Proloog

maandag

De dag van vertrek. Wilco en ik staan om zeven uur op. Ik heb eigenlijk alles klaarstaan, dus we ontbijten en dan brengt Wilco me naar het treinstation. Hij loopt even mee het perron op. Voor ons zien we een propvolle intercity en een vertrekbord dat niks zinnigs aangeeft. De spoorwegmedewerkers vertellen ons het goede nieuws: door een wisselstoring tussen Almelo en Hengelo rijdt er niks. Maar, om negen uur rijdt er weer een trein en die zal een hele zwik mensen langs dat punt loodsen. Afijn, Wilco’s parkeertijd is om dus we nemen afscheid en ik wacht op de bewuste trein. Die komt en rijdt me naar Hengelo. Daar staat een Duitse trein klaar met bestemming Schiphol. Helemaal mooi! Nu nog rijden. Het gaat van vijf over negen naar tien voor half tien en inmiddels heeft de conducteur al twee keer omgeroepen dat hij geen flauw idee heeft hoe laat we door mogen rijden.

Net als vele andere reizigers bel ik mijn geliefde om te klagen over de voortgang. Wilco neemt geen halve maatregelen en gaat in op mijn verzoek om mij met de auto naar een station voorbij Almelo te brengen. Hij is er binnen twintig minuten en samen racen we zo verder naar Deventer. Wilco stelt voor om me naar Schiphol te brengen. Ach, als het kan, doe dan maar. Hij levert me netjes voor de vertrekhal af en dan moet ik toch echt op eigen houtje verder. Ik geef mijn koffer af bij een KLM-balie en ga door de douane. De juiste vertrekhal is zo gevonden. Na een uurtje ‘Mind your step’ te hebben gehoord mag ik in het vliegtuig stappen. Het is twee uur vliegen naar Helsinki. Onderweg praat ik met mijn buurman, een Ship Engineer uit Birmingham. We eten lunch en praten wat over wat we gaan doen in Helsinki. Voor ik het weet landen we alweer. Nu mag ik 4 uur bivakkeren op een enorme luchthaven. Ik loop vast naar vertrekhal 13 alwaar mijn vliegtuig zal vertrekken. Daar is een duur restaurant en een minstens zo dure hapjeskeet. Met een kipsalade en een koffie ben ik good to go. Misschien was ik vergeten te vermelden dat mijn ‘maandelijkse hoofdpijn’ zich net vandaag aangediend heeft. Daar doet de koffie niks tegen. Na het eten internet ik wat en zie dan dat mijn gate veranderd is naar 19. Kan ik weer terug! Bij die gate heb ik helaas geen internet. Ik lees mijn National Geographic en loop nog even terug naar gate 13 om te checken of Heikki toevallig nog iets gemaild heeft. Niks. Zou iemand me komen ophalen?

Nog een uurtje zitten en dan vliegen we per Douglas-vliegtuig naar Oulu. Het is best wel een zeepkist. We stijgen langzaam op (daarbij moet de verlichting uit?) en blijven eigenlijk de hele vlucht achterover hellen. Het uitzicht is wel erg mooi zo bij nacht. Bij het landen hangen we een kwartier lang steil voorover. Ik betwijfel de vaardigheid van de captain. Ze laat ons met veel gehots naar beneden suizen, veel minder comfortabel dan die Boeings. Dan staan we aan de grond. De steward gooit de achterdeur open en we vriezen allemaal in één klap halfdood. Bij het afdalen van het trapje worden we bijna weggeblazen en dan staan we in 20 centimeter sneeuw. Dat begint goed. Ik heb me ingepakt als een eskimo. Mijn koffer rolt als laatste de band op. Het Bijenkorf-embleem is woest van de voorkant gerukt en het doosje potloden dat voorin zit heeft onder alle heavy load een grauwe afdruk achtergelaten. Ah ja, next time beter inpakken dus.

Ik kijk in de aankomsthal en ja, daar staan twee meisjes met een bordje ‘Heidi’ te wapperen. Wat fijn! Ze rijden de luxewagen voor en we sjezen door de dikke sneeuw naar het centrum. Ze zetten me bij het hotel af en ik bedank ze hartelijk. Ze geven me zelfs nog een routekaartje met hun telefoonnummers en beweren dat dit een stuk beter geregeld was dan de aankomst van de Spaanse exchange student. Ach, leer mij kennen!

Mijn hotelkamer is sober maar voldoende om een nachtje in te slapen. Ik internet nog wat (PanOulu doet het vrijwel gelijk!), maak foto’s uit het raam en dan is het oogjes dicht, snaveltjes toe…

dinsdag

Om kwart over vier ben ik wakker geworden van een raar geluid: is iemand het hotel aan het afbreken met een shovel ofzo? Enfin, even uit bed gestapt en gaan kijken. Onder mijn raam rijdt, jawel, op dit tijdstip, een grote gele ijsschuiver heen en weer om de straat sneeuwvrij te krijgen. Tevergeefs trouwens, want de straten hebben hier een permanent laagje wit.

Ik kan redelijk doorslapen, sta om 8 uur op en spring vlug onder de douche. Ik doe een rondje ontbijt en leg de hotelier uit dat ik mijn koffers even op mijn kamer laat. Hij knikt wat. Ik loop naar het Psoas kantoor, dat ongeveer drie blokken van het hotel ligt. Ik moet een nummertje trekken, maar ik hoef niet lang te wachten. Ik vermoed dat dat wel anders zal zijn wanneer er grote hordes studenten komen bedelen om een kamer, vlak na de zomer. De dame aan de balie is blij verrast dat ik alles op papier heb meegenomen. Ze laat me wat handtekeningen zetten en ik krijg mijn kamersleutel plus toegangscodes voor de internetverbinding. Ik schuifel zo snel als ik kan terug naar het hotel: het is al half elf en ik moet haasten, maar de straten en stoepen zijn spekglad. Sprekende van een stoep: die zie je hier niet echt door de hoge sneeuw. Voetgangers en fietsers komen je aan alle kanten voorbij. In het hotel haal ik mijn koffer en tas op en reken af bij de hotelier. Die blijkt helemaal geen Engels te kunnen, maar is blij met het geld. Ik roep hem een bedankje toe en zet koers naar Välkkylä.

Välkkylä staat bekend als een erg mooie campus. Ik vind het ook erg mooi en ben blij dat me hier een kamer is aangeboden. Het lijkt op Calslaan oud in Enschede, maar de huizen zijn van rode baksteen en ze staan dichter op elkaar. Er zijn drie verdiepingen en ik woon op de derde, in een appartement samen met twee andere meisjes. Mijn kamer kijkt uit op een paar rijen dunne berken met daartussen de Pohjantie snelweg.

Ik sleep me naar boven zonder koffer (je wil niet boven aankomen en zien dat je sleutel niet past) maar gelukkig, ik kan mijn huis in. Ik haal de koffer op en krijg enorm veel zin om uit te pakken. Dat gaat niet, want ik moet eigenlijk al in het Oamk zijn. Ik ga lopen, maar vergis me in de wijk. Ik zie voor het eerst een enorme pickup truck met een sneeuwshovel voorop. En dan zijn bullbars in Nederland verboden! Wat een monster is dit! Ik dwaal wat rond, bel Annemari op en ze loopt me tegemoet. Inmiddels zijn er fikse blaren op mijn hielen gekomen, die ik nog ken van de eerste dagen dat ik deze schoenen had en van mijn tripje Stockholm. Stug doorlopen werkt het beste. Ik ontmoet Heikki Timonen, mijn begeleider, en Annemari leidt me rond door de school. Ik krijg zelfs een ticket voor cheap lunches (die zijn standaard wel 8 euro maar kelderen met dit ticket naar 1,60!) Je mag ook warm eten opscheppen, dus voor die paar euro ga ik lunch en avondeten mooi omkeren.

Annemari en ik nemen de bus naar de stad. Ze laat me een aantal haltes zien waar ik uit kan stappen. Ik ga vanaf de stad naar Kodin1, een Finse Kwantum. Ik stap in bus 8 en probeer op mijn beste Fins de naam van de winkel uit te spreken, maar de chauffeuse begrijpt me niet. Toch ga ik maar zitten. De bus gaat gelukkig de goede kant op en ik stap op tijd uit. In de verte zie ik de winkel al liggen. Echter, ik moet nog wel 500 meter over de parkeerplaats door 40 cm hoge sneeuw! De Kodin1 is een leuke winkel, als je alle wanden met designerspullen voorbij loopt. Ik scoor een cheap dekbed van 16,50 en een dikke badhanddoek voor het douchen. Net te laat voor de bus van half vier, dus ik kijk nog even rond en vind een supermarkt. Daar haal ik wat kleine dingen en eten voor de avond. Tijdens de rit terug beland ik in de file. Het is vier uur! Tja, spitsuur hier in Finland.

Mijn huisgenotes zijn thuis. De ene komt uit Lapland en is erg zwijgzaam, ze kan weinig Engels. De andere komt uit Oulu en huist hier tijdelijk, tot haar eigen appartement is bekomen van waterschade. Ze is wat spraakzamer. Het is duidelijk dat ik hier tussen de ‘locals’ zit en dat Engels praten meer voorkomt in de studentenflat Otokylä waar eigenlijk alle exchange students een plekje krijgen. Ach, loopt wel los. ’s Avonds eet ik mijn magnetronmaaltijd en internet wat. Allemaal mensen willen me op Skype spreken. Ondertussen maak ik mijn huur over aan Psoas, want er werd op gehamerd dat het elke vijfde van de maand binnen moest zijn. Na tienen vind ik het echt wel welletjes want ik ben supermoe en wil slapen. Ik hang nog even in de keuken terwijl ik een mandarijn opknabbel, praat wat met Sanna en Marjo en ga slapen.

dinsdag

Met Koen (of zonder Koen…) een weekend naar Parijs!

dinsdag

Weekje in een huisje met Cecilia.

woensdag

Rondje Baltische Zee!

zondag

Duur: 20 dagen

Landen: Duitsland, Zwitserland, Italië

- ✦ -
Het is zondag 5 juli 2015. Het is snikheet de laatste dagen. Ik heb wat koeler weer afgewacht om te vertrekken.

maandag

Op dag twee ga ik van Chur naar Sankt Moritz.

dinsdag

Het blog is geïnstalleerd! De eerste thema’s zijn uitgeprobeerd en ik ben geland op Social Magazine.

zaterdag

Vrijdag: bijtijds van werk weg, met de laatste snel gefixte props voor mijn Thor-kostuum: rode armpads, waar eigenlijk nog zilverkleurige schildjes op moeten. Ik heb ze gemaakt van een rood afgeknipt kindershirt. Goed genoeg.

Ik kom thuis en probeer alles in te pakken. Ik heb zoals gewoonlijk een paklijst, maar die is verre van compleet (met name omdat ik nu niet de standaard dingen moet hebben). Ik pas mijn kostuum aan, keur de staat van compleetheid goed, en trek het uit om het in te pakken. De rode armpaddings laat ik maar zonder schildjes, want die zijn nog net niet droog, en tricky om vast te plakken op de stof. Het is veel te snel zes uur, tijd om richting treinstation te gaan. Katten gedagzeggen, rugzak om, hamer Mjolnir met een karabijnhaakje aan mijn tas, en gaan. Het is een lekker warme zomeravond. De zon gaat onder terwijl ik naar het station fiets.

Fiets in de stationsstalling, op de trein naar het westen. Zoals vroeger, denk ik melancholisch. Ik kom ook precies om 21:07 aan, zoals vroeger toen ik nog wekelijks reisde op het traject Dieren-Den Haag. Ter ere daarvan nodig ik vroegere vriend Jelle uit om even snel gedag te zeggen, maar hij kan helaas vanavond niet.

Onderweg naar Den Haag Centraal en kom in gesprek met een aardige jongen – vooral om de hamer die al de hele reis op mijn tafeltje heeft gelegen. Ik moet een uur wachten op de bus, dus ik loop even een rondje over de Turfmarkt, waar ik het pand van Colour Digital terugvind. Hier was 13 jaar geleden mijn werk. Ik gluur naar binnen en zie door de vuile ramen, dat het een rommel is. De ijzeren brug boven de werkvloer is afgebroken, de enorme printers en bindmachines zijn weg. Het lijkt nog wel gisteren… en ook weer niet. De ruimte lijkt ook veel kleiner dan toen. Er hangt een bord op de ruit, dat Colour Digital vanaf oktober aan de Herengracht kantoor houdt. Ik loop de Fluwelen Burgwal af naar de nieuwe locatie, me onderwijl afvragend welke oktober dan bedoeld wordt. Dit jaar? Vorig jaar? Ik wandel precies de route die ik ooit fietste, destijds met een tekeningenkoker op mijn rug en kunstgeschiedenisboeken onder de snelbinder. Altijd gehaast om van mijn werk naar de KABK te komen, iets verderop aan de Prinsessegracht.

Na het ontwijken van wat toeristen en zwervers bereik ik het nieuwe pandje van Colour Digital – een donkere pijpenla. Tot mijn verbazing staat het eveneens leeg. Ja, het was 13 jaar geleden. Er is inmiddels veel gebeurd. Waarom zouden ze hierheen verhuisd zijn? Er is inmiddels een half uurtje voorbij en het wordt tijd dat ik mijn reis vervolg. Ik loop nog even naar de voordeuren van de KABK en gluur eveneens weer naar binnen. Lang, lang geleden… Ik ga even pinnen aan de Bezuidenhoutsweg en loop weer naar het station. Nog wat dralen rond de stationspiano, waar muzikanten en dromers gepassioneerd wegroffelen op de toetsen, en ik ga naar mijn bus.

Nu, leermomentje. Waarom je bij een advies van 9292 nooit af moet gaan op de kleinste hoeveelheid overstaps, maar op de kortste reistijd. Ik had allang in Noordwijkerhout kunnen zijn als ik met wat meer switchen over Leiden was gegaan, duh.

Ik stap in de bus en merk dat ik nog een uur op deze lijn zit. Oh, gelukkig is het niet de misselijkmakende bergpas van Trento naar Tione, maar een zwierige rit door het lommerrijke Wassenaar, Katwijk en Noordwijk. Ik vergaap me aan de statige panden met lappen voor- en achtertuin. Hier verpoost de beau monde van Nederland. Ik niet.

Eindelijk, 23.15, mijn halte. Ik weet met goed giswerk en een feilloos kompasgevoel het huis van mijn Airbnb-host te vinden. Ik word vriendelijk ontvangen, krijg sleutels voor fiets en voordeur, wifi-password, en trek me dan terug op mijn kamer.

dinsdag

De volgende ochtend zoek ik mijn ontbijt bij elkaar. Mijn gastheer had aangegeven het klaar te leggen, maar hij is vroeg vertrokken en op het aanrecht bespeur ik niets. Dus weet ik zelf uit vriezer en kastjes wat brood, beleg en koffie bij elkaar te scharrelen, en I’m good to go. Ik leg een briefje neer met de vraag of ik een Android-lader mag lenen, want m’n telefoon is bijna op en ik ben m’n lader vergeten. Terwijl ik nog even boven ben hoor ik mijn gastheer beneden rondlopen.

Een uurtje later is dat allemaal geregeld, en na een vriendelijk gesprekje vertrek ik dan gekostumeerd en wel naar Lisse. Zodra ik de wijk uitfiets word ik al nagestaard door dorpsbewoners die kennelijk nog nooit een vrouwelijke Thor op een fiets hebben gezien. Ik roep ze vriendelijk wat toe en zwaai hier en daar met mijn hamer. Dan bereik ik de buitenwegen, alwaar ik ook zwaai naar boeren op tractors. Het is een zonnige ochtend. Met maar 1x verkeerd bereik ik de juiste weg naar Lisse en rijd zo een half uurtje langs de vaart. Onderweg kom ik wielrenners en dagjesmensen tegen. Ze zwaaien allemaal vrolijk terug en smeken me of ik alsjeblieft niet wil slaan. Echt leuk.

Ik zie de festivaltenten al van verre en weet op aanwijzingen van mijn gastheer snel bij het terrein te komen. Ik zet mijn fiets weg en wil de weg oversteken naar de ingang, als ik word toegeschreeuwd. ‘HEIDI!’ Ik kijk om en zie daar Ros staan, klasgenoot van 13 jaar geleden, die ik altijd nog eens terug wou zien. Bij deze dan! We praten die 13 jaar in 5 minuten bij en lopen onderwijl naar het terrein.

zondag

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Integer ut dictum enim. Integer enim est, maximus eget velit eu, placerat tempus enim. Integer dapibus, urna ut tempor commodo, velit lorem egestas nibh, vel viverra neque tellus at augue. Nunc eros leo, semper ac condimentum et, blandit vitae lorem. Suspendisse rhoncus orci ut lacus lobortis, in maximus nibh dapibus. Duis a nunc accumsan, aliquam turpis egestas, porttitor lectus. Nam pellentesque nec lorem facilisis maximus. Donec tincidunt lobortis nulla pellentesque tincidunt. Vivamus id lorem enim. Curabitur consectetur tellus eget laoreet semper. Praesent placerat nec est sit amet tempus. Ut non sapien nunc. Pellentesque tempus, turpis nec congue commodo, lectus est fringilla erat, eget consectetur turpis nulla laoreet ex. Cras vestibulum elit urna, gravida vulputate lacus bibendum eu.

- ✦ -
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis.

Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam.

Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse in ullamcorper est. Nunc mattis bibendum orci, vitae sodales magna suscipit vel. In bibendum, leo non suscipit placerat, lorem odio pharetra orci, sed ultricies ex eros eget nibh. Praesent volutpat rhoncus mauris. Nullam nec ornare tortor, et placerat turpis. Suspendisse eu lacinia lectus, a pulvinar diam. Quisque sit amet congue dui. Proin accumsan erat in orci aliquam pharetra. Nunc a elementum dolor, eu auctor justo. Vivamus tempus at metus id posuere. Vivamus eu tempus tortor. Aenean condimentum imperdiet feugiat. Aliquam ut massa in lectus vehicula tristique eget in elit. Vivamus ullamcorper risus in sapien porta pulvinar. Praesent sed volutpat leo. Pellentesque semper tincidunt orci in consequat.

 

- ✦ -
Het thema is grotendeels gecustomized. Er zijn wat test-posts toegevoegd om uit te proberen hoe meer content eruit ziet.

zaterdag

Zo, vandaag eerst een achtergrond gemaakt waarmee ik tevreden ben. De achtergrond is zo opgebouwd dat ik er ook andere foto’s in kan laden, dus hopelijk heb ik daar nog lang profijt van.

Het logo was ook wonderlijk snel in elkaar gezet. Hij is wel wat aanwezig, maar daar werk ik nog aan. Hij moet ook op de voorpagina komen, maar dat is van later zorg (oké, Illustrator crashte toen ik hem 3D wilde renderen).

Daarna de Google Map met specifieke reisroutes. Nou behold, er staan er nu twee op! More to come.

Hoeveel zonlicht heb ik vandaag gezien? Te weinig voor een zonnige zomerdag!

zaterdag

Het is 30 januari 2016. Na een mooie theatershow in het Vestzaktheater ben ik gaan slapen en ben om vier uur opgestaan. De katten zijn wat verward. Meisje drentelt mee, Max wordt nét wakker. Heel lief. De verfrommelde kat werkt zich uit zn doosje en ze eten hun voer alsof het een gewone ochtend is. Ik eet m’n ontbijt en pak verder in. Rustig alles doen, briefje schrijven voor Wilco en Evalie, katten knuffelen en dan om 6:18 de deur uit. Om 6:40 ben ik op het station. Ik koop twee kaartjes (waarvan 1 ongedateerd, terwijl ik wel door een hele routine van dag en tijd kiezen moet 🙁 ) die me naar en van Gronau brengen. Vanaf Gronau zit ik niet meer alleen, maar met een chatty zestal Nederlanders ietsje verderop. Ze gaan met de trein op skivakantie. Dit is een voorbode van wat nog komen gaat. Ze vertellen elkaar tenenkrommende verhalen doorspekt met allerlei foute informatie over internet, roaming, en alle moderniteiten waarvan zij slechts een fractie snappen.

Tussen Gronau en Dortmund val ik in slaap. Zo. We zijn op Dortmund. Ik loop gelijk naar beneden voor die befaamde ‘pottkaffee’ die ergens bij een stalletje onder het station te koop is. Perfect. Yes. Bij de Fish ’n Rail, met een Aziatisch dametje achter de balie. Met een veel te grote papieren beker en dus een sloot koffie kan ik weer verder. Waar ga ik de tijd doorbrengen tot mijn volgende trein vertrekt? Hé, het DB Reisezentrum. Een klein wachtbankje dat niet in lijn staat met de rij wachtenden biedt uitkomst. Ik zet mijn tas en mijzelf erop. Ik drink mijn koffie en wacht. Observeer de mensen. Het is half. Even naar de wc en dan naar Gleis 18. Ohjee. Ik kom boven aan en zie al op de borden dat er staat ‘wacht op omroepbericht’ (maar dan in het Duits uiteraard). Naja, er staat dus een ICE 625 en dat is niet die op mijn ticket, zoveel is duidelijk. Dat moet de 1223 zijn. Niet instappen dus. De 1223 rolt binnen op het spoor tegenover. Hoei. Ik geloof dat we zowaar ook nog op tijd vertrekken! Zou het? Jeps.

Ik ga zitten tegenover een meisje dat naar Warburg moet. Vanaf daar is mijn stoel gereserveerd, dus dan moet ik ook verkassen. Nu de vraag: hoe ver is Warburg. Volgens mij ergens halverwege. Mijn tas houdt zich tot dusver goed, maar het kopvak is wel zo schandalig klein dat alleen mijn travelticket en mijn boek erin passen. Hij wordt ook ingedrukt door het volumieuze hoofdvak. Al met al voelt deze tas nog niet bepaald als een verbetering, hoewel hij met zijn stevige losse rugpand wel beter op de rug ligt en minder zwaar aanvoelt.

We reizen langs van alles, Soest – ik sms Sander dat ik straal de verkeerde kant uit ben gegaan 😉 – internetpas gekocht met creditcard. Een Aziatische dame zit tegenover, een hoestende man schuin achter me. Nog een Aziatische dame komt binnen met een joekel van een koffer. Ze denkt die volgens mij even in het kopvak te gaan gooien. Eh? De ander wil haar niet helpen. Vlak voor Altenbeken is het mooi zeg.

Er stappen nieuwe mensen in. Mensen moeten langs de dame met de koffer, en ze weet hem vermoeid dwars onder twee stoelen te schuiven. Ze gaat weer zitten en valt op tafel in slaap. Een vrouw moet erbij, en dan een slechtziende vrouw. Die loopt met een rolstok en zeer dikke brillenglazen. We vertellen haar welke bordjes er hangen. Ze gaat met haar hele spul zitten op de plek waar de eerste dame zat, die prompt verhuist naar een stoel achter me. Wat een regie weer. Over een kwartiertje moet ik wisselen, want dan zijn we op Warburg. Einde aan de rust. Ik zit ondertussen een comicstory op te tekenen. Ik wissel van zitplaats en ga aan het einde van de coupé op de rolstoelbegeleidersplaats (jawel, drie keer woordwaarde!) zitten. Er komen mensen met kleine kindjes bij me zitten. Die slapen gelukkig snel. Ik Whatsapp met Simon en lees marketingblogs. Het landschap met mooie romantische heuvels glijdt aan me voorbij. Kitzingen heeft een scheve kerktoren. We suizen door. 14:00 op Nürnberg. 15:13 op München, zo gepland.

De kinders om me heen worden dreinerig. De eerste foto’svan de Global Game Jam stromen binnen. Het land rond München is weer vlak. Gaan we nog inlopen op onze aankomsttijd? Ik denk terug aan de laatste (tevens eerste) keer dat ik deze overstap maakte. Toen was ik samen met een dame die Klara heette – nagenoeg 30 minuten te laat, maar haalden we de trein nog nét. Gelukkig weet ik nu hoe het station eruit ziet. Het is een kopstation, en de enige manier om bij een ander spoor te komen, is door om de kop van het spoor heen te lopen. Ik moet van Gleis 22 (helemaal links) naar Gleis 13 (bijna helemaal rechts). Dat gaat lukken.

Nou, het is echt wel dik twaalf over voor we binnenrollen. Ik zet het op een hard rennen, want ik stap ergens aan het einde (nog niet eens onder de overkapping) uit. Huppeldiehuppel zoef ik tussen de slome kofferrollers door. Aan het eind ga ik rechts. Klopt nog precies! Ik weet nog hoe ik hier met Klara rende. De trein staat ook op precies hetzelfde perron als jaren geleden.

Ik heb nu zelfs tijd om even een winkeltje in te lopen. Helaas vind ik er geen groente behalve komkommer (blegh) maar wel een blikje tonijn en twee bifiworstjes. Dat is prima voor de eerste twee avonden. Ik zoek de trein weer op en loop bewust wat door tot ik nauwelijks gevulde stoelen zie. Ik zoek een stoel aan het begin uit en ga zitten. Toevallig blijkt van de twee stoelen er maar één gereserveerd te zijn. Ik kan blijven zitten. De trein is verder mudjevol. Ik zit aan het einde van de coupé, vlak naast de deur. Aan de andere kant is een fietsenrek. Het wordt volgezet met een mountainbike, een opgevouwen kinderwagen, en iets van vijf koffers. Zelfs naast mijn stoel wordt nog een koffer verstouwd, die eigenlijk het hele looppad ondoorgankelijk maakt. Ik bezet maar één plaatsje met mijn jas aan een haakje. Hoe is het mogelijk dat mensen zo veel meenemen?

Nog een paar uur… voor mijn gevoel zijn we er nu zo, maar dat is niet waar. Het is tegen 16:00 en om 19:00 ben ik pas in Bolzano. Christus te paard! Het lijkt wel Tetris! Erger dan in de zomer! Wat een koffers! Ik ben compleet ingebouwd en dan ligt boven me ook nog alles vol. We rijden uit München weg naar Rosenheim. Je ruikt dat men hier op hout stookt, wat lekker! Prachtige bergen vliegen links en rechts voorbij, na het platte land na München. Zijn we nu al over de Brenner heen? Prachtige zonsondergang. Ohja, dit weer. We gaan de Brenner over. De laatste keer dat ik hier was belde ik verheugd mijn moeder, die mijn euforie niet helemaal meekreeg omdat ze de beelden er niet bij zag. Het uitzicht is fenomenaal. Op Jenbach moet iedereen er plotseling uit (dat is kennelijk dus het splitsstation voor de ski-vallei). Het wordt een enorm gestouw in de gangen. Een jongen heeft zijn koffer naast mijn stoel gezet en daarom kan niemand met een grote koffer eruit. Het is een chaos. Prompt als iedereen eruit is komen er weer nieuwelingen binnen met nog grotere hutkoffers. En dan zijn er ook nog kinderen die in groepjes door de gangpaden stormen. We stoppen weer. Ha, we zijn bij Innsbruck.

De vorige keer ging ik eerst hier overnachten alvorens ik naar Bolzano ging. Dit keer hoeft dat niet. Gewoon door, in dezelfde trein. Al doende leert men. Is het alweer drie jaar geleden? Dat ik hier naar de jeugdherberg liep, yoghurt kocht onderweg, de weg vroeg aan een stel bakvissen. En alles? Drie jaar? Het voelt als gisteren.

We vertrekken laat uit Innsbruck omdat iemand kennelijk de deur gelockt heeft. De conducteur loopt te vloeken op niemand in het bijzonder. Tür schließen! brult hij. Inderdaad, we hoorden al vijf minuten een vervelend piepje. Opeens stoppen we weer. Iemand iets vergeten? Enfin, nu het andere Bahnhof nog, of niet? Het ontgaat me. Het ruikt nog steeds stevig naar gestookt hout. De lichtjes op de bergen zijn te zien. Over de weg boven me rijden auto’s. Hun koplampen schijnen tegen de bergwand. Het is nu stil in de trein, bijna rustig. Je kunt dus in één dag naar Verona komen, maar wat je daar moet doen, is me onduidelijk. Bolzano is veel leuker. Bovenop de berg zie ik nog een verdwaalde kerstboom. Ik geloof dat we bij Brixen zijn. Voor me zit een jongen met z’n vriendin of zus ofzo. Beide een laptop op het tafeltje. De jongen kijkt foto’s. Hola! Is dat een burlesque feestje of wát? De dames op zijn foto’s hebben niet veel kleren aan het lijf. Zijn ‘zus’ heeft niks door. Dude!

Nou, we zijn over de Brenner, maar er ligt nog steeds sneeuw. Ligt Bolzano gewoon lager of hebben ze het op de webcam in Bozen gewoon heel goed verborgen gehouden? Nog een uur, dan heb ik 12 uur en 31 minuten gereisd. we hebben de skifans nu wel afgeschud. Als ik nu al 12 uur reis met minimale overstaps, ben ik benieuwd hoe ik op de terugweg dat ga doen. Tja, het kan. Ik vertrek dan om half elf en kom om 22 uur ’s avonds aan.

De drietalige conductrice (verbazend toch) komt langs en even ben ik mijn ticket kwijt. Aaah! We dalen nu wel hard, m’n oren gaan dichtzitten. Franzensfeste. Kwartiertje later. Brixen. Het is 19:17. Ik ben er klaar mee. Nog 10 minuten. Ik bedenk me dat ik normalerwijs aan het einde van zo’n dag hoofdpijn zou hebben. Ik ben wat moe en zou wel een douche willen, maar verder voel ik me kiplekker. Hoera, Bolzano.

Ik stap uit, maak de verplichte selfie bij het bord, en wandel naar de jeugdherberg. Wat is het koud zeg! Ik heb hier wel eens in ander weer gelopen! Ik check in (bent u hier eerder geweest? Ja!) en ga naar mijn kamer. Het is stikjewarm daar. Uitruimen – voor de verandering pak ik eens mijn hele rugzak uit – ik blijf toch een week. Ik heb echt te veel kleren bij me. Ik ga naar beneden, regel een handdoek en ga me dus douchen. Dan wat op de bank hangen en eten koken. Ik voel me ver weg van de hele wereld, in de steek gelaten zelfs. Wat doe ik hier? Mezelf zoeken?

Ik ga redelijk vroeg slapen, half elf ofzo. Ik heb drie kamergenotes en ik ben de laatst aangekomene, dus genoodzaakt op het bovenbed te slapen. Maar slapen zal ik. Morgen ligt de wereld aan mijn voeten.

zondag

De volgende ochtend word ik wakker en weet dat ik ontzettend veel gedroomd heb. 3 kamergenotes zijn al uit bed en weg. Bedden zijn zelfs afgehaald. Ik heb er doorheen geslapen. Tijd voor ontbijt. Ik voel me nog steeds leeg, onbestemd, maar misschien helpt een wandeling door de stad? Het is droog en zonnig zo te zien. Oké – het is nevelig en koud. Van mijn vorige bezoeken ben ik gewend dat het hier buiten altijd drukkend warm is. Maar toch -heb je ooit wel eens bergen in de nevelige kou gezien? Prachtig.

Ik wens nog altijd dat er achter mijn flat eens van die bergen opdoemden. Daar zouden wat mensen in Enschede weer niet blij mee zijn. Hoe zou het met mijn katjes gaan? Zouden ze al doorhebben dat ik op vakantie ben? Ontbijt is zoals altijd in de kelder. Ik voel me nog steeds niet veel beter. Mijn hoofd zit vol. Berichten van mensen waar ik nu niets mee wil doen. Ik denk aan mijn vorige verblijf hier, onderweg naar Cecilia. Ja, zij krijgt ook een kaartje van me deze week.

De Whatsapp-gesprekken die me dwarszitten breek ik allebei af. Komt over een week wel weer, ik ben nu op vakantie. Simon, nu nog in Enschede, katert vandaag nog even verder omdat hij steeds meer en meer beseft dat hij Nederland gaat verlaten. Ik probeer hem in de spaarzame momenten dat ik internet heb, zo goed mogelijk door zijn droefenis heen te helpen.

Ontbijt op, koffie ook. Naast me zit een clubje skaters. Voor me drentelt een Italiaans jongetje dat zo de nieuwe Michael Jackson zou kunnen zijn. Echter, hij praat wel Duits. Zijn vader hinkt ongemakkelijk met een dienblad. Het jochie wil het dienblad van hem aannemen. Wat behulpzaam. Het kindje stuitert inmiddels verder, pardoes door de keuken heen, en keert door de gang terug om zijn strompelende vader op te jagen.

Later, in de stad. Ik steek op z’n Fins over, gewoon hoppa, voor een politieauto langs. Dat moet je hier niet doen, leer ik gelijk. De carabinieri hangen loerend uit het raampje en kijken me lang na. Ik loop door het centrum, door de Laubengasse. Ik zie hoe een oud mannetje achteloos aan parfumerie Douglas voorbijloopt en in het voorbijgaan een paar pufjes gratis parfum op zijn polsen spuit. Het is damesparfum… ik moet een beetje grinniken. De hele gallerij ruikt er nu naar. Mijn Italiaans is duidelijk verre van perfectie. Ik begin een gesprek bijna met ‘minä on ritorno…’ en bedenk me dat dat echt een mengeling van Fins en Italiaans is.

Het fijne is: ik heb hier regelmatig een leeg hoofd. Dat is fijn. Nog fijner vind ik het als ik dan besef dat het eigenlijk een werkdag is. Dat is het vandaag niet, het is zondag. Maar toch. Morgen weer even bij stilstaan. Ik heb nog één kamergenote over, ze is Italiaanse en ze zegt helaas niet veel – zelfs niet haar naam. Ik ben gauw naar het onderbed verhuisd. Mijn rondje door de stad besluit ik met een aankoop van een boekje voor Cecilia, twee kaarten, en een magneet. Ik weet alleen niet wat een envelop is, dus na wat wijzen en handgebaren verwijst de Italiaanse bediende me naar de Tabacci… waarschijnlijk voor postzegels. Ik moet ergens een stevig stuk papier of een envelop tegenkomen, of gewoon het woord opzoeken.

Ik keer kort naar het hostel terug voor een vitaminepil, want ik voel me dizzy, en voor oorbellen. Ik heb die dingen niet voor niets meegenomen. Dan ga ik met de kabelbaan naar Ritten. Bakje zit vol. Halverwege zie ik mooie grafitti op een muur waar we overheen zweven. Twee ogen, met een regenpijp ertussen. Net een traanbuis. Die moet op de foto. Ik kijk hoe het pad loopt en na aankomst daal ik af erheen, al moet ik daarvoor wel een weiland doorkruisen. De koeienpoep die er ligt is oud en droog, dus ik gok dat er nu geen wilde koeien lopen die me op de hoorns kunnen nemen. Wel geiten, bij een boerderij iets lager. Ik fotografeer de ogen-grafitti en klim weer terug de heuvel op. 10 graden, zonnetje, krekels. Politie die langskomt en verkeerde, doodlopende weg naar het huis op de heuvel inslaat. Ze bellen aan, maar de poort blijft dicht. Eén carabiniero stapt uit en gebaart voor de ander opdat die achterwaarts terug kan rijden. Ik aanschouw het vol plezier. Het laatste stuk keren ze om op het gras en scheuren ze maar gewoon langs de weg op terug. Italianen en geduld, een moeilijke combinatie. Ik zwaai naar ze als ze langsrijden. Ze zwaaien niet terug. Het is lekker in het zonnetje, maar ook wel wat koud. Ik zit op mijn regenjas.

Dan kom ik op het idee om met het treintje eens Maria Himmelfahrt te bezoeken. Die kant ben ik nog nooit opgeweest. Maar dan moet ik nu wel gaan, zegt mijn hoofd. Waarom? Om op tijd te zijn. Eh, oké. Ik pak vlug in en zet koers naar het stationnetje. Inderdaad komt het treintje er nét aan! Wat een geluk, lekker warm zitten. Maar oh! We vertrekken de verkeerde kant op. Geeft ook niet.

Ik laat me meerijden langs alle stops en uitzichten die ik al ken. De winter heeft het landschap een mooie touch gegeven: sneeuwveldjes. En het stuwmeertje is bevroren, ook mooi. Ik wil er omheen lopen, maar krijg mezelf er niet toe om uit te stappen bij zo’n stationnetje in het niets. Ach, dan maar blijven zitten tot Klobenstein. Daar kijk ik even hoe laat het treintje teruggaat. In 10 minuten. Dan zie ik een bordje ‘Wolfsgraben – 1Std’ en ik ben om. Dat moet te lopen zijn.

Dus zoek ik achter de tumultueuze ijshal van Klobenstein het wandelpad op (eerst even een man de weg naar het station wijzen in het Italiaans) en ga op weg. Glippend over sneeuwveldjes heen ga ik bijna écht onderuit. Kijk, hier waren die spikes wel handig geweest. Ik wandel rustig verder door bossen en dalen. Soms kruis ik de autoweg of de trein. Ik kom voorbij een mooi landelijk gelegen huis. Hoe laat zal ik de trein terugpakken?

Hé, daar zie ik een klein stationnetje. Het heeft een naam en een wachthuisje. De trein komt over twee minuutjes. Én stopt. Mee. Word gelijk gecontroleerd op mijn kaartje (7-dagen Mobilcard). De conducteur gelooft het wel. Ik stap weer uit bij het hoofdstation en prop me met de rest in de kabelbaan naar beneden. Leuk, dat aftelscherm. Beneden loop ik naar het hostel. 16:00 ofzo. Ik loop langs de toko. Er zijn Duitsers binnen, dan durf ik ook wel. De Indiër weet me een plastic bakje met twaalf sesam-ballen te verkopen voor 3,50. Ziet er wel lekker uit als elfuurtje. Ik neem ze. ‘Dolce, dolce’ zegt hij. Ik weet niet meer of ik ooit met hem gesproken heb, en in welke taal dan. Het kan best zijn dat Karin al het praten deed, toen we destijds mango’s kochten. Misschien moet ik hem de foto laten zien. Later app ik Wilco, of hij een foto van mijn foto wil maken. Karin heeft me ooit een foto gestuurd waarop ik voor zijn toonbank sta, met hem glunderend erachter. Hij is met de jaren wel ietsje grijzer geworden.

In het hostel eet ik alvast drie van de sesamballen op en app ik met Simon, die net zijn katten heeft laten ophalen. Hartverscheurend, hij is helemaal alleen. Ik app wat met hem. Na drie bolletjes ben ik goed gevuld. Ik ga naar boven en zet even foto’s over op mijn laptop. Ik merk dat er tegenwoordig internet is boven! Wat een…verslavende luxe. Ik schrijf een vriend in Zweden een bericht en lees mijn mail. Hier moet ik geen dagelijkse gewoonte van maken. Dan ga ik beneden rijst koken. Een oud dametje kookt ook. Ze lijkt op het kanarietje dat ik in Sankt Moritz aan het ontbijt trof. Klein, krom, met kraaloogjes, eigen maniertjes. Ze kookt ook en zegt wat korte beleefdheden in het Duits. Ik zeg weinig terug, want ze lijkt niet zo spraakzaam, en ik weet ook niet of ze het Duits heel goed beheerst.

Ik heb rijst met tomatensaus en twee stuks gesneden bifiworst. Smaakt heerlijk! Morgen boodschappen doen. Tijd om naar de film te gaan nu. Ik kleed me om en loop stevig door. Ik zit met een hoop ouwe mensen bij een film over Segantini. De voorafgaande film loopt uit, er staat een houten bord in de vorm van een piccolo voor de deur van de zaal. Sommige Italianen wurmen zich er tóch langs, ‘omdat ze toch naar de wc moeten’. Slechte excuses, ze kunnen de zaal toch nog niet in. Ik sta aan een statafel naast een man die behoorlijk op Dalì lijkt. Hij wrijft over zijn snor en kijkt mij met mijn opschrijfboekje geïnteresseerd aan. Wat moet ik, mijnheer? Bent u echt een reïncarnatie van Dalì? De Italianen om ons heen drommen naderbij en willen de zaal in. Tot twee keer toe komt de suffige suppoost zich verontschuldigen dat we er nog niet bij kunnen. Wat kunnen Italianen verschrikkelijk ongeduldige figuren zijn!

Ik ga nog snel even naar het toilet, dat beneden in de kelder is. Ik ga twee trappen af, een hoekje om, en sta zomaar in een prachtig film noir-decor. Een dof glanzende groene muur met een stijlvolle wandlamp, een rode deur, een groen oud bankje met buispootjes. Na mijn toiletbezoek kniel ik rustig in het gangetje en maak een foto van de situatie. Wat een onverwachte schoonheid in zo’n loze ruimte.

In de zaal wordt het, ondanks de airco, knap bedompt en ruikt het er steeds minder fris. Nu is het bij een bioscoop altijd zo dat je wel een beetje elkaars adem ruikt, maar dit is echt erg. Het vrouwtje naast mij zegt al dat ze per definitie haar jas uitdoet, want het is hier altijd zo warm. Ik geef haar groot gelijk. Oude mensjes lijken ook gewoon te stinken. De film is goed hoor, wel wat traag, en voorzien van weinig mooie beelden. Veel beelden zijn geschoten van het hedendaagse Milaan, waar men volgens mij ook wel wat fake beelden uit een dorpje in de omgeving had kunnen nemen, met goed geklede figuranten. Nee, helaas. We moeten het doen met oude foto’s en nieuwe, moderne stadsbeelden van al Segantini’s woonplaatsen. Gelukkig komen er dan plotseling wel aereal views van de Malojapas en de Postbus voorbij. Ik zit opeens dolblij in mijn stoel en kijk hoe de bus zich ongemakkelijk de pas op slingert. Daar heb ik in gezeten, deze zomer nog! Ja! Ik besluit het niet aan het vrouwtje naast me te vertellen, ik zou het drie keer, luid, moeten herhalen, en dat verstoort toch de hele film. In stilte geniet ik van de herinnering en van het feit, dat ik zó’n reiziger ben, dat ik dit gewoon kan zeggen. Het laat de vreselijke mondgeuren rondom mij even weg-ebben.

Na de film loop ik rondom terug naar café Nadamas, maar dat zit dicht. Jammer, het was een fijn café, druk, maar toch met plek om te zitten en te schrijven – zoals Bisketti in Oulu. Een ander café wil ik nu even ook niet opzoeken, dus loop ik terug via de Laubengasse. Ik vind leuke winkeltjes voor fournituren en voor Merinospullen. Op m’n terugweg zie ik veel inwoners van Bolzano met hun huisvuil slepen. Maandagochtend komt de vuilnisophaaldienst zeker.

In de straat van het hostel zie ik dat de Indiër nog achter zijn toonbank zit. Wat een leven. Op de deur hangt wel een vel papier gekleefd met zijn telefoonnummer, en iets van een Italiaanse tekst ‘gaat alleen open wanneer u belt’. Ach, hij zit er al zeker drie jaar dus, en hij krijgt waarschijnlijk dagelijks veel aanloop van vrienden, dus wat zou het. In de jeugdherberg zit ik nog even op de bank. Ik zou wel een biertje of wijntje lusten, maar in de stad was alles dicht. Drooglegging hier zeg.

Twee mannen op de bank. De ene kijkt geïnteresseerd af en toe. Misschien ben ik leuker dan de TV. Maar ach, hij moet morgen weer naar z’n vrouw en kinderen terug. He, het sarcasme. Ga weg, Italiaan. So far nog weinig mensen gesproken hier. Ik ga naar bed. Buuf ligt er al in en doet tegelijk de lamp uit. Ik slaap onrustig in het benedenbed, omdat er continu licht van het station naar binnen schijnt. Om 4 uur ’s morgens pakt buuf in en vertrekt. Ik ben alleen. Toch wel fijn.

 

maandag

Wonderwel slaap ik nog tot 7 uur. Ik heb vannacht veel treinen gehoord op het rangeerterrein. In je slaap komt dat op een heel aparte manier binnen. Het gepiep van een rangerende trein is, vermengd met slaaproes, wel zo droevig, dat ik het gewoon zielig vind voor die treinen. Stalen kolossen die maar weer ergens heengezeuld worden. Wanneer zijn ze eindelijk thuis?

Even internetten en dan ontbijten. We zitten nog maar met z’n drietjes in de eetzaal. De twee heren van gisteravond en ik. Ik zoek nog even wat op over de kloosterbieb en dan pak ik een tas om boodschappen te gaan doen. Ik vind een grotere Spar, vlakbij de kiosk waar ik ooit met Karin een ‘Nachteis’ haalde, en bij de passage naar de Waltherplatz. Ik sla houdbare producten in als pasta, en spul in glazen potten met draaideksels. Ook wat lekker bier voor ’s avonds. Zo. Ik breng het het hele zwikje terug naar de Jeugdherberg en stack het onderin mijn kast. Ik weet dat die kast niet daarvoor bedoeld is, maar ik denk heimelijk dat wel meer gasten eten in hun kamer opslaan. Ik heb bovendien een klein koeltasje mee, dat alle bederfelijke waar luchtdicht weg en koel houdt.

Ik smeer broodjes en ga de stad in om te winkelen. Nou, merinoshirts zijn er nog niet, want het is nog winterseizoen. Wat er is heeft een hoge halslijn of oogt als ondergoed. Jammer. Sokken hebben ze wel, in een ogenschijnlijk te grote maat. Ik koop een paar voor zestien euro. Dat lijkt duur, maar is het helemaal niet. Merinosokken zijn excellent, je kunt ze zeker een week dragen en je vergeet compleet dat ze in de was moeten. Ik draag nu al sinds de zomer afwisselend drie gewone en één dik paar Merinosokken, en laatst ging ik eens terug naar ‘normale’ katoenen sokken. Gelijk na één dag wist ik dat dat ellende was, wat een stinkboel. Snel de Merinosokken van de waslijn gehaald en die weer aangetrokken.

Ik koop ook oorbellen en een enorm gave steampunk ring. Ik heb Wietererhof ’s ochtends gebeld, maar ik kreeg Waltraud aan de lijn, en ze zei me dat een Ausritt niet einfach mogelijk was, want er was deze week geen begeleiding. Alleen op zo’n paard de bergen in kan je natuurlijk niet vragen, al zou ik het best kunnen, ik heb een goede wandelkaart. Ze moet het haar man vragen, ze zal me terugbellen. Heel de ochtend houd ik mijn telefoon in de aanslag en het geluid aan, opdat ik haar niet mis en haar goed kan verstaan wanneer ze terugbelt. Het telefoontje blijft uit. Heeft ze wel het goede nummer genoteerd? Ik zal erachteraan mailen.

