Naar Basel, en VNV Nation

Zaterdag pak ik in, ruim ik op, blijf nog wat langer in het appartement. Regel alles via WhatsApp en SMS met Kim en Gilbert, en verlaat het huis.

Op de bus naar Nyon. Vanaf daar op de trein naar Morges ofzo. Het is alweer lekker warm. Ook nu word ik weer misselijk in deze trein – het ligt echt aan de schommelingen van de trein. Afrader, je kunt beter via Bern gaan. Of per vliegtuig.

Ik stap weer over op Olten en kom weer in het Baselse land. Op Basel stap ik uit en neem ik – zwartrijdend – de tram naar Schifflände. Dat is aan het water, zoals je mag verwachten. In een klein zijstraatje daar zit dus dat kleine winkeltje Abraxas, wat nu wel open is.

Ik moet er echt nog meer over schrijven, maar mijn bezoek gaat ongeveer zo: ik kom binnen, kan mn kont amper keren, en zie echt overal om me heen delicate dingetjes, ganzenveren, inktpotjes, wasstaafjes, dunno what. Dus ik leg mijn grote rugzak af, onder een tafeltje, en ga alles aandachtig bekijken. Na een kwartiertje word ik opgemerkt door de eigenaar, een wijs kijkende man met een staart. In de winkel zit ook nog een jongen op een krukje, hij blijkt David te heten. Hij leest graag boeken in de winkel.

Ik raak met de verkoper aan de praat, en we praten over van alles. Over leven, kunstenaarschap, vrijheid, keuzes, het maken van kunstwerken. Long story short: ik ga er uiteindelijk weg met mooie aankopen, pardoes gekregen korting – handdrukjes, knuffels, en bewonderende blikken van de jonge David. Ik ben echt helemaal mesmerized als ik de winkel uit loop. Het is inmiddels ook al vijf uur, en ik moet om acht uur al in Freiburg zijn!

Ik haast me naar de trein, vanuit de trein bel ik driftig naar de zaal waar VNV Nation zal spelen, naar een taxicentrale… ik loop vanaf station Freiburg Littenweiler (het studenten-station) naar het hostel, vind het gelukkig op tijd, en check snel in. Ik dump mijn spullen in mijn kamer, kleed me vlug om, oordoppen mee, en als ik buiten sta, rolt de taxi al voor. Hops, ik laat me vervoeren naar het centrum. De prijs is gelukkig redelijk. De taxichauffeur vertelt dat hij nog eens met een Arabische man naar Enschede is gereden. De beste man was in Freiburg en stond erop dat hij daar, in Enschede, naar het casino zou gaan. De man blijft erin, wat een verhaal. Veertien uren aan het autorijden, drie uren wachten, voor een klap met geld. Of de Arabier gewonnen of verloren had, wist hij niet, maar hij was goed betaald.

Ik kom bij de zaal, en VNV Nation is net een kleine tien minuten aan het spelen. Yess ik kan gelijk aanhaken. Ik sluip naar voren tot dicht bij het podium, maar oh oh wat is het warm in deze donkere keldergewelven onder de stad Freiburg! Ik laat me al gauw iets terugzakken richting bar. Ik bestel een prijzige fles Club Mate (een drank die hier heel normaal is) en zet mijn telefoon op vliegtuigstand, zodat ik straks nog middelen heb om naar het hostel te komen. Ook noteer ik weer even het nummer van de taxicentrale – je weet maar nooit.

Na het echt geweldige, energieke, en wederom zing-alles-mee-geweldige concert laat ik me een beetje helpen door de dame van de garderobe. We vogelen samen uit welke tram ik moet hebben. Dat doen we dan maar, met kans op veel lopen vanaf de laatste halte. Inderdaad. Het lukt me zelfs om niet zwart te reizen, op mijn laatste eurocenten.

Ik moet inderdaad vanuit de wijk Littenweiler naar het hostel lopen, nu via een andere route als vanmiddag, maar het is redelijk verlicht, er lopen genoeg jongeren, en ik weet ook in het donker perfect waar het hostel ligt (ik ben er echt pas één keer geweest, een paar uur geleden, maar ik kom al zo lang in Freiburg, dat ik echt exact weet waar ik ben). Ik wandel erheen, hopsakee, meld me weer. Sander is verdeeld blij over mijn goede aankomst. Ik had hem gevraagd er even op te waken dat ik echt na 20 minuten zou SMS’en dat ik aangekomen was. Na 20 minuten, als mijn telefoon weer aan de lader ligt, krijg ik de SMS ‘hoeraa! 20 minuten… de katten zijn van mij!’ – Dankjewel, Sander. Gelukkig, daar wordt in ieder geval voor gezorgd. Ik doe zijn euforie gauw teniet met de melding dat ik nog leef, dank u.

Ik ga douchen en maak me klaar voor bed. Dan komt er een meisje binnen. Ze zegt spaarzaam hallo en verdwijnt in het badkamertje. Daar hoor ik plotseling langdurige braakgeluiden. Ik blijf een tijdje liggen, maar kom dan toch weer m’n bed uit. Ik trek een broek aan en informeer door de deur heen of alles okee gaat. Ja, het gaat goed. Nee, ze is niet dronken. Ze heeft slechte kip gegeten, en het spijt haar heel erg. Daarop volgende braakgeluiden en gesnik doen me ervoor kiezen om toch om een aparte kamer te vragen.

Die krijg ik, beneden bij de receptie. Het is wat gedoe, want kennelijk zijn er, in dit megalomane hostel, echt geen kamers meer vrij. Nou, eentje dan, een tweepersoonskamer met alleen lage bedden. Ja, die luxe kunnen ze natuurlijk niet zonder slag of stoot vergeven. Ik beloof de kamer heel schoon te houden. Het mannetje begeleidt me persoonlijk mee naar boven. Ik wil het meisje op mijn gedeelde kamer niet de confrontatie met hem aandoen, dus ik wuif hem weer naar beneden voordat ik de kamer weer in ga. Ze voelt zich al zo opgelaten.

Ik stel me even voor – zij heet Laura, en komt uit New York. Ik zeg haar dat ze zich niet opgelaten hoeft te voelen, dat ik gewoon even mijn spullen pak, en naar de kamer ernaast verkas. Ondanks dat verontschuldigt ze zich nog honderdmaal terwijl ze weer in het bed boven het mijne klimt. Ze ziet erg pips en ze zal nog wel een aantal keer naar de wc moeten vannacht. Ik raad haar aan om in mijn onderbed te gaan liggen, maar dat wil ze niet. Ze verzekert me dat ze hier met vrienden is, en dat ze samen een stage gaan volgen. Dat stelt me wat gerust, er wordt ook door anderen op haar gelet. Door uitdroging na overgeven kun je best van de kaart raken, en dan is het juist weer niet handig als je in je eentje op een afgesloten kamer ligt.

Ik betrek mijn eigen suite, maak het me comfortabel, en ga lekker slapen.