ochtend wel.

Inderdaad, op een christelijke tijd later die ochtend zit de spin nog steeds in de douchebak. Ik maak voorzichtig een foto. We weten nu wel dat hij er niet uit kan klimmen, maar hij is wel razendsnel. Ook al is mijn angst voor spinnen de laatste paar jaar drastisch afgenomen, oppakken en buiten zetten is niet echt een idee waar ik wild van word. Yvo heeft er ook niet zoveel behoefte aan, dus we laten de spin mooi zitten.

We pakken in, stoken de haard nog een beetje warm, ruimen het huisje op. Tegen tienen brengen we alle spullen weer naar de auto en laten het huisje achter. Ik sms Jonathan dat we vertrokken zijn, en meld hem daar natuurlijk even bij dat er een Riesengrosse Spider in de Duschwanne zit. Dat doe je toch voor elkaar.

Ondertussen is Yvo wat ongerust over de ruitenwisser. Ja, terug naar het begin van deze reis. We zijn keurig bij droog weer vertrokken, maar als het nou gaat regenen hebben we misschien weer een probleem. Die kans acht ik overigens niet zo groot; de moer was het probleem; die was in de loop der maanden of jaren losgetrild, die is nu weer stevig vastgezet. We gaan echt prima thuiskomen, daar hebben we immers ook nog de hele dag voor. Yvo maakt zich er wat meer druk om, dus hij probeert gelijk de ruitenwisser even uit wanneer we wegrijden. Het ding hapert eenmaal en doet het dan prima. Toch zet Yvo hem maar gauw weer uit. We kijken elkaar aan. ‘Hij haperde hè.’ ‘Ja.’ En zo gaan we op pad.

Tegen elven hebben we eventjes een paar spatjes regen, waarop ik grap over het aanzetten van de ruitenwisser. Dat hoeft gelukkig niet. Tegen tweeën zijn we thuis. Rijdend op de Westerval nabij Enschede komt er zowaar weer wat regen uit de lucht vallen. Nu zet Yvo vol enthousiasme de ruitenwisser aan. Die doet het als een zonnetje. Nou, hiephoi, we zijn weer thuis!