Morgen wandel ik wel even naar Jenesien, om te zien of ik überhaupt boven kan komen zonder auto. Ik winkel nog wat meer en weet aan een envelop voor Cecilia’s boekje te komen. Ook doorkruis ik de universiteit, waar ik, zoals ik verwachtte, absoluut niet opval. Het internet is er gratis, dus ik zet me op een raar oranje bankmeubel voor een enorm raam dat over het plein uitkijkt en geef mijn ogen de kost. Ook loop ik even door de bibliotheek, maar die is niet erg bijzonder. Het is weliswaar een degelijk gebouwd vierkant hok, met een grote vide in het midden afgezet met moderne eikenhouten panelen. Het dak van de vide is niet spectaculair. De trap naar boven is wel aardig mooi, maar voor de rest is de bieb gewoon een heel deugdelijk recht gebouw, met veel werkplekken en veel kasten met boeken. Onder de eiken platen bespeur ik een vrij moderne betonnen opbouw. Dit stuk van het gebouw is nieuwer dan je zou denken. Nee, komt niet in mijn top tien.

Hierna loop ik even de gangen van de uni door, op zoek naar een toilet. Ik stuit op een zijgang die me tot een veel ouder deel van het gebouw leidt. Prachtige gangen en helderwitte stenen trappen liggen aan mijn voeten. Ik waar me weer even in de KABK in Den Haag. Ik vergaap me aan de architectuur en vergeet bijna dat ik ook nog naar het toilet moest. Wat een weelde, zag de bieb er ook maar zo uit.

Ik ga weer op het zitmeubel voor het raam zitten en bekijk de jongeren buiten. Een hipster, een achteloos permanentje (zijn vriendin), een lelijk eendje en een bakvis. Het lelijke eendje is zo te zien verliefd op de hipster. Ze draait en konkelt om hem heen, bakvis en permanent ietwat negerend. Ze houdt haar hoofd schuin en smeekt om lachjes. De hipster trekt zich niet veel van haar aan. De bakvis hangt er maar wat bij, en het permanentje kijkt achteloos. De hipster loopt naar binnen, en het eendje maakt direct aanstalten erachteraan te gaan. Dan keren ze allen naar buiten terug, en de hipster loopt gearmd met het permanentje weg. Ik snap het al. Arm lelijk eendje. Ook: de bakvis had hier totaal geen rol in.

Later ga ik op het plein bij de Sparkasse op een houten vlonder zitten schrijven. Om mij heen komen Italianen voorbij. Zo ook een merkwaardig opgedofte dame. Trots als een pauw stapt ze op me af, mij een beleefd knikje toewerpend. Twee slanke, langharige windhonden deinen voor haar uit aan de lijn. Zijzelf is niet minder fraai: gekleed in een opvallende bontmantel, met tierelantijnen overal, een stijlvolle handtas, getoupeerd haar in diverse tinten. Haar verschijning is af met de stijlvolle Louboutins waarop ze me gracieus voorbijloopt. Deze Italiaanse dame laat even haar honden uit.

Inmiddels is het nog niet na vier, maar ik vind het wel tijd voor bier. Inderdaad, op de maandagmiddag. Maar het is vakantie. Ik heb alleen geen idee waar ik lekker kan zitten. De meeste bars zijn zover verscholen onder hun luifel dat als ik binnen ga zitten, mijn observaties beperkt zijn tot het publiek wat zich daarbinnen ophoudt. Dan krijgen mijn observaties al gauw een voyeuristisch tintje en dat geeft gewoon geen leuke anekdotes. Ik loop maar naar het hostel.

Ik ga eerst op de bank hangen, inkakken en appen. Ik blijf ervan overtuigd dat het internet beneden in de gezelschapsruimte veel beter en sneller is. Bovendien is het hier ook veel gezelliger, als er gasten zijn natuurlijk. Nu zit er geen kip, dus ik ga vrij snel naar boven. Ik pak mijn aankopen uit en internet nog wat meer, terwijl de schemering invalt. Ik maak het pakketje voor Cecilia klaar, alsook de kaartjes naar vrienden. Ik zoek de openingstijden van het postkantoor op en schrijf wat berichten op fora. Daar heb ik nu eindelijk tijd voor, dat wel. Zal ik morgen maar eens naar de sauna in Naturns gaan? Ik moet er sowieso eenmaal heen deze week. De sauna in Naturns is, in tegenstelling tot de thermen in Merano, niet zo toeristisch. Het is gewoon knus en goed ingericht tegelijkertijd.

Het wordt ook tijd om even een bevestiging aan Samuel te sturen, de theatersporter alhier die mij vanuit Bolzano mee zal nemen naar Appiano (ofwel Eppan An Der Weinstrasse). Bij het woord ‘Weinstrasse’ kan ik me veel leuke dingen visualiseren, maar het zal wel gewoon een oude handelsroute zijn. Ik stuur een smsje naar Samuels nummer, maar krijg geen antwoord. Het is pas maandag; ik hoef woensdag pas mee, dus ik ga er niet te veel achteraan zitten.

Omdat ik nog niets van Wietererhof heb teruggehoord, stuur ik ze een mailtje met mijn telefoonnummer. Zo, dan kan dat in ieder geval geen misverstand zijn. Bel me, mensen, dan zit ik hopelijk deze week nog op een Haflingerrug de bergen te bekijken.

Ik ga naar beneden om te koken. Er is een gemeenschappelijke keuken achterin het hostel die van de meeste gemakken voorzien is. Aanvankelijk wist ik niet van het bestaan van de keuken af. Zelfs nu moet ik soms mensen er bewust heen wijzen, want ze houden het voor een personeelsruimte. De keuken heeft wel z’n eigen handleiding. Uiteraard moet je zelf de boel schoonhouden, opruimen en afwassen. Rondslingerend eten zonder datum wordt zonder pardon weggegooid, en afval wordt strikt gescheiden. Als je de keuken in de rook zet, wordt direct het grote raam opengezet, winterkou of niet. Al met al is de keuken een zegen, want je vakantieweek slijten met soppige noodels of elke dag restaurant is natuurlijk geen doen.

Het koken van pasta hier heb ik in 2013 al geleerd, toen het fornuis nog uit twee roestige oude kookplaten bestond. Intussen is het geheel vernieuwd met een mooi glanzend zwarte electrische kookunits, maar je gaat op dezelfde manier te werk. Water voor je pasta kook je eerst in de waterkoker. Ondertussen figolier je de kookplaat uit tot die op standje 9 staat en rood opgloeit. Zet er een pan op en giet je kokende water erin. Hoop nu driftig dat je water ook echt aan de kook blijft. Hierna kieper je je pasta erin en vul je de boel aan met groenvoer, vlees en kaas. Kortom: vertrouw niet op het kookstel alleen, want dan zit je tegen twaalven nog niet aan je bordje pasta.

Opeens hoor ik een bekende stem achter de keukendeur. Ik trek de deur met een zwaai open en sta oog in oog met nachtportier Zakaria die ik de jaren ervoor ook al ontmoette. Niet verwacht hem hier nog te zien, want de vorige twee avonden was er een ander!

Hij kijkt mij warrig aan, en ik zeg ‘Heidi! Uit Nederland!’ Opeens hoor je radartjes lopen en begint het hem te dagen. ‘Uit Amsterdam, neh?’ ‘Nee… uit het oosten.’ ‘Oh ja, uit een small town in het oosten! Ja Heidi!’ Hij glundert opeens blij. Zodra ik mijn bordje pasta met tomatenpuree en champignons klaar heb, praten we verder in de gezelschapsruimte.

Hij wil wederom alles weten van mijn hometown, maar nu ook van alle andere plaatsen waar ik het afgelopen half jaar ben geweest. Het is leuk als het gesprek op Nederlandse woorden aankomt, met name die met een ‘ij’, zoals Overijssel en Nijmegen. Zakaria probeert het eerst uit te spreken als een ‘i-j’ maar dat levert aparte woorden op. Dan leg ik de overeenkomst tussen de lange ‘ij’ en de korte ‘ei’ uit. Na wat oefenen en struikelen over Nederlandse woorden is het met z’n uitspraak al een stuk beter. De wijzers van de klok kruipen langzaamaan naar 8 uur: Zakaria moet zijn plaats aan de receptie innemen. Ik groet hem gedag en ga naar boven.

Oei, nu ben ik al te laat om naar het lokale zwembad te gaan – mijn eigenlijke plan. Maar waarom zou ik ook gaan? Ik houd helemaal niet van zwemmen. Ik wil gewoon graag mijn mooie witte Marilyn Monroe-badpak weer eens aan!

Ik ga naar mijn kamer, waar ik nog steeds alleen bivakkeer. Ik eet wat chocolade en probeer te internetten. Het signaal is te zwak, elke pagina eindigt in een DNS-error. Het is inmiddels, met lezen en schrijven bij elkaar, ook al een paar uurtjes later. Ik maak aanstalten om naar bed te gaan. Maar eerst pruts ik nog even met de rolluiken. Het rolluik helemaal links, het dichtst bij mijn bed, rol ik helemaal naar beneden. Het middelste rolluik rol ik naar beneden tot er nog een halve meter licht onderdoor kan. Het rechter rolluik laat ik open. Ik doe dit, omdat het licht van het rangeerterrein bijzonder fel in mijn ogen prikt ’s nachts. Het zielige gepiep van de treinen is nog tot daar aan toe, maar elke nacht dromen dat ik op een podium in de spotlights sta is me echt te gortig. Gelukkig bieden de rolluiken soelaas: een half donkere kamer, met in de ochtend voldoende prettig zonlicht. Voldaan zoek ik mijn bed op.

dinsdag

Ik ben weer in alle rust wakkergeworden, ditmaal ook goed uitgeslapen. Bij het ontbijt zitten maar drie mensen, niet eens interessante. Hè, waarom voel ik me nog steeds zo leeg? Ik ben toch op vakantie in een heerlijke omgeving! Ik moet snel wat aan dat gevoel gaan doen. Ik heb een SMS ontvangen, van Samuel de improspeler. Het bericht komt van een ander nummer dan ik gekregen had. Prima zo. Ik SMS terug met een voorstel voor morgenavond.

Na het ontbijt kleed ik me rustig aan en wandel ik in het zonnetje naar de stad. Bij de boekhandel koop ik nog een laatste kaart voor een vriend, en schrijf die terwijl ik op een bankje aan de Waltherplatz zit. Ja, hier zat ik vorige zomer ook, met een bijzondere ansichtkaart met bergen in de mist. Wat is dat alweer lang geleden. Waar toen toeristen werden gepaaid door schuchtere straatverkopers lopen nu kinderen met schooltasjes zich te vervelen. Ze jagen stampend duiven op en gooien lege drinkflesjes zomaar op straat. Ik kan het niet aanzien.

Als mijn vingers koud worden van het schrijven (elke kaart is een taalkundig puzzeltje, daar moet je niet kort over gaan) sta ik op en loop ik richting postkantoor.

Ik ken tot op heden maar één postkantoor in Bolzano, en dat is Bozen 3. Het kantoortje bevindt zich in het oude stadsdeel Zwolfmalgreiner, oftewel aan de pittoreske rotonde achter de jeugdherberg. Twee straten van het station af waan je je dagelijks (vooral in de ochtend) in een typisch Italiaans tafereel. Scootertjes, vrachtwagentjes en snelle auto’s proberen zich zo snel mogelijk door de spits te wurmen, en komen daarbij allemaal minstens éénmaal vast te zitten op het rotondetje dat daar zo mooi in de schaduw ligt. Het is een dorpje op zich. Dat was het ooit ook, toen Bolzano nog geen naam had, en het rijke volk hier uitstapte om zich per koets of misschien al auto verder te laten transporteren naar de geroemde bronnen van Gries, tegenwoordig juist weer een buitenwijk ten noorden van Bolzano.

Enfin, ik loop dus vanuit het centrum naar het postkantoortje. De wandeling is heerlijk, wat een frisse ochtendlucht, wat een cultuur – ik kijk mijn ogen uit. Wat ik bij binnenkomst in het kantoortje aantref is ook weer typisch Italiaans. Waar ze hun postkantoren voor hebben – ik weet het niet, maar post versturen is er duidelijk maar een zeer kleine bezigheid van. De postkantoren zijn geopend van grofweg halfnegen tot vijfendertig minuten over twaalf. Op de zaterdag is het kantoortje zelfs een uur langer open, op zondag is het simpelweg dicht. Het is geen groot kantoortje – zoiets als een ruime woonkamer. De vloer is betegeld als in een supermarkt en het systeemplafond is benauwend laag. Gelukkig is de hele voorzijde van glas, waar heerlijk zonlicht door naar binnen valt. Ik kom binnen en mag gelijk een listige manoeuvre maken om mij bij in de wachtrij te scharen. Die rij begint iets links van de deur, gaat er dan naar rechts dwars voorlangs, langs een keurig nylon scheidingslint, en slingert dan terug naar links, alwaar ook de twee geopende balies zijn. Achter mij is nog een balie met een medewerker, maar het is onduidelijk waarom die niet open is. De medewerkster zit driftig allerlei dozen van en op de balie te stapelen. Welkom bij de Italiaanse bureaucratie.

We hoeven geen nummertje te trekken. De rij beweegt zich zelf vooruit en de aanwezigen in de rij houden nauwlettend toezicht op het snel doorstromen. Iedereen wil namelijk zo snel mogelijk weer weg. Dat wordt dan ook continu her en der gemompeld. Wie aan de beurt is gooit zich over de balie alsof zijn leven er vanaf hangt. Sommigen krijgen geld uitgekeerd, anderen overvallen de medewerkers met tien brieven, die allemaal stuk voor stuk beoordeeld moeten worden. Bij sommigen moet er echt uitzoekwerk gedaan worden, en dan pakt de medewerkster de leesbril en stempel erbij. Discussies gaan er verhit aan toe. Ik ben zo blij dat het nog maar februari is en lekker koel. Hoe anders was het toen ik met Jeroen in Ventimiglia eenzelfde actie ondernam, en wel ‘even’ bij het postkantoor onze kaarten zou gaan posten. Twee uur in de rij onder het gezoem van een op hol geslagen airco. Nee, dan is dit nog een lachertje.

(hier nog een anekdote van een struise boerin met zwart lang haar).

Ik schuifel langzaam naar de voorzijde van de rij. Mensen maken grapjes over ‘niet in slaap vallen’. Ik staar naar links. Daar is een klein glazen hokje waarvan de wanden niet eens tot het plafond reiken. Toch is het een zeer privé hokje, met zelfs twee personen erin: een bezorgd ogende klant en een druk gebarende financieel adviseuse. De deur staat gewoon open, maar ze praten toch onverstaanbaar zacht. Misschien gaat het over de jaarlijkse belastingontduiking, stijgende onkosten aan de maffia, de geplunderde spaarrekening van zoonlief? Ik weet het niet. Een bijzonder hokje in ieder geval. Schijnheilige privacy.

‘Allora!’ mijn achterbuurvrouw prikt me speels in mijn rug. Ik sta al aan het begin van de rij! Ik krijg een hoofd als een tomaat en lach ‘haha, verboden in slaap te vallen hè’ in het Duits. De rij knikt wat ongeduldig en lacht niet. Ik loop snel naar het tweede loket en leg mijn brieven op de toonbank. De leesbril gaat op. De kaartjes worden met een achteloos gebaar in de postzak achter de medewerkster gegooid, de bubbeltjesenvelop voor Cecilia vergt meer onderzoek. ‘Normaal?’ vraagt de vrouw over haar brillenglazen. ‘Eh, ja’ antwoord ik beduusd. Wat zou speciaal zijn? Of met uitjes? Ik doe het maar. Ze tikt dingen uit op haar zakcalculator en wijst me dan het bedrag. Vijf vijftig voor alles. Ik ben verbaasd, maargoed. Ik trek mijn portemonnee en wijs op de dikke envelop, waar ze net een verzendsticker op plakt. ‘Wieviel?’ zeg ik. Ze houdt de envelop stevig vast, alsof ik hem zal terugpakken, en toont me het bedrag. Ongeveer drie euro. Tja, het zal wel kloppen, het is ook een boekje en geen flintertje papier. Maar in Nederland zou dit echt niet zoveel hebben gekost, in Finland zelfs niet! (daar stuurde ik een melamine papbordje en twee pannenlappen naar huis in een bubbeltjesenvelop, voor maar 2,50!) Ik vind het wel goed, ik betaal en verlaat het pand. Achter mij is de rij allang weer tot aan de deur gegroeid.

woensdag

Overzicht van mijn reis rondom de Adriatische zee.
Klik hier voor de foto’s.
- ✦ -
Zoals op bijna elke reis naar de Alpen, vertrek ik vandaag vroeg naar Bolzano. Ik pak mijn tas in, doe een afwasje en gooi het vuilnis weg, en ga bepakt en bezakt tegen zessen het huis uit. Aan het einde van Park de Kotten realiseer ik me dat ik wel een kettinkje heb ingepakt, maar niet mijn drakenkettinkje. En dat is nu juist mijn gelukskettinkje… dus ik moet terug.

Op een drafje hol ik terug naar huis, laat mijn tas in het portaal liggen en slinger mezelf de trappen op. Ik pak het kettinkje, kwak daarbij alle andere kettinkjes van de muur af, en spurt het huis weer uit. Rugzak weer op de rug en door naar het station. Sander SMS ik later de vraag of hij de berg sieraden alsjeblieft op mijn kast wil leggen, wat de schat uiteraard ook doet.

Ik ben keurig op tijd voor een kopje koffie bij de Albert Heijn To Go en een klein stukje pianospel. Bij de laatste tonen van ‘Too Late’ (hoe passend) hoor ik de Duitse boemel binnensuizen, dus raffel ik het af en wandel ik naar het perron. Zo, nu de eerste anderhalf uur volbrengen. Gelukkig in deze tijd van het jaar geen kwekkende skitoeristen.

Eindelijk ben ik op Münster. Ik zet me even aan een uiterst praktische bamboe bartafel met bijbehorende krukken en houd nauwlettend in de gaten wanneer de trein naar München komt. Die is er op tijd. Ook mijn gereserveerde zitplaats is zonder problemen nog vrij. Ik zet mijn tas tussen mijn knieën en lees verder in mijn boek. Ik lees ‘De Brief aan de Koning’ van Tonke Dragt, over ridder Tiuri (gelijk aan de naam van mijn collega naast me). Als ik al een poging deed om tijdens vakantie niet aan werk te denken is dat bij deze mislukt. Gelukkig lees je snel over zo’n naam heen en wordt het na een tijdje gewoon ‘de hoofdpersoon’.

Ik suis richting de Alpen, soms lezend, soms slapend – net als de reizigers om mij heen. Op München ben ik keurig op tijd, derde keer al dat ik hier overstap. Ik twijfel tussen een nieuwe scheut water in mijn waterfles bij de toiletten voor 1 euro, of voor een flesje water. Ach wat zal dat kosten bij de kiosk? 1,50? Ik vraag het, het blijkt 2,65 te kosten. Ik zeg beschaamd dat ik nog wat water op zak heb en haast me gauw naar het supermarktje in de hoek. Daar kost water inderdaad 1,20. Maar dat is veel meer dan ik in mijn flesje kan overgieten. Goed geluimd koop ik dus een versnapering en een blikje Pellegrino bitter lemon, want dat brengt me zo lekker in vakantiestemming.

De Pellegrino kan ik ook al niet overschenken, zo merk ik. Zodra ik mijn veldfles sluit en hem ook maar één keer zijwaarts kantel, begint de frisdrank te bruisen en bubbelt die tussen de rubber sluiting van de veldfles door. Tja, nu snap ik wel waarom andere eigenaren van deze veldfles klagen dat hij lekt. Je moet er gewoon geen koolzuurhoudende vloeistof in doen. Ik doe dus maar lekker rustig aan met mijn blikje fris, ik heb nog twee uur in deze trein te zitten en er is een toilet.

Na een uurtje komt de conducteur langs. Ten lange leste is er omgeroepen dat het regionale ticket hier niet geldig is. Ik heb die waarschuwing al te vaak gehoord en zucht zodra ik aan het begin van de coupé mensen hoor sputteren. Dan komt de conductrice bij mij. Ze ziet mijn Interrail en kijkt me vriendelijk aan. ‘Zeven euro extra graag’. Mijn ogen worden groot. Ik kijk haar vriendelijk terug aan en tik op mijn Interrail. ‘Global pass, overal geldig’ zeg ik haar. Ze schudt haar hoofd. Na een lang getouwtrek geef ik haar ruiterlijk gelijk. Nog nooit ben ik daadwerkelijk eerder met een Global Pass dit traject gereden. Alle keren was het met los gekochte kaartjes, en daar zit, zoals zij me uitlegt, de ‘Aufpreis’ al bij in. Ik betaal deze extra prijs aan de Italiaanse spoorwegen opdat zij de Brennerpas onderhouden, ofzo.

Ze komt geduldig met een iPad aanlopen en laat me de site van Interrail zien waarop de bijzonderheden voor dit traject aangemerkt staan. Ik geloof haar en betaal de zeven euro contant. Lichtelijk gekrenkt denk ik ‘dan hebben we dit ook weer gehad.’

Ik kom tegen tienen in Bolzano aan en wandel gelukzalig naar het hostel. Een nieuw jong meisje zit aan de balie. Als ik mijn makeup afhaal zou het mijn jongere zusje kunnen zijn, wat een gelijkend gezicht heeft ze. Ik vraag haar of Zakaria er niet meer werkt. Jawel, zegt ze – hij zit in de lounge. Ik zwaai naar hem en hij zwaait meewarig terug terwijl hij zo te zien m’n gezicht weer herkent. Nou, lekker naar mn kamer, douchen en naar bed. Ik deel mijn vierpersoonskamer op de tweede etage met drie Duitse girlscouts. Naast een keur aan zoetgeurende badproducten en kleurige tassen ligt er ook een overdaad aan vers fruit op de bureautjes. Ik vind het best, als ze maar rustig gaan slapen en geen liedjes zingen.

Ik wissel mijn berg- voor mijn stadsschoenen, trek mijn fijne witte blouse aan en wandel het hotel uit. Ik beland in het centrum midden in een grootschalige wijnproeverij. Voor een paar euro heb je een glaasje, voor één euro mag je bij een willekeurig kraampje in de Laubengasse een scheutje wijn proeven. Even twijfel ik, maar ik zie er vanaf. Ik heb een vermoeiende dag achter de rug, en als ik nu tien soorten wijn door elkaar ga drinken ben ik morgen niet te pruimen. Mooi begin van mijn vakantie. Dus ik koop een lekker ijsje op de Piazza del Grano en loop via de Piavestrasse terug naar het hostel.

Ik heb toch nog wel zin in een glaasje wijn. Dus wandel ik het hostel weer uit en klop aan bij de Pakistaan twee deuren verder. Het is negen uur, de lampen zijn nog aan, maar de winkel is verlaten. Dan verschijnt de eigenaar. Hij zwaait hartelijk en gebaart dat hij naar de deur komt. Met veel gewrik trekt hij de blauwe gietijzeren deur naar zich toe – zonder succes. Hij gebaart dat ik moet schoppen. Wat? Ik schop wat vertwijfeld tegen de onderkant van de deur. Die gaat krakend open. De man is blij en begroet me als een oude vriend. We komen overeen dat we Engels met elkaar kunnen spreken. Ik vertel hem dat ik nog een foto van hem heb, van jaren geleden, en dat hij toen nog geen baard had. Hij plukt aan zijn kin en lacht hartelijk. Of ik wat wil kopen? ‘Ja’ zeg ik snel. Achter mij komt een Duitse jongen binnenlopen. Ik koop een literpak rode wijn voor twee vijftig. De Pakistaan is blij met zijn late klandizie, maar doet de deur wel weer achter ons dicht. Nee, het is niet meer als vroeger, toen hij praktisch het buurthuis vormde hier.

Terug in het hostel zet ik mijn pakje wijn op het aanrecht en desabreer het met een groot koksmes – bij gebrek aan schaar. Een Australische vrouw kijkt toe terwijl ze kookt. Ik schuif het pakje wijn in de hoek naast de magnetron in hoop dat niemand er mee aan de haal gaat. Dan zet ik me lekker in de lounge op de bank met een flink glas wijn en praat bij met Zakaria.

donderdag

Het is donderdagmiddag in Bolzano. Ik heb mijn nieuwe, mooie rode zomerjurk aangetrokken, en ben naar het stadspark gelopen. Dat ligt aan de oostkant van de rivier de Talfer, die globaal van noord naar zuid door Bolzano stroomt, en daar ook uitmondt in de iets meer bekende Etsch. Het park is een glooiende groene grasstrook parallel aan het water. Net als andere zomergasten vind ik het een prima plek om de middag met een boek door te brengen.

Ik ben zojuist al vanaf het hostel door de stad gelopen. Met mijn grote zwarte zonnehoed, zonnebril, en natuurlijk de rode ‘can can’ zomerjurk, krijg ik wel wat bewonderende blikken. Dat weet ik. Dat maakt de vakantie leuk.

Ik strijk neer onder een lage fruitboom halverwege het gras. Er staan er niet veel, maar de zon is onverbiddelijk, dus ik verkies dat boven een plek midden op het veld. Onder de boom liggen wat stapels stenen, waarop op dat moment nog een paartje in de schaduw zit te genieten.

Ik tuur het veld over. Voor me, in het zuiden, de Talferbrug, en het dal met de route naar Merano. Achter me, in het noorden, de bergen van het Sarntaler Hufeisen, en het bergdorpje Jenesien. Het is een zonnig plaatje, al met al. Ik pak mijn e-book uit mijn tas en ga lekker zitten lezen. Nu en dan komen mensen bij me onder de boom zachtjes zitten praten of bellen. Het blijven Italianen, hè.

Dan komt er een hippe jongen aanlopen. Casual spijkerbroek, bloesje, witte fedora, gitaartas op zijn rug. Hij draagt een rode draadloze speaker bij zich waaruit funky R&B tettert. Hij gaat zitten op een steen vlak naast me. Ik kijk hem met een scheef oog aan en vraag me af wat hij van me moet. Hij is te jong en te goed gekleed om een straatverkoper te zijn. Hij kijkt naar mij. Waarom gaat hij precies hier zitten? Moet dat nou?

‘Say’ begin ik langzaam. ‘I don’t really like your music.’ Hij knikt. We kijken elkaar aan. Dit is een openbaar park, maar toch. ‘Could you… sit somewhere else?’ ik gebaar naar het uitgestrekte groene veld om ons heen. Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Ja, juist, dit is het moment waarop je doet alsof je geen Engels verstaat. Hij mompelt wat in het Italiaans en kijkt op zijn telefoon. Ik zucht. De muziek uit zijn speaker verstomt gelijk en hij knikt nogmaals. Ik knik maar terug. Hij draait zich een kwartslag van mij af en kijkt uit over het veld. Ik twijfel over weggaan, maar laat het even op z’n beloop.

Vijf, tien minuten gaan voorbij. Ik lees weer. Zolang hij zijn muziek uit laat, heb ik geen problemen met hem. Dan pakt hij langzaam zijn gitaar uit de tas. Een mooie, glanzend witte gitaar, met rode accenten en een donkerrode kast. Hij werpt een korte blik op mij en zet dan de gitaar op zijn knie. Ik twijfel nog even of hij hier gewoon zit om geld aan mij te verdienen, maar hij heeft zijn gitaartas niet bijzonder open liggen om muntjes te vangen. Bovendien zit hij hier wel op een heel onaantrekkelijke plaats om veel toeristen te behagen.

Begrijp me niet verkeerd als ik vermoed, dat het een straatventer is. Die lopen hier in het hoogseizoen echt bij bosjes in de straten. Het valt me eigenlijk gezegd nog mee nu. Maar ze zeggen ‘ciao bella’, sluipen op je af met een bord vol zonnebrillen of een arm vol sieraden, en ze blijven zo’n beetje voor je staan goochelen als een verwarde mug in de avondschemering. Goed wegkijken en ferm ‘no, no’ zeggen wil ze nog wel wegkrijgen. Maar o wee als je kinderen bij je hebt, die de gedragscode nog niet snappen. Dan zit je eraan vast. Ik waarschuw je.

Afijn, de jongen en ik zitten nog steeds twee meter van elkaar verwijderd onder de boom. Ik laat mijn stress weer wat dalen, check of mijn tasje met bezittingen en camera buiten grijpbereik ligt, en lees verder. Al gauw zit ik weer in het verhaal. De jongen tokkelt wat heen op zijn gitaar. Het klinkt wat moeizaam. Alsof hij zich niet voorgenomen had om echt iets te spelen. Of omdat hij zijn begeleidende R&B mist en nu echt wat zelf moet bedenken. In ieder geval, hij zet door, zachtjes maar zeker.

Ik vind het wel fijn, eigenlijk. Ik kijk op, hij kijkt mij aan. Ik steek een duim omhoog en glimlach naar hem. ‘I like it’ zeg ik (kijk, zo geef je dus een echte like!). Hij glimlacht terug en kijkt weer voor zich uit. Zo speelt hij een half uurtje. Ik vergeef het hem dat hij continu hetzelfde loopje speelt, op diverse toonhoogten. Hij maakt vlieguren, zeg ik maar zo.

Ik ben alweer helemaal in mijn verhaal verzonken, gewend aan de zachte vriendelijke gitaarklanken, als hij plots opstaat en zijn gitaar en speaker oppakt. Ik kijk hem aan en glimlach weer. ‘It was nice, thank you! Thank you’ zeg ik. Het spijt me nu zelfs een beetje dat ik hem heb willen wegjagen. Hij knikt, glimlacht terug en loopt verder het veld af, richting rivier. Ik schik mijn rokken en kijk hem na.

Tien minuten later, nog immer lezend. Het volgende gebeurt.

Van links achter me komt een man van middelbare leeftijd aangezwalkt. Mager postuur, ongeschoren, afgesleten spijkerbroek, blauwe houthakkersblouse. Hij lijkt geen kwaad in de zin te hebben, maar ziet er wel behoorlijk teut uit. ‘Signora, signora…’ prevelt hij, terwijl hij inhoudt, en op zijn knieën in het gras neerzijgt. Hij ligt met zijn hoofd net in de schaduw, op het randje van mijn rok. Daar krult hij op en valt in slaap.

Ik ben verbouwereerd. Eh, ja? ‘Signor, could you…’ vraag ik nog, maar hij reageert niet. Met een dronken man kun je ook niet schipperen. Hij ligt er wel grappig, maar helemaal tof vind ik dit ook niet. En dronken man die aan je voeten in slaap valt, wat! Nouja, als ik een man als hij was, zou ik ook op de rokken van een vrouw als ik in slaap willen vallen hoor. Ik geef hem groot gelijk en moet er zelfs een beetje om lachen. Maar ik wil nu wel verder lezen, en het is wel zeker dat hij het komende uur niet overeind gaat komen. Nogmaals: met een dronken man valt niet te schipperen. Dus ik sta moeizaam op, pak met beide handen mijn hachje op, en ga twee meter verder zitten.

Dat is niet zo prettig; de schaduw hier zal zich naar achteren verplaatsen, en ik zit hier midden tussen de bloemen. Dat trekt bijen aan, die ik dan weer moet negeren.

Dan klinkt er achter mij een stem. Het is de hippe gitaarjongen. Hij is van achter op ons toegelopen en staat nu over de dronken slaperd gebogen. Hij sjort hem aan de schouder. ‘Hé, hé!’ zegt hij ferm. De dronken man gromt wat en komt overeind. De hippe jongen zegt kort wat tegen hem en laat hem opstaan. Mompelend loopt de dronkaard weg naar de rand van het park en valt daar op een ander schaduwplekje weer in slaap. De hippe jongen kijkt me aan, en gebaart me dat ik weer terug kan naar waar ik zat. ‘Grazie, ah grazie!’ zeg ik lachend. Hij knikt blij, zwaait, en verdwijnt weer over het gras. Ach ja…

- ✦ -
De tweede dag word ik vroeg wakker in mijn bovenbed. Eén van de meisjes heeft zich aan het bureau gezet en snijdt schijven ananas. Een weeïg zoete geur verspreidt zich door de kamer, zo naar – het lijkt bijna braaksel. Het meisje dat fruit eet ruimt de stukjes op en blijft vervolgens een kwartier lang op het toilet. Ik vraag me het één en ander af…  maar ik blijf maar liggen en denk aan het pakje wijn dat ik pardoes in de keuken heb laten staan. Zou iemand het weggegooid of opgeëist hebben? Ik sluip naar de keuken, maar die zit tegenwoordig tot 8 uur dicht.

Weer terug boven is het een drukte van jewelste in de kamer. Twee van de drie meisjes pakken hun tassen in. Het derde meisje hoort er niet echt bij. Ze was vanochtend al vroeg het bed uit om een sigaret te roken. Nu is ze terug en pakt met weinig woorden haar tassen in. Haar haar is vaal lichtblauw en ze lijkt duidelijk weinig op te hebben met haar kamergenotes. Arm ding. Moet dat nou zo. Over tien jaar wil ze gewoon een kortpittig kapsel en een gezinnetje, ik zeg het je.

Omdat niemand de badkamer nodig heeft ga ik lekker douchen. Tegen de tijd dat ik klaar ben zijn de drie dames ingepakt. Ik vraag wat ze vandaag gaan doen. ‘Naar de Erdpyramiden’ luidt het antwoord. Ik knik goedkeurend en vraag of dat alles is. Dat weten ze niet. Ik wijs ze uit het raam de locatie van het natuurwondertje aan en zeg dat je er wel aardig kunt wandelen. ‘Dat gaan we niet doen’ zegt één van de meisjes kortaf. Ik zeg dat ze er snel uitgewandeld zullen zijn, omdat het daarboven nou eenmaal niet zo groot is. Ze kijken me meewarig aan. Ze hebben vast een kordate akela die nog veel meer voor ze op de planning heeft. Maar nu gaan ze eerst weg, dus ik heb de kamer voor me alleen.

Ik bezet gelijk een onderbed en verhuis mijn spullen erheen. Dan strek ik me uit met laptop en telefoon (het voordeel van de tweede verdieping: retegoed internet) en ik plan mijn reis naar Venetië. Onderwijl komt de gezellige Italiaanse schoonmaakster over de bedden apekooien om alles af te ruimen. Vanavond zal ik weer nieuwe gasten hebben.

Ik ga even naar beneden en vraag of ik nog een nacht langer kan blijven. Oei, dat wordt moeilijk, er is geen plek meer vrij – behalve in een eenpersoonskamer. Het meisje weet morgenochtend of ze nog een vierpersoonskamer voor me heeft, en zo niet, dan krijg ik tegen kleine bijbetaling de eenpersoons. Ik ga naar de supermarkt en maak een vette salade met tonijn, om achter het hostel in de schaduw op te eten. Ik overpeins de perks van een eenpersoonskamer en besluit het gewoon eens te doen. Dus na mijn lunch sta ik weer aan de balie. Het meisje kijkt moeilijk. Een eenpersoonskamer heeft ze niet meer. Ik herinner haar eraan dat ik hier net ook al was en dat die toen wel beschikbaar was. Ze kijkt opeens helder en ritselt een briefje met mijn naam ergens vandaan. Jep, die kamer is er voor me. Nou, doe me die maar dan, vanaf morgen.

De rest van de dag breng ik door in Bolzano, in het stadspark. ’s Avonds kijk ik sterren in Ritten.

vrijdag

Het is donderdagavond, Bolzano. Het is half tien en ik sta in mijn hostelkamer, op het punt om naar buiten te gaan. Ik leg aan mijn kamergenoten (een moeder met twee tieners) uit dat ik naar ‘fallende Sternen’ ga kijken. De moeder kijkt wat niet-begrijpend, maar haar kind zegt ‘Sternensturm’. Ah, zo heet het dus. Ik knik. Ik beloof rustig te zijn als ik later vanavond terugkom. Ze knikken instemmend.

Dan loop ik het hostel uit, inderhaast zwaaiend naar nachtportier Zakaria, die aan de telefoon zit. ‘Später!’ roep ik, me even niet realiserend dat Duits net een taal is die hij nauwelijks beheerst.

Ik stap stevig door naar de Rittner Seilbahn. Om 21:38 gaat de laatste rit omhoog naar Oberbozen, oftewel: de slinger bergdorpjes oostelijk boven Bolzano. Ik passeer klaplopers, prostituees, maar ook hele gezinnen met jonge springerige kinderen. Ja, het is hier een allegaartje op de stationsstraat. In de verte ligt het dalstation van de kabelbaan al.

Ik ga met een echtpaar mee in de lift naar boven, want de trappen zijn al afgesloten. We voeren ons reisbiljet aan de blauwe automaatjes bij de doorgang, en na een hap-slik krijgen we ze bestempeld terug. ‘Snel, snel!’ roept de beambte in de loge. We maken haast en kunnen nog net met de zojuist vertrekkende gondel mee.

Het is een lange rit naar boven, langer dan ik me herinner. Die twaalf minuten leken in februari veel korter. Het echtpaar reist dit niet voor het eerst, maar nu het nacht is, kijken ze wel hun ogen uit. Ik bied ze mijn plaatsje aan zodat ze beter zicht hebben op het dal beneden ons. Bolzano is al gauw niet meer dan een verzameling goudgele stippeltjes. Dan verdwijnen we achter de eerste heuvelkam en is er om ons heen alleen nog maar duisternis. Door de verlichting in de cabine zien we buiten nog weinig afgezien van de verre lichtjes van verderop gelegen plaatsen ten oosten van het Sarntaler Hufeisen. We drukken ons zo nu en dan tegen de ruit en turen naar buiten. Een eenvoudig geklede man, die ook bij ons in de cabine zit, belt met zijn ‘Schatzi’.

Bij aankomst verdwijnen we allemaal in een andere richting de duisternis in. Ik weet waar ik heen wil. In februari heb ik een paadje ontdekt dat naar een lager gelegen bergweide leidt, vanwaar ik denk ik prachtig uitzicht op de sterren zal hebben. Het is verleidelijk om aan de dichterbij gelegen Schwimmbadweg te gaan liggen, maar die is omzoomd met een rij felle straatlantaarns. Jammer, dat is te veel lichtvervuiling voor het echt goed zien van vallende sterren. Ik loop door. Heuveltje op, het dorp door, dan gelijk links aan de dorpsrand weer naar beneden.

Ik kom op een parkeerplaats die spaarzaam verlicht is, maar dat is me nog niet goed genoeg. Ik steek het spoorbaantje over – waar zo laat geen treintje meer rijdt, maar je weet maar nooit – en hoor in de verte zachte popmuziek. Het klinkt niet heel gevaarlijk dus ik loop verder de duisternis in. Twee auto’s komen me tegemoet over de bergweg die langs de door mij beoogde weitjes loopt. Hun koplampen verlichten de bron van de muziek – twee kleine gestalten die in kleermakerszit in het gras aan de rand van de weg zitten. De voorste auto mindert even vaart, de gestalten knikken, en de auto rijdt weer door.

Het lijken mij geen ongure types, dus ik sla af het weggetje in. Ik hoor dat we allemaal onze adem inhouden. ‘Hallo’ klinkt een meisjesstem uitdagend van voor me. ‘Hallo, kein Angst’ zeg ik, terwijl ik langs het tweetal verder de weg afloop. Ze zeggen niets. Ik ruik een lichte wietlucht. Ach, goed gevonden, om hier te gaan zitten smoken. Prachtige avond, en niet gestoord door ouders of wat dan ook. Het lijkt me een jong stelletje.

Ik zet me ietsje verderop in het gras. Stop mijn broekspijpen in mijn sokken, om geen nachtelijke insecten te vangen. Leg mijn rugzakje onder mijn hoofd, en tuur naar de hemel.

Na een paar minuten suist er een helder opgloeiende ster over. ‘Waaoww’ kreet ik zachtjes. Enkele seconden blijft het stil, dan hoor ik van rechts naast me ‘Alles okeee…?’. Ik ga kort even overeind zitten en roep het stel lachend toe dat ‘Alles okee’ is, ‘Ich schaue mich die Sternen an – es gibt ein Sternensturm! Ich bin nicht krank!’ (bij gebrek aan een beter woord voor gek, op dat moment)… het duo lacht wat en laat me weer met rust.

Ik ga weer achterover liggen en tuur naar de donkere nacht. Het uitzicht is werkelijk fenomenaal hier. Beter dan de nacht dat ik op mijn rug in het gras van het Pinetum (bosje op de UT campus) lag. Minder lichtvervuiling, veel weidser uitzicht. Alleen de maan schijnt zo fel, dat ik daar omheen weinig sterren zie. Maar zoals ik al merk hindert dat niks. Vallende sterren razen, zo ongeveer één per tien minuten, aan weerszijden voorbij en zijn prima zichtbaar.

Ik hoor het tweetal rechts van me wat praten over ‘Sternensturm’. Waarschijnlijk niet in hun belang. Dan blijft het stil. Ik kijk naar rechts en zie dat ze vertrokken zijn.

Een gedaante doemt op aan de rand van het pad, bij de spoorwegovergang. Er loopt een grote, wollig uitziende hond mee. ‘Hallo?’ klinkt een ietwat onzekere vrouwenstem. ‘Hallo!’ antwoord ik vrolijk. ‘Kein Angst’. De vrouw komt naderbij en probeert me te ontwaren in de duisternis. Haar hond trekt aan de lijn en snuffelt aan me zodra ze dichterbij is. Het is een grote Berner Sennen-hond of iets in die richting. Hij is blij me te zien. De vrouw houdt wat terug. Ik vertel haar dat ik vallende sterren kijk en dat alles prima in orde met me is. Ze is gerustgesteld en loopt verder het donkere pad af. Ja, je zult hier maar eens een rare gek tegenkomen… nouja, gelukkig voor haar dan, heeft zij altijd die grote hond nog.

Ik lig hier maar heel alleen, op mijn rug, en moet wat opletten dat ik niet overreden ga worden door een auto, of benaderd door een kwaadwillende gek. Maar zeg nou eens eerlijk. Naderende auto’s zie ik geruime tijd van tevoren, want naar links heb ik vrij uitzicht het dal in (en ik weet nog dat daar alleen nog een huis en een boerderij staan), en naar rechts kijk ik naar de verlichte dorpsweg. Als ik maar niet in slaap val zie ik auto’s wel aankomen. Verwarde gekken die op jongedames uit zijn zijn wat lastiger, maar hey; wie zint daar nou op, zo in een slaperig bergdorp boven de stad Bolzano? Niemand gaat hier op de wacht lopen voor zoiets, want in Ritten is je vangkans echt nagenoeg nul. Bovendien staan er zeker drie grote boerenhuizen recht achter me, en als ik schreeuw wordt gelijk iedereen wakker. Dus lig ik hier redelijk onbezorgd in het gras.

(desalniettemin, mannen die dit lezen: als vrouw moet je de kansen op onheil altijd realistisch inschatten en zeker niet onderschatten).

Ik merk dat het langzaam kouder wordt. Toch niet verkeerd ingeschat. De vorige keer dat ik hier was, was ik ook ietwat te koud gekleed, toen ik dus de zonsopgang ging fotograferen (ja, dat was ook hier, maar toen wel aan de nabijer gelegen Schwimmbadweg). Ditmaal heb ik een vestje en mijn buff bij me. De buff heb ik al wat langer op mijn hoofd zitten omdat hij de late muggen weghoudt. Nu voorziet hij mijn langzaam kouder wordende kruin ook van warmte. Mijn vestje wil ik eigenlijk wel gaan aandoen (jawel, beneden was het nog 30 graden, hier is het 10!) maar dan heb ik geen kussentje meer om mijn hoofd op te leggen. Dilemma.

De Seilbahn is stilgevallen. Dat baart me enigszins zorgen. Er komt toch nog wel een laatste Talfahrt? Dit zal wel stroombesparing zijn. De torens met alle katrollen en mechanieken maken trouwens aardig wat herrie, ook al komt er geen gondel voorbij. De vrouw met de hond komt terug uit de duisternis. Ik herken haar snel en laat haar passeren. Haar hond, die ik nog een aai geef, snuffelt aan mijn tas en wil hem bijna oppeuzelen. Met moeite trekt de vrouw haar sterke hond mee.

Ik leg me ten laatsten male nog eens achterover en tuur naar de hemel. Ondertussen heb ik al zo’n zes sterren voorbij zien schieten, niet te zuinig. En mooi ook. Maar ze komen zo onverwacht! Ik wil zo graag een wens doen, maar moet je die nu precies in je hoofd hebben als de ster valt? En wat als de wens meer woorden bevat dan het spoor van de ster? Komt hij dan wel helemaal uit? Daarover peinzend zie ik nog een volgende voorbijschieten. Weer te laat. Wel mooi.

Oké, het is half tien, ik ga teruglopen. Ik zet het alarm op mijn telefoon af voordat het zal klinken, en zet koers naar het bergstation van de kabelbaan. Mijn benen doen pijn van dit plotselinge lopen de laatste dagen. Ik zeul mezelf de heuveltjes op, groet een laatste gast in het dorp. Kijk omhoog, en zie nog een ster overschieten. Zodra ik het pad naar de kabelbaan inzet zie ik meer wandelaars op de helder verlichte wachtruimte afstevenen. Ik maak nog een selfie en loop binnen.

Twee dames zitten te wachten. Een gezelschap schaart zich erbij – na uitbundige groeten, kussen en beloftes tot wederkeer aan hun gastvrouw- en heer. Ik valideer mijn kaartje en posteer me tegen de loge. Twee knappe jonge jongens voegen zich bij het wachtende gezelschap. Een piepjong stelletje van een onopvallende jongen en een wat lelijk meisje komt er ook bij staan. Het meisje kijkt met verwilderde ogen om zich heen, de jongen beschermt haar met zijn dunne arm.

Dan sloffen er twee meisjes het wachtportaal binnen. Een blondine met een te grote hipsterbril en een muizige brunette in het zwart. Niet veel meer dan zestien jaren oud. Ze kijken loom, verveeld voor zich uit. Dan herken ik ze. Denk ik. Dit was vast het stel dat bij mij op het bergweggetje zat. Stiekem smoken, laatste gondel terug. Ja, nu ik ze beter bekijk, zie ik dat hun ogen groot zijn van de hallucinerende middelen. De blondine kijkt desondanks scherp om zich heen. De brunette kijkt mismoedig. We gaan met z’n allen de cabine in. Ik zet me in een hoekje op het bankje, de meisjes schuin aan de overkant van de cabine. De blondine kijkt venijnig en rommelt met haar telefoon. De brunette gaat eigenlijk gelijk onderuitgezakt in het hoekje zitten. Beide kauwen haast automatisch op hun kauwgum. Ze trekken zich weinig aan van de rest van de inzittenden.

