BIFFF

2022
Nederland 2 dagen Cosplay, Vakantie

In het kort

Mad Heidi goes Bruxelles!

maandag

De toedracht van deze reis is voor eens niet de wonderschone bestemming. Het is ook niet het willen reizen an sich. Mijn reislust is acuut opgewekt door de première van de film Mad Heidi.

Mad Heidi, met oorspronkelijke naam ‘Heidiland’, is te typeren als een grindhousefilm – bloed en andere sappen spetteren lustig rond terwijl zowel comedy als gevechten niet van de lucht zijn. Denk aan een genre van Monthy Python and the Holy Grail tot aan Tarantino’s blockbusters. En dat on a budget, in Zwitserland, met een boze Heidi. Go!

In 2017 werd de film aangekondigd met een spetterende trailer. De actrice Jessy Moravec, mijn ‘sister from another mister’ vertolkte de hoofdrol. Ik vond de gelijkenis in naam en uiterlijk fenomenaal en begon gelijk het kostuum na te maken.

Maar het jaar ging voorbij, de film miste de financiën tot realisatie, COVID-19 brak uit, de actrice stapte op. De film raakte ook bij mij in de vergetelheid. Wel kwam er merchandise, een crowdfunding campaign, aandelen, … en toen kwam er een film. En die film kreeg een première.

Op 7 september in Brussel, op het Brussels International Fantastic Film Festival (BIFFF). Tijd om dat kostuum af te maken en erheen te gaan!

Na 3 weken streng doorwerken aan de jurk en alle toebehoren ligt hij (bijna) klaar. Het treinticket is geboekt, een nacht in een Airbnb geregeld, en een aansluitende overnachting bij studievriendin Annelore, die op een half uurtje van Brussel woont. Ze zal zelfs meegaan naar de film. Ik ben er klaar voor.

dinsdag

Op de bewuste dinsdagochtend naai ik de laatste details aan mijn kostuum en pak mijn tas in. Bij het verlaten van het huis ontvang ik nog een lastige brief waardoor ik acuut wat telefoontjes moet plegen, maar de instanties verzekeren mij dat het geregeld gaat worden en ik lekker naar Brussel moet gaan. Dus dat doe ik.

De eerste kilometer loop ik door het park onder de bomen. Het is nog altijd heerlijk warm. Anders geen probleem, maar ik heb het nu wel wat warmer door de hoge Dr. Martens-laarzen die ik onder mijn lange broek draag. Die laarzen zijn onderdeel van het kostuum en ze passen niet in mijn reistas. Ik stap door naar de bushalte en kies ervoor om niet via Enschede Centraal, maar gelijk via Hengelo te gaan.

Aan het Hengelose hoofdstation zit tegenwoordig mijn nieuwe kantoor, dus kan ik daar nog mooi even een espresso drinken en mijn laatste Facebookberichten lezen. Binnen tien minuten zit ik in de bus.

- ⟡ -

Ik word binnengelaten in ons kantoor. Lekker koel hier. Eerst snel een kopje espresso. Ook check ik op mijn desktop nog even mijn Facebookberichten, want dat werkt op mobiel niet zonder die vermaledijde app te installeren.

Ik krijg Annelores telefoonnummer, handig.

Dan probeer ik mijn eerste ticket te activeren. Dat wil niet. Ik vermoed gelijk wat er mis is. Ik reis in Nederland, met een Interrail. En je eigen land telt niet mee. Máár dit is een Be-Ne-Luxticket! Tja… ook dan telt de ‘Ne’ dus niet mee als je er zelf woont. Ik ben flabbergasted. Boos.

‘Komt wel goed’ zegt Michel terwijl we samen een espresso halen. Ja. Ik reis het wel op saldo. Maar zo zuur. Nu ga ik zeker niet over Schiphol, maar recht op Breda af via Zutphen. Wat zuur.

Ik zwaai iedereen uit en vertrek naar de trein.

- ⟡ -

Afgezien van de kosten gaat alles voorspoedig. Ik pak de boemel naar Zutphen, stap over op de Intercity naar Roosendaal, en stap uit op Breda.

Snel check ik uit, zoals dat moet. Ik heb de regelgeving hierover 2x op screenshot van verschillende NS-gelieerde bronnen, maar Interrail rept er niks over. Ik hop in de wachtende trein tegenover.

Ik moet mijn ticket activeren, mag dat nu wel? Ik zet me alvast in de eerste klasse. De conducteur meldt zich al, hij lijkt goed geluimd. Het kaartje activeren lukt niet, dus ik speel maar gelijk open kaart.

‘Ik heb een probleem.’ Ik laat het hem zien. Hij ziet aan mijn OV-chipkaart waar ik vandaan kom. ‘Dan moet je nog even een kaartje kopen’ doelende op een kaartje van Breda naar Noorderkempen. ‘Je moet hem iets later kiezen, dan doet ie het wel.’

Ik laat me bewust hierdoor verwarren en hij loopt even verder. Als hij terugkomt zeg ik trots ‘het is gelukt!’ en toon hem het reisticket van Noorderkempen naar Brussel Centraal. Hij kijkt natuurlijk bedenkelijk. ‘Ik bedoelde eigenlijk…’ dan laat ik hem de twee screenshots zien waarin gezegd wordt uit te checken op ‘overstapstations’ Breda e.a. . Hij wil het nu zelf ook weten en loopt weer weg. ‘Blijf maar zitten.’ Zegt hij nog. Mooi. Ik reis dit eindje illegaal, maar wel met toestemming. En hoe moet het anders?

