De vertrekdag

De laatste ochtend breekt aan. Het is rond acht uur als ik mijn bed maar eens uit kom. Vooruitzicht: ongeveer om 14:00 moet ik in Kassel mijn trein hebben. Dat lukt gemakkelijk.

Ik bak mijn laatste eitjes, maak koffie. Terwijl ik mijn ontbijt opeet zit ik nog even aan mijn computer en kijk naar buiten. Wat heerlijk is het hier, en wat ga ik dit stekje missen – nu al. Maar wat zal het mooi zijn als ik terugkom! Terwijl ik het laatste afwasje doe maak ik nog foto’s het heerlijke uitzicht op de vallei vanuit het keukenraam.

Langzaam haal ik mijn rugzak van het bed – check achter het bed – niets – en leg hem op de bank in de woonkamer. Er ontstaat eerst chaos rond de tas, te meer ook omdat ik het idee heb dat alles er toch niet gemakkelijk in terug zal gaan. Niets is minder waar.

Voor mijn reflectiescherm – ongebruikt, helaas – wil ik een betere plek vinden. Ik leg hem in mijn schoenenvak, tegen de onderkant van de tasbodem. Daar past hij precies. Mooi, nu zien hoe de rest niet meer uitkomt.

Gestaag pak ik door, onderwijl alle hoeken van het huis afgaand om te controleren of ik daar niets heb laten liggen. Adapters, tassen, badspullen – alles gaat erin. Als ik de buik van de tas dichtrits, hoef ik nog maar een paar dingen, en dan mijn toilettas. Gemakkelijk, zo.

Ik ben om tien voor elf klaar, trek mijn schoenen aan, en wil de deur uit lopen. Laatste check: lag er niet nog een tube tomatenpasta in de koelkast? Ik zwaai de deur open en vind er tot mijn schrik zelfs een hele pan koude pasta! Ojee, die moet nog op. Voordeel dan maar dat ik ook nog honger had. Ik pak een vork en eet behendig de koude pasta zo uit de pan. Het smaakt goed, en het vult!

Dan was ik de pan en de vork af en zet ook die weer terug in het kastje. Zo, nu geen verstekelingen meer op de halve tube tomatensaus (zeventig cent thuis, mogen ze houden) en het halve pak melk. Dat ik geen half pak melk mee ga sjouwen is uiteraard nicht im Frage.

Eindelijk wandel ik nu het huis uit. De kachel was een uur geleden al tot kooltjes opgebrand, een half mandje hout staat klaar. Dat redt zich wel.

Op het tuinpad klak ik nog met mijn tong, maar Onkel Sven komt niet tevoorschijn. Tot ziens dan maar weer, kat, we zien elkaar vast in de zomer wel weer.

Zodra ik beneden bij de weg ben, trek ik mijn spikes over mijn schoenen. Dat is best even wiebelen met een twaalf kilo aan backpack op je rug. Gelukkig heb ik de staanders van de carport.

Ik ga op weg. Er ligt fris gevallen sneeuw, het is licht zonnig, niet te koud. Ik draag ook mijn thermokleding, dus ik heb al dagen nergens last van. Goed geluimd loop ik naar die Gabelung en dan kies ik het middelste pad, dat naar beneden loopt. Mijn tas is geheel niet zwaar op mijn rug. Ik heb goede grip op de dik besneeuwde paadjes.

Dan kom ik bij het uiteinde van de Mozartstrasse. Daar is zo goed geruimd, dat mijn spikes direct krassen op het asfalt. Uit dan maar, anders slijten ze te hard. Ik loop verder via de Uhlandstrasse naar de Pestalozzistrasse, waar om onbekende redenen niet geruimd is. De spikes maar weer aan dan. Ik ga over op de Schulstrasse en loop zo naar beneden. Het zijn allemaal maar stukjes van vijf minuten elk.

