De tweede dag in Helsa

De tweede dag mag ik lekker uitslapen. Dat klinkt als een zegen, maar in realiteit ben ik gewoon weer om acht uur wakker. Ik kom rustig uit bed, merk hoe koud het is in de woonkamer, en stook maar gelijk de houtkachel op.

Ontbijt maken, naar buiten kijken… het is prachtig mooi zonnig deze ochtend. Gisternacht heeft het, met al die bewolking, zelfs nog wat gesneeuwd. Op de tuintafel ligt een wollig dik pak, en overal in het dal zijn alle plukken en vlakken ook aangedikt. De schoorsteentjes van alle bungalows roken dat het een lieve lust is.

Volgens het weerbericht wordt het vanmiddag bewolkt, dus ga ik aan het eind van de ochtend wandelen. Weer ga ik het pad af, de vallei uit, maar ditmaal ga ik bij die Gabelung links. Ook hier voert de weg weer omhoog, maar dan linksom, boven een andere buitenwijk van het dorp langs. Ik zie de vossensporen van gisteren. Hoewel er nieuwe sneeuw is gevallen zijn ze nog goed te zien. Bovenaan in de bocht houd ik stil en fotografeer het dorp. Het is een prachtig plaatje, al zeg ik het zelf.

Ik loop een eind parallel aan de wijk, bovenlangs, tot er een afslag naar links komt. Dat lijkt me leuk: dan kom ik waarschijnlijk achter mijn huisje terecht. Ik volg het pad – dat eigenlijk gewoon een diep trekkerspoor is – het bos in. Al gauw stuit ik weer op vossen- en reeënsporen. Ze zijn nog erg vers. Ik zie geen diertjes, maar dat kan ook omdat mijn voetstappen best wel wat geluid maken en ik natuurlijk allang geroken en gezien ben.

Het duurt niet lang of ik tref de eerste omgevallen boom aan. Hoe groot ze hier ook zijn: ze liggen over het bospad als omgeknakte lucifershoutjes. Voorzichtig stap ik eroverheen. In de trekkersporen moet ik ook telkens opletten, of ik niet op een klein ijsplasje sta. Die zijn ondiep, maar kunnen breken als ik er te hard op stap, en dan sta ik tot aan mijn enkel in het ijswater. Niet de bedoeling, dus ik ben voorzichtig.

Even verderop vind ik de tweede, en de derde omgevallen boom. Om mij heen is het ook niet bepaald rustig. Links en rechts zuchten en kraken hoge naaldbomen, terwijl het vrijwel windstil is. Het besef daalt bij me dat ik misschien wat op mijn hoede moet zijn voor vallende stammen, en in het vervelendste geval wel recht op mijn hoofd.

Desalniettemin loop ik door. Onder het eerste geknakte gevaarte kan ik doorlopen. Hij ligt stabiel. De tweede horde neem ik door eroverheen te klimmen. Even strijken de takken met hun naalden in mijn gezicht, dan ben ik eroverheen. Mijn outdoorbroek houdt het goed in de sneeuw. Mijn schoenen blijven droog, mijn voeten warm. Het is nog steeds een heerlijke dag: zonnig, windstil. Alleen al die schuinhangende bomen om me heen, dat is toch wat.

Nu ik de lastige hordes gehad heb ga ik toch eens stilstaan om te kijken, wat de stand van zaken om mij heen is. En dat is niet best. Dicht bij mij, zowel als verderop, zijn hoge slanke naaldbomen in hun val blijven hangen op andere hoge naaldbomen. Overal hoor je licht gekraak om je heen. De bomen lijken net wel, dan weer net niet te vallen. De hoge boomkruinen ondersteunen elkaar maar net. Een harde windvlaag en de boom zal doorvallen naar de grond. Loop ik dan ook gevaar? Ik overdenk de kansen. Wat als de boom in zijn val een ander omduwt, op mij af? Hoor ik dat? Heb ik een idee waar hij terecht gaat komen? Ben ik snel genoeg weg, op deze hobbelige uitgesleten paden?

