Woensdag

Zoals op bijna elke reis naar de Alpen, vertrek ik vandaag vroeg naar Bolzano. Ik pak mijn tas in, doe een afwasje en gooi het vuilnis weg, en ga bepakt en bezakt tegen zessen het huis uit. Aan het einde van Park de Kotten realiseer ik me dat ik wel een kettinkje heb ingepakt, maar niet mijn drakenkettinkje. En dat is nu juist mijn gelukskettinkje… dus ik moet terug.

Op een drafje hol ik terug naar huis, laat mijn tas in het portaal liggen en slinger mezelf de trappen op. Ik pak het kettinkje, kwak daarbij alle andere kettinkjes van de muur af, en spurt het huis weer uit. Rugzak weer op de rug en door naar het station. Sander SMS ik later de vraag of hij de berg sieraden alsjeblieft op mijn kast wil leggen, wat de schat uiteraard ook doet.

Ik ben keurig op tijd voor een kopje koffie bij de Albert Heijn To Go en een klein stukje pianospel. Bij de laatste tonen van ‘Too Late’ (hoe passend) hoor ik de Duitse boemel binnensuizen, dus raffel ik het af en wandel ik naar het perron. Zo, nu de eerste anderhalf uur volbrengen. Gelukkig in deze tijd van het jaar geen kwekkende skitoeristen.

Eindelijk ben ik op Münster. Ik zet me even aan een uiterst praktische bamboe bartafel met bijbehorende krukken en houd nauwlettend in de gaten wanneer de trein naar München komt. Die is er op tijd. Ook mijn gereserveerde zitplaats is zonder problemen nog vrij. Ik zet mijn tas tussen mijn knieën en lees verder in mijn boek. Ik lees ‘De Brief aan de Koning’ van Tonke Dragt, over ridder Tiuri (gelijk aan de naam van mijn collega naast me). Als ik al een poging deed om tijdens vakantie niet aan werk te denken is dat bij deze mislukt. Gelukkig lees je snel over zo’n naam heen en wordt het na een tijdje gewoon ‘de hoofdpersoon’.

Ik suis richting de Alpen, soms lezend, soms slapend – net als de reizigers om mij heen. Op München ben ik keurig op tijd, derde keer al dat ik hier overstap. Ik twijfel tussen een nieuwe scheut water in mijn waterfles bij de toiletten voor 1 euro, of voor een flesje water. Ach wat zal dat kosten bij de kiosk? 1,50? Ik vraag het, het blijkt 2,65 te kosten. Ik zeg beschaamd dat ik nog wat water op zak heb en haast me gauw naar het supermarktje in de hoek. Daar kost water inderdaad 1,20. Maar dat is veel meer dan ik in mijn flesje kan overgieten. Goed geluimd koop ik dus een versnapering en een blikje Pellegrino bitter lemon, want dat brengt me zo lekker in vakantiestemming.

De Pellegrino kan ik ook al niet overschenken, zo merk ik. Zodra ik mijn veldfles sluit en hem ook maar één keer zijwaarts kantel, begint de frisdrank te bruisen en bubbelt die tussen de rubber sluiting van de veldfles door. Tja, nu snap ik wel waarom andere eigenaren van deze veldfles klagen dat hij lekt. Je moet er gewoon geen koolzuurhoudende vloeistof in doen. Ik doe dus maar lekker rustig aan met mijn blikje fris, ik heb nog twee uur in deze trein te zitten en er is een toilet.

Na een uurtje komt de conducteur langs. Ten lange leste is er omgeroepen dat het regionale ticket hier niet geldig is. Ik heb die waarschuwing al te vaak gehoord en zucht zodra ik aan het begin van de coupé mensen hoor sputteren. Dan komt de conductrice bij mij. Ze ziet mijn Interrail en kijkt me vriendelijk aan. ‘Zeven euro extra graag’. Mijn ogen worden groot. Ik kijk haar vriendelijk terug aan en tik op mijn Interrail. ‘Global pass, overal geldig’ zeg ik haar. Ze schudt haar hoofd. Na een lang getouwtrek geef ik haar ruiterlijk gelijk. Nog nooit ben ik daadwerkelijk eerder met een Global Pass dit traject gereden. Alle keren was het met los gekochte kaartjes, en daar zit, zoals zij me uitlegt, de ‘Aufpreis’ al bij in. Ik betaal deze extra prijs aan de Italiaanse spoorwegen opdat zij de Brennerpas onderhouden, ofzo.