Bij de Edeka sluit ik direct aan in de rij bij de kassa. Het is inmiddels twintig over elf. Ik vraag of ik geld mag wisselen. De kassadame knort en kijkt zuur. ‘Dat kan toch niet! Ik heb hier geen contant geld’ sputtert ze. Ohnee, dit is mijn enige kans. ‘Aber bitte!’ roep ik uit. Daarvoor gaat ze overstag. Ze loopt naar de kassa van het Postamt op de hoek van haar balie, en begint briefjes en munten voor me te zoeken. ‘Wat wil je?’ terwijl ze mij het benodigde kleingeld geeft leg ik haar in bewonderenswaardig Duits goed en snel uit dat ik op de heenweg zwart moest rijden, omdat alle automaten mijn Nederlandse briefjes en EC-Karte niet aannemen. Ik ben verbluft dat, onder stress, dat allemaal er piekfijn uit komt, als ware het een gsprek tussen twee locals.

Ik bedank de vrouw hartelijk, zij gaat weer aan haar werk, en ik ga richting Bahnhof. Of ja, waar ligt dat eigenlijk? Achter het dorp, dacht ik. In mijn strakke wandelplanning, die mij in de tram ziet zitten om tweeënveertig over elf, had ik niet meegenomen dat ik de exacte locatie van het stationnetje niet weet. Maar! Bij mijn wandeling eergisteren kwam ik langs dat paaltje waarop ‘Ortsmitte’ stond. En daarop stond volgens mij ook ‘Tramstation’.

Ik loop naar het paaltje en inderdaad, er is een richtingaanwijzer voor ‘Helsa Bahnhof’. Immer gerade Maus dan maar. Ik stap over de keitjes door het dorp. In het zonnetje vegen mensen hun stoepjes schoon en ze groeten me. Haastig loop ik door, richting het tweedehandswinkeltje. De dorpsstraat splitst zich. Links? Rechts? Te laat zie ik aan de linkerkant een wegmarkering op een paal staan. Ik ga rechts en steek de hoofdweg over.

Dan, aan de overkant, zie ik een bordje tussen twee huizen. ‘Wanderweg 16’ – die gaat naar het Tramstation. Ik glip tussen de huizen door, langs een oude houten watermolen, een steil bruggetje over – en dan sta ik opeens één huis verwijderd van de tram. Ik ben geweldig! Gesterkt door deze vondst loop ik harder door. Ik kan gemakkelijk om het gebouw heen, de straat over, en zo het perronnetje op. 7 minuten voordat de tram vertrekt zit ik erin. Hoe doe ik het toch telkens weer!

Terwijl mijn moeder en zus me driftig appen over mijn reis vertrekken we. Rustig glijden alle besneeuwde voorstadjes weer aan ons voorbij. Jongeren en ouderen stappen in, kwebbelen met elkaar, stappen uit. We bereiken het centrum. Hier moet ik even opletten.

Ik wil namelijk nog naar een specifieke locatie van de Universitätsbibliothek van Kassel. Wat? Heidi, dat ook nog? Ja. Het ligt op de route so why not? Ha, daar is de tramstop ‘Rathaus’. Nee, mis. Ik moet ‘Rathaus – Fünffenster’ hebben. Eentje verder dan. Ik ben toch al een hele vertoning, zo met een joekel van een backpack in deze tram.

Ik zie gelijk waar ik heen moet lopen. Kruispunt over, achter twee huizen… jawel. Daar ligt de Murhardsche Bibliothek – een oud, statig gebouw dat een boel boeken herbergt. Maar! Uiteraard, het staat in de steigers. Daar laat ik me niet door tegenhouden. Volgens de website is het open. Ik loop de trappen op en werk me fluisterzacht door de hoge deuren.

Binnen nog wat trappen op. Er is een ruim open foyer met aan weerszijden lockers. Ik probeer tevergeefs mijn tas erin te zetten. Niet alleen geeft dat een storend gekleng van jewelste, ook zal de bibliothecaresse daar niet heel blij mee zijn. Ik loop dus maar even over naar haar balie en zeg wat ik kom doen.

Gelukkig, ze is gelijk enthousiast. Mijn tas mag in een hoek achter de deur. Ze wijst me aan waar ik allemaal mag komen. Blij stiefel ik weg. Gelijk verzacht ik mijn pas, want de vloeren kraken verschrikkelijk, en mijn bergschoenen zijn nou eenmaal niet de meest elegante. Zal ik teruggaan voor mijn hutsloffen? Nah.