Er leeft een aardig gesprek op, dat ik maar ten dele kan volgen. Te veel dialect. Het woord ‘Sternensturm’ komt voorbij. Ik haak aan. ‘Ja, ik heb sterren gekeken’ zeg ik. Men kijkt verwonderd (ook omdat ik tot dusver nog niks gezegd of gedaan heb). Ik zeg kort dat ik er wel acht heb gezien. Men herhaalt het met oh’s en ah’s en praat nog wat na over de gebeurtenis. ‘Morgen weer’ voeg ik er nog aan toe.

De meisjes aan de overkant van de cabine zien er nu echt droevig uit. Net grinnikte ik nog wat toen ik ze herkende, maar nu niet meer. De blondine kijkt nog steeds gehaaid – de brunette verslagen. Kennelijk de afterdip van wiet. Haar gezicht ziet groen – ja werkelijk – groen. Met gesloten ogen hangt ze tegen het glas van de cabine, mond gesloten, lippen stijf op elkaar. Het zal me niks verbazen als ze zo geheel uit het niets de cabine onderspuugt. Haar vriendin let amper op haar. Ik hoop toch niet dat één van ons zo te hulp moet schieten.

We komen beneden aan. De blondine port haar vriendin wakker en samen struikelen ze de cabine uit. Als eerste lopen ze de trappen af, het gebouw uit. Het piepjonge stelletje loopt voor me en kijkt wat bedremmeld naar de twee meisjes.

Op straat zie ik ze weer terug. Het bruinharige meisje zit op een stuk stoep voor het gebouw, met haar rug tegen een lantaarnpaal. Haar vriendin zit er gehurkt voor en praat wat met haar. Ik loop langs ze. Nu is het mijn beurt om te vragen of het wel goed gaat. ‘Ja alles oké’ snibt de blondine me toe. Anderen kijken ook om naar het in de kreukels liggende meisje. Ik zeg ‘Guten Abend’ en loop door, mijn schouders ophalend.

Die komen nog wel thuis vanavond. En waarschijnlijk krijgt één van beide wel wat te horen van haar ouders…

- ✦ -
De volgende dag moet ik een tijdje wachten voor ik mijn eenpersoonskamer in kan. Daarna pak ik de trein naar Merano en ga ik met de bus naar Partschins. Dat slingert zo dat ik bijna wens om de trein terug te pakken. Anyway, ik ga naar het schrijfmachinemuseum dat me echt overweldigt. Drie verdiepingen vol met oude schrijfmachines. Als ik de ingang weer bereik praat ik nog wat met de lokettiste. Ze is onlangs in Bletchley geweest, vertelt ze, waar de coderingsmachines uit de oorlog staan. Heel interessant. Ik heb nog nooit van Bletchley gehoord, maar luister graag naar wat ze allemaal vertelt. Dan pak ik de bus weer naar Bolzano.

Zodra ik internetbereik heb stromen de WhatsAppjes binnen. In de Tkkrlabgroep verschijnen plaatjes. De jongens die naar een hackercamp in Londen zijn, zijn vandaag naar Bletchley geweest. Daar hebben ze coderingsmachines uit de oorlog bekeken…  ik sta paf van deze toevalligheid.

’s Avonds maak ik weer lekker pasta en drink wat wijn (die ik gelukkig heb kunnen confisceren en in mijn kamer bewaar – maar bij lange na niet op zal krijgen). Doordat ik redelijk laat eet en met een Duitser zit te praten ga ik niet op tijd naar boven naar Ritten. Daarom neem ik de Duitser maar mee naar het stadspark aan de Talfers, waar we samen in het gras gaan zitten en ik wederom vallende sterren spot. We lopen samen weer terug naar het hostel.

Daar zit op de bank een Duits schuchter meisje en een Australische jongen. We raken al gauw in gesprek en maken het nog aardig laat.

 

zaterdag

De volgende ochtend moeten de Australiër en ik beiden uitchecken, dus we ontbijten samen en hij zit nog even op mijn kamer terwijl ik mijn tas inpak. Ik geef hem mijn busticket, want ik heb het niet meer nodig nu ik alleen nog maar naar het station hoef te lopen. Ik ga tegen elf uur. Er zal een internationale trein komen die direct naar Venetië rijdt. Hartstikke handig, toch?

Om elf uur zestien is de trein er zoals beloofd. Maar: hij zit mudjevol, en ik heb geen zitplaatsreservering. Dan zet ik me maar tussen twee wagons op het balkon, samen met een meisje dat een aparte rugzak draagt en een vrolijke gele bloem in haar haar heeft. Net wil ik op de vloer gaan zitten, als een man van buiten de deur opentrekt en naar binnen wil. Ik zucht. Gaat dit de komende vijf uur tot Venetië zo door? Dan kan ik beter niet met deze trein mee…

Ik hak de knoop door en zeg tegen niemand in het bijzonder ‘Tis mooi, ik stap uit.’ Ik loop onder het perron door en stap zonder omhaal in de stoptrein naar Verona. Zo. Zitplaats, airconditioning, en tijd zat vandaag.

Na een uurtje stoppen we ergens op Rovereto. Eerlijk gezegd ben ik best suf van al die zonovergoten stationnetjes en het slome reistempo. Gelukkig komt er leven in de brouwerij: de deuren schuiven open en daar is het meisje met de leuke tas. Haar gezicht staat op onweer.

Wat bedremmeld vraagt ze of de stoel tegenover mij vrij is en laat zich erin ploffen. Ik vraag haar wat er is. Ze blijkt prima Engels te kunnen spreken. Ze vertelt dat ze in de sneltrein zat, maar dat ze eruit is gezet omdat men haar ticket ongeldig vond. Ze laat het me zien: volgens mij mag ze daarmee prima in een sneltrein reizen. Ze is verbolgen over de behandeling die ze haar gaven. Ik zeg dat ze nu tenminste een zitplaats en airco heeft en haar gezicht klaart wat op. Dan wijs ik haar op haar leuke tas: een grijze rugzak met opvallende oranje rubberen stekels. Ze vertelt waar ze hem gekocht heeft, en hoezeer ze houdt van leuke, geeky dingetjes.

Daarna vertelt ze verder over hoe ze in het algemeen houdt van computers, geeky stuff, kostuums, en retro spullen. Ik laat haar lekker vertellen, en vertel af en toe wat terug over de kostuums en spullen die ik heb. Ik heb nog een foto van Castlefest op mijn telefoon en toon haar die. Ze is helemaal verrukt over de jurk. Ze blijkt ook mooi te kunnen tekenen, dus we wisselen Deviantart-adressen uit. Op Verona zwaait ze gedag, want nu moet ze in een stoptrein verder naar een nabijgelegen plaats.

Ik ga naar het perron waarop al gauw een aansluitende trein naar Venetië op binnenzoeft. Dit is geen regionale trein maar een echte Frecciarossa. Ruime stoelen, airco, geen internet, maar wel een realtime kaartje met de actuele locatie en de snelheid van de trein. Ik plak me tegen het raam en tuur over de velden noordwaards, zie de verhitte dorpjes voorbijzoeven in de namiddagzon. Een baby huilt, een bedelares komt voorbij – ik merk het niet. Zo bereiken we Venetië Santa Lucia.

Ik stap uit, maak een selfie met het bord, en loop linksom het station uit. Dat blijkt de snelste weg – ware het wel dat die door een naar urine stinkend steegje gaat. Dan val ik midden in de chaos van schreeuwerige toeristen en straatverkopers bij een hitte van dertig graden. Gelukkig kom ik net uitgerust uit een frisse trein, dus ik stap stevig door. Ik weet niet meer precies hoe de busboten precies werken, wel dat ze duur zijn, dus ik ga lopend naar het hostel. Even een brug over, een steegje door… pfoei, al bijna raak ik verdwaald. Kom aan bij de kade waar toch echt hostel L’Imbarcadero zou moeten zitten. Zo’n gebouw geven ze toch duidelijk aan? Waar is het uithangbord?

Na drie keer heen en terug langs een nauw steegje spot ik daar het bordje ‘Calle Zen’. Hé. Dat is de straatnaam. Ik wandel de koelte in en ga gelijk rechts een poortje door, een donkere trap op… en kom bovenaan bij een deur. Jawel, dit etablissement heet L’Imbarcadero. Mooi. Ik bel aan en word toegeroepen door een stem in een plat Londens accent. De deur gaat open en voor me staat een zomers gekleed meisje dat bij de Spice Girls niet misstaan had. Ze haast zich terug naar haar klapstoel achter een wiebelig bureautje en werkt driftig alle nieuwe inschrijvingen af. Ik ben overdonderd.

Ik ben aanbeland in een oud Venetiaans huis – aan de opgang te zien duidelijk een oude bediendenwoning behorende bij een groter huis dat haar deuren direct aan de kade heeft. Dit huis heeft een kleine hal en keuken. Vooraan, met ramen die uitzicht bieden op de kade, is een gedeelde slaapkamer met wel acht bedden. Er zitten jongens gitaar te spelen. Het keukentje is klein maar knus. Verderop de gang in, naar de achterkant van het huis, zie ik allemaal zijdeuren. Zo nu en dan loopt er een meisje in of uit. Is dit een hostel?

Het Londense meisje checkt me in en voorziet me van een stadsplattegrond (maar goed dat ik die nog niet gekocht had voor drie hele euro’s). Ze wijst alles aan, met als belangrijkste pleisterplaatsen wel de supermarkt en de busbootstop. Voor de rest weet ik nog wel waar alles ligt – ik ben ten slotte al voor de derde keer in Venetië. Ze troont me mee naar mijn kamer, direct in de gang na de badkamer. Ik deel mijn vierpersoonskamers vanavond met twee Aziatisch uitziende meisjes. Eén ervan blijkt echter Amerikaans. Ze ligt breeduit op bed te slapen en zet haar allerliefste gezicht op als ik me vlug voorstel.

De kamer heeft overduidelijk geen slot. Ik krijg een Ikea-lockertje toegewezen waar mijn rugzak nét over dwars in past. Aanvankelijk vind ik dit nog maar een raar hostel, waar dieven zo in en uit kunnen lopen, maar die mening verandert na een paar dagen wel. Dit huis aan de Calle Zen ligt zo goed verstopt, en is bovendien continu bezet door oplettende jongeren die precies lijken te weten wie er wel en niet woont. Als je je waardevolle spullen maar in je locker houdt, komt er verder geen kip dit kasteel binnen.

Ik maak een wandelingetje naar de supermarkt, verdwaal, haal eten, en verdwaal weer. Eten en drinken is hier grappig; ’s middags drinkt iedereen droge witte wijn uit een literpak. ’s Avonds gaan we over op bier. Zo zit ik ’s avonds aan de kade met mijn eBook, lezend met een biertje naast me. Het is donker, de vleermuizen cirkelen onder de straatlantaarns, het is rustig en mooi. Het water klotst tegen de kade, er komen overvolle busboten voorbijgespoed, afgewisseld door kleine snelle bootjes die amper een rood en een groen lichtje dragen. We zitten direct aan een driesprong, dus elke keer als de snelle busboot 4.1 of 4.2 een krappe bocht het kanaal op of af maakt, toetert hij luid. Maar daar wen je aan. Ik ga die avond prettig slapen.

zondag

Drie dagen wandel ik in Venetië rond. ’s Ochtends ontbijt in het hostel. Daarna wordt het snel warm en stikt het van de toeristen. Ik ga eerst alles wandelen, maar verdwaal veel. Ik zit wel lekker overal te lezen, aan rustige stukjes kade, in de schaduw. Vermijd de toeristen.

Ik ga een ochtend op het San Marco-plein naar de zonsopgang kijken, duiven voeren. ’s Middags naar het Lido met mijn waterdichte tas. Word raar aangestaard door andere toeristen die mij met tas en al het water in zien stappen. Tja, dat werkt gewoon jongens, en zo hoef ik mijn kostbare spullen niet op het strand te laten liggen.

’s Avonds ga ik aan de kade zitten lezen en met hostelgenoten praten. Ik ben nog steun en toeverlaat voor de meisjes die er werken en die te dealen hebben met allerlei gezellige en niet zo gezellige gasten. Ik hoor het aan…

De laatste ochtend laat ik mijn tas in de bagagekamer staan en ga nog naar een leuke kleine boekwinkel die ‘Acqua Alta’ heet. Ach, wel mooi. Ik ben maar net op tijd terug, lever mijn geleende sleutel in (uitcheckbeleid? da’s heel ruim hier) en ga bepakt op de boot naar San Basilio. Dat ik daar moet opstappen heb ik vernomen van een stewardess die het mij vertelde, toen ze nét voor mijn neus uit een watertaxi stapte. Ik was namelijk al een paar keer naar de havens gelopen, maar kon zo het kantoor van VeneziaLines niet vinden.

Dat je bij San Basilio moet zijn, staat nergens op internet. Gelukkig weet ik het nu. Ik ben er te vroeg, we moeten wachten in de zon. Strenge douanecontrole, net een luchthaven. Mijn tassen moeten in grijze bakken over rollerbanden. Gelukkig mag ik mijn rugtas meenemen op de boot, en zelfs bij me houden. Ik heb een ruim ‘VIP’ ticket geboekt en kan genieten van ruime rode leren banken, een gratis eerste drankje, géén radiomuziek (dat wordt om duistere redenen direct afgezet zodra het aanspringt), maar wel weer Bananasplit-video’s in het Kroatisch. Zo kom je die drie uur wel door. In de avond lopen we de haven van Pula binnen.

dinsdag

De eerste avond in Pula moet ik bij een appartement in een buitenwijk zijn. De Airbnb-hostess heeft me gelukkig getipt dat ik bus 2 moet hebben. Busstops zijn hier niet zo duidelijk; het blijkt dat je gewoon moet weten welke lijn welke straat neemt, en dan bij een stop moet wachten. Er staan geen nummers of bordjes bij. Op goed geluk zie ik nadat ik gepind heb een bus 2a aan komen rijden, en spring erin. Helaas, de 200 Kuna – oftewel 28 euro – is te veel geld voor de buschauffeur. Ik heb niet kleiner en kijk zielig, dus ik mag gratis mee. De buschauffeur gooit me eruit bij Verudela 2. Ik ontwaar in het duister een heel park met enorme skyscrapers, waarvan ik weet dat mijn appartement in één ervan moet zijn.

Een dame met twee honden (een Deense dog en een Labradoedel) loopt voor me uit, en ziet dat ik geen idee heb waar ik heen moet. Ze stopt en helpt me. Ik laat haar de straatnaam en het nummer lezen. ‘Kom maar mee’ zegt ze en loodst me richting de flats, terwijl ze gezellig in gebroken Engels vertelt over haar honden. Plots, als we een klein buurthuisje passeren, schiet haar Labradoedel fel en woest op een andere hond af. De Dog laat dit niet op zich zitten en trekt er ook naar toe. Sterk als ze samen zijn, gooien ze de vrouw met een smak op de grond. Ik grijp snel de Labradoedel en help de vrouw opstaan. Ze gebaart me waar haar bril ligt en die geef ik ook. ‘Oh, gebeurt iedere avond’ zegt ze, terwijl ze het stof van haar kleren klopt. Ik ben verbaasd. Ze maakt nog een grapje met de mannen die bij het buurthuis op het terrras zitten en we lopen door.

‘Kijk hier is 27’ zegt ze me. ‘Welke naam moet je hebben?’ Verrek, dat weet ik niet. Maar ik kan bellen. Dat leg ik haar uit, en als ze ver verzekerd van is dat ik wel terechtkom, laat ze me achter. Ik bel Monica op, die aangeeft in de stad te zijn, maar haar ouders zullen me binnenlaten. Inderdaad, twee oude mensjes komen naar de deur. De papa spreekt Italiaans en gebroken Engels, de mama spreekt vrolijk gebroken Duits. Ze leiden me door het huis heen en laten me dan alleen achter in mijn slaapkamer. Ik heb aan de westkant een klein balkon, zo groot als bij mijzelf thuis, en als ik daar sta heb ik net draadloos internet van het bakkerijtje aan de overkant van de straat. Dat is ook serieus mijn internetverbinding, dus de komende dagen ben ik gedwongen op het balkon te zitten voor mijn verdere reisplannen.

Ik ga lekker slapen in het tweepersoonsbed. De papa en de mama slapen geloof ik op een uitklapbank in de woonkamer, maargoed – als dat de deal is, en ik betaal voor dit bed, dan ga ik er niet aan tornen.

woensdag

De volgende ochtend krijg ik keurig om negen uur ontbijt. Ik zat al op het balkon mijn reis uit te stippelen, als de zijdeur van het balkon openzwaait. Die papa begroet me vrolijk in een mengelmoesje van talen en nodigt me aan de ontbijttafel. Broodjes, beleg, en een typische Franse ‘bol’ met koffie en veel melk – ze doen hun uiterste best voor me. Ik vraag me af of ze hier ook normale koffie kennen, als ik die papa naast me neer zie strijken met precies zo’n heerlijk gewone mok vol zwarte koffie. Tja.

Na het ontbijt raden ze me aan om te gaan zwemmen in een baaitje in de buurt. Op loopafstand, wijst die mama. Oké. Eerst ga ik op zoek naar een supermarktje, en dat is veel dichterbij dan ik op de kaart heb gezien. Ergens tussen de afgebladderde lage flats heeft iemand gewoon een soort glimmende zilveren keet gedropt, waar zich een moderne supermarkt in bevindt. Kroatië, ja. Ik besluit stoutmoedig dat ik ingrediënten voor een koude salade meeneem, nog niet wetende of ik die mag bereiden of niet. Ook wat eten voor de rest van de middag.

Ik kom terug in het appartement. Die mama en die papa hebben lekker gezwommen, zeggen ze. Moet ik ook doen. Ik vraag aan die mama of ik lunch mag maken in de keuken. Ze kijkt wat bedremmeld, maar als ze ziet dat ik alleen een snijplank en een mes nodig heb, is het helemaal oké. Ik maak een frisse salade met tomaatjes, echte mozarella, en zucchini. Genoeg voor een lunch. Ik peuzel het lekker op het balkon op. Die papa wil me nog een glas bier uit zijn megafles lokaal bier aanbieden, maar ik wijs het af. Ik heb bier, en ik wil ook niet al zo vroeg aan de alcohol.

Ik raap mijn spullen bij elkaar en loop zoals me verteld is twee straten naar beneden, naar de Valsalina. De baaitjes hier in het zuiden van Pula zijn als vingers aan een hand. Kies een straatje en loop een ‘vinger’ af, en je komt vanzelf bij een strandje. Ik vind een enigszins gecultiveerd strandje bij een duikclub, waar met pontons een bassin is aangelegd. Er zijn houten banken en er is gelukkig geen zand – daar werd ik op Lido zo gek van! Er zat zelfs zand in de USB-poort van mijn boek, nou dat ging echt te ver. Hier kan ik me mooi op een tribune neerzetten en ik merk zelfs dat ik mijn spullen daar achter kan laten. Hoewel ik mijn tas wel goed in het oog houd, merk ik al wel dat iedereen gewoon hier z’n handdoekje uitspreidt en dan ergens gaat zwemmen. Geen kip die mijn meuk wil stelen.

Na drie uurtjes zwemmen in het koude water met golfslag zet ik me weer op de kant. IJsje eten, boek lezen, wel een handdoek over mijn schouders, maar dan toch voor op de borst nog zo rood worden als een kreeft. Ik staar naar het meisje dat op de bank onder me ligt. Ze heeft de looks van… van… Alice, het meisje uit het hostel in Venetië. Ze heeft ook de blauwe strepen in haar haar… verrek. Het is Alice. Ik begroet haar en ze is net zo verbaasd als ik. Ik wist dat ze naar Pula zou gaan, maar dat je dan op dezelfde dag in dezelfde baai gaat zwemmen? Wat een toeval weer. We kletsen even bij en ze raadt me een paar hostels aan, onder andere degene waar ze zelf gaat werken.

Terug in het huis is het alweer tegen vijven. Ik trek mijn mooie rode jurk aan en ga naar een restaurant in de buurt. Dat blijkt vol. Jammer, het had op Tripadvisor wel de beste rating. Gelukkig is er tegenover een soortgelijk restaurant. Ik krijg een leuk tafeltje en bestel lekkere visgerechten. Ik hoop maar dat ik met mijn pinpas kan betalen, want anders vreet ik ze hier de keuken leeg en moet ik hemel en aarde bewegen om nog weg te komen. Gelukkig, betalen met pin kan gewoon. Ik wandel door de warme nacht naar mijn appartement terug. Achter me flitst het – zou er vuurwerk worden afgestoken? Dan hoor ik ook gerommel. Het is ver weg.

Zodra ik goed en wel opgefrist in het appartement zit, met mijn laptopje op het balkon, komen de ouders van Monica thuis. De mama komt nog even bij me staan en vertelt van hun gezellige avond. We kijken samen vanaf het balkon naar het onweer, dat zich ontwikkelt als een bui van formaat. We zitten hier op het inpandige balkon goed. De bui barst los boven de baaien. Het echtpaar gaat alvast slapen terwijl ik nog een tijdje buiten zit. Donders rollen over het land, tweemaal zie ik boven mijn laptop een witte lichtbol uiteen spatten. Direct daarop volgt telkens een genadeloze scherpe klap, die een zwerm van electrisch gezoem door de lucht verspreidt, en die nog lang natrilt in mijn oren. De flitsen zijn fenomenaal en volgen elkaar in steeds rapper tempo op. Wat een bui, dat zie je in Nederland bepaald nooit. Ik ga rustig slapen.

 

donderdag

Ik word de volgende ochtend om een uur of zeven wakker. Die mama moet vroeg naar haar baan bij de bank, dus ik hoor haar rond die tijd vertrekken. Kort daarna hoor ik die papa in de keuken mopperen. Om stipt negen uur haalt hij me op van mijn balkonnetje. Op de keukentafel prijkt een schaaltje biscuitjes, een broodje dat verdacht erg van het bakkerijtje tegenover lijkt te komen, en een pot honing waarvan hij trots zegt dat die van zijn broer de imker komt. Hij demonstreert me hoe ik het broodje met verse kaas moet bestrijken met honing. Dat is lekker, zegt hij. Wederom is deze maaltijd vergezeld door een typische ruime kom met slappe koffie. Ik vind het goed.

Ik pak rustig in terwijl de papa even naar zijn zus gaat die twee straten verderop woont. Bij zijn terugkomst heb ik mijn tas klaar en het bed afgehaald. Ik groet hem gedag en wandel naar de bus aan de straat. Om bij het appartement te komen kun je veel beter de eerste busstop nemen, dan is het veel sneller te vinden. Afijn. Ik koop netjes een kaartje en laat me met een stelletje toeristen naar het centrum van de stad rijden. Ik kom midden tussen de drentelende toeristen terecht en baan me door de nauwe ronde straatjes een weg naar het Riva-hostel. Tot mijn verbazing zie ik dat hostel ‘Pipistrelo’ dat gisteren niet bereikbaar was, wel gewoon open is. De eigenaar zit mismoedig buiten. Tja kerel, dan moeten je website en telefoonnummers het maar doen. Nu zit ik bij Riva.

Het meisje bij het Riva hostel wijst me erop dat ik wel erg vroeg ben. Tja, dat weet ik. Ik mag mijn rugtas in een bagagehokje neerzetten en kan dan weer de stad in, tot twee uur. Ik neem een boek en wat proviand mee, en zet me bij het eerste het beste kerkje op een muurtje. Binnen klinkt mooi gezang. Ik ben helaas een smet op de foto’s van toeristen, die dit kerkje met z’n tuin blijkbaar graag zo op de foto zetten. Pech, ik zit hier lekker te lezen. Veel Engelse toeristen. Als het koor naar buiten komt bedank en groet ik ze.

Om twee uur kan ik naar het hostel terug. Ik mag mijn kamer in: op de tweede verdieping, naast de keuken, onder het dakterras. Een hoge kamer met eigen badkamer, zes slaapplaatsen verdeeld over drie rammelende metalen stapelbedden. Ik heb een bovenbed vlak naast de keukenmuur.

Ik haal eten bij de supermarkt. Op aanrade van de gastvrouw heb ik ook een flesje yoghurt gehaald, dat ik over mijn verbrande schouders uitsmeer. Ik stink erg, denk ik, maar ik koel tenminste wat af. Ik kon amper mijn rugzak dragen, zo pijnlijk waren mijn schouders. Daarna ga ik even douchen en maak ik een lekkere pastasalade. Ik besteed de middag verder met lezen en ga ’s avonds een rondje langs de kade wandelen. Tegen elf uur zit ik weer op het dakterras, waar nog vrolijke muziek draait. Ik stuur een kaartje, lees mijn boek. De muziek gaat om elf uur niet uit. Ik informeer. In de zomermaanden gaat de muziek om twaalf uur uit. Oké. Nog even een uurtje wakker zijn dan, want door de open ramen tettert de muziek kalmpjes binnen.

Ik ga toch maar slapen – althans, dat probeer ik. Mijn drie Ierse kamergenotes komen ook slapen. Tegen twee uur ’s nachts – voor mijn gevoel ben ik nog steeds wakker – staat er iemand van de hostelstaff voor onze deur te praten met een jongen. Ik vang op dat hij al zijn spullen kwijt is en dat hij gewoon wil neerploffen in een bed en morgen verder zien. Na lang beraad gaat dan de deur open en legt hij zich te ruste op een onderbed waarvan ik vermoedde dat het bezet was. Nu ga ik echt proberen te slapen. Maar dat lukt weer niet. Tegen vier uur word ik wakker omdat er in de keuken naast me een stel jongens eten is gaan maken. Vrolijk kwekkend zie ik ze van hun pasta zitten eten, als ik suffig in mijn slaapkledij om de hoek leun. Ik vraag ze om hun maaltijd elders voort te zetten omdat we in de slaapkamer woord voor woord kunnen verstaan. Ze luisteren direct, laten hun vergiet vol pasta achter, en verdwijnen uit de keuken. Nu ga ik écht slapen. Ja, dat lukt. Opgekruld in mijn stapelbed, rugtas aan mijn voeteneind, merk ik er niets van als de Zwitserse kamergenote om zes uur haar biezen pakt en met een vroege trein vertrekt.

 

vrijdag

Om acht uur open ik mijn ogen en besef dat ik de laatste uren van deze roerige nacht toch echt slapend heb doorgebracht. Het gevoel van ‘eindelijk, het is ochtend’ heb ik wel vaker, op reis – bijvoorbeeld wanneer het rumoerig, of koud is geweest. Dit is weer zo’n ochtend waarop ik alles behalve uitgerust wakkerword, met een nietsontziend pesthumeur tot gevolg. Ja, zo ben ik. In de uren die ik vannacht wakker was, heb ik al het mogelijke aan dit hostel vervloekt, en gezworen, dat ik per direct een andere kamer wil. Ik word te oud voor deze fratsen, ik ben meer luxe waard. Zo.

Terwijl de gedachten door mijn hoofd razen staar ik naar het hoge plafond. In de kamer is het – eindelijk – muisstil. De Ierse meiden slapen hun roes uit, het meisje in het bovenbed naast me is reeds (ongemerkt!) vertrokken. De vreemde jongen die niks meer had, ligt in een onmogelijke hoek in zijn bed. Ik zal maar niet te lang kijken, straks ontdek ik nog dat hij zonder ondergoed slaapt ofzo. De lucht is warm en redelijk bedompt van zes slapende mensen. Ik graaf zonder luid te zijn in mijn rugzak en haal er een broek uit die ik aantrek. Ik bedenk me dat ik meer bereik met onderhandelen, dan met woede botvieren, dus slaak ik een diepe zucht en begeef me zachtjes naar de receptie boven. Als ik langs de keuken wandel, zie ik daar de vergiet met half de middernachtsmaaltijd van de jongens.

Boven is het licht. De zon staat al hoog aan de hemel, het dakterras baadt in zonneschijn. Prettige muziek staat op. De hoofdmedewerkster van het hostel zit aan het bureautje te schrijven. Ik neem voor haar plaats, en leg beknopt uit hoe vervelend mijn nacht was. Onthutst en betrokken luistert ze naar de gebeurtenissen die ik bijzonder beknopt aan haar voorleg. Ik merk dat ze zeer bereid is om te helpen en dat doet me goed. Ze is het met me eens dat dingen anders opgelost hadden kunnen worden. ‘Ik wil graag blijven’ opper ik ‘maar niet zo.’ Ze snapt het. ‘Ik heb voor de twee komende nachten eenpersoonskamers voor je, maar wel elke nacht een andere. Ik vind het goed, zo ver hoef ik niet te slepen met mijn backpack. Tevreden bedank ik haar en loop naar beneden om te ontbijt te halen. Dat is niet veel. In één van de kastjes vind ik een aardewerken kom, waar ik bosvruchtenyoghurt met muesli in doe. Een slap begin van de dag, maar het zij zo. Ik loop naar boven, want het is zonde als je met dit mooie weer in een koele keuken gaat zitten. De hostess komt op me af en biedt me een grote kop koffie aan. ‘On the house’ zegt ze terwijl ze hem voor me neerzet. Dat is grappig, want we zitten daadwerkelijk bovenop het huis. Ook vind ik het ronduit netjes. Dit meisje weet hoe gastvrijheid en klanttevredenheid werkt. Een kop koffie kost hier op het dakterras nog geen dertig eurocent, maar een dubbele mok gratis weggeven betekent in dit geval weer een happy customer.

Na het ontbijt pak ik zachtjes in en laat mijn kamergenoten achter. Ik vraag me even af wat hun context is, dat zij dit een goede nachtrust vinden. Maar lang peins ik daar niet over, want ik ben op weg naar een betere kamer. Daarvoor moet ik de trap op, langs de receptie, het dakterras over. Dan een gangetje in, waarmee ik een aansluitend gebouw betreed, dat weer aan de straat grenst. Dit gebouw heeft lange gangen die parallel lopen aan de straat. De derde, vierde, en vijfde verdieping behoren tot het hostel. In het gangetje vanaf het dakterras bevinden zich eerst aan de linkerzijde lockers en aan de rechterzijde toiletten en douches. Dan slaat de gang linksaf en herbergt links en rechts grote hoge deuren naar slaapzaaltjes en eenpersoonskamers. Dit gebouw is, anders dan de rest van het hostel, in bonte kleuren geschilderd. Gele muren, blauwe deuren, geweven tapijten,  en oosterse lampjes met gekleurde glaasjes. Aan het einde van de gang bevindt zich een grote donkerrode houten trap met een dik touw als reling. Het lijkt wel een enorm schip. Onder de trap ligt een bende knipperende routers en netwerkkabels. Laat niemand daar iets uit trekken! WiFi is al zo’n gedoe hier.

Mijn kamer is de laatste aan de gang, naast de trap. Ik duw de hoge houten paneeldeur open en sta in een prachtige authentieke kamer. Door twee hoge ramen aan het eind van de kamer stroomt licht binnen. Deze kamer ligt op het westen, dus het is nog lekker koel. Er ligt een parketvloer met visgraatmotief, hier en daar iets gebutst. Een paars Ikea Lycksele Lovas-bankje en een Kwantum-kast ontsieren de kamer, om maar niet te spreken van de gifgroene gordijnen die vloeken met de oranje raamkozijnen. Maar, er staat een fijn tweepersoonsbed, en deze kamer is stil en alleen voor mij. Ik ben helemaal verrukt. Ik doe de deur achter me dicht en loop naar het raam. Ik kijk uit over de haven van Pula, ter hoogte van de doks en de massieve hoge overslagkranen. Het is geen bijzonder spannend uitzicht, maar ik zit hoe dan ook nu wel pal aan de Adriatische kust!

Ik klap de ramen schuin tegen elkaar open opdat er een beetje frisse lucht naar binnen stroomt, en hang het gordijn ervoor. Vervolgens pak voorzichtig een beetje mijn rugzak uit, zonder gelijk een explosie van persoonlijke zaken op het paarse bankje te veroorzaken. Dat mislukt aardig.

Omdat het nog zo vroeg is, besluit ik om dan maar een stukje van Pula te gaan bekijken. Ik kan rond gaan lopen, maar dat heeft een aantal tegens. De zon staat al aardig hoog, het is al warm. Elke richting die ik op ga vanaf hier is heuvelopwaarts. Een rugzakje dragen is pijnlijk, want mijn schouders zijn nog verbrand. Ik overweeg mijn opties. Er rijdt een dubbeldekker door Pula, om toeristen snel alle highlights te laten zien. Ondanks mijn venijnige aversie jegens dit soort bussen denk ik er nu toch over om daarop in te stappen. Lekker boven op zo’n open dubbeldekker door de straatjes van dit stadje gereden worden terwijl ik wat leer over de historie, lijkt me wel wat. Goed, tegen twaalven gaat de bus. Het dichtstbijzijnde vertrekpunt is voor het amfitheater. Ik pak een licht rugzakje in met een boek en wat water en posteer me recht tegenover de genoemde ruïne.

Auto’s, taxi’s, lijnbussen stromen voorbij. Toeristen zwermen af en aan bij de tafels op schragen, waar protserige stenen miniatuurtjes van allerlei gebouwen in Pula aan de man gebracht worden. Achter me, in het stadsparkje, zoeken twee hoveniers in warme overalls hun heil onder een fruitboom, en breken hun lunch aan. Ik check de screenshot van het kaartje. De bus moet écht hier langskomen, en hij is verdomd opvallend. Waar is dat ding? Het wordt twaalf uur, tien over twaalf. Geen bus. Vast te laat door alle treuzelende toeristen ergens anders op de route. Ik hou het voor gezien. Kordaat steek ik de straat over, kijk nog eenmaal naar links en naar rechts, en besluit dat ik wat anders ga doen.

Het amfitheater. Er staat amper een rij, dus ik ga er naar binnen. In Rome heb ik het Colosseum nooit bekeken, dus heb ik mooi de kans om zo’n strijdtoneel hier te zien. Aan de kassa zie ik dat er studentenkorting geldt – maarliefst vijftig procent reductie! Alvorens om te rekenen wat dat dan is, pulk ik mijn CampusCard uit mijn portemonnee, en leg die op de balie. De medewerker vindt het helemaal prima en laat me naar binnen voor het halve bedrag. Wederom (zoals ooit ook in Tsjechië) schaam ik me een beetje als ik de prijzen omreken. Zes euro voor een normaal kaartje, en dus drie euro met korting. Kom… dat hele bedrag had ik óók niet gemist.

Ik loop eerst wat rond door de blokken steen. Het is heerlijk hier. Het amfitheater ligt bijna aan de zee, de lucht is strakblauw en er staat een koel briesje. Met al die grote poorten waait het sowieso lekker door. Het is nog aardig duidelijk te zien waar de diverse overdekte gangen en tribunes zich bevonden. Langs één zijde loopt de grond schuin op en sta je er zo bovenop. Er zijn niet veel mensen; hooguit honderd, verspreid over het terrein. Je loopt elkaar niet voor de voeten, al lukt het me niet om een foto zonder toeristen te maken. Vanaf de oude tribune kijk ik neer op het strijdtoneel. Daar staat nu een groot modern podium opgebouwd. Voordat ik naar Pula ging, heb ik al op wat video’s gezien hoe hier prachtige concerten in de open lucht worden gehouden. Helaas is er deze dagen niets, anders was ik beslist gegaan.

Ik loop langzaam en aandachtig rondkijkend verder, terwijl de zon langzaam over het theater trekt. De schaduwen veranderen, ochtenddauw droogt op. Ik zet me nu en dan op een groot steenblok en haal mijn boek uit mijn tas, om wat te lezen. Ik zeg je: het is erg toepasselijk om op deze plek Game of Thrones te lezen. Terwijl ik door mijn oogharen over de rand van mijn reader tuur, zie ik als het ware de gevechten zich voor mij afspelen.

Maar, ik heb nog meer te doen vandaag. Ik weet mijn reistijd naar Medulin, waar ik vanavond ga paardrijden, nog niet precies, dus houd ik een slag om de arm wat betreft mijn vertrektijd. Langzaam wandel ik terug. Ik ben wellicht uren langer binnen gebleven dan de meeste toeristen, maar het is dan ook een ontzettend mooie plek om historische boeken te lezen. In het propperige souvenirwinkeltje onder de buitenpoort devalideer ik mijn toegangskaartje, en zet koers terug naar het hostel.

Nu moet ik plannen hoe ik met de bus naar Medulin kom. Met wat gereken zie ik dat ik toch al redelijk in de middag weg moet. Mijn plannen om nog een warm middagmaal te koken, schrap ik. Ik heb gelukkig ingrediënten die ik ook ongekookt kan opeten, dus doe ik dat. Ik kleed me om en trek mijn blauwe tregging en bruinleren reisschoenen aan. Dat is nu wat warm, maar voor het rijden heel praktisch. De tregging lijkt op mijn rijbroek, de schoenen op mijn jodhpurlaarsjes. Twee jaar geleden droeg ik bij een buitenrit mijn bergschoenen, en dat was erg oncomfortabel omdat ze zo breed zijn. In volle galop kwamen ze klem te zitten in de stijgbeugels, en was ik er dan vanaf gelazerd, dan had het paard me nog een paar honderd meter aan mijn been meegesleurd. Geen prettig idee. Verder neem ik zo weinig mogelijk waardevolle bezittingen mee. Een telefoon, een ID-kaart, en geld. Geen camera, want ik heb geen broekriem, en als ik van mijn paard val is mijn camera kaduuk.

Wederom een disclaimer om mijn voorzichtigheid: ja, mijn camera is al eens kapotgegaan; en ja, drukke onvoorspelbare paarden heb ik meermaals meegemaakt. Ik heb graag een prettige vakantie zonder kosten achteraf.

De bus naar Medulin vertrekt vanaf het busstation. Hoewel hij daarna door het centrum rijdt, wil ik beslist niet zien gebeuren dat hij me dan zonder stoppen passeert. Daarom begeef ik me naar het vertrekpunt en pin onderweg het bedrag voor de buitenrit. Ik loop het eerste stuk parallel aan de kust, totdat mijn weg afbuigt naar rechts, en ik verder ga in de schaduw van hoge olijfbomen. Aan mijn linker- en rechterhand zie ik afgebladderde flatblokken, met door de zon vervaalde verf. Een rommelig kioskje staat met rolluiken naar beneden aan de straat. Satellietschotels op de balkons, afgewisseld met Ikea-meubilair en verfomfaaide parasols. Dit is een nette wijk, voor Pula. Toch valt gelijk op dat er wel gebouwd is, maar er bepaald niet onderhouden wordt. Ik mis ook de levendigheid die je in Italië op elke straathoek aantreft. Waar zijn de oudjes op bankjes, de scootertjes, de moeders met kinderen? Ik loop door totdat ik aan mijn rechterhand de brede straat naar het autobusstation zie: Autobusni Kolodvor. Er is een kleine overdekte promenade, waar lieden van divers pluimage zich ophouden. Het lijken geen toeristen, en toch is iedereen een beetje de weg kwijt. Een dikke, struise dame posteert zich wulps tussen twee barretjes langs de wand, en drinkt een biertje. Flets licht valt naar binnen door het glazen dak. Ik schuif voor één van de twee loketjes van Pulapromet, en vraag om een buskaartje naar Medulin. ‘Dat hoeft niet’ zegt de vrouw achter het luikje me in eenvoudig Engels. ‘Koop maar in de bus.’ Goed, doe ik dat. Dus ik bedank, loop naar buiten, en ga in de warmte op een bankje zitten. Hier onder de betonnen overkapping is schaduw, en is het niet zo heel warm. Toch – de lucht staat stil, het is een oud busstation, alles is van beton. Bandensporen en olievlekken overal. Dit is ‘de achterkant van de wereld – waar men leeft’. Er zijn zo veel plekken op de wereld zoals deze, en als toerist merk je ze bijna niet op. Ook van deze omgeving geniet ik, al is het niet voor al te lang.

Een oude, hoekige bus zeilt het busstation op. Pulapromet staat er in groovy letters voorop – zoals op elke lijnbus hier. Op een vinyl bord dat voor het raam geschoven is, staat ’25 – Medulin’. Die moet ik hebben. Ik stap in en laat me inderdaad een kaartje verkopen. Voor iets van 1 euro 25 mag ik mee. Ik vraag de buschauffeur of hij me bij de Plodine-supermarkt in Medulin wil afzetten – een naam die ik via WhatsApp door heb gekregen van Maya, mijn ritbegeleidster van vanavond. Ook heb ik een piepklein plaatje van Google Earth van haar toegestuurd gekregen, met daarop de bewuste supermarkt en een grote rode pijl naar de ‘ranch’. Ik kan me er geen voorstelling bij maken, dus alle hulp is welkom. Hoewel, alle hulp…

Stipt op tijd rijden we weg van het busstation. We knarren lekker door, terug het centrum in, nu linksaf langs het amfitheater. De bus stroomt in een mum van tijd vol met lokale bewoners en toeristen. De meesten moeten staan in het gangpad en schudden gemoedelijk heen en weer. Om mij heen komt een Italiaans gezin zitten, dat van elkaar gescheiden wordt door staande passagiers. Het is warm, we zoeven de stad uit, het stoffige platteland in. Ik heb de route niet helemaal bekeken vooraf, en ben enigszins verbaasd als we eerst het dorpje Sisan aandoen. We schieten er doorheen met een rotgang en zetten weer op de buitenwegen koers naar Medulin. Ik ben op dat moment wat onthutst, want ik dacht dat we de route in omgekeerde richting zouden rijden. Ik tik de man naast mij aan en vraag hem of hij weet, wanneer we in Medulin zijn. Hij verstaat geen Engels en tikt tussen de passagiers door zijn vrouw aan. Die mag mijn vraag beantwoorden. Ik probeer zowel met haar te praten als vanuit mijn ooghoek op de omgeving te letten. Ook zij weet niet wanneer we precies in Medulin zijn, en waar dan die Plodine-supermarkt is. We hobbelen inmiddels alweer door de nauwe straatjes van een dorpje heen. Net als ik de vrouw bedank, mengt een slanke man van middelbare leeftijd zich ongevraagd in het gesprek. ‘De Plodine, daar zijn we al aan voorbij’ zegt hij kortaf. ‘Ik heb hem nog niet gezien’ werp ik verbaasd tegen. ‘Volgens mij zijn we er nog niet hoor.’ ‘Ik weet het wel, we zijn er aan voorbij. We zijn zo bij de kerk en dan gaan we het dorp weer uit. Je had allang moeten drukken meisje, beter stap je nu uit en niet nog later.’ Zijn advies klopt totaal niet met mijn idee in mijn hoofd, dus ik bedank en zeg dat ik er toch echt bij de kerk uit zal gaan. Hij schudt zijn hoofd en baant zich een weg terug naar zijn plaats achterin de bus. ‘You have to walk a kilometer more if you do!’ sputtert hij me nog na. Nou en.

Ik stap inderdaad uit bij de kerk en begin me te oriënteren. Het helpt dat ik het na een paar straatjes even bij een ijssalonnetje vraag. De Plodine-supermarkt kent men daar wel. ‘Vervolg de weg terug naar beneden, dan zie je hem rechts.’ Ik doe wat ze zeggen en kom inderdaad bij een rotonde mét een bushalte, en even verderop de supermarkt. Het zou me wat zijn als nu die bus daar aankwam. Het is inmiddels kwart voor zes, dus moet ik doorlopen naar de ranch. Ik SMS de begeleidster dat ik de supermarkt passeer en onderweg ben. Voor mij ligt een stoffige brede weg het dorp uit. Het is warm met een klein briesje, de zon staat hoog aan de strakblauwe hemel. Het is alsof ik de woestijn inloop. Na een paar honderd meter maakt de zandweg enkele bochten. Ik verlaat de bebouwing. In de bomen hangen bordjes met een geel paard erop geverfd. Dat is het merkteken dat ik moet volgen. Ik passeer kleine bungalows met veranda’s, omgeven door moestuintjes en oude blikkerige auto’s die scheef op hun assen staan. Hier en daar zit een oma te breien of loopt een hond onrustig binnen de afrastering. Een oude man loopt wankelig voor me uit. Ik haal hem in en mompel beleefd snel ‘Dobry dan’. Hij knikt wat, in zichzelf, en doet er niks op uit.

De paardenbordjes houden op. Ben ik hier goed?

Dan staat er een meisje voor me. Ze is ongeveer tien jaar jonger dan ik, draagt ongeveer dezelfde kleren, en een tas over haar schouder. Ik weet gelijk: ook zij zoekt de ranch. ‘Hello, samen lopen?’ vraag ik haar. Ze blijkt inderdaad ook mee te gaan op de buitenrit. Ze heet Tamara en komt uit München. Al gauw praten we Duits verder, terwijl ze vertelt dat ze met haar vriend in het dorp achter Medulin vakantie viert. Haar vriend ligt ziek op bed, dus zij vond het een prima kans om te gaan paardrijden.

Samen vinden we met enige moeite de ranch. We lopen het zandpad iets terug en zien een opening in het struikgewas met daarachter paarden. Genoeg reden om daar te gaan kijken: het blijkt de ‘ranch’ te zijn. Nou, een ranch is hier dus één tuinhuisje met een stel aanbindbalken onder de bomen. Het meisje met de naam Maya komt al zwaaiend op ons af en stelt zich voor. We praten maar in het Engels verder opdat zij het ook begrijpt. Maya wijst ons onze paarden toe, geeft ons een cap en helpt met opzadelen. Haar vriendin Karin zal met ons meegaan op de route. Ik zadel mijn paard Healy op en stap wat rond. Het is erg lastig om Healy los te krijgen van de aanbindpaal – het beest lijkt er wel aan vast gelijmd. Ik ben even onvriendelijk, maar dan heb ik wel wat. Al gauw stappen we samen energiek voltes op het grasland vanwaar we zullen vertrekken. Tamara heeft haar pony ook opgezadeld en we hebben nog twee Italiaanse meisjes mee op rit, die klaarblijkelijk nog geen paard kunnen rijden. Maar, zegt Karin, daar heeft ze wel een oplossing voor. We zullen geen saaie rit krijgen!