Ik sta zo een tijdje te kijken en te denken, en concludeer dat er in al die tijd nog geen boom omgedonderd is. Geen direct gevaar dus, en ik heb het hier ook wel weer zo’n beetje gezien. Kom, verder het pad af, en zien of ik bij de achterkant van mijn bungalow komen kan. Dat lukt. Eerst sta ik bij de buren in de achtertuin. Ik stuit op een kruiwagenspoor en een verdekt opgesteld houtopslagje. Ze zijn vast niet blij dat ik hier in hun achtertuin sta. Verder maar.

Bij het huis van mijn naaste buren ben ik inmiddels duidelijk zichtbaar op het pad achter de huisjes langs. Hun hond slaat aan, ik loop maar vlug door en ga niet raar naar binnen staan kijken. Ik bereik het tuinpoortje van mijn huisje. Er hangen wat waarschuwingsbordjes op maar ja – ik huur dit. Ik mag ze negeren. Dus loop ik rustig het tuinpaadje af, naar mijn voordeur. Zo, ik ben weer thuis. Vroeger dan gedacht, maar wel avontuurlijk.

Ook nu houd ik mijn warme jas nog even aan, en pak er een kuipstoeltje bij op de veranda. Boek erbij, kop dampende chocolademelk met slagroom: heerlijk. De kat, Onkel Sven, komt al snel aanlopen. Ik gun hem een plekje op de zitzak, en zo zitten we in het middagzonnetje. Ik kan mijn boek lezen met mijn handschoenen aan. Ik lig een goed uurtje te lezen en te soezen, tot er weer een frisse wind opsteekt en ik toch wel naar binnen wil.

Goed, dan daar verder met lezen, schilderen, zingen en wat doelloos internetten. Tegen het avonduur kook ik weer pasta. Het is, zoals alle andere avonden, zo van het ene op het andere moment donker. De schemer duurt hooguit een kwartiertje. Daarin heb ik wel een paar prachtige foto’s van het dal en de verlichte huisjes gemaakt.

Voor het avondeten bel ik nog even aan bij mijn huiseigenaren. Er brandt licht, maar er wordt niet opengedaan. Via Airbnb communiceer ik met Sylvia. Gek. Dan zie ik Jonathan met de kleine thuiskomen. Hij vraagt me later even terug te komen, als hij hun dochtertje op bed heeft gelegd. Prima. Ik maak avondeten, en met een uurtje loop ik nogmaals naar het huis. De voordeur vinden is wat lastig – het huis heeft vier deuren aan drie kanten, en een bel zit bij geen van alle. Als ik bij een deur aanklop hoor ik Jonathan roepen, en hij komt met z’n dochtertje naar de deur. Het meisje wil nog lang niet slapen. Wandelend door het huis bedank ik hem even voor het verblijf en laat ik weten, dat ik morgen zelf naar het station zal lopen. Ze zijn namelijk beide weg voor werk. Het is prima zo. Ik verlaat het huis weer via de achterdeur, die dicht bij mijn voordeur ligt.

Als de nacht is gevallen ga ik nogmaals met mijn statief naar buiten. Dik ingepakt zet ik me op een kussen op het balkon en maak foto’s met een lange sluitertijd. Orion staat recht in zicht aan de hemel. De maan zorgt voor hinderlijke ruis, maar die kan ik goed buiten beeld houden. Hoe zal dit in de zomer zijn? Ik wil hier zeker terugkomen. Na de laatste foto zit ik nog een tijdje naar de prachtige nachtlucht te staren. Dan vernikkel ik echt, en is de kachel in huis ook redelijk opgebrand tot as.

Ik gooi nieuwe blokken in de kachel, nog voor eventjes, en trek mijn Jacobinus Schwarzbier open. Ik zet me op de bank en lees nog een eind weg in Harry Potter and the Methods of Rationality. De haard gaat, na deze blokken, keurig op tijd uit, en ik ga naar bed.