Zachtjes loop ik alle kamers door. Het zijn kamers – met prachtig omlijste hoge ramen, zware fluwelen gordijnen. Aan het plafond ornamenten, en rozetten rond elke lamp. Oh, als ze deze bibliotheek verbouwen, hoop ik dat ze het in stijl doen. Ik blijf met name een tijdje stilstaan in een studiekamer waar langs de wanden allemaal middeleeuwse boeken staan. Kleine, grote. Dingen die ik herken als bijbelboeken, sommige met Hebreeuwse tekens erop. Minutueus bestudeer ik de kaften van deze pareltjes. Ze lijken van wit leer of perkament. Alle boeken staan achter glas uiteraard.

Dan loop ik door, naar de wat gangbaardere ruimtes van de bieb. In een halfronde zaal zitten jongeren te studeren. Ik stoor ze maar niet, al had ik graag even aan die kant uit het raam gekeken. Dan loop ik andere zalen door, vind het trappenhuis, en kijk wat er een verdieping beneden is: niets. Die deur is alleen voor medewerkers. Ik ga dus maar naar boven. Ik raak een beetje verdwaald, maar andere bezoekers wijzen me de weg. Ik kom nog in een portaaltje met houten kaartenbakjes, en een grote zaal boven de ingang, waar helaas tapijt ligt, en ook niet alle kasten lijken te staan. De kasten zijn sowieso van het type rolbaar staal, dus het staat niet heel mooi in deze bibliotheek. Ik hoop echt dat ze het mooi renoveren.

Ondanks de grootte van de bibliotheek heb ik nu toch al alle ruimtes gezien, vrees ik. Ik keer terug naar de hal en maak nog een praatje met de medewerkster. Ze hebben leuke ansichtkaartjes met geschriften uit boeken, en twaalf kaartjes voor alle sterrenbeelden van de dierenriem. Het gekke is dat de Stier volledig bij april hoort, waar hij bij ons tegenwoordig half april, half mei beslaat. Ik moet nog eens opzoeken hoe dat verschoven is.

Zo, rugtas weer op de rug, en lopen maar weer. Het is tien over één. Nog twintig minuutjes met een tram en dan ben ik op Kassel Wilhelmshöhe.

Ik begeef me op straat tussen de buitelende scholieren en kwekkende studentes. Als een zwerm sprinten we het kruispunt over wanneer het licht groen wordt, en ik weet nog net tram vijf te halen, die ook naar bahnhof Wilhelmshöhe gaat.

Hij gaat wel eerst langs het Hauptbahnhof, wat dezelfde bouwstijl heeft, en wat het dus wat verwarrend maakt. We suizen met ons trammetje over het rangeerterrein van het ene station naar het andere. Het is verlaten – we worden gelukkig niet op de hielen gezeten door grote snelle IC’s.

Dan zijn we op mijn eindbestemming. Zo. Nog even wachten op mijn trein, waarbij ik wat presentjes koop. Temeer eigenlijk om in het warme winkeltje te kunnen staan met een reden. Ik vraag bij de reisinfo of ik ook via Dortmund terug mag reizen. De beambte zet een onduidelijke stempel met wat krabbels op mijn ticket en dan mag het kennelijk. Waarom ik dat wil? Minder overstaps…

Maar als ik eenmaal in de trein zit, tussen een gezellig ouder Duits drietal, dan zie ik dat reizen via Dortmund me een uur overstap geeft, plus een half uur latere aankomst. Ja, doei. Ik stap wel twee keer over.

Dat blijft niet leuk, maar je doet tenminste wat. En zo gebeurt het dat ik via Hamm en Münster mijn laatste kilometers per boemeltje afleg. Op Enschede stap ik op de bus naar Deppenbroek, en stap bij huis uit.

Op mijn route kom ik eerst nog bij het huis van buurman Renze, en die viert vandaag zijn verjaardag. Dus daar naar binnen maar, lekker Chinees eten en een fijne avond hebben met mijnTkkrLab-vrienden. Dan tegen negen uur eindelijk huiswaarts… en gelijk mijn bed in.

Het reisje zit er weer op!