Karin rijdt voorop, gevolgd door mij en Tamara. We stappen weg over het veld in de langzaam dalende avondzon. Vliegjes zoemen zo’n beetje om ons heen, de paarden slaan met hun staarten. Ze maken geen aanstalten tot gekke dingen, en Healy is ook niet bijzonder sloom. Ik geniet. Karin merkt dat Tamara en ik allebei goed Engels volgen, dus ze gaat helemaal los over wat ze al dan niet leert en moet op school. De Italiaanse meisjes lijken er weinig van te volgen, maar die zijn ook veel te druk met in het zadel blijven zitten. We verlaten het grasland tussen hoge braamstruiken door en doorkruisen nog wat andere velden en passeren we afgelegen bungalowtjes. Hier en daar staan kleine stenen muurtjes om weilanden te scheiden. Na een aantal glooiende velden komen we bij een breed karrenspoor langs een veld. Karin houdt in. ‘Jullie gaan voorop’ zegt ze tegen Tamara en mij, ‘en galopperen tot het eind van dit veld. Dan houden jullie halt en komen wij jullie in draf achterna.’ Prima, zeg ik, en Tamara knikt ook. Ze lijkt prima te kunnen rijden, dus wat let ons?

Ik zet aan tot een drafje en leg mijn been achter de singel voor galop. Healy springt in een keurig ontstuimig galopje aan en laat zich heel gewillig naar het einde van het veld sturen. Ik ga een beetje in de beugels staan om het deinen van de ondergrond op te vangen. Aaaahh, dit is heerlijk! Ik pak de teugels in één hand en kijk om naar Tamara. Ze is me iets achterop. Bij het einde van het veld ga ik weer zitten, neem de teugels aan, en merk hoe Healy fijntjes terugkomt naar de draf, en keurig stilstaat bij de braamstruiken. Tamara komt naast me staan en we knikken blij. Karin komt al aangedraafd met de twee Italiaansen in haar kielzog. Aan hun zwabberige houding te zien hebben ze het best pittig met dit drafje.

We doorkruisen in stap en draf nog een aantal velden, en wurmen ons door nauwe laantjes met aan weerszijden braamstruiken. Karin kwebbelt er lustig op los, en vertelt ons over het cliché dat iedere Kroaat ruime baankansen heeft, want of je nu in Kroatië of in een buurland solliciteert, de talen zijn zo gelijkend dat je ze zo onder de knie hebt. Geamuseerd laten we ons vertellen hoe het leven hier is. De zon gaat langzaam onder. Ik voel een frisse bries langs me heen strijken en kijk over Karins schouder naar voren. De zee!

‘Oooooh’ onderbreek ik haar ‘dit zie jij vast op iedere rit, maar zie eens! De zee! Zo mooi!’ De Italiaansen begrijpen het ook en we uiten ooh’s en aah’s terwijl we langzaam dichter bij het strand komen. Zo nu en dan is er nog ruimte voor een stuk galop. Tamara heeft nu ook door hoe ze haar pony van snelle draf in galop kan krijgen en sjeest vrolijk met me mee. Kijk, dit zijn de leuke ritten!

We stappen dicht langs het strand, maar mogen niet in de branding komen. Dat behoort ook tot een andere rit. Nadat ik me, even niet oplettend waar Healy haar hoeven precies neerzet, uit en te na vergaapt heb aan de prachtige lila tinten van de zee, keren we weer langzaam naar de ranch terug. We volgen globaal het pad onder de hoogspanningsmasten door. Soms vraag ik me af hoe Karin toch precies weet waar we zijn, terwijl we soms echt bij elk weiland van richting veranderen. Ach, ze woont hier ook al haar hele leven.

We komen terug bij de ranch, waar Maya al bezig is de andere paarden klaar te maken voor de nacht. Sommigen worden in houten kralen gezet, anderen mogen in een met lint afgespannen weitje. Er is een veulen, dat uitbreekt en zich niet gemakkelijk laat vangen. Hij stuitert triomfantelijk een paar keer het grote veld over, tot hij zich bij zijn moeder in de wei laat zetten. Ik zadel Healy af en leid haar naar de waterbak, waar alle paarden even mogen drinken. Dan help ik met het opruimen van de andere zadels en spullen. Tamara zegt gedag; het gaat nu van schemer naar donker, en ze moet nog door de velden teruglopen naar Liznjan. Ik vond het leuk dat ze mee was.

Als we klaar zijn, vraagt Karin of ik mee wil rijden naar Pula. Haar vader komt haar met de auto ophalen. Eerst zeg ik, dat ze me wel bij de supermarkt mogen afzetten, maar dat vindt ze kolder. Ik kan prima de hele weg mee terug, dan zetten ze me voor mijn hostel af. Ik accepteer. Karin’s vader vindt het ook prima. Onderweg praat hij wat zinnetjes Engels met me, maar Karin en haar vader houden het tussenbeide mooi op Kroatisch. Ik zit op de achterbank en laat me rijden. Hoe blij ben ik dat ik dit stuk vanaf de ranch niet terug hoef te lopen! De enigszins vage weg het dorp uit is nu echt donker, en totaal niet verlicht. Karin’s vader moet af en toe op de rem omdat er opeens een tegenligger met groot licht op hem af komt. Wandelend zou ik hier zo aangereden zijn, om nog maar niet te spreken van rondlopend volk en waakse honden. Nee, fijn aanbod dit. Dat zeg ik Karin dan ook.

Ze brengen me helemaal tot aan mijn hostel aan het Riva, en ik bedank ze nogmaals hartelijk. Dit zijn van die kleine dingetjes op reis, waar ik dan geluk mee heb. Dit maakt een avond gewoon superfijn en goed.

Ik ga lekker douchen (oeps, herendouche!) en zet me op het terras boven aan een lokaal biertje van de bar. Nu ik niet meer in de zone rond het dakterras slaap, vind ik het prima dat er muziek klinkt en dat er nog mensen zitten. Ik pak mijn reader erbij en lees in het licht van een lamp nog wat uit mijn boek. Dan, tegen elven, stommel ik naar boven, naar mijn fijne stille kamer met mijn spullen in bereik en mijn fijne ruime bed. Ik slaap gelijk in.

zaterdag

Het is zaterdagochtend. Ik word heerlijk uitgeslapen wakker in mijn kamer. Het is koel, de zon staat nog aan de andere kant van het gebouw. Van de straat onder mijn raam is niets te horen zolang ik de ramen gesloten houd. Het vensterglas is fascinerend – niet helemaal vlak – het vervormt de rood-witte hijskranen tegen de helderblauwe lucht. Ik ga rechtop zitten en pak mijn camera om er foto’s van te maken. Trippel uit bed, op blote voeten over de koude parketvloer. Zo’n foto maken vraagt van je dat je anders gaat kijken. Ik ben nu wel wakker. Tijd om wat te gaan doen.

Eerst pak ik strategisch wat spullen alvast in in mijn rugzak, opdat ik straks gemakkelijk van kamer kan wisselen. Dan kleed ik me wat aan en ga naar de keuken. Er lijkt geen ander keuken te zijn dan degene, waar ik de eerste nacht naast sliep. De ruimte is even hoog als de belendende slaapzaal, en heeft eveneens een raam op het noorden, al kijkt dit niet uit op een blinde muur. De keuken is vrijwel altijd schemerig. Op de vloer ligt vuil zeil; in het midden staat een ronde formica tafel met vier houten stoelen. Aan de drie wanden van het vertrek hangen eikenhouten rekjes en keukenkastjes. Elk met opschrift, doch stuk voor stuk niet gevuld met hetgeen je erin zou verwachten. Elke dag hark ik met moeite een kommetje en enig bestek bij elkaar, soms door wat vergeten spul van anderen af te wassen. Er is één inbouwkoelkast – volgens mij veel te weinig voor een hostel zo groot als dit, maar kennelijk past het. Andere hostels van deze grootte hebben er minstens drie. Een andere keuken heb ik ook nog niet ontdekt. Terwijl ik wat muesli biets van de voorraad voor algemeen gebruik lees ik spreuken op de tegeltjes aan de wand.

Wordt aan geschreven!

Het verbaast me dat daar, nagenoeg ongezien, zo veel gasten hun dagelijks eten kunnen bereiden, terwijl er zo weinig spullen aanwezig zijn en je nooit iemand ziet. Er staat ook maar één koelkast – in elk vergelijkbaar hostel

De volgende dag doe ik het precies zo. Ik zie het amfitheater nog en ga wederom paardrijden. Dan is er nog een dag, want ik ga ook nog naar de vismarkt. Dat moet ik even nalezen. Maar ach het is warm, toeristisch en wel leuk. Ik word wel op twee plaatsen weggejaagd – in het prachtige mooie postkantoortje, en in de vismarkt – ik snap nog steeds niet waarom.

Ik heb beide dagen mooie kamers; de eerste dag een eenpersoonskamer met een fijn dubbel bed, en uitzicht op het water voor het hostel. De tweede dag een warmere kamer ertegenover, één verdieping hoger. Weinig last van het dakterras. Wel warm. En ik mag er vroeg in en ik zie eens wat een rommeltje anderen voor mij achterlaten.

De laatste dag check ik uit, biets van mijn laatste Kuna’s een koffie. Wacht nog wat op het dakterras en ga dan naar de trein. Stukje lopen met de tas op mijn rug, gelukkig allemaal onder de bomen. Mijn schouders zijn weer oké. Ik wacht een drie kwartier op het treinstation en dan komt de trein eraan.

zaterdag

8 dagen Zwitserland en Duitsland, met een concert van Evanescence op het Caribana-festival, en een clubconcert van VNV Nation in Freiburg.

Bekijk hier de foto’s.

- ✦ -
De avond vantevoren staat Sander op de stoep. Iets te vroeg, maar dat maakt niet uit. Ik geef hem een rondleiding met de laatste updates, want met een wisseling van de kat zijn er natuurlijk compleet nieuwe voerregels. Na wat drinken en wat kletsen schop ik Sander er weer uit, en dan moet er ingepakt worden. Daar heb ik eigenlijk helemaal geen zin in, dus dat doe ik dan ook niet. Ik hoef morgen pas om 12:02 met de trein weg, dus dat kan lekker morgen. Ik dubbelcheck of er niets is, dat écht niet meer de laatste ochtend kan, en dan ga ik slapen.

Ik sta redelijk vroeg op, en pak mijn rugzak in. Zo, nog even de laatste tickets en de zitplaatsreservering uitprinten, en ik kan gaan. Dit jaar hoef ik gelukkig niet halverwege terug, dus ik stiefel kordaat door naar het treinstation. Ander pluspunt: sinds 1 juni zijn roamingkosten verleden tijd. Ik kan dus gewoon overal, in binnen- en buitenland, bellen en internetten. Ik heb mijn telefoon ingesteld, daar gaan we.

Onderweg kom ik Yvo van TukkerLab nog tegen. Hij fietst een eindje met me op en zegt me dan gedag. De reis kan nu echt beginnen. En waar anders mee, dan met de boemel naar Dortmund? Ik stap in en begin aan mijn reisdagboekje. Niet lang daarna trek ik mijn ebook tevoorschijn en ga lezen. Harry Potter and the Methods of Rationality, een vernuftige fan-fiction op het originele Potterverhaal. En wat is het goed. Ik word meegezogen in het verhaal, dat werkelijk heel geestig en uitgekookt in elkaar zit. Voor ik het weet ben ik in Dortmund.

Daar haal ik ik mijn vaste Filterkaffee bij het Fish ’n Chips-stalletje onder het perron. Ik heb zo mijn gewoontes. Dan door naar Mannheim. Zodra ik de trein daar in ben gestapt, kom ik erachter dat mijn zitplaats niet bestaat. Dat is niet echt zo: de trein staat gewoon verkeerdom gerangeerd. Ik bevind me nu in wagen 12 inplaats van in wagen 2, waar ik een stoel gereserveerd had. Zuchtend loop ik maar de wagons door, en ga gewoon halverwege maar ergens zitten. Het is rustig, en ik kan lekker lezen. We zoeven door naar Basel.

Gelukkig ken ik de stad nog een beetje van mijn vorige bezoek. Ik wil de tram pakken naar het hostel – hoewel geen één tram eigenlijk dichtbij komt – maar er vertrekt er maar geen één. Dus ga ik weer lopen. Ik moet noordoostwaarts… maar loop mis. Gelukkig niet heel ver. Ik steek een straatje door en daal bij de St. Alban-Turm af naar het pittoreske wijkje. Oude huisjes bevinden zich op steile hellingen langs de waterkant. Wat is dit mooi.

Het hostel zie ik al gauw. Ik check in en krijg een kamer waar al een meisje en twee jongens aanwezig zijn. Fijn voor de eerste avond. Ik ga naar beneden, bestel een glas droge witte wijn, en zet me zelf onder het prachtige koepelgewelf van de eetzaal weer aan mijn boek. Buiten de grote deuren, die vanwege het lekkere zomerse weer nog openstaan, ruist de beek die langs het hostel stroomt. Dit is echt een fijn hostel. Erg mooi en goed gelegen.

Ik ga later op de avond nog even pinnen, en ga daarna slapen.

zondag

Vandaag loop ik in Basel rond. Ik vaar met de boot over de Rijn, ga naar Museum Tinguely. Daarna vaar ik weer terug en ga ik te voet naar het Cartoonmuseum Basel. Beide zijn aanraders! Omdat het zo lekker warm is, laat ik me nog een keer overvaren naar de noordoever van de Rijn, om daar te zonnebaden. Met mijn wikkeltas in de Rijn springen durf ik niet. Te koud, en sterke stroming. Maar het is heerlijk. ’s Avonds lekker avondeten bij het hostel, en een hoop zaken voor morgen boeken. Alle plannen voor volgende week zondag zijn afgelast, hoor ik – zowel het Apollo Open Podium waaraan ik zou meedoen (en wat al eerder bekend was) als het Twents Theatersport Toernooi. Dat is jammer, maar daardoor zie ik wel dat er op zaterdag een optreden van VNV Nation in Freiburg staat gepland. Met slim plan- en boekwerk regel ik even dat ik daar zaterdag zit…!

maandag

Maandagochtend pak ik in, en laat mijn rugtas nog even in de lockerroom staan. Ik heb bij mijn avondwandelingetje gisteren namelijk iets moois ontdekt – de stadsmuur hier vlakbij herbergt een prachtige middeleeuwse ruïne, en een heel groot veld dat vroeger vast voor toernooien is gebruikt. Ik heb er gisteren bij volle maan gestaan, en moet er nu nog even naar terug. Het is redelijk koud en bewolkt, maar dat deert me niet.

Ik sta binnen de poort van de stadsmuur, en daal even af omdat het nu licht is. Gisteravond durfde ik dat niet, omdat ik verwachtte dat er onder het houten bordes van de poort een zwerver zou wonen – en je weet maar nooit wat die overhebben voor wat bezittingen van een welgestelde toeriste. Inderdaad, onder het bordes vind ik spullen die toebehoren aan iemand die de nachten buiten doorbrengt. Er is nu niemand, en het hele veld is open en goed verlicht. Ik steek het hele veld over en maak foto’s. Daarna wandel ik terug.

Hè, ik wilde nog even langs het piepkleine winkeltje ‘Abraxas’, dat aan de foto’s te zien, prachtig ingericht is – net een klein schrijfbenodigdhedenwinkeltje uit Harry Potter. Ik heb alleen wat schaarse foto’s op internet kunnen vinden, meer niet – maar daar stond helaas ook bij dat het maar zelden geopend is, en zeker niet op Pinkstermaandag. Ik kan even door de ruit gaan kijken… maar het is nu al aardig laat in de ochtend. Om 12:04 gaat mijn trein, en dat betekent dat ik binnen een half uur op het station moet zijn.

Ik haal mijn rugtas op en ga bovenlangs naar de tramhalte. Op naar het station. Mijn hostelreservering houdt een openbaar vervoersticket in, dat is handig. Om kwart voor twaalf rol ik het station binnen, tien voor twaalf… ik schiet de supermarkt in de stationshal in – de enige supermarkt die vandaag open is. Het is een piepklein en vooral chaotisch winkeltje, waarin reizigers als mieren door elkaar heen krioelen. Denk, denk! Stress ik. Een banaan, een erwtensalade – nog meer? Nee! Het is twaalf uur, ik móet echt gaan. Ik loop om een stellage heen en zie hoe lang de rij voor de kassa is. Dat gaat nooit lukken… tot een bord ‘Subito’ me in het oog springt. Als oud-latiniste zegt dit bord me natuurlijk genoeg. Ik duik naar links en tref daar de self-checkouts aan. Als een mondaine shopster leg ik mijn spulletjes op de weegschaal, tik behendig product voor product aan, swipe mijn pinpas langs de scanner, en daar ga ik. Eén minuut over twaalf – ik heb betaald en sta buiten. Ergens wist ik al die tijd al dat ik het prima ging halen. Gek hè?

Goed, nu rennen. Perron zeven ofzo. Ik schiet de trap op, en merk hoe leuk het is om elke tegenligger te begroeten met een hees ‘Aaaah!’. Iedereen lacht terug en sommigen reageren met een gelijke ‘Aaargh!’ terwijl we elkaar voorbijschieten. Boven, over de tegelvloer, links de trap af. Daar staat mijn RegioExpress nog. Ja, ik hoef alleen maar met een boemeltje naar Olten, dat is het eerste stuk. Maar door juist deze, en niet een trein van een half uur later te nemen, geniet ik mooi van een route langs verschillende meren.

We boemelen naar Olten. Vanaf daar stap ik op een InterRegio naar Morges. Ik eet mijn banaan terwijl ik me wat erger aan een jong stel dat schuin tegenover me zit. Moeders probeert haar dochter vloeiend te leren lezen, maar hoe dochterlief ook probeert, moeders blijft aandringen dat het nog één keer moet. Nog één keer. En nog één keer dan, om het nu helemaal goed te doen. Op een gegeven moment zegt dochterlief zelf kordaat ‘nu, dit is de laatste keer, ik doe echt mijn best om het zo goed mogelijk op te lezen, en dan stop ik’. Zo, moeders. Kind weet kennelijk wel wanneer genoeg genoeg is. Ik kauw mijn banaan op en staar uit het raam.

Een vreemd gevoel bekruipt me. De trein scheert langs de prachtige meren, helt een beetje over in de bochten… nu eens naar links, dan weer naar rechts… ik word zeeziek. Mijn buik vindt misschien de erwtensalade niet zo’n top idee, of de banaan, of beide. Of dat hellende landschap – het is denk ik een combinatie. Ik zet mijn blik op oneindig en lees vooral niet meer in mijn boek. Oh, laten we snel in Nyon zijn!

Gelukkig, na nog wat lange slingers zijn we er. Ik herken de route vanaf het station en loop westwaarts richting mijn hostel. Ik kan een bus nemen, maar volgens mij is het niet zo ver. Bovendien is het lekker warm, einde van de middag. Ik sjok de heuvel op, niemandsland (rond het station) uit. Een lange straat wel. Gelukkig kan ik overal Google Maps raadplegen – echt zo’n vooruitgang op de vorige jaren! Ik ben opeens ‘helderziend’ in elke stad waar ik beland. Als ik dit in Venetië eens had gehad…

Ik arriveer evenlater bij het hostel. Het is superdeluxe, met pasjes voor alles, digitale lockers op de kamer, een eigen wc, stopcontacten en USB-laders boven elk bed… wat een weelde. Dit is heel modern! Er zit al een meisje uit Texas in de kamer. Ze heeft een soort nest gebouwd op haar bovenbed en zit met haar Mac werk te doen. Ik leg m’n spullen onder mijn bed voor zolang en loop met een klein tasje naar de supermarkt, twee straten verder. Maar helaas! Die is dicht, want het is Pinksteren. Dat had ik me ook wel kunnen bedenken.

In de kamer pak ik mijn laptop erbij en zoek wat restaurants uit. Er schijnt iets goedgewaardeerds een paar straten verder te liggen, op een grasvlakte die ‘De kleine Prairie’ heet. Het klinkt een beetje vreemd, en als ik op Google Maps kijk is het ook nog in aanbouw. Op de Facebook van het etablissement vind ik uiteindelijk, dat ook zij met Pinksteren niet open zijn. Goed. Dan mijn laatste optie: het restaurantje ‘Les Glycines’ (de blauwedruif, niets met glycerine) recht tegenover het hostel. Dat is duidelijk open en daar ga ik nu uit eten. Mijn Texaanse kamergenote kauwt inmiddels al een zak chips leeg als vervangend avondmaal. Ach, ik zou haar mee uit eten moeten nemen, maar zo sociaal behendig ben ik dan weer niet.

Ik zet me in mijn eentje aan een tafeltje buiten. De waardin heeft het me in het Frans aangeraden. Ik heb een paar woorden Engels gepoekeld toen we elkaar niet begrepen, maar ze weigerde er naar te luisteren. Zo mag ik het horen, madame. Gedurende de rest van mijn avondmaal staat ze met grote regelmaat in de deuropening van het restaurant. Ze rookt sigaret na sigaret. Zelf heb ik het een beetje koud zo buiten, en ik twijfel even of ik ongemakkelijk zal vragen of ik mijn vest mag ophalen. Maar ik besluit het maar uit te zitten, het eten is tenslotte warm. Ik bestel een tomatensoepje, en, helemaal van de achterste bladzijde van de kaart, de pizza van het huis. De waardin gromt een beetje omdat ik deze verstopte etenswaren heb weten te vinden. Om heel eerlijk te zijn had ik deze dingen al vanaf hun website uitgekozen, eerder deze avond, maar soit.

Na mijn eten, en een espressootje, reken ik af en steek ik de straat weer over. Nu wordt het pas redelijk druk bij het restaurantje, terwijl ik ter zelf toch ook pas om zeven uur was. Die Zwitsers toch. Bij terugkomst hebben we een nieuwe kamegenote – de Indiase Shewari. Modern gekleed en goed Engels sprekend kan ik haar afkomst niet geheel plaatsen. Nouja, als je een reis naar Zwitserland kunt maken, zul je in India ook niet zo krap bij kas zitten. Weer een stereotype aan gruzelementen.

Ik maak nog een avondwandeling naar de stad – bij gebrek aan bus – en loop helemaal naar het water. Dat is een flinke afstand, maar er is ook veel te zien. Ik haal een ijsje bij een leuke kleine ijssalon, en praat met het ijsverkoopstertje in het Frans over de smaken die ze hebben. Speculoos, is dat Belgisch of Nederlands? ‘Allemaal hetzelfde’ zegt het meisje, maar dat moet je mij niet zeggen. Terwijl ik mijn loeigrote hoorn met grote bollen schepijs weghap, praten we over de verschillen tussen België en Nederland. In het Frans! Dit is goede oefening.

Ik wandel weer terug naar het hostel. Bij mijn laatste happen ijsje mors ik wat op mijn hals, en een man op een fiets houdt bezorgd naast me stil. ‘Gaat het?’ wil hij weten. Wel, ja, ik heb een likje ijs op mijn shirt, natuurlijk gaat het, meneer. Ik zeg braaf ‘Oui, ça va’ en knik bemoedigend tot hij weer doorfietst. Ja hoor eens, het was wel een donker straatje hoor…

Enfin, ik arriveer weer in onze kamer, die inmiddels donker is. Ik sluip zo zacht mogelijk de deur door, en stuit pardoes op een voluptueuze meid in panterprint. ‘What’s your name?’ vraag ik beleefd, maar ze heeft me niet gehoord – ze pakt mijn hand al. ‘What is your bed?’ glimlacht ze me toe. ‘There’ wijs ik ‘What’s on your card? F? You have bed F, it is over there miss’. Ik staar haar blanco aan. ‘Yes, I know’ glimlach ik onthutst terug. Wat een regelaarstertje zeg. Ze dacht dat ik hier nog niet uitgepakt had. Zelf is haar complete reisbagage ongeveer rond haar bed en in het strookje badkamer geëxplodeerd. Driftig paradeert ze nog rond, smeerseltjes op haar gezicht bettend, haar make-up afhalend. Haar muiltjes met bont staan buiten op het balkon. Wat een meid.

 

dinsdag

De meid en het Indiase meisje zijn er de volgende ochtend het vroegst uit. Ik ga om normale tijd, half acht, ontbijten. Er is geen kip in de ontbijtzaal. Ik hap mijn kommetje bichermuesli weg. Daarna douche ik (trash daarbij een handdoek met mijn roodgeverfde haar, oeps, maar meld het netjes, en wonderwel hoef niets te vergoeden), pak ik in en zet ik mijn rugtas weer in een locker. Met een beperkte set in een handtas ga ik nog eens de stad in. Ik hoef pas weer tegen twaalven te reizen, want Crans-près-Céligny ligt hier op steenworp afstand.

In de stad, onder het station, ontmoet ik een straatmuzikant die daar op een kleine fluit staat te spelen. Hij legt zijn fluit even neer als ik hem geld toewerp. We raken aan de praat. Hij komt uit Bretagne, was computerprogrammeur en seismologisch onderzoeker – hij heeft zelfs nog hele stellages in Griekenland gebouwd en er voor geprogrammeerd – maar is nu 63 en gepensioneerd. Hij wil graag wat van het land zien, dus hij reist met zijn fluitje rond, en speelt elke dag op een ander station. Ik bewonder zijn levenslust, zijn kijk op de dingen, zijn vrijheid. Na wat onderhoud in het Frans en Engels vervolg ik mijn weg weer.

Ik haal bij de supermarkt wortels, om wat te eten te hebben. Dan loop ik de stad weer eens door. Het is wel een fijn stadje, al zijn de winkels wel anderhalf keer zo duur als in Nederland.

Dan wandel ik terug, word overvallen door een flinke hoosbui, en ga in het hostel zitten wachten. Veel mogelijkheid daartoe is daar niet, omdat de schoonmaaksters net beneden hun ronde doen. Ik hang mijn regenjack te drogen, herpak mijn tas, en maak me klaar voor het busritje naar Crans.

Nog geen tien minuten later ben ik via het station met de bus naar Crans gereisd. Ik ben zelfs keurig precies voor de deur van mijn AirBnB afgezet, in het midden van het dorp. Ik heb zelfs al de opbouw van het Caribanafestival gezien, langs het water. En zelfs, zelfs, geloof ik, de tourbussen van Sum41 en Evanescence. Fikse stage-wagens, zwarte touringcars – dat kan niet missen.

Gilbert, een vriend van eigenaresse Kim, leidt me in het huis rond. Alles is prima. Daarna wandel ik zelf nog even naar beneden, in de zon, naar de festival grounds. Ga even bij het water kijken, maar kom uit bij een zeilschool – daar mag ik denk ik niet naar de waterkant. Dus ik loop terug en ga even boodschappen doen in het supermarktje onder mijn appartement. Fiks duur wel zeg. Ik veroorloof mezelf wel een goede fles wijn van de plaatselijke wijnkelders. Mjum!

’s Avonds maak ik pasta voor mezelf. Ook ga ik uitgebreid in bad. Ik lees nog een boekje, maak een kleine wandeling – tot er regenwolken me tegemoet komen – en ga dan lekker in het appartement zitten. Boek lezen, slapen.

woensdag

Jeeeej festival. Maar ik had dus nog niet gezegd dat het alleen in de avond is, hè? Goed, dat is het dus. Ik kan wel lekker de dag beginnen met een dubbel gebakken eitje ene en kop thee. Daarna koffie. Ik besluit vandaag eerst terug naar Nyon te gaan (want dat was een kippeneindje, werkelijk) om nog even wat warms te kopen voor vanavond. Een legging bijvoorbeeld, of een panty. Die had ik ook van thuis mee kunnen nemen, maar ja, dat heb ik nou eenmaal niet gedaan.

Ik bus weer terug, loop wat door de stad, koop bij de H&M een legging en twee panty’s. Ook koop ik bij de natuurwinkel een pak amandelmelk, en een doosje lekkere koekjes. Rib uit je lijf, daar.

Okay, terug op de bus naar Nyon. Het is inmiddels al lekker warm, drukkend, en het wordt tijd om wat te eten en dan richting festival te gaan. Ik eet pasta en kleed me daarna leuk voor mijn uitstapje. Ik mag geen fotocamera meenemen, wel mijn smartphone. Om nou niet op het allerlaatste moment weggestuurd te worden, houd ik me braaf aan deze regeltjes.

Ik loop naar het festivalterrein, want ach, lekker weer, en dichtbij. Ik kom er zo in – word wel eerst aangezien voor een niet-VIPPer. Daarna mag ik overal rondlopen. Ik verken alle tribunes, prijs me gelukkig met het prachtige uitzicht dat ik zal hebben op het podium. Ik bedoel – Amy hoeft maar omhoog te kijken en ze ziet mij! Not a face in the crowd, so to speak!

Eerst ga ik bij het kleine podium, ernaast, kijken naar een kleinere band uit Genève. Het is een maf zootje jongens. Ze beginnen met hun sloomste nummer, dus ik ga lekker in het gras zitten en doe alsof ik op een hippiefestival ben. Dan komen ze toch met wat pittigere nummers. Mensen gaan voor me staan, dus ik sta ook maar af, klop het gras van mijn rok, en dans wat mee. Rechts naast ons begint het tumult al aan te wakkeren. Jeetje, Sum41!

Ik weet me met moeite nog naar de VIP-tribune te slepen. Het staat zwart van de mensen. Ik haal mijn glaasje champagne op en nip ervan terwijl ik naar deze punkrockband kijk. Wel, afgezien van hun energieke show, is het wel duidelijk dat deze lieden weten dat je in Europa vrij ongeremd mag vloeken. Wat een taal slaan ze uit! Goed. Na een uur of wat zijn ze klaar met spelen, en vind ik het tijd om de hoofdtribune op te gaan zoeken. Ik wil een goed plekje. Maar eerst naar de wc’s. Ik spreek even kort met een stelletje Engelse dames. Ze wonen hier in de buurt. Ach, wat leuk.

Daarna verschaf ik me een plek op de VIP-tribune recht tegenover het hoofdpodium. Door rustig te blijven staan en onderwijl mijn reisboekje bij te werken, weet ik die plek te houden zolang als Rag ’n Bone Man op het podium ernaast de sterren van de hemel speelt. Langzaam stroomt het voor me vol. Was het bij Sum41 al druk, nu is het echt helemaal schoudertje aan schoudertje vol. Nog even heb ik overwogen om, ondanks mijn VIP-ticket, vooraan te gaan staan. Maar ik zou geplet worden – waarom. Dus ik houd mijn positie op de riant gelegen tribune, en merk hoe de ‘omwonenden’ zich om mij scharen. Want ja – die hebben bijna allemaal een ticket in handen gedrukt gekregen ter compensatie van de geluidsoverlast die het dorp overspoelt. Ach… ja, … dingen die je leert als je er bent, hè? Ik kijk allang niet meer naar wat ik hier uitgeef.

Het wordt donker, de maan komt op, de vliegtuigen suizen van links naar rechts over het meer van Genève. In de verte zien we de Mont Blanc, helder en wit, tussen de grijsblauwe bergen op de andere oever van het meer. Evanescence begint. Heerlijk, prachtige, herkenbare nummers. Ik zing en joel alles mee. Voor het podium wordt een feestje gebouwd – maar ik sta hier lekker, vestje aan, champagne in de hand. De dames om mij heen mompelen soms wat bekende teksten met een dik Frans accent mee. Ik herken bijna ieder woord, iedere uithaal, iedere ad lib.

Ik weet niet of de dames om me heen gek van me worden, maar na vanavond zie ik ze nooit meer. En vals zing ik niet, dus ik doe lekker mee. Na dik anderhalf uur spelen, waarin gevoelige pianonummers en akoestische sessies elkaar zijn opgevolgd, is Evanescence klaar. Ik sta nog wat op de tribune, en trek me dan terug naar de ‘bands bar’. Helaas, daar wordt skihutmuziek gedraaid… en nee, daar zullen zich wel geen bandleden ophouden. Ik zie geen merchandisestand, geen handtekeningentafels… nee nee. Ev is terug naar hun tourbus, dit was het.

Rustig aan loop ik over het nu weer leeggestroomde terrein. Ik bekijk de houten Baldwin-piano eens van dichtbij terwijl hij van het podium weggerold wordt. Ik vraag me even af of het er wel echt een was – en niet een houten bekisting met een digitale piano erin. Echt.

Dan loop ik nog een rondje over het terrein – vergaap me aan de prijzen voor merchandise, voor crêpes met Nutella – koop niks – en begeef me naar de uitgang. Nog een lekkere warme trui aan, en ik ben klaar om weer terug te wandelen. De bus laat toch op zich wachten, en zit stampvol met jongeren die naar een volgend dorp moeten.

Ik loop met een groepje festivalgangers naar de dorpsstraat van Crans, begeef me naar mijn appartement, en ga lekker slapen.

donderdag

Vandaag sta ik laat op – ik mag van mezelf uitslapen, na zo’n fijne avond festival. Maak weer eitjes, drink de amandelmelk – blegh, ongezoet, dus vul hem aan met jummie esdoornsiroop die ik in de provisiekast vind.

Daarna drink ik koffie en ga lekker op het dakterras in de zon zitten. Chatten, schilderen, lezen. De ochtend vliegt voorbij. Het is vandaag een warme dag, zo weet ik, dus ik wil ook niet veel gaan doen.

Na de middag pak ik mijn zwemspullen bijeen en loop ik, stijlvol gekleed, weer naar beneden naar de waterkant. Ik heb inmiddels van huiseigenaresse Kim gehoord dat ik prima mag zonnebaden naast de zeilschool. Dat is gewoon publiek strand. Dus ga ik daarheen, spreid mijn handdoekje uit op de rotsen, en ga lekker in het zonnetje liggen. Even insmeren, boekje erbij, jum.

Na een half uurtje komt er een kliekje dikke zwartgeklede roadies naast me zitten. Leuke jongens. Spreken allemaal Frans, en hebben denk ik niet door dat ik ze gewoon kan verstaan. Ze hebben even vrij van de opbouw voor vanavond. Stuk voor stuk kleden ze zich uit tot aan hun boxers en laten zich in het water tuimelen. Allemaal hebben ze het ijskoud, maar ze laten zich niet kennen.

Na een tijdje laat ook ik me even in het water zakken. Gelukkig liggen er langs de kant grote rotsblokken half in het water, dus ik hoef niet gelijk het diepe in. Maar man, man, wat is dat water koud! Typisch een groot bergmeer. Ik blijf er even in zitten om eraan te wennen, maar mijn nagels verschieten vrijwel direct van kleur. Lila, blauw… tijd om eruit te gaan. In de zon is het gelijk weer zo heet dat je levend gebraden wordt.

Ik blijf tot een uurtje of vijf zitten, als ook de roadies door hun opperroadie weer terug naar hun plicht geroepen worden. Ik slenter uitgerust de heuvels weer op. Vanavond ga ik eten bij restaurant Café l’Union, aan het einde van de dorpsstraat. Ik heb al een tafeltje voor mezelf gereserveerd. Het eten is heerlijk! Dit is een aanrader! Serieus.

Na het eten wandel ik voldaan weer naar huis. Ik heb donders veel energie, ondanks de maaltijd. Maar ja, het is ook donderdagavond, dus normaliter zou ik nu Pro Deo hebben. Ik spring wat door het huis heen, dans op allerlei muziek, maar ga dan toch maar naar buiten. Ik wil even kijken welke sport ze op het schoolveld achter mijn appartement spelen, maar zodra ik er kom, is de wedstrijd voorbij. Ik hoor in de verte koeienklokken en geloei, dus ik loop wat verder – al bijna het dorp weer uit – en zie inderdaad een hele kudde bruin vee verop in een weiland staan. Kalfjes stieren rond, koeien slaan loom met hun staarten naar de vliegen. Ik klim op een stapel balen kuilvoer en zet me aan het schrijven. Nog even ren ik terug naar huis, kleed me warmer, pak mijn camera, en ga weer zitten. Heerlijk, zo’n avond. Klokkengelui van koeienbellen is toch echt, echt mijn favoriete geluid.

Thuis ga ik nog wat zitten in de avondschemering, kijk vliegtuigen die overkomen. Dan weer lekker slapen.

vrijdag

Vandaag ook weer lekker uitgeslapen, eitjes gebakken, ruim ontbeten. Ik zit weer wat te lang op het dakterras, maar het is ook zo lekker. Het belooft niet zulk goed weer als gisteren te worden – wel droog, maar bewolkt – dus ik heb mezelf gezegd om naar Genève te gaan. Echter, ik bekijk een beetje de bezienswaardigheden in Genève, en mijn zin neemt af. Ik wil eigenlijk helemaal niet zo’n grote, grijze zakenstad in, terwijl ik hier in dit dorpje heerlijk van de landelijkheid kan genieten.

Mijn humeur is sowieso niet al te best vandaag, dus ik stel het ‘wat gaan doen’ zo ver mogelijk uit. Uiteindelijk beslis ik dat ik met de bus naar Nyon zal gaan, en daar met een mooie boot de oversteek naar het Franse dorpje Yvoire ga maken. Dat moet erg mooi zijn, al is de overtocht wel erg prijzig.

Ik stap op de bus naar Nyon, en hoe gemakkelijk gaat de reis toch – de buschauffeur becomplimenteert me nog, hij kan me prima verstaan, en gelooft eigenlijk niet dat ik uit Nederland kom. ‘Die Nederlanders spreken ook álle talen!’ grapt hij. Welnee man, dit is schoolFrans, en ik ben gewoon goed in het imiteren van intonaties.

In Nyon laat ik me er bij de muziekschool aan de kade uit zetten (veel muziekscholen hier, trouwens, ook in Crans al). Ik loop naar het loket waar de boottickets verkocht worden. Ai, ik moet nog anderhalf uur op de volgende boot wachten. De lokettiste weigert me bovendien in het Frans aan te spreken. Ze blijft maar dik Engels praten en dat maakt me – gezien mijn vervelende humeur sowieso al – flink koppig. Ik besluit nog geen ticket te kopen, en eerst die tijd maar eens af te gaan wachten.

Ik loop wat langs het kasteel, langs winkels, … en beland in een groot warenhuis, op de afdeling met kantoorartikelen en fournituren. Ja, je zult je afvragen – wat is dáár leuk aan? Maar daar, beste mensen, daar vind ik nou altijd mijn beste souvenirs. En jawel hoor. Kleine, aparte kaartjes, spotgoedkope stukjes vilt, om thuis nieuwe sloffen mee te maken, en echte metalen knopen in de vorm van Edelweissbloemetjes. Stiekem is winkelen toch nog de beste remedie tegen een slechte dag…

Met een redelijk goed gevoel verlaat ik het warenhuis. Het is al half drie, de boot is al vertrokken. Ik kan nog een volgende nemen hoor, daar niet van. Maar ik wil niet. Het staat me allemaal te veel tegen dat er iets ‘moet’. Die buien heb ik soms, en op een vakantiedag betekent dat gewoon, dat er niets moet. Ik kan daar prima mee leven.

Ik stop nog even bij het stenen- en mineralenwinkeltje, dat er bijzondere openingstijden op nahoudt. Het zou nu open moeten zijn, volgens de haastig geschreven briefjes op de ruit. Maar nee, het is dicht. Ik treuzel nog even voor de deur, maar nee, er komt echt niemand. Ik wilde zo graag een bepaald steentje kopen… maar dat moet dan in Freiburg maar. Hier zal het toch wel belachelijk duur zijn.

Ik zet me op de bus terug naar Crans, en omdat het nog zo lekker warm is, pak ik wederom even mijn zwemspullen erbij. Nu gaan ook mijn schilderspullen mee. Ik ga lekker aan de waterkant zitten schilderen. Daarvoor moet ik wel even door een hekje heen, dat er sinds gisteren staat, met als opschrift ‘bands & roadies only’ – jaja, m’n neus. Ik ga lekker op de rotskade zitten, net als gisteren, en er is geen security-figuur dat me daar weghaalt. Echt niet. Roadies scharen zich om mee heen, lachen, zwemmen, drinken bier, net als ik (jawel, dit keer heb ik bier mee). Waterverven met een witte blouse en wit badpak is niet zo’n goede combinatie, trouwens. Maar het gaat me redelijk zonder vlekjes af.

Ik loop weer terug naar de straat, en een security-jongen houdt keurig het hekje even voor me open. ‘Quel service, merci!’ groet ik hem vriendelijk, en hij groet beleefd terug. Deze dame kwam even schilderen, weet u wel. Die laat je gewoon door, ook al is ze haar festivalbandje vanmiddag in de bus kwijtgeraakt.

Thuis ga ik lekker eten, maak wat dingen in de koelkast op zodat ze niet overdatum raken. Zit nog lang buiten ’s avonds, en ga dan weer slapen.

zaterdag

Zaterdag pak ik in, ruim ik op, blijf nog wat langer in het appartement. Regel alles via WhatsApp en SMS met Kim en Gilbert, en verlaat het huis.

Op de bus naar Nyon. Vanaf daar op de trein naar Morges ofzo. Het is alweer lekker warm. Ook nu word ik weer misselijk in deze trein – het ligt echt aan de schommelingen van de trein. Afrader, je kunt beter via Bern gaan. Of per vliegtuig.

Ik stap weer over op Olten en kom weer in het Baselse land. Op Basel stap ik uit en neem ik – zwartrijdend – de tram naar Schifflände. Dat is aan het water, zoals je mag verwachten. In een klein zijstraatje daar zit dus dat kleine winkeltje Abraxas, wat nu wel open is.

Ik moet er echt nog meer over schrijven, maar mijn bezoek gaat ongeveer zo: ik kom binnen, kan mn kont amper keren, en zie echt overal om me heen delicate dingetjes, ganzenveren, inktpotjes, wasstaafjes, dunno what. Dus ik leg mijn grote rugzak af, onder een tafeltje, en ga alles aandachtig bekijken. Na een kwartiertje word ik opgemerkt door de eigenaar, een wijs kijkende man met een staart. In de winkel zit ook nog een jongen op een krukje, hij blijkt David te heten. Hij leest graag boeken in de winkel.

Ik raak met de verkoper aan de praat, en we praten over van alles. Over leven, kunstenaarschap, vrijheid, keuzes, het maken van kunstwerken. Long story short: ik ga er uiteindelijk weg met mooie aankopen, pardoes gekregen korting – handdrukjes, knuffels, en bewonderende blikken van de jonge David. Ik ben echt helemaal mesmerized als ik de winkel uit loop. Het is inmiddels ook al vijf uur, en ik moet om acht uur al in Freiburg zijn!

Ik haast me naar de trein, vanuit de trein bel ik driftig naar de zaal waar VNV Nation zal spelen, naar een taxicentrale… ik loop vanaf station Freiburg Littenweiler (het studenten-station) naar het hostel, vind het gelukkig op tijd, en check snel in. Ik dump mijn spullen in mijn kamer, kleed me vlug om, oordoppen mee, en als ik buiten sta, rolt de taxi al voor. Hops, ik laat me vervoeren naar het centrum. De prijs is gelukkig redelijk. De taxichauffeur vertelt dat hij nog eens met een Arabische man naar Enschede is gereden. De beste man was in Freiburg en stond erop dat hij daar, in Enschede, naar het casino zou gaan. De man blijft erin, wat een verhaal. Veertien uren aan het autorijden, drie uren wachten, voor een klap met geld. Of de Arabier gewonnen of verloren had, wist hij niet, maar hij was goed betaald.

Ik kom bij de zaal, en VNV Nation is net een kleine tien minuten aan het spelen. Yess ik kan gelijk aanhaken. Ik sluip naar voren tot dicht bij het podium, maar oh oh wat is het warm in deze donkere keldergewelven onder de stad Freiburg! Ik laat me al gauw iets terugzakken richting bar. Ik bestel een prijzige fles Club Mate (een drank die hier heel normaal is) en zet mijn telefoon op vliegtuigstand, zodat ik straks nog middelen heb om naar het hostel te komen. Ook noteer ik weer even het nummer van de taxicentrale – je weet maar nooit.

Na het echt geweldige, energieke, en wederom zing-alles-mee-geweldige concert laat ik me een beetje helpen door de dame van de garderobe. We vogelen samen uit welke tram ik moet hebben. Dat doen we dan maar, met kans op veel lopen vanaf de laatste halte. Inderdaad. Het lukt me zelfs om niet zwart te reizen, op mijn laatste eurocenten.

Ik moet inderdaad vanuit de wijk Littenweiler naar het hostel lopen, nu via een andere route als vanmiddag, maar het is redelijk verlicht, er lopen genoeg jongeren, en ik weet ook in het donker perfect waar het hostel ligt (ik ben er echt pas één keer geweest, een paar uur geleden, maar ik kom al zo lang in Freiburg, dat ik echt exact weet waar ik ben). Ik wandel erheen, hopsakee, meld me weer. Sander is verdeeld blij over mijn goede aankomst. Ik had hem gevraagd er even op te waken dat ik echt na 20 minuten zou SMS’en dat ik aangekomen was. Na 20 minuten, als mijn telefoon weer aan de lader ligt, krijg ik de SMS ‘hoeraa! 20 minuten… de katten zijn van mij!’ – Dankjewel, Sander. Gelukkig, daar wordt in ieder geval voor gezorgd. Ik doe zijn euforie gauw teniet met de melding dat ik nog leef, dank u.

Ik ga douchen en maak me klaar voor bed. Dan komt er een meisje binnen. Ze zegt spaarzaam hallo en verdwijnt in het badkamertje. Daar hoor ik plotseling langdurige braakgeluiden. Ik blijf een tijdje liggen, maar kom dan toch weer m’n bed uit. Ik trek een broek aan en informeer door de deur heen of alles okee gaat. Ja, het gaat goed. Nee, ze is niet dronken. Ze heeft slechte kip gegeten, en het spijt haar heel erg. Daarop volgende braakgeluiden en gesnik doen me ervoor kiezen om toch om een aparte kamer te vragen.

Die krijg ik, beneden bij de receptie. Het is wat gedoe, want kennelijk zijn er, in dit megalomane hostel, echt geen kamers meer vrij. Nou, eentje dan, een tweepersoonskamer met alleen lage bedden. Ja, die luxe kunnen ze natuurlijk niet zonder slag of stoot vergeven. Ik beloof de kamer heel schoon te houden. Het mannetje begeleidt me persoonlijk mee naar boven. Ik wil het meisje op mijn gedeelde kamer niet de confrontatie met hem aandoen, dus ik wuif hem weer naar beneden voordat ik de kamer weer in ga. Ze voelt zich al zo opgelaten.