Ze komt geduldig met een iPad aanlopen en laat me de site van Interrail zien waarop de bijzonderheden voor dit traject aangemerkt staan. Ik geloof haar en betaal de zeven euro contant. Lichtelijk gekrenkt denk ik ‘dan hebben we dit ook weer gehad.’

Ik kom tegen tienen in Bolzano aan en wandel gelukzalig naar het hostel. Een nieuw jong meisje zit aan de balie. Als ik mijn makeup afhaal zou het mijn jongere zusje kunnen zijn, wat een gelijkend gezicht heeft ze. Ik vraag haar of Zakaria er niet meer werkt. Jawel, zegt ze – hij zit in de lounge. Ik zwaai naar hem en hij zwaait meewarig terug terwijl hij zo te zien m’n gezicht weer herkent. Nou, lekker naar mn kamer, douchen en naar bed. Ik deel mijn vierpersoonskamer op de tweede etage met drie Duitse girlscouts. Naast een keur aan zoetgeurende badproducten en kleurige tassen ligt er ook een overdaad aan vers fruit op de bureautjes. Ik vind het best, als ze maar rustig gaan slapen en geen liedjes zingen.

Ik wissel mijn berg- voor mijn stadsschoenen, trek mijn fijne witte blouse aan en wandel het hotel uit. Ik beland in het centrum midden in een grootschalige wijnproeverij. Voor een paar euro heb je een glaasje, voor één euro mag je bij een willekeurig kraampje in de Laubengasse een scheutje wijn proeven. Even twijfel ik, maar ik zie er vanaf. Ik heb een vermoeiende dag achter de rug, en als ik nu tien soorten wijn door elkaar ga drinken ben ik morgen niet te pruimen. Mooi begin van mijn vakantie. Dus ik koop een lekker ijsje op de Piazza del Grano en loop via de Piavestrasse terug naar het hostel.

Ik heb toch nog wel zin in een glaasje wijn. Dus wandel ik het hostel weer uit en klop aan bij de Pakistaan twee deuren verder. Het is negen uur, de lampen zijn nog aan, maar de winkel is verlaten. Dan verschijnt de eigenaar. Hij zwaait hartelijk en gebaart dat hij naar de deur komt. Met veel gewrik trekt hij de blauwe gietijzeren deur naar zich toe – zonder succes. Hij gebaart dat ik moet schoppen. Wat? Ik schop wat vertwijfeld tegen de onderkant van de deur. Die gaat krakend open. De man is blij en begroet me als een oude vriend. We komen overeen dat we Engels met elkaar kunnen spreken. Ik vertel hem dat ik nog een foto van hem heb, van jaren geleden, en dat hij toen nog geen baard had. Hij plukt aan zijn kin en lacht hartelijk. Of ik wat wil kopen? ‘Ja’ zeg ik snel. Achter mij komt een Duitse jongen binnenlopen. Ik koop een literpak rode wijn voor twee vijftig. De Pakistaan is blij met zijn late klandizie, maar doet de deur wel weer achter ons dicht. Nee, het is niet meer als vroeger, toen hij praktisch het buurthuis vormde hier.

Terug in het hostel zet ik mijn pakje wijn op het aanrecht en desabreer het met een groot koksmes – bij gebrek aan schaar. Een Australische vrouw kijkt toe terwijl ze kookt. Ik schuif het pakje wijn in de hoek naast de magnetron in hoop dat niemand er mee aan de haal gaat. Dan zet ik me lekker in de lounge op de bank met een flink glas wijn en praat bij met Zakaria.