Ik stel me even voor – zij heet Laura, en komt uit New York. Ik zeg haar dat ze zich niet opgelaten hoeft te voelen, dat ik gewoon even mijn spullen pak, en naar de kamer ernaast verkas. Ondanks dat verontschuldigt ze zich nog honderdmaal terwijl ze weer in het bed boven het mijne klimt. Ze ziet erg pips en ze zal nog wel een aantal keer naar de wc moeten vannacht. Ik raad haar aan om in mijn onderbed te gaan liggen, maar dat wil ze niet. Ze verzekert me dat ze hier met vrienden is, en dat ze samen een stage gaan volgen. Dat stelt me wat gerust, er wordt ook door anderen op haar gelet. Door uitdroging na overgeven kun je best van de kaart raken, en dan is het juist weer niet handig als je in je eentje op een afgesloten kamer ligt.

Ik betrek mijn eigen suite, maak het me comfortabel, en ga lekker slapen.

zondag

Ik sta op, ruim op, maak m’n kamer in orde, en ga ontbijten. Bij toeval, en maar goed ook, zie ik aan het eind van de ontbijttafels Laura zitten. Ik vraag of ik bij haar aan mag schuiven. Dat is in orde. We kletsen wat over waar ze woont, hoe en waar ze naar school gaat, en hoe bereisd ze wel niet is. Komend uit New York vliegt ze met regelmaat, op de frequent flyer miles van haar pa, naar Texas, waar ze studeert. ‘Treinen gaan er niet zo veel’ legt ze me uit ‘en het is gewoon te ver’. Alsof je in Amsterdam woont en in Spanje studeert, zeg maar. Wat een leven.

Ik probeer haar zo veel mogelijk op te beuren en zo min mogelijk over eten te praten. Ze hapt haar ontbijt weg terwijl ik twee dubbele porties eet, omdat ze in dit hostel allemaal leuke ingenieuze manieren hebben om je voedsel met zo min mogelijk afval op je bord te laten belanden. Marmelade in ijscupjes enzo, hartstikke tof. Ik snack wat weg.

Daarna zeggen we gedag en wandel ik naar station Littenweiler. Ik stap in het felle morgenzonnetje op de trein naar Freiburg centraal, ga vanaf daar naar Karlsruhe. Houd contact met Sandeep, die ik in Stuttgart zal treffen. En inderdaad, dat lukt. Sandeep en zijn vriendin Birgit staan me op te wachten. Birgit heeft een goed idee: we gaan in het stadspark naast het station zitten. Leuk. Er is een biergarten, en verderop wordt gedanst. Die Duitsers toch. We bestellen een flinke pitcher sap – rabarbersap, heerlijk – en zetten ons aan de tafels. Het is warm, gelukkig hebben we schaduw. De muziek klinkt, we kletsen bij, Sandeep maakt grapjes over mijn liefdesleven, nu hij er zelf warmpejs bij zit. Er komen diverse langharige ruigbaardige jongens voorbij, en met glinsterende ogen van pret wijst hij ze me allemaal aan. Ik kan er wel om lachen.

Na heerlijk drinken en eten zoeken we op hoe laat mijn trein gaat, en zetten we ons nog even in het park op een bankje tussen het groen om dat af te wachten. Dan wordt het echt tijd om te gaan. Ze brengen me naar de trein, ik zeg gedag, en hop, daar begint de laatste lange reis naar het noorden.

Ik weet nog een paar vernuftige overstaps te regelen, die me enigszins sneller in Enschede beloven te brengen. Dat lukt niet helemaal, en zo leer ik dan ook dat de trein vanuit Dortmund er echt twee keer zo lang over doet als de trein vanuit Münster. Die haal ik, voor de verandering, dan wel eens een keertje ruim. Ik heb zelfs nog tijd om op het station een crêpe met Nutella te eten! Eindelijk dan toch, en voor een schappelijk prijsje ook.

Na twee uur vermoeiend treinen met de boemel ben ik dan eindelijk, eindelijk weer thuis. De poezen draaien om me heen, het huis staat er nog bij zoals altijd. Morgen nog een dagje vrij. Aaaaahh. Ik krijg maar een half witbiertje op, dan sleurt de slaap me naar bed toe.

vrijdag

De vrijdag begint rond een uur of zeven. Ik moet nog allerlei kleine dingetjes doen aan mijn gitaar, alsook nog de helft inpakken. Dat laatste is zo’n saaie routine geworden, dat ik het tegenwoordig als het even kan uitstel tot de dag van vertrek. Ik ken mezelf.

Tegen negen uur heb ik inzicht in de nog benodigde tijd, en app ik Yvo, die mij naar SHA zal rijden. Om tien uur meldt hij dat hij net wakker is. Inmiddels heeft nieuws ons bereikt dat men het doek van de partytent vergeten is – of wij iets mee willen nemen? Yvo wil zijn Turret (vijandelijke schietende robot uit het spel Portal) zonder pardon droog hebben staan, dus hij zet koers naar een winkel om een nieuwe partytent te kopen. Terwijl ik verder inpak en mezelf fatsoeneer denk ik ‘partytenten zijn áltijd een hekel punt aan het begin van een gezamenlijk kampeeruitje. Daar zou iemand eens iets op moeten verzinnen’. Zuchtend ga ik verder met mijn bezigheden.

Even na elven ben ik klaar. Yvo stuurt me een foto van een ingepakte aanhanger. Hij woont aan het einde van mijn straat, dus binnen een minuutje is hij bij me. We laden al mijn koffers bij in de bak en we rijden door naar Govert. Ook die woont in de buurt. Hij staat gelukkig al klaar als we onze combinatie netjes inparkeren voor zijn huis. We kunnen op weg!

Het ritje naar Zeewolde duurt iets langer dan normaal. Met onze aanhanger kunnen we namelijk maar maximaal 90 rijden. Dat merk je wel, als je ritjes naar Deventer of Utrecht onbewust gewend bent. Eindeloos lijkt de snelweg. Gelukkig hoef ik niet op te letten. Ik lees op de achterbank mijn Harry Potter fanfiction en luister met een half oor naar hoe Yvo en Govert briljante, vergezochte, en simpelweg geniale grapjes met elkaar maken. Af en toe kijk ik achterom naar de aahanger. Het is gek om al mijn waardevolle bezittingen in een aangekoppelde kar achter mijn eigen vervoermiddel te hebben. Ik kan het kwijtraken. Dit is een graadje onvoorzichtiger dan ik normaliter ben. Maar er staat me nog genoeg te wachten…

Op het terrein van SHA mogen we niet zonder meer naar ons kampement rijden. We moeten parkeren op een groot wuivend grasveld aan de overkant van de weg. We rollen de auto met aanhanger ergens in de achterste rij, we pakken onze belangrijkste tassen, en beginnen dan maar met lopen. De rest van de gevulde aanhanger laten we gewoon achter op het veld. Een volgende bezoeker parkeert zijn bus naast ons en zwaait vriendelijk. Is dit hoe het gaat? Laten we in vol vertrouwen onze waar onbeheerd achter? Ja, dat doen we.

We stiefelen tien minuten braaf door over een hobbelig zandpad. We passeren de entree, ontvangen ons polsbandje, en zoeken ons veldje op. Hehe, eerst even naar de wc. Als ik terugkom beramen we een plan om een golfkarretje te reserveren voor onze bagage. Echter, dat gaat moeilijk. De wachtrij is lang en ondanks connecties hier en daar komen we niet sneller aan de beurt.

Dan komt er een jongen met de naam Thomas voorbijscheuren. Zijn golfkar is leeg en hij gaat richting entree. Mogen we mee? ‘Spring d’r maar in, ik ga mijn telefoonkabel uit de auto halen!’ Hebben wij even geluk. Hij zoeft ons hobbelend en slingerend naar het parkeerveld. ‘Als je snel bent, kan ik jullie aanhanger wel mee terugnemen?’ Dat laten we ons geen twee keer vertellen. Ik sta er wat verbaasd bij te kijken. Jawel, een golfkarretje kan een complete aanhanger trekken! We koppelen aan, en met iets meer beleid dan op de heenweg scheuren we terug naar het kamp. Yvo mag voorin zitten met de Turret op schoot, Michiel, Martijn en ik houden ons vast achter in het bakje. Dit is prima vervoer, en zie eens hoe snel al onze bagage bij de tenten is! Hier hadden we minstens vier keer voor moeten lopen.

We zetten allemaal onze tenten op en maken het ons gemakkelijk. We missen de openingsspeech, maar dat maakt niet echt uit. Ik heb hoofdpijn en wil eigenlijk direct gaan slapen, maar het is pas vroeg in de avond.

Ik vermaak me de rest van de tijd met het rondlopen over het veld en het bekijken van andermans installaties, foodtrucks, en natuurlijk onze Pixelflut-installatie in de bar.

Laat op de avond loop ik met mijn tandenborsteltje heen en weer, pak me warm in, en ga slapen. Eens zien wat morgen brengt.

zaterdag

Ik word tegen een uur of negen wakker. Michiel en Martijn hebben beloofd me naar Almere te brengen en zullen over twee uurtjes klaarstaan.

Tot mijn genoegen zitten we allemaal rond een uur of tien voor onze tenten, heeft Marianne koffie, en Mariska bolletjes met hartig en zoet beleg. De aanloop naar de Turret is eindeloos. Iedereen vergaapt zich aan de witte, dodelijke robot. Hij kan ook meer en meer. Yvo zit er als een havik bij en vertelt in prachtig steenkolenengels aan iedereen hoe het ding ontwikkeld is. Onderwijl laat hij zien hoe de schalen in- en uitklappen en hoe de robot pijltjes schiet. ‘Kan hij ook praten?’ wordt ons vaak gevraagd. Nee, dat kan Turret nog niet. Maar we hopen op maandagavond, en dan zal ik niet te beroerd zijn om wat toepasselijke uitspraken in te spreken met een stemvervormer.

Ondertussen wordt het tijd om in te pakken. Ik moet creatief zijn met mijn tassen, en hier laten wat ik niet nodig heb. Mijn tent zetten we vast met een paar extra haringen en een scheerlijntje links en rechts. Als het nu niet belachelijk hard gaat waaien staat die tent er zondagavond gewoon nog. Iets na elven heb ik mijn bepakking compleet. Ik heb nauwelijks dubbele kleding mee. We lopen naar de auto, ik vergeet nog wat, en dan lopen we nogmaals naar de auto terwijl het inmiddels regent. Oei, mijn beschilderde tas geeft af. Mijn handen zitten vol met groene vlekken. Dat is niet erg handig. Inmiddels bericht mijn AirBnB me of ik er al aankom, want ze moeten zelf zo weg. Oei, dat lukt me niet. Ik stuur terug dat ik er nog wel 1,5 uur over doe. Dat had ik beter kunnen plannen.

Vanaf Almere pak ik zonder nadenken de Sprinter naar Schiphol. Dat is niet bepaald handig, merk ik al gauw. We boemelen traag op ons doel af. Op elk station blijven we tergend lang staan. Overstappen op een Intercity kan ook niet meer. Pech dan maar, ik hoef niet heel vroeg op Castlefest te zijn. Vanaf Schiphol wil ik de Q-Liner 361 pakken, maar die gaat pas weer over drie kwartier. Hulde aan internet overal: ik weet een snellere route te vinden die me via Sassenheim naar Lisse brengt.

Tegen twee uur ben ik eindelijk bij mijn AirBnB. De aanwijzingen zijn simpel, toch wat vreemd voor het keurige buurtje met gezinswoningen waarin ik me nu bevind: ‘pak de sleutel uit de linkerkant van de brievenbus – hij zit vastgeplakt met plakband’. Nou, en of. Ik peuter de sleutel los en zorg dat hij niet direct naar binnen valt. In huis ligt op tafel netjes een welkomstbriefje klaar en boven in mijn slaapkamer steekt mijn sleutel in het slot. Hèhe, wat een avontuur weer! Gelukkig was ik al half gekleed als Maria von Trapp, en wie verdenkt zo iemand er nou van dat ze inbreekt in iemands huis?

Ik stal mijn spullen uit in mijn slaapkamer en ik kleed me om naar Maria von Trapp. Gitaartje mee, tas mee, en lopen maar. Tegen half drie ben ik op het terrein van Castlefest. De ingang is verplaatst, en we moeten ver omlopen. Gelukkig word ik gelijk na binnenkomst beloond met een eerste ontmoeting: Jildou en haar Zweedse gasten. We zeggen hallo, bewonderen elkaars outfits, en dan ga ik naar de Folk stage op zoek naar Paul.

Even sta ik stil voor ik de dansende menigte. Onbewust dwaalt mijn blik af naar een persoon in een groene kiel, in het gras rechts van me. Hij kijkt niet op, houdt zijn blik strak op zijn telefoon. Ach… , wie mij kent, weet wel wie ik daar zie. Ik zeg maar niets, en loop door.

In het publiek voor de Folk stage kom ik eerst Lenny tegen. Leuk! Iets houdt me echter tegen heel uitbundig vrolijk tegen haar te doen, en ik volg mijn gevoel. Paul ziet ons en komt erbij staan. We groeten Lenny gedag en lopen getweeën verder.

Zo struinen we heel de dag de velden over. Er is veel bij te praten, en dat kan prima terwijl we van kraam naar kraam zwermen. Flarden verhaal wordena afgewisseld door anekdotes, gekke opmerkingen, veel gelach en natuurlijk veel knuffels. We kopen leuke kleine dingen, ik koop in een opwelling een leren hoedje, we eten lekkere vleesspiezen en highlandersteaks.

Tegen acht uur in de avond betrekt de lucht. ‘I have confidence in sunshine, I have confidence in rain, … I have confidence in rain, in rain in rain!’ zing ik uitgelaten. Paul snoert me de mond en beweert dat ik het slechte weer aanroep. Een zware donkere wolk kondigt inderdaad regen aan. Als de eerste drupjes vallen gaan Paul en ik schuilen in een grote boekentent. Binnen no time valt de regen met bakken uit de lucht. Paul leent mijn poncho en gaat de tent uit, zodat hij het aansteken van de Wickerman kan zien. Dat is voor hem een speciaal moment.

Ik blijf in de boekentent en geniet van drop en muffins die uitgedeeld worden. Als de Wickerman brandt schuif ik een tentje op en kan ik de vlammen boven de tenten uit zien komen. Toch brandt hij niet zo lang en uitbundig dit jaar. Dat het ook precies tegen acht uur begon met regenen! Volgens mij is dat een slecht voorteken voor het thema van dit jaar, ‘fertility’! Jammer voor alle Wickerman-fans die zo hoopten op meer van dat, dit jaar. Volgens mij gunde de natuur het ze niet!

Na de regen lopen Paul en ik weer rustig verder over het terrein. Het is sterk afgekoeld en ik ben blij dat ik een vestje bij me heb. We lopen nog wat rondjes, halen een fles dennenmede, en zetten ons in het gras. Een jaar aan persoonlijke groei en ervaringen passeert de revue. We breken een tweede fles dennenmede aan. Na twaalven worden we van het terrein af gebezemd. Tijd om richting Lisse te wandelen en lekker mijn bed in te gaan.

zondag

Ik word om half negen wakker, maar oef! Wat heeft die dennenmede erin gehakt. De hoofdpijn blijft uit, maar ik heb een suf gevoel in mijn hoofd, en een zogenaamd dood vogeltje in mijn mond. Ik ga maar eens douchen en dan naar beneden voor het ontbijt.

Jan-Pieter, de gastheer, heeft een uitgebreid ontbijtje voor me neergezet. Warme broodjes, koffie, vruchtensap. We praten er vrolijk op los. Zijn vrouw Gwen is er niet vanwege familieaangelegenheden, maar dat mag niet deren. Na een uurtje komen ook de andere gasten, een Fins stel, naar beneden. Zij ontbijten net na mij. Ik ga inpakken en maak me klaar voor nog een dagje rondlopen.

Met een extra rugtas en een papieren tasje met mijn gitaar verlaat ik het huis. Het is alweer lekker zonnig weer. Vandaag loop ik in gemakkelijke kleren. Ik wilde nog een korset aandoen, maar Paul moet me helpen bij het sluiten. En met dat korset kan ik erg moeilijk naar het toilet, plus ik ben nog steeds wat duf, dus… die blijft lekker in de tas. Er lopen al zoveel dames met korsetten (passend en niet passend) rond, dat hoef ik niet te doen.

Bij de ingang wacht ik op Paul. Hij moet zelf ook van tent wisselen, want zijn kampeermaatje is vervroegd van Castlefest weggegaan. Het duurt even, maar daar is hij. Hij moet eerst naar de parkeerplaats, daarna zal hij mijn tassen in zijn gedeelde tent leggen. Ik vind het best, het is niet zwaar, dus ik loop er wel even mee het terrein over. Bij de kraampjes kijk ik naar leuke dingetjes. Sommige spulletjes vind ik geweldig origineel, van andere denk ik ‘dat kan ik ook zelf maken’. Blij dat ik dat van mijn ouders heb meegekregen. Met naaimachine, soldeerbout en protoplast kom ik aan alles voor een prikje. Sorry standhouders, maar ik kijk jullie ideetjes af en maak het zelf. Ooit.

Bij leerbewerking trek ik de streep, trouwens. Dat heb ik in februari geprobeerd, een heel klein buideltje maar, maar dat werd wel handwerk. Ik zou het niet graag herhalen voor grotere projecten. Vandaar ook de aankoop van de mooie vagabond hat, die ik vandaag vol trots draag.

Paul appt me dat hij bij de Village stage wil gaan dansen. Zuchtend trek ik hem digitaal aan zijn oor. Hij zou toch mijn tassen in zijn tent leggen, wat is dat nou! Hij komt zijn afspraak gelukkig na, en met een kwartiertje ben ik van mijn ballast af. Waar die blijft is overigens onduidelijk. Ik vertrouw er gewoon op dat alles in iemands tent ligt, en dat die iemand niet besluit het uit haar tent te knikkeren, te verkopen, of kapot te maken. Best vreemde manier van vertrouwen, maar zo werkt het dit weekend wel.

We lopen verder, doen wat kraampjes aan, doen een balfolk workshopje, waarbij ik eindelijk wat leuke variaties in de Jig leer. We komen allerlei mensen tegen, genieten van wat eten, wat drinken, muziek, en elkaars gezelschap. Tegen zessen vind ik het wel genoeg geweest. Tijd om terug te gaan naar mijn andere vrienden, die net zo veel lol hebben op een ander grasveld in Zeewolde!

Ik neem afscheid van Paul en laat hem mijn tassen van de camping ophalen. Als hij weg is kom ik Joost tegen, avontuurlijke Joost met woest wapperend lang haar die net twee dagen mijn Instagram-follower is. ‘Hee Joost!’ toeter ik. Het blijkt hem echt te zijn, en hij en Paul blijken ook al ergens met elkaar gepraat te hebben. Altijd gezellig. Joost en ik lopen samen naar de parkeerplaats en praten wat met elkaar. Dan wordt het voor mij tijd om op de bus te stappen. Maar waar gaat die eigenlijk?

Ik loop een eind Lisse in, niet naar mijn AirBnB, maar naar het centrum. Inderdaad, ergens, helemaal aan de andere kant, komt de Q-Liner. Een meisje genaamd Jaimy zit al in de schaduw wachten. Na een half uur wachten en opkijken bij elk gemotoriseerd voertuig dat voorbijzoeft komt onze bus eraan. We raken aan de praat en kwebbelen tot Schiphol over onze dag op Castlefest, en mijn verdere bezoek aan SHA. Dan zeggen we gedag en gaan ons weegs.

Ik stap op de Intercity naar Almere en kom dit maal netjes op afgesproken tijd aan. Michiel staat me al op te wachten, jeej, wat een service! We zoeven terug naar SHA, terwijl de zon ondergaat over de poldervelden.

Mijn TkkrLabbers zijn blij om me terug te zien. Ik heb wel heel wat gemist. Ik doe nog een rondje over het veld en neem gelijk mijn tandenborstel mee, zodat ik ergens vast even kan tandenpoetsen. Ik nader de toiletblokken in het Scandinavische kampement. Midden op hun veld staat uiteraard een Finse ton-sauna. Precies een geval als ik had verwacht dat ze daar zouden plaatsen. Er lopen halfnaakte mannen in en uit alsof het de gewoonste zaak van de hele wereld is.

Een ranke, langharige jongen met schitterende lichtblauwe ogen vergezelt me bij de wasbak. Ik vraag hem of hij Fins is, omdat hij absoluut niet opkijkt van al die naaktloperij hier. Dat is hij niet; hij heet Brett, is Australisch, en bezoekt al jaren Europese hackerfestivals. Nu heeft hij zich gevestigd in Zuid-Holland en gaat daar een jaar lang werken bij een opleidingsinstituut waarvan ik de naam kwijtraak. We babbelen nog wat door, ik verdrink meerdere malen in zijn stralende blauwe ogen, en uiteindelijk loop ik weer terug naar mijn tent. Brett heeft beloofd mijn village morgen even op te zoeken. We zullen zien.

Ik pak me deze avond aardig in en ga relatief vroeg slapen.

maandag

Okee, toegegeven, dat was een woordgrapje.

Wakkerworden is vandaag niet het moeilijkste punt. Daarvoor moet ik wellicht even wat vertellen over slapen op SHA, of gewoon op ieder festival met zoveel licht en geluid.

’s Nachts gaan de leds en de electronische muziekjes aan, lopen mensen rond, en genieten ze van elkaars projecten. Hoe feller en luider, hoe beter. Ook al is er een regel dat het na twaalf uur stil moet zijn, van her en der op het veld hoor je nog monotone beats, geflankeerd door lichtorgels in alle kleuren van de regenboog. De experimenten met de vier vlammenwerpers bovenop de toren, vijftien meter van mijn tent, heb ik nog niet eens genoemd. Met hun kenmerkende ‘DOFF DOFF’-geluid bij elk shot, en de oranje vlammen die ze uitbraken, heb je het idee dat er een compleet nest draken het op je tentje voorzien heeft.

Slapen voor vier uur ’s nachts betekent je draai vinden in een zo donker mogelijke richting en vooral alles negeren dat buiten je tent voorbijkomt. Echt donker wordt het sowieso niet. Koud wel.

Als ik mijn ogen voor de eerste keer open hoor ik stemmen van Thijs en een onbekend persoon naast mijn tent. Ik lig half in foetushouding, want het behoorlijk koud, ook al heb ik een merinotrui, een fleecejack, een legging en een paar sokken aan in mijn slaapzak. ‘Hoe laat is het?’ vraag ik Thijs. ‘Vijf uur vijfenvijftig.’ ‘Oh.’ ‘Hoe was het op Castlefest?’ ‘Uhh… niet nu?’ Duf draai ik me om en probeer weer in slaap te komen voor die laatste paar uurtjes. Het is nu wel relatief lekker rustig op het veld, daar moet ik van profiteren.

Tegen negen uur word ik weer wakker, nu door de zon die langzaam op mijn tent begint te branden. Op zo’n moment weet je het met kamperen: je moet als de wiedeweerga uit je superwarme kleren, voordat je wegzweet. Ik rits mijn slaaptent open richting vestibule en laat het doorwaaien. De zon wordt snel branderig vervelend. Hop, alles achter op mijn bed, kleren aan, ontbijten en tandenpoetsen.

Ik ontbijt met een ziplockje vol verse pasta van de AH. In het zakje, en in de waterkoker, doe je water, tot het halverwege level staat. Dan zet je de waterkoker zo’n driemaal achter elkaar aan. Klaar is de pasta, geen gedoe. Niet voor dagelijks gebruik, ik zeg het je.

Sneaky begeef ik me naar de vrijwilligerstent, waar ik een bakje koffie inschenk. Als iemand klaagt, zeg ik wel dat mijn naam nog op het bord staat voor het moppen van de vrijwilligerskeuken op vrijdagavond. Niemand vraagt me wat, dus ik kan weer terug. Koffie, pasta, het ontbijt is compleet. Er zitten inmiddels al wat meer mensen rond de tent.

Na het ontbijt trek ik me terug in mijn slaaptent. Yvo prutst aan zijn Turret. Ik hoor vervelende geluiden in de trant van ‘aah’ ‘kapot’ en ‘nog meer kapot’. Als ik na een tijdje weer buiten kom, blijkt dat de Turret te lijden heeft gehad onder zijn Chinese onderdelen. Al gauw doet alleen het oog het nog, verder is hij vleugellam. Jammer. Ondanks dat komen er nog genoeg mensen kijken naar ons lief uitziende, maar dodelijke robotje.

Ik besluit voor vandaag eens te zien of ik een stukje kan programmeren aan de badge. Ik ben ten slotte toch developer, ik wil wat bijdragen. Alles is in Python, en er staat een hele codebase  klaar, what could go wrong?

Eerst maar eens de ledjes op mijn badge solderen. Dat gaat me niet erg goed af. Thijs is inmiddels weer wakker en hersoldeert de ledjes zodat ze iets netter zitten. De trilmotor achterop lukt me wel goed. De ledjes gaan echter nog steeds niet aan, welk appje ik ook probeer. Thijs en ik lopen naar de Badge-bar, waar Bas en Frans zitten te solderen aan hun badges. Bas wil wel even kijken of alle ledjes goed aangestuurd worden. ‘De tweede is kaduuk’ constateert hij. We gaan even langs opperhoofd Jeroen en krijgen van hem een nieuw ledje. Terug bij de tent doet Thijs zijn best om het stukke ledje er voor mij af te krijgen (want ik ben beter met een desoldeerbout, dan met desoldeerlint) en dan kan ik de nieuwe erop zetten. En jawel! De nyanserv app toont mij dat alle (serieel geschakelde) ledjes nu werken! Blij dat ik ben.

Nu de ontwikkelomgeving. De zon staat intussen hoog aan de hemel. Ik wissel naar een dunner shirt dat mijn schouders beter bedekt en ik rits mijn broekspijpen af. Om mij heen smeren mijn nerds zich driftig in met dikke lagen zonnebrandcrème, maar tevergeefs. Na een paar uur ziet iedereen zo rood als een kreeft. Ergens tussen mijn kindertijd en nu ben ik daar toch resistent tegen geworden, want ik voel het wanneer ik verbrand, dek de kritieke stukken huid af, en vanaf dat moment word ik alleen maar keurig bruin als een baguette uit de oven.

Omdat ik graag een zandbak wil voor mijn programmeerwerk probeer ik de emulator te installeren. Dat lukt niet. Thijs probeert me te helpen maar komt er ook niet uit. Renze kan me waarschijnlijk beter helpen, maar als ik die mijn laptop afsta ben ik hem voor een uur kwijt en snap ik daarna nog niet wat er allemaal aan verbeterd is. Ik wil het zelf doen. Dus ga ik naar de Badge bar en probeer een SHA Angel neer te flaggen. Diverse jongens helpen me met de error die ik bij de installatie krijg. Niemand weet het. Dan gaat eentje wat rondvragen op IRC, en jawel, er komt een patch in een pull request. ‘Even wachten tot de merge’ zegt hij, maar ik maan hem in de pull request te kijken. Het is maar 1 regel in 1 file, dus… juistem. Er is gewoon iets uitgecomment dat tijdens de installatie niet heel noodzakelijk is. Ik wacht niet op de fix, maar voeg de regel zelf toe, en hops, alles installeert. Ik bedank de jongen en vraag me af wat ik nu kan. De emulator is niet zo goed als de badge zelf, bovendien heeft een andere jongen me net uitgelegd dat ik gewoon mijn app (eggs genaamd) in de hatchery kan zetten als onbruikbaar, dan wordt hij direct beschikbaar op  mijn badge. Zo gezegd, zo gedaan.

Met de code direct live in de hatchery ontwikkel ik verder. Ik ga een Magic 8-Ball maken. Ik steel code uit andere projectjes en maak een mooie setup. Hij werkt nog niet, maar het begin is er. Ik ben al heel trots op mezelf als ik aan het einde van de middag een net appje heb staan, dat zijn eigen naam toont, en je weer terug laat gaan naar het hoofdmenu als je op Start drukt.

In de middag komt een journaliste van Trouw langs. Ze ziet onze Turret en is gelijk geïnteresseerd. Ze komt bij ons zitten en vraagt Yvo honderduit over de bouw van het ding. Daarna flagt ze haar fotograaf down en wil ze graag dat we allemaal op de foto gaan. Yvo wil niet, maar anderen van TkkrLab wel, dus we scharen ons rond het ding met laptops op schoot, en laten zien hoeveel plezier we hebben. De journalisten verlaten ons weer, en een camerateam dient zich aan. Wie wil er even een stukje rijden op de Klippan-bank op wieltjes? Niet iedere hacker wil in de media, maar ik wel. Ik hop snel op de bank en draai een eindje het pad op, terwijl Leroy stuurt. Ik kan niet achterhalen van welke zender de cameraman is, maar dat blijkt later dus de NOS te zijn. Jawel, aan het begin van de rapportage over SHA zie je mij op een rijdende bank voorbijkomen.

Die rijdende bank is trouwens niet het enige. Gesitueerd aan het hoofdpad zien wij van alles voorbijkomen. De trage, grappige bank, die heel de dag van links naar rechts voorbijsukkelt, wordt al gauw ingehaald door een rijdende fauteuil, en een snel rijdend keukenstoeltje. In de avond komt er nog een complete Kartent voorbij…

Ondertussen vertoont de badge allemaal kuren, maar dat is wel grappig. Ik besluit even te stoppen met ontwikkelen voor vandaag. We zitten allemaal opeengepropt in de schaduw onder de partytent waar de Turret in woont. Leroy komt links en rechts voorbij zoeven op de bank. De skottelbraai wordt aangeslingerd en we eten lekker gebraden vlees met salades. Nadien komt de taart op tafel die voor Leroy’s elfde verjaardag is gemaakt.

De avond valt nu snel, je merkt het direct wanneer de zon achter de bomen verdwenen is. De kou trekt op en het wordt onmiddellijk tijd voor twee extra laagjes wol. Ik warm weer op en zit nog wat bij de tent met een beker thee. Yvo miept over zijn Turret, en dat hij morgen naar huis toe wil. Hij voelt zich ook niet erg fit, dus ik geef hem gelijk. Punt is wel dat ik met hem mee terug rijd, dus ik moet ook inpakken morgen. Ik had net extra vrij gevraagd, dat blijkt nu voor niets. Ach ach.

Ondertussen regel ik met Attilla dat Paul morgen nog een dagje over het terrein mag komen lopen. Geheel kostenloos, zelfs zonder badge of wat. Hij komt er wel in, en anders moet ik maar even bellen. Okee…

Omdat dit voor ons de laatste avond is, wil ik niet vroeg naar bed. Gelukkig hoeft dat ook niet: opeens staat Brett met een vriend genaamd Arne voor onze tent. Ze blijven even naar de Turret kijken, dan pak ik een beker thee mee en vergezel ze over het terrein. Na een ruime ronde plus een mindboggling lezing over ingewikkelde monotone geluiden ga ik tandenpoetsen en terug naar mijn tent. Echter, daar kom ik Aschwin tegen. Hij wil ook nog niet slapen. Okee, dan gaan we nog even een rondje doen. We lopen helemaal langs de space uit Wuppertal en komen daar Michiel tegen, die bij een soort vuurplaats zit te kletsen. Je mag geen open vuur op SHA hebben, en terecht. Maar een hoop zand, of een bak water, met daarin een gasslang gepropt, geeft leuke, gecontroleerde vuureffecten, en dat mag dan weer wel. Hacken, hè?

We lopen met zijn allen verder naar de tent waar gisteren nog Arne en Brett in zaten. Ik tref ze er niet aan. Helaas. Ik doe nog een ronde langs de maintenten, speel nog een paar potjes tube tag mee met Renze, op het kruispunt. Kom buiten de bartent nog een nieuweling uit ons kamp tegen. Hij begint aardig, maar na amper vijf minuten luisteren hoe goed en geweldig hij is en hoeveel geluk hij heeft gehad in de wereld, taai ik af. Ik had mijn arrogantiespray niet bij me. Echter, hij wandelt mee naar de tent, dus ik kuch besmuikt dat ik nog moet tandenpoetsen, en schud hem af. Nog langer luisteren naar zijn egocentrische heldenverhalen zou me echt te veel worden.

Eindelijk mijn bed in. Nu hopelijk warmer dan gisteren. Ik heb een matje mylar oftewel emergency-blanket onder mijn luchtbed liggen, om de optrekkende kou te weren. Noem het gek, maar het werkt uitstekend. Ik houd het warm vannacht.

dinsdag

Vandaag gaan we inpakken. Wel is Paul nog onderweg naar mij toe. Dus ik pak vast een beetje in, help Yvo zijn tent afbreken, en ga dan Paul ophalen. Samen met Paul pak ik eerst verder in, want tegen 13:00 kan het gaan regenen. De tenten moeten droog mee. Het lukt om alles in te pakken. Wat al weg kan, leggen we in de aanhanger, met een zeil erover. Een losse tas en Pauls spullen kunnen onder de tafel in ons kamp.

We gaan naar de maintent, want ik moet nog munten opmaken. Dat is niet moeilijk met een alleseter als Paul aan je zij. Hij heeft voor mij op Castlefest aardig wat betaald, dus ik return de favor en we gaan wat snacktentjes af. Dan begint het langzaam te druppelen. Wachtend voor Pauls bakje eten doen we even een dansje, tot hilariteit van andere bezoekers.

Terug bij de tent wil men net naar de lezing over de badge toe. Okee, die wil ik ook wel even zien. Paul en ik zitten per ongeluk net in de verkeerde tent, maar we weten door de regen over te steken naar de juiste tent. Ondertussen appt Yvo dat hij na deze lezing zo snel mogelijk weg wil. Ik vind het goed.

De badge is echt een heldenverhaal an sich. Echt, de video daarvan  moet de moeite waard zijn. We zitten de lezing helemaal uit tot aan het vragenrondje, en lopen dan terug naar het kampement. Het is weer een beetje droog, maar we zijn blij dat alles ingepakt is en klaarstaat. Yvo, Govert en ik zijn compleet. Ik neem afscheid van Paul en gedrieën lopen we naar de auto. Vroem, met 90 terug naar Enschede…

maandag

Ik slaap een beetje uit, lees mijn e-mail, knuffel Meisje, die als een dolle walvis over mijn bed rolt. Ik geef de poezen een schone bak, en maak ontbijt voor mezelf klaar. Dan app ik AirBnB-hostess Els en ga ik inpakken. Oja, ik moet ook nog een treinkaartje vinden, niet vergeten.

Met een ingepakte baal plunje, en mijn jas al aan, speur ik het internet af. Dat doe ik tegenwoordig altijd zo, voor reisjes binnen Nederland die voorbij Utrecht gaan. Je zoekt een goedkope dagkaart op internet, die je direct online kunt aanschaffen. Vaak bespaar je daarmee de helft. Wie koopt er nog reguliere treinkaartjes, of reist verder dan dat op zijn saldo? Die is echt gek. Ik blaas twee treinkaartjes voor de prijs van één uit mijn printer, en vertrek.

Op het station drink ik een kopje koffie, en manoeuvreer mijn vouwfiets met me mee naar de intercity. Om 11:16 gaat de trein. Op Hengelo stapt een echtpaar in, dat graag vooruit wil reizen. Een man met de naam Frits, die eigenlijk aan de andere kant van het gangpad vooruit reist, geeft zijn plek aan hen op en komt tegenover me zitten.

Er ontspint zich een gesprek. Hij is voorbij middelbare leeftijd, heeft oudere dochters, en een jonge dochter van achttien. En die laatste dochter, daar is hij nu naar op weg. Ze woont in Amsterdam, en hij gaat haar nieuwe studentenkamer bekijken. Of hij even met mijn telefoon mag bellen? Hij heeft namelijk nu al een half uur vertraging, en hij wil haar niet laten wachten. Ik geef hem de telefoon, en als ze niet opneemt, stuur ik voor hem een SMSje erheen. De man schat mij initieel vijfentwintig. Dat hoor ik onderhand bijna elke dag. Ik bedank hem vriendelijk voor dat compliment.

We praten verder, over ouderschap, wat je kinderen gunt, toestaat, toestopt… en over financiële onafhankelijkheid. Rustig converserend met deze man besef ik nog maar eens hoe gezegend ik ben met nul euro studieschuld (pap, bedankt!) en een eigen koophuis. Geen behoefte aan de nieuwste apparatuur, merkartikelen en rages. Ik heb zeker wel dure dingen, maar die gaan gemiddeld vijftien jaar mee. Zie dat nog maar eens bij jongeren van tegenwoordig!

We keuvelen tot aan Amersfoort, dan stapt hij over. Ik moet nog blijven zitten tot aan Duivendrecht. Ik let af en toe op mijn vouwfietsje op het balkon: die blijft prima staan. Het echtpaar naast me waagt de kans om mij iets te vragen over e-mails op een iPhone. Ik antwoord blanco: ik heb geen iPhone, en geen sluitend idee waarom hun probleem (ik gok een feature) zich voordoet. ‘Ik vraag het mijn kleindochter wel’ oppert de man. Ze mompelen een bedankje en we reizen verder. Leeftijdsverschillen…

Op Duivendrecht stap ik over op de sprinter naar Amsterdam Amstel. Ik haal er net eentje van tien minuten eerder, en het is nog een rap boemeltje ook. Ik ben er voor ik het doorheb. Op goed geluk, en met wat Google Maps-planning in mijn hoofd geprent, stap ik buiten het station op mijn fietsje. Ik rijd richting de Amstelkade en volg die. Wat een feilloos gevoel voor richting heb ik toch. Ik meng me tussen het stadsverkeer en zoef over het fietspad aan de Weesperzijde. Kruis bochten, taxi’s, trambanen. Rijd driftig door wanneer de meute om mij heen dat doet, en ga abrupt op de rem als ik moeders met kroost achterop in de ankers zie gaan. Zo fiets je mee in Amsterdam. Eigenlijk niks anders dan in Enschede, gewoon wat drukker en heftiger.

Ik bereik het woonbootje in tien minuutjes. Ik herken het van de foto’s, en bovendien, het ligt schuin tegenover Carré. Kan niet missen. Ik bel aan en word ontvangen door Els: een aardige blonde dame met een lieve, hartelijke uitstraling. We slepen mijn vouwfietsje naar binnen en Els legt me uitgebreid uit hoe het voordeurslot werkt. Dan zeul ik met gevaar voor neerstorten mijn vouwfiets van het steile trappetje af, mijn kajuit in, en leg het ding tegen de kajuitwand onderin het achterschip. Zo, die hoef ik de rest van de dag niet meer te gebruiken.

Mijn kamertje is echt geweldig. Het is het verdiepte deel van het achterschip. Daardoor is het plafond twee keer zo hoog, ten minste, op de meeste plaatsen. Er zijn voldoende raampjes, en een patrijspoortje bij het tweepersoonsbed. Het bed, fris opgemaakt, bevindt zich wel ónder het achterdek, dus je moet je hoofd bepaald niet stoten als je wakkerwordt. Er is een wastafel, een koelkastje, een bureautje… eigenlijk alles dat je nodig hebt. Prachtig. Er is zelfs, bovenaan een trappetje omhoog, een deur naar het achterdek. Daar staat een bankje, met aan de rechterzijde heerlijk uitzicht over de Amstel.

Ik herpak mijn tassen en vind mijn handtas. Die ruim ik praktisch in, met een regenjas, water, en een vest. Dan ga ik van de boot af en wandel ik noordwaarts, over de Magere Brug, naar de grachtenring.

Het is zonnig, fris weer. Wolken drijven voorbij aan de helderblauwe lucht. Het is niet koud; er staat ook niet echt wind. Hier en daar vallen blaadjes van de bomen, want het is wel herfst. De bomen zijn rood en geel verkleurd en hun reflectie schittert me tegemoet in het water. De grachten, kalm en verlaten, met hun hoge smalle grachtenpandjes, zien er werkelijkwaar schitterend uit zo. Ik maak wat foto’s voor later op Instagram.

Eerst loop ik een heel eind de Utrechtsestraat af, richting het Rembrandtplein. Daar wordt het drukker. Ik zwerm met wat toeristen en stadslui mee om het plein, waar een frivole muzikant zijn liedjes laat horen. Een verschoten jas, een vale spijkerbroek, wild haar dat alle kanten op danst. Zijn gitaar, met snaren die aan het uiteind bij de knoppen alle kanten op pieken. De muzikant staat, als ik aan kom lopen, gewaagd bovenop een schuin standbeeld. Een vriend op een cajun zit tegenover hem en slaat een opzwepend ritme. De zanger annex gitarist springt van zijn voetstuk en danst het publiek rond, dat geamuseerd meeklapt. Ik geniet ervan in het zonnetje.

Dan sta ik op en loop ik weer zuidwaarts, richting het FOAM fotografiemuseum. Ik moet regelmatig op mijn telefoon de weg opzoeken, want al die kleine bruggetjes over de grachten lijken op elkaar. Ik ben continu afgeleid, want de middagzon schijnt zo mooi op het water. Ik steek een paar grachten over, loop rechtsaf, en zie in de verte de banieren van het FOAM.

Ik benader het FOAM van rechts, en vergis me eerst in de ingang. Voor mij is een trappetje naar een voordeur, waarboven één van de banieren hangt. Op het naastgelegen trappetje zitten twee werklui te lunchen. Bovenaan de trap bemerk ik dat dit niet de voordeur van het FOAM is. Ik draai me om en loop zo elegant mogelijk weer naar beneden. De werklui glimlachen. ‘Niks gezegd he!’ lach ik ze toe. ‘Nee, nee…’ ze hebben schik. Ik ga naar de ingang van het museum.

Uiteraard maak ik gebruik van mijn studentenkorting, want ik betaal toch een aardige duit voor mijn Campus Card – die moet ik langs allerlei andere wegen weer terugkrijgen! Met vier euro reductie in de pocket stap ik de grote zalen door. Mijn jas heb ik keurig in een kluisje gedropt, voor later. Al met al is het hier in Amsterdam veel gemoedelijker, dan ik het me herinner van vroeger, op schoolexcursies. Mijmerend loop ik langs fotowerk van verschillende fotografen uit diverse landen. Bij het werk van André Kertész sta ik wat langer stil. Wat een oog voor licht en kadering heeft die man gehad, zeg. De foto’s zijn niet heel buitengewoon, maar elk moment is zo mooi, elke stoffige lichtstraal zo juist gevat. En het feit dat de beste man dit allemaal schoot met zware, analoge camera’s. die hij meezeulde in het Oostblok, naar Parijs, door de oorlog, en naar Amerika. En overal komt zijn specifieke kijk op de wereld weer terug.

Ik herken mijn eigen stijl erg in zijn werk, en denk terug aan mijn tijd bij de AKI. Een jaar waarin grafisch ontwerp mij niet gegund werd, maar er voor fotografie nog wel een deurtje openstond. Alleen wilde ik dat niet. Nu ik het werk van Kertész zie, snap ik waarom dit soort werk nog best mijn signatuur had kunnen worden. Maar ik voel geen spijt. Het werk van Kertész is zo veel rijker, doordat het gemaakt is in een moeilijke tijd, met zoveel middelen die ik vandaag niet meer zou hoeven te gebruiken. Ons perspectief mag hetzelfde zijn, mijn foto’s zouden vergeleken bij de zijne waardeloos zijn, omdat ze vandaag de dag zou eenvoudig geschoten en afgedrukt kunnen worden. Nee. Dat was mijn toekomst niet geweest.

Ik doorloop alle zalen en ga naar het cafeetje om te lunchen. Na het bestellen van een espresso en een stukje taart zet ik me vlak bij de keuken op een bankje aan het raam. De kelner en de kok maken grapjes met elkaar. Ik luister er geamuseerd naar terwijl ik van mijn gebak hap en in mijn boekje schrijf. Dan richt de kelner zich schuin tot mij, in een poging de kok een beetje voor de gek te zetten. Ik ga mee in zijn grap en we komen aan de praat. De kelner is duidelijk uit Amsterdam, ‘nooit buite de Bijlmer gewees’ en de kok blijkt uit Haaksbergen te komen, maar zijn accent verraadt dat ook hij al jaren in ’s lands hoofdstad vertoeft. Ze vertellen mij wat leuke dingen over Amsterdam, bijvoorbeeld dat ik echt eens een dag moet besteden aan het bezoeken van de ‘hofjes’ – binnentuinen die zich tussen de huizen bevinden, waar alleenstaande vrouwen woonden en buiten kwamen, zolang als zij geen man hadden, of wanneer hun man langdurig op reis was. En huilden, wanneer hun man niet meer terugkwam van de zeevaart. De hofjes zijn er nog steeds, maar je moet ze weten te zitten, en ze gaan dagelijks om vijf uur dicht. De kok kent er veel. Ik vertel hem en de kelner wat een caffè sospeso is – een uitgestelde koffie. ‘Suspended’, als in, voor later – een koffie die je niet voor jezelf koopt, maar op de rekening laat zetten voor een bedelaar, die later die dag om een kopje koffie komt. In Italië is dat niet ongewoon.

Ik loop het museum uit en begeef me langs de grachten. Ik maak hier en daar foto’s van de mooie schittering op het water. Ik had nog langs het Kattenkabinet willen gaan, maar nog een museum trekt me echt leeg, dus ik zet koers richting de biologische winkel ‘Marqt’. Ik heb de winkel aan de Utrechtsestraat zo weer bereikt, en dompel me onder in alle biologische etenswaren. Hapjes die ze in Enschede niet hebben, kaasjes, bijzondere sapjes. Oké, laat ik nu hier niet helemaal losgaan. Ik pak een mandje en neem wat leuke dingetjes mee. Bij de kassa schrik ik uiteraard even van het bedrag, maar ja. Ik heb wel gelijk avondeten erbij in zitten, wat ik dan weer niet met haast bij een restaurantje hoef weg te happen. Het is ten slotte al tegen zessen, en als ik om half zeven pas ergens aanschuif én nog wil eten, ben ik vast niet voor achten klaar. Je moet een normale eetgelegenheid niet als fastfoodcorner gaan behandelen. Ik wandel terug naar het woonbootje en ga met een lekker warme trui en jas op het achterdek zitten. Mijn huisraad is gelukkig compleet met een vork, prima voor mijn avondeten.

Ik kijk naar rechts uit over het water en zie de zon ondergaan over de Achtergracht. Roeiers komen rustig voorbij in het spiegelgladde water, fietsers peddelen over de stenen boogbruggetjes aan de overkant. Trams rollen over de Sarphatistraat in de verte, en maken een gedempt kletterend geluid als ze midden van de brug over de Amstel gaan. Een jongen staat enige tijd aan mijn linkerhand op de kant, totdat hij me toch maar aanspreekt. Of ik gezien heb dat zijn fiets gestolen werd? Nee, ik keek naar rechts, en heb ook niets vreemds gezien. Hij kijkt sip. Hij had zijn goede fiets hier ook niet buiten moeten laten staan. ‘Het is Amsterdam, ik kom uit het oosten vriend, ik vind dit niet abnormaal’ zeg ik. Ik zeg nog dat ik het echt erg vind voor hem, maar dat doet hem weinig. Ja, tuurlijk. Hij belt even aan bij mijn hostess en vraagt haar ernaar. Nee, ook zij heeft niks gezien. Weg fiets. Dit is Amsterdam. Mijn hostess loopt later nog even naar haar auto en passeert mijn achterdek. ‘Lekker buiten, buurvrouw? Niet stiekem aan het werk, he?’ Nee nee… ik zit lekker in de avondschemering in mijn boekje te schrijven.

Om zeven uur gaat de zaal open, maar ik wil niet al te lang binnen hangen als ik ook hier op mijn bootje zitten kan. Ik ga me tijdig omkleden naar avondtenue. Je gaat wel naar Carré, ja! Keurig in jurk lanceer ik mij om half acht van de boot af. Ik kijk naar links. De voordeur van Carré. Ik kijk naar rechts. Enkele honderden meters verderop begint de wachtrij. Wát?!

Een beetje beduusd loop ik weer over het plankier de woonboot op. Ik pak mijn windstoppervest en mijn sjaal. Moet ik verdorie hier buiten in de rij aansluiten…! Terwijl ik met andere gasten sta te wachten valt het duister snel in. Lichtjes gaan aan langs de gracht, en heel Amsterdam is hier sfeervol verlicht. Ik app mijn hostess. ‘Kom weer naar binnen, meid, en ren d’r snel achteraan als het acht uur is!’ adviseert ze me. Ze is zelf ook wat verbaasd door de rij, omdat dat normaliter alleen gebeurt bij een belangrijke première. ‘Dan staan alle vedetten hier te showen in hun galajurken’ vertelt ze me achteraf nog.

Het zit mee, ik ben in tien minuten binnen. Het oponthoud blijkt te gaan om een tassencontrole. Want oh jee ja, als je metalvolk uitnodigt, dan kan daar zomaar een vervelende gek tussen zitten, is het niet? Nou, leer mij metalvolk kennen…

De keurig geklede piccolo’s wijzen ons naar onze stoelen. Elke keer hoor ik een goedkeurend geluid als ze zien dat ik op een van de beste ringen van het balkon zit. Ja, en of. Ik ga nog even naar het toilet, en dan schuif ik voorzichtig aan op rij vijf van het balkon, stoel tweeëntwintig. Er zit al iemand op stoel vierentwintig, direct links van mij.

Ik zet me naast de man, die zo te zien ook alleen is. Er ligt een prettige glimlach in zijn ogen. We stellen onszelf even kort voor. ‘Bert’ ‘Heidi’. En zo zitten we. Hij komt uit Apeldoorn, is van mijn leeftijd, en hier alleen omdat zijn vrienden niet mee konden. Ik vertel waar ik vandaan kom, en dat ik vanavond hier overnacht. We wisselen nog wat woorden, en dan begint de show. Het is werkelijk erg mooi. Ingetogen, serieus, meeslepend, en dan ineens bombastisch. De tonen zagen door de zaal, de Finse cellisten gaan helemaal los op hun instrument. Zitten is niet genoeg – nee, er wordt rondgelopen, gerold, en zelfs met strijkstokken naar elkaar getikt. De lichtshow doet de muziek veel goeds. Ik doe wel tussendoor mijn oordoppen even in, dan zijn de scherpe kantjes er een beetje vanaf. Zo is het beter genieten.

In de pauze bied ik Bert een drankje aan. We zijn toch allebei hier alleen, waarom dan eenzaam gaan zitten zijn? We begeven ons naar de bar boven de theaterzaal. De prachtige industriële sfeer van de bar trekt onze aandacht. Hij drinkt zijn cola, ik mijn rode wijn, en we praten nog wat. Het is een beetje gek om zo prompt elkaars gezelschap te zijn, maar ik heb het idee dat als één van ons beiden het vervelend vindt, we wel van elkaar weglopen. Dat gebeurt niet, en we lopen weer gezamenlijk terug naar onze plaats. Na de show, die nog doorgaat in een spetterend samenspel van drums, cello’s, en meezingers uit de zaal, biedt Bert mij een drankje aan. Dat doen we, maar wel in de bar beneden. We staan een tijdje, drinken en kletsen. Carré gaat sluiten. Of we onze jassen op willen halen? De garderobe waar ik mijn jas achterliet, is al gesloten. Mijn jas is naar beneden gebracht. Goed. Ik haal hem daar op, terwijl Bert me bij de uitgang opwacht. Zo lopen we langs de gracht. Volgens Bert is een kleine brasserie, die bij Carré hoort, nog open, maar nee. Of ik nog meega naar een ander cafeetje?

Nou. Mijn bootje ligt hier rechts van ons in de gracht te dobberen. Het is rond elf uur, ik had me verheugd op een nachtje lekker slapen en dan morgen fris naar huis. Wil ik nog wel mee naar een café? We lopen iets verder en zien op de hoek van de straat bar Lempicka, die nog open is. Achterin is nog plek. En zo praten we nog een uurtje of wat verder, terwijl ik wijn drink en hij cola. Ik ben bij lange na niet aangeschoten, dus dat gaat prima. Wel een beetje moe inmiddels – maar hey, het is gezellig! En Berts ogen twinkelen nog steeds leuk, dus wie ben ik om dan maar zo naar huis te gaan? Om half één is het echt tijd. We zeggen gedag en wisselen telefoonnummers uit. Ik wandel terug naar de woonboot, terwijl Bert zijn auto opzoekt voor een ritje terug naar Apeldoorn.

Terug op de boot bel ik orgelvriend Koen en praat bij. Prima moment ervoor, zo. Ik praat zachtjes zodat mijn hostess zicht niet aan me zal storen, maar ze slaapt toch geheel aan de andere kant van de boot. Tegen één uur ga ik maar eens slapen.

dinsdag

Tegen half acht word ik wakker in mijn kajuit. Ik ben thuis erg gewend aan wakkerworden met mijn wakeup-light, dus dit is wat vreemd voor me. Door het kleine patrijspoortje schuin naast mijn bed zie ik het water kabbelen.

Ik kom rustig uit bed, maak een rondje toilet en trek wat warms aan. Het is niet koud, maar het is wel najaar. En ik zit nog wel eventjes stil hier voor mijn ontbijt. Alles staat gelukkig in en rondom het koelkastje. Ik eet een kommetje muesli met jam om het te zoeten. Dan kijk ik op Youtube een filmpje hoe een caffè presso werkt. Ah, zo dus. Met waterkoker en de koffie-unit weet ik een prima bakje te zetten. Ik ben niet erg moeilijk over koffie, dat zeg ik wel.

Bert heeft me gisteravond nog geappt dat hij goed thuis aan is gekomen, en inmiddels is hij alweer met de auto onderweg naar elders. Ik neem wat berichtjes van mensen door, maak nog wat fotootjes van mijn schattige onderkomen, en pak dan mijn tassen in. Ik app Els, opdat ze weet dat ik in alle stilte wel aan het inpakken ben. Zij moet ook nog bijtijds weg vandaag.

Zo, om tien uur ben ik klaar met alles. Ik sleep mijn fietsje weer het trappetje op en klop bij Els aan haar woonkamerdeur. Ze is verheugd me weer te zien. We praten een tijdje met elkaar, over leven en over hoe zaken gebeuren – op hun tijd – of je het nu wil of niet. We wensen elkaar een goede dag. Ik fiets in het ochtendgloren de Weesperzijde weer af naar het Amstelstation. Hoewel ik het laatste stukje niet meer weet sta ik er plotseling toch opeens voor. Zo, op de trein naar huis.

De sprinter brengt me wederom naar Duivendrecht. Ik heb helemaal niet opgelet welke treinen op elkaar aansloten, omdat ik niet precies wist hoe lang ik er over zou fietsen van boot naar station. Nu heb ik een boemeltje dat nét de aansluiting op Duivendrecht mist, maar dat geeft me wel de gelegenheid daar even een verjaardagskaartje voor mijn oom te kopen.

Zo, op de trein naar Amersfoort. Daar moet ik nog één keer overstappen, en dan zit ik goed tot aan Enschede.

Op Apeldoorn appt Bert me. Of ik nog zin heb om te komen lunchen? Nou, dat lijkt me eigenlijk wel gezellig. Maar het is één uur, en ik moet om drie uur op mijn werk zijn! Ik voorzie dat dat gewoon niet gaat lukken. Ik beloof wel heel uitbundig te zwaaien, maar ik rijd wel door. Tegen twee uur ben ik in Enschede en kan ik na een rondje douchen en omkleden naar mijn werk. Dat waren twee leuke dagen!

dinsdag

Ik pak in, we eten taart, we zoeven naar Leipzig en vinden Renze’s hotelletje, dan de beurs, dan ons eigen hotel. Lekker douchen en een biertje drinken, oogjes toe en slapen.

Tweede Kerstdag breekt aan. Anders dan andere jaren vul ik de dagen niet met familiebezoekjes en lekker eten rond de kerstboom. Dit jaar staat voor het eerst Chaos Communication Congress op de planning. Ik ben meegevraagd door mijn vrienden van TkkrLab. Ik heb met geluk een plekje in een hotelkamer kunnen regelen, en ik heb de herinneringen aan leuke outdoor events als Haxogreen en Still Hacking Anyway. Dus daar gaan we!

In de ochtend werk ik mijn vaste inpaklijst door terwijl mijn reisrugzak op bed ligt. Inpakken valt me moeilijk, omdat constant in mijn achterhoofd speelt dat dit geen gewone reis is. Het belangrijkste is niet, om je eenvoudig te kunnen bewegen in een bergachtige omgeving met de zon op je voorhoofd. Het gaat om een soort van beurs, maar met ruimte voor cosplay, terwijl het buiten onder de tien graden is. Deze set variabelen maken het inpakken ingewikkeld. Ik zit vast, en pak dus maar eerst de dingen in, waarvan ik zeker weet dat ze van pas komen. Toiletgerei, ticket, electronica, slaapspullen. Kleding laat ik even achterwege, want daar twijfel ik te hard over.

Om half elf belt Sander aan. Hij krijgt van mij een kop koffie en de huissleutel, zodat hij op de poezen kan passen. Hij blijft een half uurtje, en we praten over werk. Dan stapt hij weer op en ga ik haastig verder met inpakken.

Bas, met wie ik de komende dagen de auto en de hotelkamer deel, laat weten er om twaalf uur te zijn. Ik werk alle taakjes af die op mijn lijstje staan. Maar wat doe ik nou met mijn kledingkeus?!

Renze belt en appt. Hij heeft nog een bakvorm met een halve appeltaart erin staan. Goed om te weten: Renze woont vlak naast me en gaat straks ook mee met de auto. Ik nodig Renze uit om de appeltaart bij mij te komen opeten terwijl ik verder inpak. Dan laat ik de telefoon weer voor wat hij is en ga ook daadwerkelijk inpakken.

Precies om twaalf uur heb ik alles in de rugzak zitten. En de kleding? Gewoon het lijstje aangehouden. Merinoshirts, warme wollen vestjes, rokjes en leggings. Voor het gemak doe ik vandaag mijn ‘reisbroek’ aan (een hippe flared spijkerbroek, maar wel met elastieken band), want je moet toch zeker wel één broek meenemen. Niet alles in de wereld is geschikt om bestormd te worden met rokjes aan.

Ik steek mijn hoofd naar buiten uit de keukendeur, en zie drie verdiepingen lager Renze en Bas bij de auto staan. Ik fluit ze toe en nodig ze even binnen uit. Met z’n drieën smikkelen we de appeltaart op. Het lijkt wel een kleine verjaardag. Goede appeltaart. Renze heeft er duidelijk een nieuwe hobby bij sinds hij op zichzelf woont. Ik bak nog snel wat champignon-schijfjes en stop ze in mijn superhandige opvouwbare vershoudbakje. We kunnen gaan!

 

Met dank aan Bas’ verouderde TomTom komen we via wat binnendoorwegen op de snelweg naar het oosten. Van nu af aan is het immer gerade aus. De Pet Shop Boys kunnen zingen wat ze willen.

We kletsen, kijken om ons heen naar het grauwe winterse landschap, de heuvels, de dalen. We vergapen ons aan de vele windmolens. Op een gegeven moment rijden we er zelfs compleet tussenin. De zon wil niet echt doorbreken vandaag. We suizen door het schemerlandschap, het licht achter ons latend. Ik herken stukken rond de Harz. Daar wordt het landschap ook bergachteriger, de dorpjes in de verte schilderachtiger. Dit moet ik onthouden voor treinreizen. Als de avond inzet slaat Bas af naar een pompstation. We houden een plaspauze en mopperen op het achterstallig onderhoud aan de toiletten in dit uitgestorven oord langs de snelweg. Dat mijn hokje niet eens dicht kon was vervelend, maar niet problematisch – er was toch niemand anders.

We stappen weer in en zoeven weg. Nu naderen we Leipzig. Renze deelt toastjes met salades uit zodat we niet helemaal verhongeren. Hij moet voor zessen bij zijn hotel inchecken, anders zit de deur dicht. We besluiten daarom om eerst hem weg te brengen, en dan onze tickets bij de Messe op te gaan halen. Omdat de laatste tram vanaf de Messe alweer vroeg vertrekt moeten we dan wel een beetje aanmaken.

Het hotel van Renze is een typisch familiehotelletje in een buitenwijk ten zuidoosten van het centrum. Ik moet terugdenken aan Lichtenfels en aan alle oorden waar ik op autovakanties doorheen ben gekacheld. We zetten onze auto op de parkeerplaats. Er is geen receptie open. Er hangt wel een telefoon. Renze wordt gesommeerd een sleutel uit een sleutelkastje te pakken en zichzelf binnen te laten. Dit voelt als een uitzending van een spannend spelprogramma. Ik vind het wel leuk, en slim gedaan van de eigenaren. Het is immers nog wel kerst, die mensen zitten ook graag thuis.

Als we Renze’s bagage hebben gedropt zoeven we over de snelweg terug naar Leipzig noord. Het is echt een half uur rijden tussen de twee locaties. Wat een gigantische stad is Leipzig!

We parkeren bij het hotel en checken onze eigen hotelkamer. Dit is een heel ander hotel. Een typische strakke lounge, generiek personeel in uniformen met gestrikte dasjes, bordjes in drie talen. Dit hotel is van een franchise, uit de catalogus besteld, en hier op deze kale winderige heidevlakte neergeplant. Naastgelegen zijn een vaal business center en een ander typisch zakenhotel. We checken in onder de naam ‘van Ziesser’n’ – wat de meisjes achter de balie maar moeilijk kunnen uitspreken. Gedrieën gaan we naar boven. Lange kraakheldere gangen, de airco op standje tien. In de lift een stem die elke verdieping opnoemt. Duidelijk een Oostenrijkse dame, weten Bas en ik aan haar accent te herkennen.

We wandelen door het donker naar de Messe. De wind is luw, maar hier op de vlakte tussen de gebouwen ben je overgeleverd aan de kou. Het is gelukkig echt maar vijf minuten lopen. Je ziet het enorme Messe-gebouw al in de verte liggen. Op de gevel zijn de letters C C en L aangevuld met een keurig van kleur wisselend streepje, dat er ‘C C C’ van maakt.

De ingang is ons wat onduidelijk. We zien een bekende bij een zijdeur staan, dus daar gaan we maar naar binnen. Door een heel gangenstelsel in het congrescentrum weten we de weg te vinden naar het grote open trappenhuis. Daar begint het echt op een ‘chaos congress’ te lijken. Diverse rare uitvindingen zijn opgesteld, tafeltjes staan al klaar, medewerkers beginnen hun draai te vinden met de spullen die ze dit weekend aan hun mede-hackers laten zien. We lopen verder naar de hoofdhal: het hart van de Messe Leipzig. Het is een tonvormige hal, helemaal van glas. Immens, als een enorm treinstation. Marmeren vloeren en trappen vallen in het  niet bij de groothsheid van de ruimte. Het is nog wat koud, en leeg. Plukjes mensen dwalen af en aan rond de kassa’s.

We blijven ook in de buurt, want als de kassa’s opengaan kunnen we onze bandjes ophalen. Die tip van Bas zal ons morgenochtend veel tijd besparen. Net als we de hele hal zijn doorkruist zien we dat het rondom de kassa’s drukker wordt. We wandelen terug en sluiten aan in de massa. Na enig schuiven, popelen en mensen kijken staan we binnen een minuut of twee al vooraan. De doorstroom is nog niet heel logisch, maar we komen snel aan ons polsbandje. Let the congress begin!

We lopen nu alle hallen door en verkennen de boel. Bas heeft toegezegd Renze naar zijn hotel terug te rijden, dus we hebben nog wat tijd. De grootsheid van deze locatie, ik zeg het nog maar een keer, is echt niet in te schatten. Het is heel overzichtelijk, dat wel. Aan weerszijden van de enorme glazen hal liggen aan weerszijden twee congreszalen, beide op de eerste verdieping. Door de glazen hal gaan twee loopbruggen, waar je op komt middels enorme marmeren trappen. De mogelijkheden zijn legio, de loopafstand van zaal naar zaal: ongeveer tien minuten bij rust. Ik verzin dit niet.

De hal met de uitvindingen en de hackerspace begint al wat animo te krijgen. We wandelen naar een hoek waar een snackbar, beheerd door de Messe zelf, zijn luiken openheeft. De verkoopster heeft duidelijk een topdag, zo met al deze hongerige early birds. Met maar een fractie van haar hele aanbod weet ze iedereen van een kleffe hap te voorzien. Niet erg goedkoop ook, maar we hebben nu wel een gehaktbal achter de kiezen.

We lopen terug naar het hotel even langs de Kentucky Fried Chicken, die heel handig precies op de driesprong voor de drie hotels zit. De jongens willen wel wat kip-units, ik wil gewoon heel graag het kindermenu. Dat kost me het minste, en heeft de meeste dingen die ik lekker vind. Gelukkig zit er geen leeftijdsgrens op.

Na het eten ga ik terug naar de hotelkamer, Bas brengt Renze naar de zijne. Ik heb nu mooi de tijd om lekker te douchen, uit te pakken, en wat te lezen. Dus als Bas een uurtje later de kamer binnenkomt zit ik heerlijk rozig en duf op bed met mijn Harry Potter fanfiction in mijn handen. Nog steeds niet uit, dat boek? Nee, schade! Nog steeds niet!

Het is nog niet laat, dus Bas en ik gaan even een biertje drinken in de lounge. Ik neem een schwarzes Bier, een type dat ik ook in mijn kerstpakket had, thuis. Hij bevalt goed, maar nadien heb ik wel bijzonder veel zin om weer lekker te gaan slapen. Bas is nog aan tweede biertje bezig, dus ik vul aan met kraanwater. Daarna gaan we terug naar de kamer, en is het echt tijd om te slapen.

woensdag

De eerste ochtend van de beurs staan we nog keurig op tijd op. Aankleden, tandenpoetsen, ontbijten… dat ontbijt kost wel een tientje, dus Bas geeft al aan het de volgende dagen te willen overslaan. Ik weet dat nog zo net niet. Als het een goed alternatief heeft, prima.

Fast-forward!
We wandelen naar de beurs, bekijken de tentoonstellingshallen, we hangen bij de hackerspace. Ik eet pannekoeken met Nutella, die wel vreselijk duur zijn. Ik zie leuke talks over privacy, social media, hacking. Ik kom Leon tegen, Andreas Gnau – die ik 5 jaar niet gezien heb!! – en Gerben en Paul, die ik nog van vroeger ken van Netgamez. Wat heerlijk, al die mensen! Ik maak het niet al te laat, opdat ik de volgende ochtend weer fris naar de eerste lezingen toe kan.

Donderdag

Ik heb ontbeten met een Nutella-pannenkoek en een kop koffie. In totaal geef ik daar zo’n zeven euro aan uit. Poeh, dan had ik beter dat ontbijt in het hotel kunnen nemen, dan heb ik voor 10 euro echt wel meer. Overdag ga ik naar lezingen en zit ik bij de hackerspace. Ik ben druk bezig met het in elkaar fröbelen van het ‘IDLE…’ bordje dat ik op mijn hoofd wil dragen. Ik ga even langs de supermarkten, de textielsupers, alles dat op het terrein zit. Ik kan het niet laten om gewoon even lekker te neuzen in wat Duitse winkels aanbieden.

Vroeg in de avond kom ik in de hackerspace aan de praat met een gezellige Duitse man genaamd Patrick, die lijkt op iemand die ik ken. Hij en zijn vrienden zullen vanavond naar ‘Hacker-Jeopardy’ gaan, een aangepaste vorm van de spelshow Jeopardy. Die wordt elke CCC gegeven, en schijnt erg leuk te zijn. Goed, zeg ik, ik haak aan. Ik maak snel nieuwe vrienden, zo blijkt. Jeopardy is inderdaad een leuke, goed bezochte show. We zitten in het publiek met grote glazen Tschunk, de hackercocktail met Club Mate, rum, limoentjes, suiker en ijs. Het Duits is af en toe moeilijk te volgen, maar de spelshow is gewoon hilarisch, juist omdat hij ook voor de Duitssprekenden wel moeilijk is. Iedereen troeft elkaar af, maar loopt vroeg of laat al z’n punten mis. We hebben heel wat plezier.

Daarna loop ik met het groepje terug naar de tentoonstellingshallen. Het is tegen twaalven, we halen nieuwe Tschunks. Patrick en een vriend willen alle uitvindingen nog wel even bekijken. Dus lopen we de hele hal af. Over loopbruggen, door tunnels, we bouwen met reusachtige legoblokken, en tekenen een eindeloos papier vol met krabbels. We klikken knopjes aan en uit, spelen met een digitale zandtafel, prikken stekkertjes in een audiokast, we kijken naar psychedelische beelden op grote schermen. Het besef van tijd raak je volledig kwijt hier.

Als we de hele hal rond zijn, is het – ik verzin dit niet – half drie ’s nachts. Ik heb nog haast geen slaap, maar het wordt wel tijd om gedag te zeggen. Na een warme knuffel wandel ik op mijn hotel aan. Bas is er nog niet. Mmmh, lekker mijn bed in.

zondag

Zo, het is zondagochtend zes uur. Ik ben al wakker, want ik heb zin om straks met de trein op reis te gaan. Me verslapen is er gewoonweg niet bij. Ik blijf nog een beetje in bed lummelen en pak dan m’n laatste spullen in. Wat doe ik nou met mijn fotografiespullen? Ik wil graag mijn DSLR meenemen, maar weet dat hij veel plek in beslag neemt, en ik ter plekke toch voor de G11 kies omdat die handzamer is. Maar mijn statief? Als proef knoop ik hem op de zijkant van mijn backpack, zoals je met wandelstokken doet. Hij past prima en zit stevig vast. Die blijft. Nu het reflectiescherm. Waar ik het ga gebruiken weet ik niet, maar dat ik het ga missen als ik het niet meeneem, weet ik zeker. Nadat ik alle zeer onmisbare spullen in de tas heb gepropt, schuif ik het ronde scherm als een grote pannenkoek in het meshvak voorop de tas. Het past nauwelijks en rekt het vak op, maar toe maar.

Om kwart over acht ben ik zo goed als klaar. Tandenpoetsen, stekkers eruit trekken, laatste rondje door het huis… de poezen vinden het allemaal wel best. Onrustig drentel ik nog wat rond: ik ben te vroeg. Een stemmetje in mijn hoofd gniffelt vergenoegd: dit is je nieuwe leven, Heidi! Te vroeg zijn wordt gewoonte! Wen er maar aan!

Om tien voor negen wandel ik dan echt weg van huis. In de frisse ochtendzon volg ik de Kottendijk en de Deurningerstraat tot aan het Stadskantoor. Ik pin nog even twintig euro, want daar in het buitenland weet je het maar nooit. Zodra je ‘EC-Karte’ zegt beginnen sommige kassadames al te rillen, pinautomaten houden er abrupt mee op. Duitsland…

Om tien over negen sta ik dan op het station, in de kou. De Appie is gelukkig al open en ik bemachtig een dubbele espresso een een Lion. Zo, de eerste luxe-uitgaaf voor deze mini-vakantie zit erop. Ik zet me nog even aan de piano, maar die blijkt inmiddels onbespeelbaar. Meer dan de helft van de toetsen is geluidloos en gammel. Jammer. Gelukkig rolt daar al gauw het Duitse boemeltje binnen en kan ik lekker warm zitten. We vertrekken.

Onderweg kan ik gelukkig wat dingen doen die ik gepland had, zoals voor Pro Deo Instagrammetjes posten van onze laatste wedstrijd. Ik heb dan wel gepresenteerd, ook kon ik vanaf mijn zitplaats een paar rake actiefoto’s schieten. Die gaan nu het internet op om bewonderd te worden door onze wijd verbreide horde improv-volgers.

We rollen na een uurtje binnen op Münster. Met een kleine overstap moet ik door naar Hamm. In het verwarmde wachtlokaal liggen dronken mannen te slapen. Verfrommelde kranten en een versplinterde drankfles aan hun voeten. Iedereen staat eromheen, omdat het warm houden belangrijker is dan wegblijven van twee zo ongevaarlijke sukkels. Op dit uur zie ik sowieso al jongeren met trays bier de trein uit stommelen. Duitsland…

Mijn treintje rolt binnen. Wederom een boemeltje. Op Hamm heb ik een klein uur om een broodje te eten en nog een koffie te drinken. De Backstube is beschut, maar nog steeds ijzig koud. Ik doe een duur plasje voor een euro, vergeet mijn voucher voor vijftig cent korting op iets dat ik toch niet ga halen, en ga naar mijn perron. Daar is de eerste IC van vandaag. Eindelijk een trein die opschiet.

Ik ga in het zonnetje staan wachten bij het juiste compartiment, volgens het rijtuigenbord. Helaas, de trein rijdt achterstevoren binnen. Ik stap in bij wagon 10 en ik moet bij wagon 7 zijn. Sputterend loop ik de trein door. In wagon 7, direct na de deuren, tref ik mijn stoel aan. Maar het bankstel is bezet, door een meisje en haar moeder. Ik merk kort maar direct op, dat ik deze stoel echt gereserveerd heb – of ze zich willen verplaatsen? Het tweetal sputtert naar mij, want ze zaten riant onderuit met snacks en boeken. Ik wacht rustig op het balkon tot ze helemaal verkast zijn, dan ga ik zitten. Twee nuffige dames aan de overzijde van het pad maken opmerkingen over het al dan niet reserveren van een stoel op de zondagmiddag – terwijl de hele trein leeg is! Pech, ik heb gereserveerd, verzucht ik. Ik kan eindelijk verder in mijn boek, terwijl mijn telefoon oplaadt.

Deze trein stopt op Altenbeken, een station dat ik al jaren in mijn reisboekjes aanmerk als ‘erg mooi’. Hoewel het nu kaal en bewolkt is, is het nog steeds een prachtig landschap. Er liggen leuke AirBnB’s, maar daar ga ik nu niet heen. Na nog een half uur zijn we bij station Kassel-Wilhelmshöhe. Enig vooronderzoek op internet heeft me geleerd waarom het station niet simpelweg Kassel Hauptbahnhof heet: dat station bestaat, en dat is dit niet.

Kassel Wilhelmshöhe is het enige station in Duitsland, dat niet in het stadscentrum ligt, maar net ernaast. Het ligt zelf heel mooi op de route van noord naar zuid en vice versa. Hauptbahnhof is gewoon een kopstation dat daar net hemelsbreed een paar kilometer vanaf ligt, zoals Den Haag Centraal en Den Haag Hollands Spoor. Het station wordt ruim vantevoren aangekondigd. Nog zeker vijf volle minuten rijden we over eindeloze rangeerterreinen, tussen grauwe muren door, naar waar dan echt het station is, waar het mensen toevertrouwd wordt om uit de trein te stappen en zichzelf te redden.

Vanaf het perron loop ik een paar betonnen trappen op en sta op een kil parkeerdek. Waar is de tram nou? Ik besluit het dek maar over te steken, naar een betonnen gebouw met schuifdeuren – iets wat op een misplaatste vertrekhal lijkt. Binnen strekt zich voor mij een meterslang stelsel van rolbanen en lange betonnen trappen uit. Ik moet naar de overkant van de winderige hal, waar kioskjes zijn – en waar het ook zelfs een beetje zonniger lijkt.

Gelukkig, daar vertrekken trams, en uiteraard ook nummer vier, want dat heb ik uitgezocht. Ik koop nog even een doosje Schogetten bij een kioskje en praat met de verkoopster. Ik maak een opmerking over chocola uit Finland en ze vraagt of ik daar vandaan kom. Op mijn antwoord begint ze te mijmeren over Nederland. Ach, in Rotterdam, daar had ze een man. Maar het was zo ver, hè. Dat beaam ik. Ik zit nu al uren in de trein. En op verjaardagen kon ze niemand verstaan. Nee, zegt ze, die relatie hield geen stand. Ik snap het ergens wel. Ik wens haar een fijne dag en ik vertrek naar mijn tram.

Nee, eerst een kaartje kopen. Vijf euro zeventig voor een uurtje trammen naar Helsa. Het kaartjesautomaat slikt mijn twintigje niet. Mijn pinpas wil hij al helemaal niet hebben. Beteuterd probeer ik nog een ander automaat. Ook dat niet. De tram rolt binnen. Dan daar maar. Ook in de tram werken geen van beide betaalmiddelen. Ik besluit dit stuk maar zwart te reizen. Met mijn reusachtige tas naast me zet ik me op een bankje. In het centrum en in voorstadjes wordt het soms even wat drukker en zie ik mensen narrig naar mijn tas kijken, die wel één zitplaats in beslag neemt. Maar wat zou het.

We suizen door Kaufungen, langs de Papierfabrik, waar een complete wijk en station naar genoemd zijn, en langs de mij onbekende DRK-Klinik. Dat klinkt altijd wat eng, in het Duits – alsof je langs Den Dolder rijdt, maar dan nog in oude tijden. Waar schuimbekkende lieden je met grote holle ogen aanstaren vanuit het bos rondom de kliniek, waar losgeslagen dwangbuispatiënten zich in een vlaag van roekeloosheid tegen de tram aangooien, teneinde te ontsnappen aan de lugubere praktijken die zich hier bij dit sanatorium afspelen. Het is rustig, we rijden door.

Stipt om half vier bereiken we Helsa. Waar zou de auto staan, die me ophaalt?

Na wat heen- en weer-wandelen over de parkeerplaats rolt een auto die aan de beschrijving voldoet voor mijn neus langs. De bestuurster zwaait vrolijk. Ik leg mijn rugzak achterin en stap in. ‘Ik moest mijn kindje meenemen, en ze sliep nog’ lacht de vrouw, genaamd Sylvia, hartelijk. Op de achterbank zit inderdaad een vrolijke peuter in haar kinderstoeltje. Ze is nu wel wakker en kraait allerlei vrolijke dingen. Sylvia leert haar gauw mijn naam zeggen. We praten wat terwijl ze de auto terug het dorp uit stuurt, de smalle vallei in.

De verharde weg gaat al snel over in een bospad dat glad is van het opgevroren ijs. De auto weet zich er gelukkig wel raad mee. Rustig rollen we de heuvel op, langs een driesprong, verder naar boven. Na enkele kronkels tussen de steile hellingen door staan we stil bij een carport. Op de linkerflank van de vallei niets dan bomen, en een enkele houtschuur. Aan de rechterkant, in de zon gelegen, bevinden zich allemaal kleine bungalowtjes. Sylvia pakt haar dochter op de arm, trekt mijn tas uit de auto, en we lopen een steile natuurstenen trap op naar één van de huisjes.

Het is, ondanks de foto’s die ik heb gezien, toch anders dan ik had verwacht. Mijn roodhouten bungalowtje ligt direct naast het huis van de eigenaren, maar de ramen zijn zo geplaatst dat we bij elkaar niet naar binnen kijken. Sylvia gaat me voor in het huisje en laat me zien hoe de houtkachel werkt. De peuter staat erbij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dan vertrekt het tweetal en ben ik alleen in mijn huisje. Joepie!

Ik weet dat ik veel mee heb, en dat het geen zin heeft om keurig ingepakt te blijven. In een mum van tijd is mijn tas geëxplodeerd tot er alleen nog wat noodartikelen in liggen, en liggen alle andere spullen op stapeltjes in het huis. Ik wil geen dingen zomaar ergens neerleggen, omdat er dan kans is dat ik ze niet meer mee terugneem. Maar vier dagen leven uit mijn rugzak is in dit geval ook helemaal onmogelijk.

Ik lummel, hang op de bank, kook mijn meegebrachte pasta met restje hummus en schijfjes champignons (kliekjesdag!). Tegen de schemering waag ik me nog naar buiten – met hoofdlamp, zonder spikes. Dat is een lastig tochtje dieper de vallei in: ook al zie ik door de hoofdlamp het gladde ijs op de weg, mijn voeten vinden geen grip. Morgen maar met de spikes op pad, goed dat ik die mee heb genomen!

Jonathan is inmiddels thuisgekomen en informeert via een berichtje of alles okee is. Ik bevestig dat. Hij komt nog even langslopen en ik vraag of ik morgen kan fietsen of mee kan rijden naar het dorp om wat proviand te halen. Hij wil me met plezier een fiets lenen – de auto ook wel (dat sla ik af, met het eerlijke antwoord dat ik al veel te lang niet gereden heb) – maar ik mag morgenvroeg ook met Sylvia meerijden? Dat vind ik een goed plan. 8:15 zal ze hun kindje naar de crèche tegenover de supermarkt brengen, dus ik zal klaarstaan. Hij vraagt me of ik dat écht wil. Ja! Dan maar een ochtendje vroeg opstaan hoor, dan heb ik daarna wel ontbijt! Eten is mijn enige grote zorg nu voor de komende dagen.

Ik hang nog wat in de woonkamer, surf wat op internet (prima verbinding – niet snel, maar wel steady) en lees boeken. Ik vergaap me aan de prachtige sterrenhemel die je vanaf de veranda kan zien.

Bij het slapengaan overkomt me nog iets grappigs. Ik lig in een slaapkamertje dat net genoeg is voor een smal tweepersoonsbed, met aan één zijde een kastenwand met spiegels. Ik verwacht een nacht in toenemende kou (de houtkachel zal uitgaan en alles zal afkoelen), dus trek ik mijn merino legging en kasjmieren trui aan. Maar wat blijkt: het dekbed heeft een wollen vulling! Zodra ik het licht uitdoe en me omdraai begint mijn dekbed opeens aan de onderkant op te lichten. In de spiegels zie ik het ook. Wat is dit? Een dekbed met led-lichtjes erin, dat reageert op beweging? Er liggen wel meer ledlichtjes in huis, maar dit…?

Dan daalt het besef op me neer. Het zijn vonkjes die ontstaan tussen mijn wollen pyjama en het bed! Wat apart! Ik kan er gelukkig wel rustig bij slapen, want van afgezien van het geknetter voel je er niets van.

maandag

Ik sta zoals beloofd vroeg op. Om zes of zeven uur staat Jonathan al sneeuw te ruimen tot aan mijn voordeur – en dat betekent ook onder mijn slaapkamerraam. Ik vind het prima. Om kwart voor acht ben ik wakker en aangekleed, brandt de houtkachel nog zachtjes, en ben ik klaar voor vertrek.

Ik wandel naar buiten – het heeft zachtjes gesneeuwd vannacht, hoe mooi is het! De poedersneeuw ligt overal, en stuift van de kale takken zodra er een zuchtje wind door de bomen waait. Ik verifieer even of Sylvia niet al beneden staat te wachten – nee – dan loop ik weer de trappetjes op en sta wat stil in de tuin, in de dwarrelende sneeuw. Ik kan het hele valleitje doorkijken, met overal houten tuinhuisjes en schuurtjes. Het is zo lief en rustgevend, vooral met die laagjes witte sneeuw overal. Terwijl ik zo – haast meditatief – de ochtendlucht sta in te ademen zie ik Sylvia met de kleine aan de hand het huis uit komen. ‘Heidi! Heidi!’ roept het dochtertje. Wat lief!

We stappen in de auto en rollen weer behoedzaam naar beneden. Sylvia wijst me aan dat alles hier in dit dorp praktisch bij elkaar zit. Ze parkeert bij de supermarkt en steekt met haar kindje de straat over naar de crèche. Zij zal ook even wat boodschappen doen en dan zien we elkaar bij de auto weer. Prima dit. Ik shop een mandje vol met lekkers voor de komende drie dagen, en dan staan we tegelijk weer buiten. Kletsend rijden we terug naar de huisjes. Sylvia werkt doordeweeks vanuit huis, als ze niet op op pad is voor haar werk. Ik hoop dat ik haar internetverbinding niet kill zeg.

Zo, tijd om de kachel weer op te stoken. De sneeuw dwarrelt lustig naar beneden, de lucht is grauw, maar lijkt open te trekken. Binnen in mijn bungalow is het heerlijk warm. Ik lees boeken, zing mee met alle nummers die ik op mijn nas thuis kan vinden (streaming gaat prima!), doe de afwas, slurp chocolademelk en koffie met slagroom. Zo nu en dan maak ik een foto van het uitzicht en kijk wat er op Instagram allemaal gebeurt. In Nederland is het ook koud, valt me op. Nouja, hier geen boodschap aan.

Tegen elven klaart het op, dus ga ik lekker wandelen. Ik neem dit keer de spikes wel mee en doe ze gelijk onderaan bij de carport om mijn schoenen. Zonder die dingen kwam ik hier echt geen meter weg. Ik loop nu het pad door de vallei af, naar het dorp. Bij de splitsing (die Gabelung) kies ik het pad rechts omhoog. Niet alleen is daar nu het meeste zon, ook leidt dat me denk ik boven het centrum langs, en dat geeft me mooi uitzicht. Na een aantal meters flink omhoog, met fijn uitzicht het dal in, bereik ik kering in het pad. Ik besluit rechtdoor te gaan. Er volgt een ruiterpad naar links. Dat wil ik nog niet nemen. Ik wandel nog een stuk verder. Helaas. Daar ligt een fikse boom dwars over het pad. Na enkele grappige foto’s van mij met de wegversperring keer ik maar om. Ik neem toch het ruiterpad naar beneden en beland zo in de buitenwijkjes van het dorp.

Daar stuit ik op de noordzijde van de Fröbelstrasse. Ha! Die moest ik nog hebben. Het is wat moeilijk om hier met het straatnaambordje op de foto te gaan, want er staat een auto voor geparkeerd, en het lijkt erop dat de eigenaresse net een paar meter verderop haar stoep staat schoon te maken. Het is onduidelijk dat ik mezelf met het bordje aan het fotograferen ben, en dus moet het wel zo lijken alsof ik op haar auto uit ben. Yeah. Plausibel.

Ik wandel de weg af naar beneden en kom precies bij de supermarkt uit. Ik heb alles al; ik hoef er niet nog eens heen. Ik loop naar rechts, de doorgaande weg verder af, tot ik een bordje met ‘Helsa – ortsmitte’ zie staan. Dat volg ik. Inderdaad kom ik in de dorpskern uit: een netwerk van kleine keienstraatjes met rijen scheve vakwerkhuisjes. Het is prachtig en lief. Je zou hier zo een film kunnen opnemen, als je de auto’s en de verkeersborden wegdenkt.

Ik ben nu benieuwd of ik ook het tweedehandswinkeltje vinden kan. Ik steek de straat over en zie het daadwerkelijk liggen. Leuk. Omdat zo’n eigenaresse toch waarschijnlijk zit te wachten op klandizie stap ik goed gemutst binnen. Inderdaad. Ze vindt het leuk dat er iemand is, en verontschuldigt zich voor de rommeltjes in haar winkel. Ik vind het prachtig. Wel moet ik vrijwel gelijk weer vertrekken, want het is half twee en zij moet haar kind van school halen. Dus gaat de winkel een uurtje dicht. Ik ga daar niet op wachten, dus ik maak een snel praatje met haar, bedank haar en ga weer op weg.

Bijna loop ik pardoes het dorp uit, naar het volgende dorp – maar ik weet nog net terug te keren. Terug naar het huisje dan maar. Ik behoef geen kaart – ik weet waar ik ben. Rustig loop ik weer door de woonwijkjes terug, en trek mijn spikes weer aan zodra ik de besneeuwde vallei bereik. Enkele meters het bos in kruist een vos vlug mijn pad. Wat mooi. Bij het huisje gekomen staat Sylvia de stenen trap sneeuwvrij te maken. Ik groet haar en wandel door naar mijn voordeur. Ha, daar is de kat weer.

Ik houd mijn warme kleren aan en maak het me gemakkelijk op de zitzak buiten. De kat komt bij me zitten. Het is nog niet heel aangenaam in de zon, dus ik ga maar weer naar binnen. De kat komt onder mijn raam zitten. Hij kan wel tegen de kou, en als ik hem even naar binnen doe, is hij erg ontdaan. Ik laat hem gelijk door de voordeur het huisje weer verlaten. Daarna blijft hij op de veranda zitten, zich wel bewust van mijn aanwezigheid.

Mijn lummeldag gaat weer verder. Ik post foto’s, lees, internet, maak mijn avondeten klaar, drink een biertje, chat met mensen. Regel wat voor Pro Deo. Het kan allemaal, maar er is zo veel tijd, en zo weinig dat hoeft. Heerlijk. En dan het uitzicht. Even naar buiten kijken en je weet weer, waarom wonen in de bergen (dit zijn heuvels, soit) zo machtig mooi is.

Volgens de weersaanduiding moet het ’s avonds nog helder worden, maar dat doet het niet. De maan laat zich vluchtig even zien, tussen dikke plukken wolken door. Ik ben verkleumd en wil niet wachten op die kortstondige momenten, dat ik even het dal kan fotograferen. Ook is er door al die bewolking geen ster aan de hemel te zien. Nee, ik pak mijn statief en camera op, en ga naar binnen. Lekker onder de wol.

dinsdag

De tweede dag mag ik lekker uitslapen. Dat klinkt als een zegen, maar in realiteit ben ik gewoon weer om acht uur wakker. Ik kom rustig uit bed, merk hoe koud het is in de woonkamer, en stook maar gelijk de houtkachel op.

Ontbijt maken, naar buiten kijken… het is prachtig mooi zonnig deze ochtend. Gisternacht heeft het, met al die bewolking, zelfs nog wat gesneeuwd. Op de tuintafel ligt een wollig dik pak, en overal in het dal zijn alle plukken en vlakken ook aangedikt. De schoorsteentjes van alle bungalows roken dat het een lieve lust is.

Volgens het weerbericht wordt het vanmiddag bewolkt, dus ga ik aan het eind van de ochtend wandelen. Weer ga ik het pad af, de vallei uit, maar ditmaal ga ik bij die Gabelung links. Ook hier voert de weg weer omhoog, maar dan linksom, boven een andere buitenwijk van het dorp langs. Ik zie de vossensporen van gisteren. Hoewel er nieuwe sneeuw is gevallen zijn ze nog goed te zien. Bovenaan in de bocht houd ik stil en fotografeer het dorp. Het is een prachtig plaatje, al zeg ik het zelf.

Ik loop een eind parallel aan de wijk, bovenlangs, tot er een afslag naar links komt. Dat lijkt me leuk: dan kom ik waarschijnlijk achter mijn huisje terecht. Ik volg het pad – dat eigenlijk gewoon een diep trekkerspoor is – het bos in. Al gauw stuit ik weer op vossen- en reeënsporen. Ze zijn nog erg vers. Ik zie geen diertjes, maar dat kan ook omdat mijn voetstappen best wel wat geluid maken en ik natuurlijk allang geroken en gezien ben.

Het duurt niet lang of ik tref de eerste omgevallen boom aan. Hoe groot ze hier ook zijn: ze liggen over het bospad als omgeknakte lucifershoutjes. Voorzichtig stap ik eroverheen. In de trekkersporen moet ik ook telkens opletten, of ik niet op een klein ijsplasje sta. Die zijn ondiep, maar kunnen breken als ik er te hard op stap, en dan sta ik tot aan mijn enkel in het ijswater. Niet de bedoeling, dus ik ben voorzichtig.

Even verderop vind ik de tweede, en de derde omgevallen boom. Om mij heen is het ook niet bepaald rustig. Links en rechts zuchten en kraken hoge naaldbomen, terwijl het vrijwel windstil is. Het besef daalt bij me dat ik misschien wat op mijn hoede moet zijn voor vallende stammen, en in het vervelendste geval wel recht op mijn hoofd.

Desalniettemin loop ik door. Onder het eerste geknakte gevaarte kan ik doorlopen. Hij ligt stabiel. De tweede horde neem ik door eroverheen te klimmen. Even strijken de takken met hun naalden in mijn gezicht, dan ben ik eroverheen. Mijn outdoorbroek houdt het goed in de sneeuw. Mijn schoenen blijven droog, mijn voeten warm. Het is nog steeds een heerlijke dag: zonnig, windstil. Alleen al die schuinhangende bomen om me heen, dat is toch wat.

Nu ik de lastige hordes gehad heb ga ik toch eens stilstaan om te kijken, wat de stand van zaken om mij heen is. En dat is niet best. Dicht bij mij, zowel als verderop, zijn hoge slanke naaldbomen in hun val blijven hangen op andere hoge naaldbomen. Overal hoor je licht gekraak om je heen. De bomen lijken net wel, dan weer net niet te vallen. De hoge boomkruinen ondersteunen elkaar maar net. Een harde windvlaag en de boom zal doorvallen naar de grond. Loop ik dan ook gevaar? Ik overdenk de kansen. Wat als de boom in zijn val een ander omduwt, op mij af? Hoor ik dat? Heb ik een idee waar hij terecht gaat komen? Ben ik snel genoeg weg, op deze hobbelige uitgesleten paden?

Ik sta zo een tijdje te kijken en te denken, en concludeer dat er in al die tijd nog geen boom omgedonderd is. Geen direct gevaar dus, en ik heb het hier ook wel weer zo’n beetje gezien. Kom, verder het pad af, en zien of ik bij de achterkant van mijn bungalow komen kan. Dat lukt. Eerst sta ik bij de buren in de achtertuin. Ik stuit op een kruiwagenspoor en een verdekt opgesteld houtopslagje. Ze zijn vast niet blij dat ik hier in hun achtertuin sta. Verder maar.

Bij het huis van mijn naaste buren ben ik inmiddels duidelijk zichtbaar op het pad achter de huisjes langs. Hun hond slaat aan, ik loop maar vlug door en ga niet raar naar binnen staan kijken. Ik bereik het tuinpoortje van mijn huisje. Er hangen wat waarschuwingsbordjes op maar ja – ik huur dit. Ik mag ze negeren. Dus loop ik rustig het tuinpaadje af, naar mijn voordeur. Zo, ik ben weer thuis. Vroeger dan gedacht, maar wel avontuurlijk.

Ook nu houd ik mijn warme jas nog even aan, en pak er een kuipstoeltje bij op de veranda. Boek erbij, kop dampende chocolademelk met slagroom: heerlijk. De kat, Onkel Sven, komt al snel aanlopen. Ik gun hem een plekje op de zitzak, en zo zitten we in het middagzonnetje. Ik kan mijn boek lezen met mijn handschoenen aan. Ik lig een goed uurtje te lezen en te soezen, tot er weer een frisse wind opsteekt en ik toch wel naar binnen wil.

Goed, dan daar verder met lezen, schilderen, zingen en wat doelloos internetten. Tegen het avonduur kook ik weer pasta. Het is, zoals alle andere avonden, zo van het ene op het andere moment donker. De schemer duurt hooguit een kwartiertje. Daarin heb ik wel een paar prachtige foto’s van het dal en de verlichte huisjes gemaakt.

Voor het avondeten bel ik nog even aan bij mijn huiseigenaren. Er brandt licht, maar er wordt niet opengedaan. Via Airbnb communiceer ik met Sylvia. Gek. Dan zie ik Jonathan met de kleine thuiskomen. Hij vraagt me later even terug te komen, als hij hun dochtertje op bed heeft gelegd. Prima. Ik maak avondeten, en met een uurtje loop ik nogmaals naar het huis. De voordeur vinden is wat lastig – het huis heeft vier deuren aan drie kanten, en een bel zit bij geen van alle. Als ik bij een deur aanklop hoor ik Jonathan roepen, en hij komt met z’n dochtertje naar de deur. Het meisje wil nog lang niet slapen. Wandelend door het huis bedank ik hem even voor het verblijf en laat ik weten, dat ik morgen zelf naar het station zal lopen. Ze zijn namelijk beide weg voor werk. Het is prima zo. Ik verlaat het huis weer via de achterdeur, die dicht bij mijn voordeur ligt.

Als de nacht is gevallen ga ik nogmaals met mijn statief naar buiten. Dik ingepakt zet ik me op een kussen op het balkon en maak foto’s met een lange sluitertijd. Orion staat recht in zicht aan de hemel. De maan zorgt voor hinderlijke ruis, maar die kan ik goed buiten beeld houden. Hoe zal dit in de zomer zijn? Ik wil hier zeker terugkomen. Na de laatste foto zit ik nog een tijdje naar de prachtige nachtlucht te staren. Dan vernikkel ik echt, en is de kachel in huis ook redelijk opgebrand tot as.

Ik gooi nieuwe blokken in de kachel, nog voor eventjes, en trek mijn Jacobinus Schwarzbier open. Ik zet me op de bank en lees nog een eind weg in Harry Potter and the Methods of Rationality. De haard gaat, na deze blokken, keurig op tijd uit, en ik ga naar bed.

woensdag

De laatste ochtend breekt aan. Het is rond acht uur als ik mijn bed maar eens uit kom. Vooruitzicht: ongeveer om 14:00 moet ik in Kassel mijn trein hebben. Dat lukt gemakkelijk.

Ik bak mijn laatste eitjes, maak koffie. Terwijl ik mijn ontbijt opeet zit ik nog even aan mijn computer en kijk naar buiten. Wat heerlijk is het hier, en wat ga ik dit stekje missen – nu al. Maar wat zal het mooi zijn als ik terugkom! Terwijl ik het laatste afwasje doe maak ik nog foto’s het heerlijke uitzicht op de vallei vanuit het keukenraam.

Langzaam haal ik mijn rugzak van het bed – check achter het bed – niets – en leg hem op de bank in de woonkamer. Er ontstaat eerst chaos rond de tas, te meer ook omdat ik het idee heb dat alles er toch niet gemakkelijk in terug zal gaan. Niets is minder waar.

Voor mijn reflectiescherm – ongebruikt, helaas – wil ik een betere plek vinden. Ik leg hem in mijn schoenenvak, tegen de onderkant van de tasbodem. Daar past hij precies. Mooi, nu zien hoe de rest niet meer uitkomt.

Gestaag pak ik door, onderwijl alle hoeken van het huis afgaand om te controleren of ik daar niets heb laten liggen. Adapters, tassen, badspullen – alles gaat erin. Als ik de buik van de tas dichtrits, hoef ik nog maar een paar dingen, en dan mijn toilettas. Gemakkelijk, zo.

Ik ben om tien voor elf klaar, trek mijn schoenen aan, en wil de deur uit lopen. Laatste check: lag er niet nog een tube tomatenpasta in de koelkast? Ik zwaai de deur open en vind er tot mijn schrik zelfs een hele pan koude pasta! Ojee, die moet nog op. Voordeel dan maar dat ik ook nog honger had. Ik pak een vork en eet behendig de koude pasta zo uit de pan. Het smaakt goed, en het vult!

Dan was ik de pan en de vork af en zet ook die weer terug in het kastje. Zo, nu geen verstekelingen meer op de halve tube tomatensaus (zeventig cent thuis, mogen ze houden) en het halve pak melk. Dat ik geen half pak melk mee ga sjouwen is uiteraard nicht im Frage.

Eindelijk wandel ik nu het huis uit. De kachel was een uur geleden al tot kooltjes opgebrand, een half mandje hout staat klaar. Dat redt zich wel.

Op het tuinpad klak ik nog met mijn tong, maar Onkel Sven komt niet tevoorschijn. Tot ziens dan maar weer, kat, we zien elkaar vast in de zomer wel weer.

Zodra ik beneden bij de weg ben, trek ik mijn spikes over mijn schoenen. Dat is best even wiebelen met een twaalf kilo aan backpack op je rug. Gelukkig heb ik de staanders van de carport.

Ik ga op weg. Er ligt fris gevallen sneeuw, het is licht zonnig, niet te koud. Ik draag ook mijn thermokleding, dus ik heb al dagen nergens last van. Goed geluimd loop ik naar die Gabelung en dan kies ik het middelste pad, dat naar beneden loopt. Mijn tas is geheel niet zwaar op mijn rug. Ik heb goede grip op de dik besneeuwde paadjes.

Dan kom ik bij het uiteinde van de Mozartstrasse. Daar is zo goed geruimd, dat mijn spikes direct krassen op het asfalt. Uit dan maar, anders slijten ze te hard. Ik loop verder via de Uhlandstrasse naar de Pestalozzistrasse, waar om onbekende redenen niet geruimd is. De spikes maar weer aan dan. Ik ga over op de Schulstrasse en loop zo naar beneden. Het zijn allemaal maar stukjes van vijf minuten elk.

Bij de Edeka sluit ik direct aan in de rij bij de kassa. Het is inmiddels twintig over elf. Ik vraag of ik geld mag wisselen. De kassadame knort en kijkt zuur. ‘Dat kan toch niet! Ik heb hier geen contant geld’ sputtert ze. Ohnee, dit is mijn enige kans. ‘Aber bitte!’ roep ik uit. Daarvoor gaat ze overstag. Ze loopt naar de kassa van het Postamt op de hoek van haar balie, en begint briefjes en munten voor me te zoeken. ‘Wat wil je?’ terwijl ze mij het benodigde kleingeld geeft leg ik haar in bewonderenswaardig Duits goed en snel uit dat ik op de heenweg zwart moest rijden, omdat alle automaten mijn Nederlandse briefjes en EC-Karte niet aannemen. Ik ben verbluft dat, onder stress, dat allemaal er piekfijn uit komt, als ware het een gsprek tussen twee locals.

Ik bedank de vrouw hartelijk, zij gaat weer aan haar werk, en ik ga richting Bahnhof. Of ja, waar ligt dat eigenlijk? Achter het dorp, dacht ik. In mijn strakke wandelplanning, die mij in de tram ziet zitten om tweeënveertig over elf, had ik niet meegenomen dat ik de exacte locatie van het stationnetje niet weet. Maar! Bij mijn wandeling eergisteren kwam ik langs dat paaltje waarop ‘Ortsmitte’ stond. En daarop stond volgens mij ook ‘Tramstation’.

Ik loop naar het paaltje en inderdaad, er is een richtingaanwijzer voor ‘Helsa Bahnhof’. Immer gerade Maus dan maar. Ik stap over de keitjes door het dorp. In het zonnetje vegen mensen hun stoepjes schoon en ze groeten me. Haastig loop ik door, richting het tweedehandswinkeltje. De dorpsstraat splitst zich. Links? Rechts? Te laat zie ik aan de linkerkant een wegmarkering op een paal staan. Ik ga rechts en steek de hoofdweg over.

Dan, aan de overkant, zie ik een bordje tussen twee huizen. ‘Wanderweg 16’ – die gaat naar het Tramstation. Ik glip tussen de huizen door, langs een oude houten watermolen, een steil bruggetje over – en dan sta ik opeens één huis verwijderd van de tram. Ik ben geweldig! Gesterkt door deze vondst loop ik harder door. Ik kan gemakkelijk om het gebouw heen, de straat over, en zo het perronnetje op. 7 minuten voordat de tram vertrekt zit ik erin. Hoe doe ik het toch telkens weer!

Terwijl mijn moeder en zus me driftig appen over mijn reis vertrekken we. Rustig glijden alle besneeuwde voorstadjes weer aan ons voorbij. Jongeren en ouderen stappen in, kwebbelen met elkaar, stappen uit. We bereiken het centrum. Hier moet ik even opletten.

Ik wil namelijk nog naar een specifieke locatie van de Universitätsbibliothek van Kassel. Wat? Heidi, dat ook nog? Ja. Het ligt op de route so why not? Ha, daar is de tramstop ‘Rathaus’. Nee, mis. Ik moet ‘Rathaus – Fünffenster’ hebben. Eentje verder dan. Ik ben toch al een hele vertoning, zo met een joekel van een backpack in deze tram.

Ik zie gelijk waar ik heen moet lopen. Kruispunt over, achter twee huizen… jawel. Daar ligt de Murhardsche Bibliothek – een oud, statig gebouw dat een boel boeken herbergt. Maar! Uiteraard, het staat in de steigers. Daar laat ik me niet door tegenhouden. Volgens de website is het open. Ik loop de trappen op en werk me fluisterzacht door de hoge deuren.

Binnen nog wat trappen op. Er is een ruim open foyer met aan weerszijden lockers. Ik probeer tevergeefs mijn tas erin te zetten. Niet alleen geeft dat een storend gekleng van jewelste, ook zal de bibliothecaresse daar niet heel blij mee zijn. Ik loop dus maar even over naar haar balie en zeg wat ik kom doen.

Gelukkig, ze is gelijk enthousiast. Mijn tas mag in een hoek achter de deur. Ze wijst me aan waar ik allemaal mag komen. Blij stiefel ik weg. Gelijk verzacht ik mijn pas, want de vloeren kraken verschrikkelijk, en mijn bergschoenen zijn nou eenmaal niet de meest elegante. Zal ik teruggaan voor mijn hutsloffen? Nah.

Zachtjes loop ik alle kamers door. Het zijn kamers – met prachtig omlijste hoge ramen, zware fluwelen gordijnen. Aan het plafond ornamenten, en rozetten rond elke lamp. Oh, als ze deze bibliotheek verbouwen, hoop ik dat ze het in stijl doen. Ik blijf met name een tijdje stilstaan in een studiekamer waar langs de wanden allemaal middeleeuwse boeken staan. Kleine, grote. Dingen die ik herken als bijbelboeken, sommige met Hebreeuwse tekens erop. Minutueus bestudeer ik de kaften van deze pareltjes. Ze lijken van wit leer of perkament. Alle boeken staan achter glas uiteraard.

Dan loop ik door, naar de wat gangbaardere ruimtes van de bieb. In een halfronde zaal zitten jongeren te studeren. Ik stoor ze maar niet, al had ik graag even aan die kant uit het raam gekeken. Dan loop ik andere zalen door, vind het trappenhuis, en kijk wat er een verdieping beneden is: niets. Die deur is alleen voor medewerkers. Ik ga dus maar naar boven. Ik raak een beetje verdwaald, maar andere bezoekers wijzen me de weg. Ik kom nog in een portaaltje met houten kaartenbakjes, en een grote zaal boven de ingang, waar helaas tapijt ligt, en ook niet alle kasten lijken te staan. De kasten zijn sowieso van het type rolbaar staal, dus het staat niet heel mooi in deze bibliotheek. Ik hoop echt dat ze het mooi renoveren.

Ondanks de grootte van de bibliotheek heb ik nu toch al alle ruimtes gezien, vrees ik. Ik keer terug naar de hal en maak nog een praatje met de medewerkster. Ze hebben leuke ansichtkaartjes met geschriften uit boeken, en twaalf kaartjes voor alle sterrenbeelden van de dierenriem. Het gekke is dat de Stier volledig bij april hoort, waar hij bij ons tegenwoordig half april, half mei beslaat. Ik moet nog eens opzoeken hoe dat verschoven is.

Zo, rugtas weer op de rug, en lopen maar weer. Het is tien over één. Nog twintig minuutjes met een tram en dan ben ik op Kassel Wilhelmshöhe.

Ik begeef me op straat tussen de buitelende scholieren en kwekkende studentes. Als een zwerm sprinten we het kruispunt over wanneer het licht groen wordt, en ik weet nog net tram vijf te halen, die ook naar bahnhof Wilhelmshöhe gaat.

Hij gaat wel eerst langs het Hauptbahnhof, wat dezelfde bouwstijl heeft, en wat het dus wat verwarrend maakt. We suizen met ons trammetje over het rangeerterrein van het ene station naar het andere. Het is verlaten – we worden gelukkig niet op de hielen gezeten door grote snelle IC’s.

Dan zijn we op mijn eindbestemming. Zo. Nog even wachten op mijn trein, waarbij ik wat presentjes koop. Temeer eigenlijk om in het warme winkeltje te kunnen staan met een reden. Ik vraag bij de reisinfo of ik ook via Dortmund terug mag reizen. De beambte zet een onduidelijke stempel met wat krabbels op mijn ticket en dan mag het kennelijk. Waarom ik dat wil? Minder overstaps…

Maar als ik eenmaal in de trein zit, tussen een gezellig ouder Duits drietal, dan zie ik dat reizen via Dortmund me een uur overstap geeft, plus een half uur latere aankomst. Ja, doei. Ik stap wel twee keer over.

Dat blijft niet leuk, maar je doet tenminste wat. En zo gebeurt het dat ik via Hamm en Münster mijn laatste kilometers per boemeltje afleg. Op Enschede stap ik op de bus naar Deppenbroek, en stap bij huis uit.

Op mijn route kom ik eerst nog bij het huis van buurman Renze, en die viert vandaag zijn verjaardag. Dus daar naar binnen maar, lekker Chinees eten en een fijne avond hebben met mijnTkkrLab-vrienden. Dan tegen negen uur eindelijk huiswaarts… en gelijk mijn bed in.

Het reisje zit er weer op!

donderdag

Het is donderdagochtend, half zes. Ik word vroeger wakker dan normaal, omdat ik weet dat ik nog aardig wat bagage moet inpakken. Mijn kat Meisje ligt niet naast me op bed, dus ik roep haar. Met een fijn getik van haar pootjes komt ze de slaapkamer in en springt naast me op bed.

Ik lees routineus mijn e-mail en favoriete websites, aai Meisje, en stap uit bed. De kattenbak moet schoon, de katjes moeten voer, ik moet ontbijt… en er moeten allerlei klusjes gedaan worden.

Het vervelendste, na alle vaste klusjes, is wel het legen van de groenbak. Dat komt omdat het de laatste weken voor Nederlandse begrippen erg heet is geweest. Het metalen groenbakje staat op het voorbalkon en is elke dag verschrikkelijk warm geworden – een perfecte broeiplek voor vliegen. Ik zal jullie de details besparen, maar het eruit tillen van de vuilniszak verdient echt een aparte studie in de fijne organismen.

Op slippers, in mijn oudste verfkleding, ga ik naar beneden en gooi ik het dubbel verpakte zakje weg. Meestal combineer ik het met de rest-afvalbak, maar daar heb ik nu echt helemaal geen zin in. Daarna spuit ik met de tuinslang het afvalbakje schoon, waarbij ik zelf ook aardig nat word. Zo. Die kan weer mee naar boven, lekker een paar dagen drogen in de zon.

De verpakkingenzak zet ik bij de voordeur, en dan kan het inpakwerk beginnen.

Zoals gewoonlijk heb ik een paklijst opgesteld, maar die voor dit keer ook uitgebreid met kampeer- en hackerspullen. Denk aan een tent en mijn nieuwe veldbed, maar ook kabels, een tang, ijzerdraad en ProtoPlast korrels. Als ik alles ingepakt heb komt het, exclusief tent en toebehoren, op twee plastic kratjes en een paar handen vol losse spullen uit. Dat doet mij de alarmbellen rinkelen dat ik veel te veel meeneem. Ik kan het namelijk niet allemaal zelf dragen. Maar hush: dit is een hackerkamp en we gaan met de auto, die regel mag ik nu laten varen.

Via WhatsApp hoor ik dat ik niet half elf, maar half tien word opgepikt. Oei. Ik moet mijn laptopje en een bestand daarop nog controleren. Ik vraag uitstel tot tien uur en pak haastig door. Shit – mijn laptopje heeft ongemerkt aangestaan vanaf dinsdag. Te laat om op te laden, ik moet vertrekken met 12% batterij. Het bestand is leesbaar, al is mijn werkveld piepklein. Tot overmaat van ramp heb ik onlangs mijn cloud-opslag verkeerde geconfigureerd en stampt die nu bij synchronisatie mijn hele hardeschijf tot de laatse MB vol. Oops… tijd om dingen naar een andere plek op mijn NAS over te hevelen heb ik niet. Dit moet ik op Haxogreen maar fixen. Als de auto met Michiel en Leroy voorrolt kan ik alles net naar beneden sjouwen. Ook uit de berging moeten wat grote zaken mee. Ik laat Michiel alles in de auto puzzelen terwijl ik zelf boven een rondje huis afsluiten doe. Ik aai de poezen beide nog één keer en beloof ze echt met een paar dagen terug te zijn. Opdat het maar niet te warm voor ze wordt.

Met de zak verpakkingsafval uit het raampje bungelend rollen we het park uit. Daar gooi ik de zak weg in de oranje container en kunnen we echt vertrekken. Op naar Haaksbergen om Martijn, onze laatste passagier, op te pikken.

Binnen een half uur zijn we echt onderweg. Met Michiel aan het stuur scheuren we Duitsland in, zuidwaarts. Het wordt langzaam warmer in de auto, die door technische aanpassingen niet meer over werkende airco bezit. Michiel en Leroy voorin hebben ruime zitplaatsen, maar worden gegeseld door de brandende zon. Martijn en ik achterin hebben krap twee derde van de achterbank tot onze beschikking. Gelukkig zijn we niet zo breed.

We jakkeren de Duitse snelwegen af. Tegen de middag gaan we autogas bijvullen. Dat kan niet bij elk tankstation, dus we moeten slim kiezen. Bijkomend voordeel van de schaarsheid van autogas is wel, dat niemand achter ons in de rij staat. We kunnen de auto na het tanken rustig nog even onder de schaduwgevende overkapping laten staan. Ik loop allang in het winkeltje, maar daar is het niet al te veel koeler dan buiten. Martijn wijst slim naar het dak, waar we een provisorisch vastgemaakte waterslang een straal water op de airco zien gutsen. Iets zegt ons dat dat ding niet optimaal werkt vandaag.

Gelukkig kunnen we even naar de wc en kan ik een espresso drinken. Hehe. Ik doe de hele dag al niet veel actiefs en reageer op de meeste gesprekken met een diepgaand ‘uhuh’ omdat met minimale hersenkracht de tijd sneller voorbij lijkt te gaan. Ik klap de laptop even open en doe iets aan mijn (vertaal)werk, maar in een ongemakkelijke houding zitten terwijl je wegsmelt op de achterbank is een enorm slecht plan. De laptop gaat weg, ik ga de komende dagen wel vertalen.

Suf en duf sjezen we door naar onze bestemming. Martijn rijdt vanaf de autostop. Tegen half vijf komen we in het mooie heuvelachtige Dudelange aan. Ik herken het van twee jaar geleden. We laten de volbepakte auto voorzichtig de berg op klimmen naar het scoutingterreintje. Eerst slaan we een paadje te vroeg af en staan voor de voetgangerstoegang. Die is overgroeid met gras en struikjes, dus we zijn zo slim om onze kaarten te herzien en de volgende weg omhoog te pakken.

We mogen met de auto niet meer helemaal het terrein op. Wel mogen we even kort op een hellinkje parkeren en uitladen. Dus doen we dat. Ik kies een plaats uit die goed gelegen is. We passen er net. Ik zal mijn tent tegen het hoger gelegen terras achter de tent van de jongens opzetten. Dan moet er nog een Duitser met zijn slaaptentje naast, en dan is het echt wel vol. We parkeren de auto op het hellinkje, zien hoe hij het met handrem én in de eerste versnelling niet houdt… en zetten hem ietsje lager. Zou toch vervelend zijn geweest als hij tijdens het uitpakken naar beneden was gerold!

Ik zet mijn tent op, de groene Eureka! waar ik al jaren erg content mee ben. Het is mijn kleine kasteeltje voor onderweg geworden. De jongens, vijf in totaal, slapen in de grote opblaasbare Karsten-tent van Michiel. Het is een joekel van een ding, maar dat heeft weer een voordeel: hij verschaft mij in de ochtend een klein tijdje schaduw, en is een goede buffer voor het licht, geluid en feestgedruis rond de maintent.

Dorst nekt me. Ik ben een kameeltje: ik heb het niet gauw warm, heb niet vaak dorst, maar deze dagen begin ik mijn limieten te voelen. Dus sjok ik naar de maintent, en kom erachter dat ik zonder contant geld alleen aan een fles koud water kom. Dan die maar. Tot plots Paul van een ander hackerspace achter me staat, en een lekkere Apfelschorle voor me wil betalen. Graag! De fles water was toch gratis dus die neem ik er ook mooi bij.

Tegen zevenen zijn we geïnstalleerd en gaan we op zoek naar avondeten. Daar is wat discussie over. Zelf koken werd de afgelopen keer niet gewaardeerd, is gezegd. Maar nu we toch onze eigen barbecue mee hebben, en er nog geen andere tent een goed eetvoorstel heeft gedaan, lonkt het toch om even zelf vlees en salade te halen (dit schijnt standaardvoedsel te zijn als je kampeert). Dus voor ik het weet zijn er twee van mijn ploeg terug met tassen vol eten en drinken, en gaan we barbecuën. Prima. Ik eet een hapje mee.

In de avond ben ik erg moe. De lange reis was uitputtend, juist omdat ik mezelf op standje onbenullig had gezet. Ik ben gaar, het is nog warm, ik wil m’n bed in. Maar nieuwsgierigheid naar alle hackers die ik een tijd niet gezien heb houdt me wakker. Ik krijg van Bas een Tschunk aangeboden en meng me in het feestgedruis rond de maintent. Ik spreek met leuke mensen in Duits, Engels en een beetje Frans.

Tegen half één ga ik toch echt slapen. Eens zien hoe mijn nieuwe veldbedje bevalt!

vrijdag

Ik hoor mijn wekkertjes één voor één afgaan. Ik heb heerlijk geslapen, ben uitgerust. Dus alleen de eerste om kwart voor zeven tik ik uit. Om acht uur gaat mijn ‘aankleden!’ wekkertje, om kwart over acht mijn ‘vertrek’ wekkertje. Oké, ik word echt wakker.

Rond half negen begint mijn tent al een aardig oventje te worden, dus ik glip in de eerste de beste combinatie van korte broek en t-shirt die ik vind. Mijn t-shirt met puntmuts is een geweldig ding, en ik ben blij hem te hebben meegenomen, maar tegen de zon is hij echt onpraktisch. Mijn schouders zullen in een mum van tijd verbranden, dus dat shirtje trek ik niet aan. Kijkend naar wat ik dan wél aan shirtjes heb is het wat zielig: mijn blauwe Haxogreen-shirt van twee jaar terug is ronduit zweterig van gisteren. Mijn nieuw verkregen zwarte Haxogreen-shirtje wil ik ook niet gelijk aan (lijkt alsof je niks mee hebt genomen). En dan blijft er over… ja niks. Twee merinowollen truien ‘voor als het ’s avonds koud wordt’ en een knalgele navelsweater (ja het bestaat) waar ik zelf ‘CYBER’ op heb gekalkt.

In de maintent, na het tandenpoetsen en opfrissen, vind ik de oplossing. Terwijl ik mijn ontbijt zit op te kauwen zie ik dat er een tafel vol ‘gratis free stuff’ is, met ook twee aardige t-shirtjes in de maat medium. Die gaan mee!
Ik haal een kopje koffie bij de HackSaar tent, maar kom een beetje bedrogen uit. Ze hebben een tweederangs Senseomachine bij zich… maargoed, de koffiepads zijn gratis! en nadat ik het bakje troebel water heb opgeslurpt, is Martijn wakker en zegt hij toe échte koffie te gaan zetten in zijn reusachtige mokacafé. Gelukkig.

Nippend aan die bak sterke koffie komt het besef tot me, dat kamperen bij dit buitengewoon hete weer eigenlijk een slechtere keus is dan thuiszitten bij dit weer. Ik bedoel: in Nederland is het nu dagenlang 30 graden. Maar daar bewoon ik een stenen huis, dat ik met wat slim luchten koel houd op 25 graden. Hier, in Luxemburg, is het even heet – maar zit ik in een nylon tent die 12 uur per dag midden in de zon staat. Geen isolatie, geen schaduw.

Berustend in mijn lot haal ik mijn laptopje op uit mijn groene oventje, pak stroomkabel en muis erbij, en ga in de maintent aan een tafel zitten. De maintent staat grotendeels in de schaduw en waait redelijk door. Ik kan het hier wel een paar uur uithouden. Bijkomend voordeel is dat je omringd wordt door alle andere Haxogreeners.

Nee, er gebeurt niet veel. Ik leen geld van Dave opdat ik meer drankjes dan alleen water kan halen. Tussen wc, laptop en bar kom je aan de praat met iedereen. Belgisch, Nederlands, Engels of Duits, iedereen heeft een verhaal, en met wat geluk ook leuke projecten om te laten zien.

Tegen het eind van de middag wordt de hitte me te veel. Ik zoek mijn witte badpak op en pak een blauw shirtje om mijn schouders bedekt te houden tegen de zon. Merk op dat ik er in deze combinatie uitzie als een smurf in een luier. Ik wandel daarom maar benedenlangs naar het zwembadje toe. Zo, ik zet me in het koele water. Er drijft een dobber met chloortabletten in, een pomp zorgt voor de minimale verversing van het water. Zo hangen we en praten we weer in allerlei talen door elkaar over onze afkomst. Het leuke is (vind ik) dat die gesprekken ook al gauw over linguïstiek gaan. Het badwater koelt echt heerlijk af, ik snap dat mensen met gemak een verschrikkelijk hete dag in een zwembad kunnen doorbrengen tot de schemer valt. Je kan er niks – niet met electronica, niet met papieren boeken, want je bent omgeven door water – maar het koelt wel zo af, dat het gerust smoorheet mag zijn.

Zodra het een tijdje lang betrokken is stap ik uit het water. Tot mijn verbazing heb ik het gelijk koud. Michiel ook. Ik ga douchen. Zodra de zon weer achter de wolken vandaankomt is het ook gelijk weer smerig warm.

Als de schemer valt wordt het gelukkig wat draaglijker op het terrein. Wat eten we vanavond? Een paar mensen willen pizza’s laten bezorgen vanuit het dorp. Een paar anderen, waaronder ik, willen daar wel even heen lopen. Goed, dan lopen we er met z’n allen heen. Het is echt maar een kilometer heuvelaf, dat is wel fijn. De eerste de beste pizzeria aan de straat schieten we in. Wat verlaten staan we binnen in het airco-koele stijlloze restaurantje.

Een meisje van de bediening merkt ons op en troont ons mee naar achteren, waar nog een heel ander restaurant blijkt te zitten. ‘En de prijzen zijn zojuist verdubbeld’ grinnik ik Michiel toe. We mogen buiten zitten onder een overkapping. Voor amusement wordt gezorgd door een enorm grote projectie-TV achter ons. De projectie-TV was de voorloper op de grote flatscreens en plasmaschermen. Deze bij onze tafel is ongeveer 49 inch. Hij geeft niet bijzonder veel licht, maar wel leuk geluid: er staat een non-stop hitzender met muziek uit de jaren ’90 op. Ik swing vergenoegd mee met alle oudjes zoals Snap, Dr. Alban, Vaya Con Dios, en Toto. Als de kastelein de gemiddelde leeftijd van ons zestal inschat, verandert de muziek langzaam naar de hits van deze tijd. Hè, jammer.

De kastelein – een oudere, knokige man met een enorme zwarte bril – merkt op dat ik de enige ben die Frans kan. Dat doet hem genoegen. Enthousiast legt hij aan mij de kaart uit, in verwachting dat ik het de rest wel uit zal leggen. Ik volg zijn snelle Frans redelijk goed, met een verduidelijking hier en daar. De jongens zitten me met klapperende oren aan te horen, terwijl we over specialiteiten als zalm, linguine alla vongole, en koteletten praten.

Als hij wegloopt kijken de jongens me aan. ‘Wat heb je nou voor ons besteld?’ ‘Heb je Leroy verkocht?’ grijnzend vertel ik ze de drie extra specialiteiten op de kaart, en overweeg zelf de pasta te bestellen. In een pizza heb ik niet zo veel trek. Zo gezegd zo gedaan. Als ik terugkom richt de kastelein het woord weer aan mij en neemt hij de bestelling op. Hij kan ook wel wat Engels, gelukkig. Ik neem de pasta.

Al gauw brengt hij voor mij een kommetje, en een keurig verpakt doekje om mijn handen mee schoon te maken. Ik twijfel. Ik kreeg toch pasta? Te zien aan het bestek – een vork en een lepel – is dat ook zo. Linguine eet je prima met dat gereedschap. Maar dat kommetje? Wat betekende vongole ook alweer? Ik wil me niet laten kennen en blijf braaf aan tafel zitten zonder te Googlen. Vooraf krijgen we een bordje met twee bolletjes visprakje, wat duidelijk heel, heel snel op moet voordat het over datum raakt. Goed hoor.

Als alles is opgediend, blijkt mijn gerecht helemaal niet zo gek, voor een restaurant dat faam maakt met visgerechten: alla vongole betekent met schelpen. Hèhè. Blij wip ik de schelpjes open en slurp de inhoud eruit (trivia: wie vond uit dat je dit kon eten en wat bezielde hem toen hij de eerste maal dit deed!?). Daarbij eet ik de lekkere pasta. Heerlijk. De mondbrand die ontstaat door twee tactisch verstopte pepertjes stil ik met mijn bier.

Na het eten, waarbij ik nog netjes de fooi aanvul, want de bediening was keurig – splitsen we ons op en gaat een deel van de groep even pinnen. Bijna haken we af bij de ING in het dorp, want de deuren zitten dicht. Gelukkig weet ik dat je dikwijls gewoon een knopje hebt om in een voorportaaltje bij de pinautomaat te kunnen. Zo ook hier. Anders hadden we nog bij de Sparkasse buiten kunnen pinnen – met als leuke detail dat de naam in het Luxemburgs ‘Spuerkeess’ is. Ik word best blij van Luxemburgs.

’s Avonds blijft het nog lang warm. We hangen voor de tenten, bij de Nederlandse enclave aan de overkant. Die hebben dan weer vrij uitzicht op onze buren: een delegatie van Warpzone. Nou moet gezegd worden dat Warpzone, onze buurtjes in Münster, een prima hackerspace met echte hackers is. Echter, het groepje dat hier op Haxogreen kampement houdt, heeft duidelijk wat aparte sociale voorkeuren. Ik keur niets af, maar heb – en met mij heel wat anderen – af en toe best wel met opgetrokken wenkbrauwen zitten kijken. De Warpzoners hebben een vierkante tent, die van de voorkant open is. Heel mooi, want ze hebben twee slush-apparaten opgesteld. Daarover misschien nog meer. Maar de rest van de tent is nagenoeg alleen bezet door een paar grote luxe luchtbedden, en op de achterwand worden doorlopend videofilmpjes van schattige otters geprojecteerd. Het is niet alleen daarom, dat de jongens al gauw ‘de otters’ worden genoemd. Hun gedrag krijgt al snel de term ‘otteren’. Kijk je op een willekeurig moment op de dag de tent in, dan kun je van het luchtbed 2, 3, soms wel 4 paar jongensbenen en -armen zien uitsteken. De combinatie van jongens is telkens wisselend, maar waar één of meer Warpzoners bij elkaar zijn, wordt er heftig geknuffeld en innig over elkaar heen gerold. Het is geen stoeien. Ja. En het is, als je er niet al te veel door verbaasd bent, best een aandoenlijke aanblik. Er wordt af afgeaaid, gelebberd, en met handen overal hier en daar gezeten. Kleding gaat niet uit, maar er is desondanks genoeg te zien. De otterboys trekken zich er duidelijk niks van aan, maar het begint wel een dingetje te worden. Voorbijgangers besteden er simpelweg maar zo weinig mogelijk aandacht aan – of ze nu een vaatje slushie tappen, driftig zitten te solderen (want ja, dat doen de boys ook daar), of in gesprek met elkaar zijn. Het is wat aparts, op een hackerkamp.

Die avond is ook de maansverduistering te zien. Je merkt het aan de groepjes Haxogreeners die, zo na tienen, samenscholen en allemaal richting het zuiden kijken – een enkeling met een betoeterde camera en statief. Er wordt gepraat, gewezen, en… gegaapt. Want de maan, zoals gezegd bloedrood, wordt verhuld door flarden wolken. Het is geen optimaal zicht. Ik laat mijn DSLR daarom in mijn tent, want ik heb alleen mijn 50mm lens bij me. Daarmee kun je de maan als een postzegeltje op een ansichtkaart krijgen, en met de bijkomende bewolking zie je gewoon praktisch niks. Dus ik ga niet lopen showen met mijn spullen, ik kijk gewoon liever. Omdat het gezelschap op het terrein me niet bevalt, loop ik om de camping heen naar een hoger gelegen punt boven aan de weg. Daar staan nog wat vrienden en onbekenden. Ee kijken hoe de wolken wegtrekken en de maan, waterig en perzikkleurig, langzaam weer zichtbaar wordt. Al met al is het een aardige aanblik. Ik merk op dat het zicht op oostelijk Dudelange vanaf hier wel erg mooi is. Daarom haal ik, als iedereen weg is, toch nog mijn camera en statief. Inmiddels heb ik wel een Tschunk achter de kiezen, dus heel recht fotografeer ik niet meer. Inderdaad, de maan is een zielig vlekje in mijn zoeker. Die laat ik links liggen. Ik fotografeer de lichtjes van de stad.

Even zit ik stil op het rotsblok, en staar lang naar de maan. Mag je op zo’n mooie avond wensen? Om iets, om …iemand? Ik schud mijn hoofd en loop terug naar mijn tent. Slapen maar.

zaterdag

Wederom een lekkere, warme nacht. Als mijn nachten in een tent altijd zo waren, hoefde ik nooit al die isoleermatjes en dekentjes mee te nemen. Dat is nu al jaren een ding, maar desondanks kampeer ik nog graag. De extra isolatieuitrusting die ik dit jaar heb meegenomen, is echter nog niet heel erg van pas gekomen. Het is simpelweg ’s nachts te warm. Na één nacht in mijn merinotrui heb ik zelfs in een t-shirtje geslapen. Dit mag in de krant, mensen.

Als tegen zevenen mijn wekkertjes gaan, hoor ik gespetter op de tent. Lichte regen. Wat is dat fijn! Ook al kan ik niet direct naar buiten kijken, het lijkt bewolkt. De regen houdt de tent ook koel. Tevreden draai ik me weer om en luister naar het geroffel op het doek. Als ik er nu uit moet, trek ik wel even mijn regenjasje aan… met die gedachte soes ik weer weg. Twee uur later word ik echt wakker. Alle sporen van de regen zijn alweer opgedroogd.

Ik wandel weer rustig richting de keurig schone frisse toiletten, maak me enigszins toonbaar, en ga in de rij staan voor het ontbijtje in de maintent. Vandaag staat er een jongen in enkel korte broek voor me. Omdat hij niet opschiet ga ik hem voorbij, en hij daarna mij weer. We raken aan de praat over talen en dialecten, en ik noem de serie ”Allo ‘Allo’. Ik kijk nogmaals naar de jongen. Nee. Hij is te jong, hij kent het niet.

Hij komt bij ons aan tafel zitten, Martijn biedt weer aan om koffie te maken, en zo bevinden we ons een paar minuten later op het midden van het veld, in de brandende zon. We zetten ons in stoeltjes, met onze nieuwe gast in ons midden, en wachten op het gepruttel van de koffiepot. De gast heet Hugo en ik praat een mix van Engels en Frans met hem. Hij blijkt ook te balfolken, en kent typisch al die bals in de Benelux waar ik gewoon nooit heen ga (en zal gaan). Na een goede bak koffie en leuke gesprekken sta ik op om wat anders te gaan doen. Hugo laat ik achter, in verwachting dat mijn groepsgenoten (het aantal is gemaximaliseerd naar 5) de conversatie met hem wel zullen voortzetten. Dat mislukt. Als ik terug ben uit mijn tent blijkt iedereen Nederlands te praten, en is Hugo maar weggelopen omdat hij er geen snars van verstond. Dat vind ik nou best wel jammer…

Daarom loop ik hem even achterna, en ga bij zijn tentje staan praten, een terras hoger. Mijn groepsgenoten kijken veelbetekenend naar me. Oh oh, dit gaat mee in onze Goede Hackers, Slechte Hackers-soap.

Ik ga een tijdje in de maintent zitten werken aan mijn vertaling, die eigenlijk veel en veel te groot is voor het bedrag dat hij oplevert. Maargoed, laat dat dan een les zijn. Ik zit naast onbekende hackers, naast wie je prima even je laptop (wel gelockt) achter kunt laten als je naar de wc gaat. Echt, zo werkt dat hier. Ik maak me geen moment druk.

Bas en ik willen nog wel samen gaan wandelen, maar het komt er telkens niet van. Ik zie een appje van hem te laat, en hij is al onderweg. Gelukkig start er niet lang daarna een half georganiseerde tour over het mijngebied, geleid door één van de organisators. In zijn beste Engels legt hij ons uit hoe hier de ijzermijnen werkten, en waar nog restanten van de ijzerwinning te zien zijn. In een aardige groep van zo’n 15 man wandelen we mee, achter de camping langs, het heuvelgebied in. Hier heb ik twee jaar geleden ook al met Bas gewandeld, toen een beetje op de bonnefooi. Maar juist doordat we toen zo zoekende waren, ken ik nu de verschillende paadjes en landmarks nog goed. Wil degene die mij ‘het navigatievermogen van een zeepaardje’ toedichtte, even zijn hand opsteken? 😉

We wandelen eerst een stuk onderlangs de afgraving in. Ik schiet wat foto’s, want ik heb mijn DSLR dit keer meegenomen. Ook heb ik een lange broek aan en mijn stevige bergschoenen – eigenlijk twee acessoires die ik puur mee heb genomen voor de wandelingen hier boven op de berg. Ze komen nu goed van pas, want we lopen stevig door over rotsige paden en banen ons een weg door het hoge gras vol distels. De wandelaars die mee zijn op hakjes, op teenslippers, en met blote benen, hoor je af en toe een gilletje slaken.

Aan het einde van de vallei besluit onze gids dat we hier steil omhoog kunnen. En steil is het! Terwijl hij nog wat uitlegt, gaan een paar fanatiekelingen hem vast voor. Het wordt echt klauteren naar boven, waarbij sommigen best hard naar beneden roetsjen omdat het kruimelige pad onder hen wegbrokkelt. Misschien is mijn inschatting van de klim door al die ongeoefende klimmers wat verkeerd, en ga ik aanvankelijk heel behoedzaam naar boven. Dat blijkt  niet erg nodig; het pad is stabiel, de klimmers zijn gewoon ongetraind en hebben hun voeten op de verkeerde plaatsen neergezet. Ik zigzag wat om anderen heen en sta dan ook boven op de berg. Met camera en telefoon maak ik wat kiekjes en selfies van het prachtig uitgestrekte landschap hierboven. Je kunt het kampeerterrein niet zien liggen, maar Dudelange wel. In de verte links zien we windmolens – in Duitsland, wordt gezegd. In de verte links zien we de goudgele heuvel met strorollen, en hoog bovenop de rood-witte ‘RTL-mast’ waar we twee jaar geleden nog omheen hebben gewandeld. Fantastisch.

Nu is het vanaf hier vlak, en daar zijn veel mensen wel blij mee. We gaan op zoek naar de laatste achtergelaten mijnkar, zegt de gids. Die is bewust achtergelaten als herinnering aan een lange tijd van ijzerertswinning. Na een paar meter komen we al bij de eerste grote kegel ‘slack’, een restproduct, die halverwege de heuvel is gestort, en daar is blijven liggen. Iets zegt me dat we inderdaad hier op de heuvel lopen, waar ik met Bas lang geleden tegenaan keek. De zon staat goed, de heuvel heeft precies de juiste vorm… jawel. Daar staat de laatste wagon. Onze ploeg stuift eropaf en volwassenen en kinderen beklimmen het enorme ijzeren vehikel. Het is eigenlijk gewoon een joekel van een trommel, opgehangen in twee vorken, op een platte treinwagon. Aan één zijde zit een stookcabine, opdat de ijzererts tijdens het rijden op temperatuur (en dus vloeibaar) gehouden kon worden.

Na wat uitleg en diverse kiekjes lopen we verder. Ik weet dat we nu bij het kleine, later gemaakte spoorbruggetje gaan komen. De gids vertelt dat hier vroeger helemaal spoor lag, tot in het centrum van Dudelange. Op de plek waar nu de grote Match-supermarkt staat, stond toen de ijzerfabriek. Er lagen twee sporen naartoe, omdat er natuurlijk dagelijks een doorlopende af- en aanvoer was. Maar, dat alles is verleden tijd. De sporen zijn weggehaald, de routes waarover ze liepen, overgroeid. We volgen het pad door het bos tot aan het bruggetje. Weer stuiven mensen erop. Ik loop er voor de verrassing eens onderdoor, en daarmee blijk ik geluk te hebben. Als ik omhoog kijk zie ik mensen kermend wegsprinten, van de brug af. Reden: aan weerszijden zitten bijennesten, en diverse mensen worden in hun onderbenen gestoken. Phew, dans ontsprongen.

We lopen verder, en aangezien niemand (aahh) het verhaal in het dorp echt wil gaan bekijken, gaan we gezamenlijk terug naar de camping.

Een bijkomende reden daarvoor is, dat de sushiworkshop zal beginnen (in een uur, beste mensen, maar ik zeg maar niks). Ik kleed me nog even om naar iets warmers, en wanneer ik nog even naar de wc wil lopen word ik al driftig naar de tafel met sushi-pupillen gemaand. Ondanks de inschrijflimiet van 20 personen zitten we toch echt met bijna het dubbele aan de tafels. Workshopleidster Tatiana is zo te zien blij, maar ook wat overdonderd door de opkomst. Snel maakt ze twee potten vol rijst en we kunnen beginnen.

Aangezien ik de workshop twee jaar geleden ook al heb gevolgd, en de tactiek verbluffend snel bij me terugkomt, besluit ik dit jaar gewoon rustig wat groenten te snijden en verder gewoon lekker alles op te eten. Dat lukt goed! Ik produceer wat reepjes paprika en leg me daarna toe op het proeven van alle schijfjes maki. Dat lijkt ook wel het enige type sushi dat dit jaar gemaakt wordt. Ik trek er een pilsje bij open en de avond is compleet. Snaaiend van de bereide rolletjes, de surimisticks en reepjes zalm, komt mijn buik langzaam vol. Ik wacht niet meer op de tweede batch rijst, ik ga weer (met een nieuw biertje) bij de tent hangen.

Daar blijkt ons hackersgroepje gezellig bijeen te zitten, vergezeld door een gezellige Nederlandse hackster uit een andere ploeg. We blijken beiden lang geleden naar Megabit te zijn geweest, en dat schept een band! We praten heel wat af over de tijd van toen, de lanparties, de netwerkkwaliteit, de typische quirks van als vrouw tussen de honderden mannen zitten. Langzaam wordt het donker. De sushiworkshop is achter ons opgeruimd. Ik ga nu echt wat warmers aantrekken, want vanavond is het kouder dan voorheen. Dat merk je. Met een ongeziene merinolegging onder, en een lang merinovest over mijn kleren begeef ik me naar de bar voor mijn eerste Tschunk die avond. Maar oh! De bar is nog niet open!

Ik zet me daarom maar op de bank met een langharige Duitser met een vrolijke lach. Michiel komt aan de andere kant ernaast zitten. Na een tijdje lullen over werk en programmeren heb ik het wel weer gezien, het wordt donker en zeker tien mensen heb ik al bij de bar zien weglopen met een heerlijk glas Tschunk. Ik wil ook, en bovendien ben ik op zoek naar ander gezelschap. Het is tenslotte zaterdagavond en er zijn mannen in overvloed. Hoppa.

Met mijn kersvers vergaarde Tschunk loop ik een willekeurige Duitse tent in tussen die van ons en de otters. Dit is de tent met veruit de meest imposante muziekinstallatie. Door de dagen heen hebben mensen een eveneens zo imposante connectie opgezet, opdat er via een shared playlist mensen zelf muziek kunnen afspelen en toevoegen op deze zeer centraal gelegen speakers. Ik moet zeggen, ik heb niet veel slechts gehoord dit weekend. Een jongen genaamd Nicholas, met wie ik al eerder in het zwembad zat te praten over Wacken Open Air, draait nu zijn playlist. En jawel, ik herken Nightwish! Hij heeft wat leuke nummers, en als vanzelf gaan we meezingen. Doordat ik al wat alcohol op heb ben ik niet zo geneigd hem bijzonder veel te vragen over zijn achtergrond in zingen. Hij zingt in een koor, en dat is fijn om te horen. Samen zingen we wat nummers van Nightwish mee, midden op het veld. Ik krijg het compliment dat ik bij Nemo ‘die ene acapella noot gewoon loepzuiver inzette en aanhield’ – van zijn tentgenoot. Kijk, dat vind ik complimenten!

Als er weer te veel onbekende muziek op komt ga ik weer een tentje verder. Een tweede Tschunk wil ik eigenlijk niet, want ik hoef geen hangover. Dus pols ik Hugo even. Hij blijkt in de maintent te zitten, alwaar hij met twee vrienden driftig aan een badge voor een opkomend event programmeert. Okee. In een keer ben ik weer nuchter. Ik bedoel, gezellig bij hem zitten wil ik nu wel, maar hij doet duidelijk niet aan het feestje buiten mee. Dus zet ik de knop om, haal ik ook mijn laptop, en ga ik maar vertalingen zitten hakken.

Het wordt niet erg gezellig op die manier, en ik word met name alleen maar slaperiger. Dus zeg ik de boys goedenacht en zoek mijn tentje op. Morgen maar weer eens echt wat nuttigs doen, zoals naar de braderie in het dorp gaan, en mijn eenhoorn-hoorn en -staart aan mijn tent bevestigen…

zondag

Op zondagochtend slaap ik met genoegen een beetje uit. Het enige dat me van mijn veldbed krijgt, is de gedachte dat het ontbijt weldra vergeven zal zijn. Daarom werk ik me maar overeind en maak me klaar om naar buiten te gaan. Door het doek hoor ik de Duitsers links en rechts naast me praten. Ik sta namelijk ingebouwd tussen een shelter en een partytent, en in beide zitten delegaties van onze oosterburen al vroeg te kletsen. Ik vind het wel leuk.

Ik doe weer een rondje wasbak, pak ontbijt. Martijn en Leroy zijn nog niet uit de veren, dus ik haal koffie bij HackSaar. Ik word vriendelijk begroet terwijl ik naar de Senseo achterin de tent loop. Het apparaatje staat er troosteloos bij. Ik moet eerst alle bakjes leeggooien, daarna overstroomt mijn kopje ook nog eens. Ik ruim alles op en ga weer in de maintent zitten eten.

Dan is het tijd om mijn boeltje te pakken en richting dorp te gaan. Er is namelijk twee dagen lang braderie. Ik app de jongens dat ik beneden ben, en dat ze me moeten appen als er iets is. Het is tien minuten lopen naar het dorp, ik verwacht geen onrust. Uit voorzorg neem ik wel de rugtas van mijn veldbedje mee. Je zult maar net iets heel gaafs tegenkomen. Als het in de tas past, past het zeker nog wel ergens in de auto.

Zo loop ik het terrein af, het eerste onverharde pad links in. Al gauw bevind ik me in een tunnel van struiken. Links ontstijgt de achtertuin van het scoutinggebouw me. Rechts zie ik door het dichte struikgewas aangrenzende tuinen van de huizen verderop aan de straat. Al gauw bereik ik het einde van het overgroeide tunneltje en sta ik bovenaan een zijstraat van het dorp. Ik wandel naar het centrum, maak foto’s, let meer op de straatnamen en de omgeving dan ik deed, toen ik met de jongens liep. Ik voel me zowaar een beetje meer ‘Heidi de reiziger’ als op de reizen, waar ik helemaal alleen ben.

De braderie in het dorp is niet moeilijk te vinden. Het centrum is een stuk afgesloten met dranghekken. Ik beland er midden in. Daarom ga ik links, en volg het voetgangersgebied. Het is een markt; niet echt iets bijzonders. Het wemelt er van de kledingkraampjes met gebloemde jurken, harembroeken, oude-damesshirtjes en schoenen van namaakleer. Die hebben we thuis ook wel. Wat me wel bekoort zijn de standjes met hapjes, waar je netjes overal iets aangereikt krijgt. Ik eet het met smaak op.

Dan zie ik de Zeeman. Ja, Luxemburg heeft dus ook al de Zeeman! Wat een fantastische winkel is het toch, ik ga me er ook niet voor schamen. Met een aanbod dat net de pulp van de Action overstijgt vind ik toch altijd weer iets aparts daar, of het nou in Nederland of in het buitenland is. Nieuwsgierig stap ik naar binnen en loop meteen naar de huisraad. Inderdaad, ze hebben verrassende snuisterijen. Ik neus rond, pak hier en daar wat, vind zelfs wat voor Yvo; ik weet niet of hij het al heeft, maar het kost amper wat, dus het gaat mee. Voor de katten vind ik zowaar een juten matje, veertig centimeter in doorsnee, dat precies lijkt op mijn dure nieuwe tapijt. Het gaat mee. Ik sluit de shoppingspree af met de aankoop van een stijlvolle, spotgoedkope witte zonnehoed, en troon naar de kassa. De conversatie gaat gemakkelijk. Het Frans gaat me nog niet zo slecht af.

Met mijn tasje volgeladen wandel ik met hernieuwde blik de markt op. Zo. Ik heb mijn slag geslagen. Nu nog even neuzen hier en daar en ik ga weer terug naar het kampeerterrein.

Het blijkt, dat ik eigenlijk vrij aan het begin van de markt erin stapte, dus na de hele route terug is er niet zo veel nieuws meer. Ik zoek op mijn telefoon even een brievenbus op. Dat lijkt lastig, maar waar kun je die beter vinden dan bij het postkantoor? Terwijl ik dat opzoek, rollen er WhatsAppjes van vrienden in Nederland binnen. Er is iemand op zijn teentjes getrapt door een voorval van drie jaar geleden, en ik moet het emotionele brandje blussen. Ik zet me op een bankje op het plein voor het Hôtel de Ville, alwaar ik bijna gelijk door een man weer opgejaagd word. ‘Mademoiselle! De bus gaat niet hier! Dit is niet de busstop! De bus gaat niet hier!’ ‘Nee oké’, stel ik de man gerust, ‘ik wil gewoon op een bankje zitten, geen nood’. De man druipt af, blij dat hij de mensheid weer voor groot onheil behoed heeft. Ik pak mijn toestel er weer bij en ga even rustig in gesprek met de gepikeerde vriend. ‘Ik word nooit serieus genomen’ flapt hij er uiteindelijk uit. Hèhè. Zeg dat dan gewoon. Enfin, ik heb geen zin om daar nu hier op in te gaan. Ik doe mijn telefoon weer weg en wandel de twee straten naar het postkantoor. Daar post ik de ansichtkaart aan mijn oma. Zo. En route, terug naar het kampeerterrein.

Terug bij de tent is er een hoop veranderd. Her en der zijn slaaptentjes zijn ingepakt. De maintent staat er wat bedremmeld bij met al zijn flappen omhoog. Mensen lopen driftig heen en weer. Ah ja, het is de laatste dag…

Ik begeef me naar de maintent voor een fles drinken. Daar zit Hugo met twee vrienden. Hij kijkt blij op als hij me ziet. Dat kan ik niet weerstaan, dus na het kopen van een flesje drinken zet ik me naast hem op de bank. Hij is nog steeds druk bezig met het aanzwengelen van prototypes van zijn badge. Ze zien er allemaal nog niet uit zoals ze eruit móeten zien – een witte wolfskop met als ogen twee cijferdisplays. ‘Daarmee kun je straks zien hoeveel mensen er om je heen zijn’ legt hij me enthousiast uit. ‘Oh’. Kun je dat niet gewoon zien dan, denk ik. Dus ik formuleer het als een grapje. ‘Dus als je in een tent naast het doek staat, en de teller geeft vijftig aan, dan… weet je dus dat er naast je buiten die tent heel veel mensen op een kluitje staan?’ Hij kijkt me even aan. ‘Euh, ja.’ Beats me, maar ik zie er het nut nog niet van in.

Een vriend van Hugo wandelt rond met één van de badges aan een powerbank. Hij hangt hem een eindje weg op om te zien of de badges elkaar nog binnen bereik detecteren. Dat lijkt te lukken. Hugo komt USB-poorten tekort om al zijn prototype badges mee van stroom te voorzien, dus kijkt hij mij tot mijn genoegen eens lief aan. Of ik alsjeblieft mijn laptop wil pakken…? Ik kan op die blik geen nee zeggen, dus haal ik mijn laptop uit mijn slaaptent op. Ik installeer me bij de rest en voorzie Hugo van twee extra stroombronnen. Ik kan zelf geen plekje in het stekkerblok krijgen, dus wil ik mijn laptop niet te lang aan houden. Ik moet hem in de auto terug nog gebruiken voor die verschrikkelijke vertaling, en liefst niet weer met twaalf procent batterij.

Dan verzint Hugo wat slims. Althans, dat denkt hij. Hij prikt alle badges in serie op een breadboard, en voorziet dat van stroom. Ik geef hem draadjes aan en prik lustig mee. Als we twee bordjes met elk drie badges hebben liggen ontdekken we een probleem: niet alleen zitten de pootjes muurvast in de gaatjes, ook krijgen de achterste twee badges niet genoeg stroom om goed te reageren. Zuchtend frunnikt Hugo dan maar weer alle badges los uit de bordjes, zonder de pootjes kapot te maken.

Wordt vervolgd…

vrijdag

Het is vrijdagochtend, tegen achten. Ik word wakker en besef, dat ik nu echt een paar dagen op vakantie mag. De afgelopen weken ben ik erg druk geweest – met werk, bestuur van theatersport, afspraken hier en daar… ik mag er wel weer eens tusenuit. En nee, in een jaar als dit – met wat wisseling van werk, is er geen ruimte voor lange zonovergoten vakanties in exquise oorden. Ik ga dit jaar lekker ‘dicht bij huis’ weg. Helsa in het voorjaar, Luxemburg in de zomer, en … Helsa in het najaar. Maar ditmaal ga ik niet alleen!

Ja, dit nieuws doet Adventura wel wat op zijn grondvesten trillen, niet? Maar niets is minder waar. Ik heb een fervent solo-reiziger gevonden, die geïntrigeerd was om wel eens met mij een weekendje weg te gaan. Dus hebben we plannen gemaakt, een datum geprikt, en vertrekken we deze ochtend naar het idyllische huisje nabij Kassel. De gegadigde: mijn buurman Yvo. Met amper 500 meter tussen onze appartementen pakken wij deze ochtend apart van elkaar in.

Yvo heeft me geappt, dat hij voor twaalven kan vertrekken. Dat stelt me natuurlijk iets teleur, want ik ben een vroege vogel die op een reis naar de Alpen al met genoegen om zes uur al in de trein zit. Maar, Yvo heeft een bepaalde gereserveerdheid, waar ik mij door de jaren dat we elkaar kennen, in heb aangepast. Een zekere rust ook. Ik zet de klok op elf uur en pak gemoedelijk in. Natuurlijk heb ik ook voor een kort tripje als dit een paklijst. Die volg ik op de voet, alles afstrepend wat ik op het bed klaarleg. Wat het bed weer verlaat krijgt een uitroeptekentje.

Ik ruim het huis op, voer de katten, app wat met Yvo. Krijg van theatersportvereniging Pro Deo allemaal vragen die ik links en rechts delegeer. Om kwart voor elf ben ik helemaal klaar. ‘Ik was om 9 uur al klaar’ appt Yvo me terug. Goed! Dat weet ik dus voor de volgende keer.

Mijn bagage bestaat vandaag uit 3 tassen: mijn vaste trekkingrugzak, een rugzak met spelletjes en eten, en een tas met mijn veldbed. Of ik dat laatste ga gebruiken weet ik niet; dat hangt af van hoe gemakkelijk het bed in de woonkamer dagelijks in- en uit te klappen is. Yvo slaapt in de slaapkamer.

Yvo rolt de auto voor (makkelijk, hij stond dichter bij mijn huis, dan bij het zijne) en we leggen de tassen achterin. Voor dit tripje heeft Yvo de auto van zijn vader te leen gekregen. Een robuuste Mercedes stationwagon, die lekker geruisloos over de Duitse snelwegen kan zoeven.

De trip verloopt spoedig. We kletsen wat af en bereiken weldra Dortmund. Wat me opvalt is dat de route ernaartoe niet veel verschilt van die van de trein. Er is geen brede snelweg; er is een typische Duitse autobaan met op- en afritten en een gedeelde derde baan in het midden. Van tijd tot tijd moet iedereen op zijn helft invoegen, omdat dan de tegenliggers vanaf daar een dubbele baan hebben. Al met al zorgt dat dat je een beetje behouden blijft rijden.

Vanaf Dortmund hebben we wél een echte snelweg, om zo maar te zeggen. Met echte Staus, natuurlijk. Kilometerslange wegopbrekingen, soms met ernstig smalle betonnen sluizen waar je maar doorheen jakkert. Bijna geplet worden door gezellig links rijdende vrachtwagens is de orde van de dag. Gelukkig laat Yvo zich niet gek maken en rollen we lekker door.

Als we Kassel naderen, tegen tweeën, overkomt ons opeens een klein ongemak: de motorkap springt open. Een heel klein stukje maar, maar met 120 kilometer per uur willen we natuurlijk niet dat het ding opeens verticaal in ons gezicht klapt. Dus we sturen de auto braaf naar de vluchtstrook en Yvo wringt zich uit de auto – daarbij een laderkabeltje meepakkend, waarin hij verstrikt raakt, en een ongemakkelijk dansje moet doen terwijl de vrachtwagens langs hem heen scheren en ik de laderkabel binnenhaal. Gelukkig kan hij eenvoudig de motorkap dichtdrukken en kunnen we weer verder. Wel wordt er even een notitie naar zijn vader gestuurd.

Enkele tientallen kilometers verder, op een rondweg om Kassel, begint het te regenen. We praten wat, en voordat ik het doorheb stuurt Yvo de auto abrupt weer naar de vluchtstrook. Hij wijst op de enkele ruitenwisser, die midden op de ruit stilstaat. Regen gutst al gauw overal en vertroebelt ons zicht. We staan stil. Weer stapt Yvo uit de auto; ditmaal weet ik net op tijd het laderkabeltje weg te pakken. Yvo beweegt de ruitenwisser: dat gaat. Hij probeert het nog eens vanuit de auto: dat werkt niet. We staan stil.

Terwijl de regen over de ruiten stroomt, appt Yvo zijn vader. Wist hij al dat de ruitenwisser stuk was? ‘Ja’ luidt het antwoord van de thuisbasis. ‘Achterin ligt ook al een nieuwe ruitenwissermotor.’ Ik weet niet of ik blij of triest moet zijn met dit nieuws. Op de achterbank ligt inderdaad een simpel rood-wit doosje dat mij nog niet eerder opgevallen was. Daar staan we dan.

Yvo start de motor weer en rolt de auto rustig aan naar de volgende afrit, die gelukkig net voor ons in het verschiet ligt. Naarstig kijkend door de vertroebelde voorruit nemen we twee afslagen naar links en staan we op een parkeerplaatsje in een buitenwijk, op ongeveer een half uur van Helsa. Het internetbereik is hier ronduit matig. We bellen de ANWB. Ze kunnen op deze vrijdagmiddag een wagen sturen, maar die moet vanuit Nederland komen: over drie uur kan hij bij ons zijn. Met onze bestemming zo dichtbij vinden we dat een stom idee. Ik zoek met moeite naar een garagebedrijf en vind er één, maar aarzel om hem aan Yvo te melden. Maar; het is net tien minuten droog, dus lijkt het hem de beste keus. We rijden naar het adres, twee straten verder. Het blijkt het postadres van een online bandenservice te zijn. Pech…

Inmiddels is het weer gaan regenen. Zonder enig zicht door de voorruit rollen we het wijkje uit, voorzichtig een doorgaande weg over, op het parkeerterrein van een drankenhandel. Yvo kijkt me aan. Hij is er klaar mee. Het is onverantwoord om zo nog maar één meter verder te rijden. Ik heb dat zelf nog niet ervaren, dus ik heb moeite hem direct te geloven. We stappen uit – het is zowaar weer heel even droog – en op aanraden van Yvo’s TomTom lopen we naar een garagebedrijfje twee straten verderop. Uiteraard belemmert een ongelukkige wegopbreking ons een snelle doorsteek naar dat straatje. Maar we komen er.

Achter de balie van de kale, lege showroom met witte plavuizen zit een bourgondische Heinzl. Hij kijkt me aan en leunt achterover in zijn verschoten bureaustoel. In het Duits leg ik hem uit wat we hier doen en dat onze ruitenwisser kapot is. Heinzl wijst op de open deur rechts van hem. ‘Iedereen is naar huis, het is vrijdagmiddag’ verzucht hij. Ik kijk in de richting van zijn gebaar en zie zeker één monteur met een vies overall staan. ‘We hebben het onderdeel bij ons’ zeg ik stellig ‘en we kunnen het zelf, maar we hebben gereedschap en een droge werkplaats nodig. Bitte?’ Heinzl zucht en gaat rechtop zitten. ‘Feierabend’ zegt hij kort. Om de hoek zit een ADAC, de Duitse wegenwacht. Die zijn tot acht uur open en zullen het voor ons oplossen.

Zuchtend verlaten we de garage. We gaan eerst de auto halen, want de ADAC is wel een eind verderop. Het is inmiddels weer begonnen met regenen. Slim rollen we de auto van parkeerterrein naar parkeerterrein, zo drukke straten en verkeerslichten vermijdend. Maar dan moeten we toch echt de weg op. We voegen in naar links en rijden mee met het verkeer. De regen stroomt over de voorruit en alles wat ze zien zijn vage, troebele grauwe vlekken. Elke andere minuut steekt Yvo zijn arm uit het raam, beweegt de ruitenwisser op en neer, en tuurt dan door het schoongeveegde hoekje de weg op. Je hoofd uit het raam steken gaat niet – daarvoor regent het te hard. Plotseling bumpsen we aan de rechterkant over de stoepband. Oké, nu vind ik het ook officieel onverantwoord. Laten we die ADAC snel bereiken.

Dat doen we. Het is een zo mogelijk nog kleinere garage. We zetten de auto in een vrij hoekje en ik loop op de monteurs af, die met zijn drieën onder een auto op de brug staan. Eén van hen, een enorme beul met een vierkante kaak, stapt naar buiten toe op ons af. Hij zegt niks, hij gromt alleen wat. Ik steek van wal en leg weer uit wat we hier doen en wat er kapot is. Zijn blik flitst naar de Mercedes. ‘Schade’ zegt hij, ‘wij kunnen het onderdeel bestellen, dan is het er maandag. Wij mogen geen onderdelen inbouwen die u zelf meebrengt.’ Ik knipper met mijn ogen. Wat is dit! Ik snap hem wel – maar dit is de omgekeerde wereld! Ik bal mijn vuist achter mijn rug en snuif om tot een kalm antwoord te komen. ‘Hebt u een alternatief voor ons?’ glimlach ik. ‘Wij mogen geen spullen van derden inbouwen.’ Hij draait van me af en loopt weg. ‘Zo krijg ik problemen met mijn baas.’ voegt hij er zacht aan toe. ‘Ga nu weg. Tweemaal links, deze straat uit. Daar vindt u garage Elan. Die doet het wel.’

Verbolgen kijk ik naar het gele bordje van de ADAC. Met zo’n behandeling kom je als ANWB’er niet op de voorkant van de Kampioen, meneer. Ik hoef echter ook geen dreun van deze knul, dus stappen we maar weer in en gaan we op weg. Yvo weet de ’tweemaal links’ wonderwel snel te vinden. Het regent weer zachtjes, nog altijd moet hij om de zoveel meter met zijn arm de ruitenwisser bewegen. Zo ook als we een volgende hoofdweg naderen en er een politiebusje recht voor ons optrekt. Ze rijden gelukkig door.

Garage Elan is zo gevonden. We rollen de ruime parkeerplaats van het tankstation op en parkeren onze auto achteraan tussen de andere wagens. Een goedlachse, drukke Turkse man komt ons tegemoet. Weer doe ik mijn verhaal. Hij glimlacht. ‘Eén uur – dan help ik jullie. Hierachter is een Kaufhaus – ga maar winkelen. In één uur help ik jullie.’ Ik brief het door aan Yvo. ‘Goed’ zegt die. Het aanbod om te gaan winkelen slaan we af. We installeren ons in de auto op de voorstoelen en pakken elk een boek. Zo lezen we het uur weg. De garage-eigenaar komt geregeld langsdrentelen. Hij praat met vrienden, rookt sigaretten, regelt de werkuren van het meisje van het tankstation, rookt nog wat sigaretten, prutst aan een auto, en keuvelt met zijn werknemers. Ik loop even heen en weer naar het tankstation en sla wat chocolade in. Als je dan toch moet wachten…

Ik SMS met Jonathan, de eigenaar van de Airbnb. Die vraagt of hij ons kan komen ophalen. Yvo schudt nee. We hebben veel losse baggage (maar Jonathan een grote SUV!) en hij wil liever bij de auto blijven. Ik ook, eigenlijk.

Na een klein uur komt de monteur op onze auto af. Hij gebaart Yvo de auto met zijn neus de garage in te rollen. Het gaat nu toch echt plaatsvinden! De man is blij dat we onze eigen vervangende motor meegebracht hebben. Als ik rondkijk in de smerige, overvolle werkplaats zie ik inderdaad her en der soortgelijke doosjes liggen. Voor de rest is de werkplaats typisch, en ook wat nostalgisch; afgezien van de enorme chaos ruikt het er als in de metaalwerkplaats waar mijn vader vroeger lesgaf. Een geur van olie, warm metaal, stof, op de achtergrond een blikkerige radio. Gereedschapskasten overal, schoonmaakpapier op rol, werktrolleys. Ik sta er rustig bij en tolk voor Yvo, terwijl de garagehouder schroefje voor schroefje de kappen van de motorkap af haalt. Ondertussen rookt hij sigaretjes, wuift hij klanten weg, plant hij nieuwe klanten in, en betaalt hij de tankstationmedewerkster uit. Vast een typische vrijdagmiddag voor hem.

Terwijl ik wat met hem praat over Duitsland, Turkije, en god weet ik wat, heeft hij opeens de motor te pakken. Hij haalt hem er voorzichtig uit en doet een nadere inspectie. ‘Ahaaa…’ zegt hij met een glimlach. Hij pakt een tang en draait een grote moer voorop het blad aan. Plaatst de motor terug. Gebaart Yvo dat hij de auto mag starten. Yvo zet de ruitenwisser aan en jawel, die slaat weer als een molenwiek over de ruit. We zuchten eens diep. ‘Ik maak ‘m weer dicht, rij ‘m er zo maar uit’ lacht de monteur hartelijk.

Als alles weer op z’n plek zit is het mijn beurt om naar voren te stappen. ‘Vertel, wat mag het ons kosten?’ ‘Vijftig euro’ lacht de man. Ja, daar zou ik ook om lachen. Met al zijn kunst- en vliegwerk tussendoor heeft hij net een kwartiertje onder de motorkap gekeken. Dat is snel verdiend. Maar Yvo en ik zijn beiden wel klaar met dit avontuur. Yvo betaalt, ik vraag een kwitantie, en zwaaiend rijden we weg. Kan de vakantie nu eindelijk beginnen?

We stellen de TomTom weer in en zetten vaart naar Helsa. Inderdaad, we zijn er zo. Oooh, die drie uur dat we hebben rondgereden in deze voorstadjes… het is inmiddels ook weer droog. Daar hadden we ook op kunnen wachten natuurlijk, maar dan had Yvo dit weekend nog eigenhandig de ruitenwisser moeten fiksen. En daar is vakantie niet voor.

We zetten de auto onderaan de weg onder de carport (ik vergeet even dat het gezin twee auto’s heeft) en klimmen omhoog. Jonathan staat al met hun dochtertje in de voortuin en duwt haar op de schommel. We worden hartelijk onthaald. Het huisje is al warmgestookt, het bankbed is opgemaakt (onpraktisch, want we willen eerst nog een paar uurtjes zitten). Het bureautje is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de tafel uit de keuken. Ik vind het heerlijk om weer terug te zijn. We maken de kachel verder aan en pakken rustig uit. Tijd voor avondeten.

Yvo biedt spontaan aan te koken, iets waar ik nu helemaal geen sjoege meer aan heb. Prima. Er zijn nog steeds niet bijster veel lampen in de woonkamer (behalve de oogverblindende plafonnière…), dus ik scharrel wat uit de slaapkamer op en zet die op de eettafel. Als we met z’n tweeën willen eten, of bordspelletjes spelen, hebben we toch wat degelijk licht nodig. Na het eten drinken we chocomel en thee. Yvo game’t op zijn Nintendo DS, ik schrijf in mijn boekje en internet wat. De zon gaat onder in het dal, het wordt langzaam schemerig.

We lopen in het donker nog even naar beneden, naar de auto. Ik trap bijna op een prachtige vuursalamander – gelukkig dat Yvo net even bijlicht. Naast wat praktische spullen haal ik ook Yvo’s kampeerstoeltje naar boven, opdat we meer comfortabele zitplaatsen hebben. Voor een beetje personal space wil je niet continu als sardientjes in blik naast elkaar op de bank zitten, en de witte caféstoelen bij de tafel zijn wel mooi, maar niet erg goed voor de rug. Boven bij het huisje lopen we over de veranda en zetten ons er even neer. Het is vanavond helder, dat zal het de komende avonden niet zijn. Daarom heeft Yvo zijn telescoop ook niet meegenomen. Ach, we kijken zo met het blote oog, en dat is ook al erg mooi. We benoemen wat sterrenbeelden, kijken naar de gloed in het dal, waarschijnlijk afkomstig van de lichten van Kassel. Dan gaan we naar binnen, maken beiden ons bed gereed, en gaan slapen.

zaterdag

Deze ochtend word ik vroeg wakker, om zes uur al. Van geschreeuw uit het dal. Eerst dringt het geluid moeizaam tot me door. Is er nou iemand aan het schreeuwen? Heeft iemand de bus gemist? Is er een gek uit de DRK-kliniek losgelaten? Nee, het is een haan, die beneden in het dal kraait. Hoe beter ik het geluid identificeer, hoe meer ik ook echt hoor dat het een haan is. Maar ik heb nooit beseft dat die zo klinken. Wat een streber, zeg.

Van zeven tot negen slaap ik weer verder. De haan houdt vanaf dat uur zijn kop. Om negen uur ruim ik het bed op en stook de haard warm. Yvo komt uit zijn slaapkamer en we doen samen de afwas. Dan bak ik mijn eitjes, terwijl Yvo ook ontbijt maakt.

Tegen half elf zitten we aan de koffie. We pakken wat kleins aan eten en drinken in onze tassen en beginnen aan een korte wandeling. Eerst bovenlangs, de achtertuin uit. Ik herken het paadje nog goed, al is het nu weelderig overgroeid met volle groene struiken. De grond is niet langer besneeuwd, maar overwoekerd met vaalgroen droog gras. Al gauw komen we bij de eerste dwarse boomstam, die er tot mijn verbazing nog ligt. Hier is dus heel de zomer geen zaag bij geweest. Het is even wrikken voordat ik over de stam heen ben. Yvo stapt er met zijn lange benen gewoon overheen. Dat is een gelukje, want voor de res is hij minder outdoorsy gekleed dan ik. Ik hoop vooral dat hij geen natte schoenen krijgt. We zijn namelijk nog even niet op de gewone weg.

We lopen nog een stuk door het woud en komen her en der omgeknakte bomen tegen, die ik ook allemaal nog herken. Ik heb er destijds heel wat foto’s van gemaakt. Eigenlijk dacht ik dat ze in de weken daarna wel rap zouden omvallen, of weggehaald zouden worden. Dat is dus niet gebeurd. We wringen ons een weg tussen de stammen door en komen op het pad dat het dal omzoomt. Daar gaan we rechts. Nog even een slinger het dal in, dan bij de Gabelung weer naar links, en we lopen heuvelafwaarts naar het dorp. Voor mij nog allemaal appeltje-eitje, al ben ik wel wat beteuterd dat het uitzicht naar Helsa toe nu helemaal overgroeid is. In de winter kon je er een prachtige foto maken, nu zie je alleen maar bladeren.

Ik loop met Yvo de route die ik destijds ook wandelde. Bovenlangs het dorp, de bocht naar beneden, tot we bovenaan bij de Fröbelstrasse zijn. Het moet ook niet al te moeilijk worden hè? We lopen de straat af, en ik kijk op naar de enorme witte seniorenappartementen die inmiddels hier verrezen zijn. Wat jammer voor de mensen die er achter op de heuvel wonen. Heel hun uitzicht weg.

Onderaan de weg staan we gelijk bij de Edeka. We halen biertjes, en eten voor zondag. Dan raken we in discussie over paneermeel. We hebben gehakt mee, dus Yvo wil wel gehaktballen. Maar daar moet paneermeel doorheen. Waar vind je dat in zo’n buurtsuper? Na alle rekken te zijn afgestruind vinden we een joekel van een pak onderin een schap. Aangezien mijn kleine looprugzakje al vol zal zitten met flesjes vind ik het geen jofel idee om dat hele pak mee te nemen. Bovendien hebben we maar een scheutje nodig. Yvo bedenkt dat hij ook wel brood in de oven kan bakken, en dat verkruimelen. Mij ook best. Uiteindelijk besluiten we gewoon geen gehaktballen te maken. Ook opgelost.

We rekenen de rest af. Ojee, daar is de kassadame weer – ik ben haar nog niet vergeten. De laatste keer dat ik tegenover haar stond, had ik vijf euro nogwat in contanten nodig, om met de tram mee te kunnen. Dat lukte toen maar net. Ik steek haar mijn pinpas toe en mompel iets van ‘card’. Gelijk denkt ze dat het een creditcard is. ‘Nee nee, EC Karte’ zeg ik er haastig bij. Met een frons steekt ze me het pinautomaatje toe en is werkelijk wat verbaasd als de transactie ook echt lukt. Betalen in Duitse buurtsupers… altijd spannend.

We snacken onze verse lunch op en Yvo is helemaal blij met zijn pretzel. (hij is even later ook helemaal niet blij als zijn pretzel op is…). We lopen het dorp weer uit, heuveltje op. Dat is wel erg steil, dat kun je niet ontkennen. Ik loop wat langzamer dan normaal zodat het voor beiden leuk blijft. Dan bereiken we bovenaan weer de ingang naar het smalle valeitje. We worden weer overschaduwd door hoge boomkruinen.

Naaldbomen zijn maar gekke dingen. Een enorme lange dunne stam, met hier en daar dorre scherpe takken, tot aan de top. Daar, in de top, een parmantig kerstboompje dat heel hard zijn best doet om net boven de andere kruintjes uit genoeg zonlicht te vangen. En dat waait dan maar zo’n beetje heen en weer.

Ik heb nog wel zin in meer wandelingen vandaag, maar eerst even uitrusten. Yvo maakt courgettesoep. Daarbij ontbreekt het hem aan aardig wat keukengerei en -ruimte, wat hij me geregeld laat horen. Ach ja. Als ik hier alleen ben mis ik niks, eigenlijk. Het is in zo’n vakantiehuisje altijd behelpen, en dit vakantiehuisje is duidelijk een aflegplek van alle oude spullen van de eigenaren. Je kunt geen volwaardige keuken verwachten als iemand er niet dagelijks woont. Ik nestel me op de bank en even later eten we soep.

Via een postservice stuur ik een kaartje naar mijn oma, met een kersverse foto van mij op de veranda erop. Daarna schrijf ik alle belevenissen bij in mijn boekje. Onkel Sven, de kat, komt langs. Hij staart zoals eerder weer op een triomfantelijke manier door de terrasdeur naar binnen. Ik haal hem even aan. Als ik naar de lucht kijk, zie ik dat het langzaam betrekt. Dat was alle zon voor dit weekend…

Tijd voor een spelletje. Yvo en ik blijken beide Carcassonne te hebben ingepakt. Ik heb ook Cards Against Humanity mee, maar dat vindt Yvo niet zo’n leuk spel. Dus dat blijft in de tas. We pakken Jaipur, nemen de regels weer even door, en gaan van start. Ik verlies eerst, maar word dan beter. We gaan feller spelen en jatten kaarten van de markt voordat de ander er z’n handel mee kan drijven. De stemming zit er weer goed in!

Na het spelletje trekken we een biertje open en gaan Finding Nemo kijken. Die staat, met heel wat andere (Duitse) films, hier in de kast. Gelukkig heeft de film gewoon Engels geluid. Heerlijk melige film is dat. Naderhand maken we elk ons bed op en gaan slapen.

 

zondag

Deze ochtend word ik weer lekker laat wakker, ondanks de wederom schreeuwende haan. Ik heb het rolgordijn aan de zuidkant dichtgedaan en het raam ook, dat scheelt al een hoop. Yvo komt ook zijn slaapkamer uitstommelen, en zo wandelen we de ochtend rond in pyjama. Ik maak weer ontbijt, en snaai wat van Yvo’s brood mee (hij heeft namelijk Nutella!).

Ik ga op de bank zitten lezen, Yvo zit naast me te gamen. Buiten is het grauw, windstil, maar wel echt herfstig. Heel af en toe piept de zon door, maar het wordt steeds minder. Terwijl we zo op de bank zitten hebben we ook wel heel nuttige, en uiterst vermakelijke discussies. Mijn liefde voor chocola is een terugkerend item, al moet ik zeggen dat Yvo onverwacht erg fan is van pretzels. Het smelten van chocola kun je prima vervloeibariseren noemen, maar weer niet liquideren. We hebben geregeld een miscommunicatie, en daar hebben we dan weer een discussie over. Heerlijk om zo te kunnen redeneren en analyseren – en als je een tijdje niets hoort, is de ander weer in game of boek verzonken.

Ik vind het tijd om me aan te kleden. Ik wil namelijk nog een stuk wandelen, ondanks het minder prettige weer. Yvo ziet dat niet zitten (slim) en blijft lekker in huis. Na gewik en geweeg over wat ik meeneem pak ik mijn DSLR wel in. Wandelrugzakje, emergency stroopwafel, water, regenjas. Dat water is eigenlijk direct al overbodig, want dat valt al zachtjes als een fijne nevel uit de hemel. Gelukkig loop ik voornamelijk onder de bomen.

Ik ga op pad. Onderaan de tuin kom ik Jonathan tegen. Hij staat bovenop het spiksplinternieuwe stroomhokje en schept aarde en houtsnippers terug op hun plaats. Hij vraagt me naar mijn mening over wat zaken in het huisje, dus ik geef wat tips en ideeën. Op zich wordt mijn Duits niet beter van iemand toeschreeuwen op een heuveltje in de regen, maar zeg nou zelf: Duits is daar wel weer de ideale taal voor. Jonathan geeft me nog complimenten op mijn leren hoedje. Na ons over en weer-geroep af te hebben gerond loop ik verder.

Eerst bij de gabelung rechtuit, de heuvel op zoals gisteren. Rechtsom met de bocht mee dit keer, niet rechtdoor naar het dorp. Ik maak een grote ronde, die ook een stuk het naastgelegen Ibachtal in gaat. Zo loop ik een half uurtje, drie kwartier. De natte nevel verandert langzaam in een miezerige regenbui. Ik merk het nog niet zo, omdat ik door de bossen loop. Maar mijn camera heeft er al last van, dus die gaat achter in de rugzak. Ik bewaar hem namelijk in een net niet passende filmcameratas, en er kan regen naar binnen sijpelen. Dat zou zonde zijn.

Aan het einde van het Ibachtal hoop ik echt op een scherpe bocht naar rechts, zodat ik bovenlangs terug kan lopen. Gelukkig, die is er. Het is verbazend hoe snel je stijgt in zo’n bocht in het pad. Na een paar honderd meter sta ik boven op de heuvel en kijk neer op het stuk pad waar ik net liep, vlak langs een verlaten huisje. Dat ligt nu echt meters en meters onder me. Hoe fantastisch groot is de natuur, en hoe klein voel je je als mens. Dat maakt dat ik me altijd nog het meest thuisvoel hier, en in de bergen nog veel meer.

Ik stap door, de motregen verandert langzaam in een hoosbui. Ik schuil onder een boom (dat helpt niet) en pak mijn regenjas uit. Stop mijn camera nog wat dieper weg en drapeer mijn buff-sjaal eroverheen. Zo, hopelijk vangt dat allemaal niet te veel regen. Mijn windstopperjack is tot dusver droog gebleven; ik kan me uitsschudden als een eend, en al het water valt van me af. Maar hoe langer ik loop, hoe minder waar dat wordt. Dus ik trek de rode regenjas maar aan.

Er komt een splitsing in het pad. Ga ik links of rechts? Beide wegen lijken goed. Ik heb gelukkig tegenwoordig gewoon data onderweg, dus ik pak Google Maps erbij. Mijn telefoon vindt de regen ook niet leuk: de nattigheid op het scherm zorgen ervoor dat zowel mijn vingers als druppels herkend worden als aanraking. Met moeite kan ik de kaartfunctie ertoe krijgen mijn locatie op te zoeken. Elke aanraking zorgt ervoor dat mijn telefoon als een malle schermen en apps laat zien. Ik stop de telefoon maar weer terug in mijn broekzak en hoop dat hij geen blijvende schade hieraan overhoudt.

Ik moet rechts. Later leer ik, dat links een weg is die als een slakkenhuis omhoog kronkelt, naar de top van de heuvel. Dat is leuk, maar niet voor nu. Ik vervolg mijn route om de heuvel heen en kom weer in het Lautenbachtal. Met wat goede wil denk ik zelfs de heuvelkam aan mijn linkerkant te kunnen herkennen. Wishful thinking, houd ik het op. Terwijl het om me heen giet van jewelste blijf ik relatief droog en warm. Het wandelt echt heerlijk zo, al moet ik me om de paar meter een beetje uitschudden.

Dan bereik ik weer een samenloop van wegen in het pad. Ik herkende ze als mijn startpunt boven het dorp. Fijn! Het werd onderhand wel eens tijd om weer huiswaarts te keren, niet zozeer voor mijzelf, maar meer voor de inhoud van mijn rugzakje. Ik loop het pad af richting het huisje. Dit pad is nog vrij nieuw, onverhard, en aangedrukt met geel kleizand. De bovenlaag van dat kleizand stroomt nu in twee smalle streepjes regenwater met mij mee het pad af. Het lijken wel riviertjes van koffiemelk!

Bij het huisje tref ik Yvo aan op de veranda. Hij is nog altijd in pyjama. De regen klettert echt mooi op het dak. Ik kom er een tijdje bij zitten. Onkel Sven heeft zich in een raamkozijntje gedrukt en zit daar te pitten, terwijl hij ons een beetje in de gaten houdt. Yvo bekent dat hij buiten zit, omdat hij binnen iets te fanatiek met de kachel aan de gang was. Inderdaad, binnen is het nog steeds zeer aangenaam warm. Maar dat deert niet. Ik wilde toch net douchen, dus dan heb ik het zeer zeker niet koud.

We spelen nog een spelletje Carcassonne, gevolgd door Jaipur. Voor het avondeten maak ik twee borden vol vlees, erwtjes en aardappelpuree. De avond gaat voorbij met nog meer bordspelletjes. We hadden ons voorgenomen ook nog Finding Dory te kijken, maar het wordt al laat. Morgen willen we bijtijds vertrekken. Dus we nestelen ons op de bank, ik drink mijn Schwarzbier.

Yvo game’t, en ik slinger wat internetpagina’s voor Pro Deo’s lustrum het web op. Tijd om te gaan slapen.

maandag

Om vijf uur ’s ochtends word ik wakker omdat ik naar het toilet moet. Geen probleem, ik zet niet eens mijn bril op. Ik ga zitten op het toilet en zie voor me in de douchebak een enorme spin. Daar heb ik geen bril voor nodig! Wat een joekel! Dit zijn de spinnen die ik heus thuis wel in mijn berging heb, maar gelukkig zelden in levende lijve aantref. Ook deze jongen is kennelijk per ongeluk in de badkamer beland.

Terwijl ik nog in roes van slaap naar hem zit te staren doet hij verwoede pogingen om uit de douchebak op te krabbelen, in mijn richting. Dat lukt hem niet, maar ik vind het sowieso wel welletjes. Ik ben klaar hier. Snel verlaat ik de badkamer en ga weer in mijn bed liggen. Helder nadenken over deze nieuwe huisgenoot doe ik later op de ochtend wel.

Inderdaad, op een christelijke tijd later die ochtend zit de spin nog steeds in de douchebak. Ik maak voorzichtig een foto. We weten nu wel dat hij er niet uit kan klimmen, maar hij is wel razendsnel. Ook al is mijn angst voor spinnen de laatste paar jaar drastisch afgenomen, oppakken en buiten zetten is niet echt een idee waar ik wild van word. Yvo heeft er ook niet zoveel behoefte aan, dus we laten de spin mooi zitten.

We pakken in, stoken de haard nog een beetje warm, ruimen het huisje op. Tegen tienen brengen we alle spullen weer naar de auto en laten het huisje achter. Ik sms Jonathan dat we vertrokken zijn, en meld hem daar natuurlijk even bij dat er een Riesengrosse Spider in de Duschwanne zit. Dat doe je toch voor elkaar.

Ondertussen is Yvo wat ongerust over de ruitenwisser. Ja, terug naar het begin van deze reis. We zijn keurig bij droog weer vertrokken, maar als het nou gaat regenen hebben we misschien weer een probleem. Die kans acht ik overigens niet zo groot; de moer was het probleem; die was in de loop der maanden of jaren losgetrild, die is nu weer stevig vastgezet. We gaan echt prima thuiskomen, daar hebben we immers ook nog de hele dag voor. Yvo maakt zich er wat meer druk om, dus hij probeert gelijk de ruitenwisser even uit wanneer we wegrijden. Het ding hapert eenmaal en doet het dan prima. Toch zet Yvo hem maar gauw weer uit. We kijken elkaar aan. ‘Hij haperde hè.’ ‘Ja.’ En zo gaan we op pad.

Tegen elven hebben we eventjes een paar spatjes regen, waarop ik grap over het aanzetten van de ruitenwisser. Dat hoeft gelukkig niet. Tegen tweeën zijn we thuis. Rijdend op de Westerval nabij Enschede komt er zowaar weer wat regen uit de lucht vallen. Nu zet Yvo vol enthousiasme de ruitenwisser aan. Die doet het als een zonnetje. Nou, hiephoi, we zijn weer thuis!

woensdag

Met Michel naar Helsa

dinsdag

- ✦ -
Tien dagen naar Ohrid.

donderdag

maandag

Voor de vierde keer naar Helsa!

vrijdag

Vrijdagochtend wordt de paklijst uitgeprint en alles bijeengescharreld en afgestreept. Het is routine. Als laatste geef ik buurvrouw Ellen het gezag over mijn katten en naai ik vlug het veldbedhoesje in elkaar. Dan draag ik alles naar beneden en haal zonder veel nadenken klapstoel, tafel en tent uit de berging. Ik laat mijn doos met zes eieren onhandig over de vloer van de berging kletteren. Snel opgeruimd, snel weer door.

Om half zes staat Jeroen op de stoep met zijn Jeep Renegade. Tijd om te gaan! Eerst op naar de tweede coronatest in Gronau.

- ✦ -

Safe planners als we zijn, hebben Jeroen en ik eerst donderdag al een heuse Duitse coronatest ondergaan aan de rand van Gronau. Netjes planden we een Termin in via de Chaynz app, het middel om in Duitsland snel en gemakkelijk coronaproof te worden bevonden. Met die negatieve uitslag waren we beide klaar om naar Vlotho te reizen – de eigenlijke bestemming van dit weekendje weg. Maar op de camping in Vlotho waren de toiletten nog niet open, maandag pas. En we zijn goede kampeerders, maar samen op zo’n emmer-met-deksel in de tent… nah. Liever dan een camping met gewoon sanitair.

Die heb ik op donderdagavond gevonden, een uurtje over de grens in Haselünne. En toegegeven, het ziet er uit als een heel leuke kleine camping. Geen heuvels en geen brede rivier zoals in Vlotho, maar zeker mooi gelegen in het bos, lekker stil – mits je niet op de velden met groepsreizen staat. Ik vraag speciaal na of het nu rustig is – aldus bevestigd – en daar gaan we dan heen.

Maar eerst nogmaals door de coronatest. Want deze camping vraagt beslist om een test die maximaal 24 uur oud is – niet 48 uur. Nouja, iedere locatie heeft zo z’n quirks, zeg maar. Jeroen haalt me dit maal iets te laat op, maar we weten inmiddels dat de coronatest echt een fluitje van een cent is (minder nog: hij is gratis). Dus we kachelen in het forenzenverkeer naar Gronau en draaien de stoffige parkeerplaats op bij een onopvallend tentje. Een verveelde studente hijst zich in een plakkerige wegwerpponcho en komt naar buiten voor de test.

Terwijl wij ons melden met de QR-code die buiten de tent op het paaltje hangt, haalt zij de wattenstaafjes. We worden wederom vriendelijk in onze neus gepoerd. Jeroen vindt het zo kriebelig dat hij moet niezen, ik vind het wel best. Mijn neusje kan veel hebben. We rijden voor de zekerheid al door richting Haselünne en krijgen dan beide de negatieve uitslag bevestigd. Mooi!

maandag