In tien minuten zijn we op Noorderkempen en ik zie daar geen uitcheckpoortjes. Laat staan dat de trein er lang genoeg wacht om dat te doen. Dus, zo moet het.

Ik verkas naar het raam, opdat ik mijn telefoon aan de stroom kan hangen. De conducteur komt terug en spreekt eerst de verkeerde dame aan. Dan komt hij naar mij en bevestigt dat Interrail ook iets over overstapstations rept. Hij vindt het maar vreemd, maar ach we zijn nu toch België al in. En hij vindt het zielig dat ik de hele reis door Nederland zelf betaald heb.

Kan ik nog lachen? Ja, nog net. Ik ga ten slotte naar Mad Heidi! Maar dat vertel ik hem niet.

- ⟡ -

We boemelen de grens over en komen door Antwerpen en Mechelen.

Mijn herinneringen aan België zijn wisselend. In mijn middelbareschooltijd ben ik er twee keer een week geweest. De eerste week waren we een groep schapen, in de kille regen rondgeleid met bussen, braaf bij elkaar. Het was vermoeiend maar oké.

De tweede week ging naar het gastgezin van een drukke populaire scholiere. Dagen waren koud, lang en intens, en ze vraten energie. Meerdere malen bleef ik in thuis van groepsactiviteiten, zat in mijn logeerkamer, las boeken of nam een douche.

In de zomervakanties heb ik met mijn ouders en zus in een huisje verbleven of gingen we kamperen, wat leuker was. Ook dát was België.

In mijn studiejaren bezocht ik tweemaal het Huis van de Toekomst in Vilvoorde. Dat was maar een dagje, strak georganiseerd, met enthousiaste studiegenoten en inspirerende uitvindingen. Nog meer leuk België.

En nu vandaag rijd ik hier de grens over. Je merkt het al gelijk aan de huisjes: geen één is er hetzelfde. Hoge en lage dakgoten slingeren zich door het landschap. Steentjes, shingles, pleisterwerk, variërende raampjes. Elke Belg lijkt zich te willen distantiëren van zijn buur. De wegen: hobbelig en kronkelig. Is dit het, dat België zo distinct maakt, zo herkenbaar, zo anders dan Nederland?

Is er ook mooi België? Of moet je dat binnenshuis zoeken, in de bieren en de kazen en het guitige taalgebruik?

Terwijl we op Brussel-Nord af suizen, vraag ik de twee conducteurs of zij weten waar ik de S3 naar Dendermonde vind. Dat weten ze niet. Ik zie op Google Maps dat mijn Airbnb eigenlijk zelfs dichter bij Brussel-Nord ligt. Busafstand zelfs. Maar ik stap niet uit, het is vast logischer vanaf Centraal.

We bereiken Brussel Centraal, waar ik ondergronds uitstap. Ik neem de trap naar boven en kom in een lage, zacht verlichte beige marmeren hal. Niet verkeerd, op zich, al wil ik nu wel weten waar ik heen moet. Mijn volgende trip is, volgens de Interrail app, een ‘S3’ naar Bockstael. Duitsland kennende zijn ‘S’ en ‘U’ banen (die laatste hebben ze hier niet, maar toch) geen echte treinen, maar respectievelijk boven- en ondergrondse metro’s. Daarom heb ik me net in de laatste paar minuutjes nuttig gemaakt en een metroticket voor Brussel gekocht van € 2,50. Nu die vermaledijde metro nog vinden.

Ik koop eerst een warm kaasbroodje en loop het station aan de oostzijde uit. Vraag een meisje waar ik die S3 kan vinden, want binnen staat het niet op bordjes. Ze weet het niet, ze is niet van hier. Maar ze raadt me aan de hoofdingang te pakken en dan moet er propere bewegwijzering zijn. Ik volg dat advies op.

Met een omtrekkende beweging kom ik bij de hoofdingang aan, op een groot rond marmeren plein, geflankeerd door luxe hotels. Ik ga weer naar binnen en sta opnieuw in de marmeren hal. Geen bordjes. Geeneens een vertrekbord. Ik ben terug bij af.

Ik loop het kantoortje met reisadvies in en zie aan de rij dat het wel meer mensen onduidelijk is hoe dit grote station nu precies werkt. De rij is me te lang, ik loop weer weg. Dit moet toch niet moeilijk zijn? Ik kijk nogmaals. S3. Onder mij lopen meerdere treinsporen. Misschien ligt de metro dieper? Ik informeer bij een broodjeszaak in het Frans naar de metro. Twee meisjes wijzen me richting een bepaalde uitgang die ik het beste versta als ‘Backhand’ of ‘Bekant (IKEA)’ en aldaar aangekomen totaal niet op de bordjes zie staan. Maar ik zie wel typische logo’s met een brede minimalistische ‘M’ erop. Zou dat de metro duiden? Ik loop de gang maar in.

Na een paar honderd meter verdwijnen zowel de M’s als elke andere vorm van aanwijzingen. Ik moet linksaf slaan. Ha, een kioskje met twee beambten! En roltrappen en metrolijnen! Maar geen S3. Ik vraag het de beambtes. ‘Ik moet met de S3, ik heb al een kaartje. Welke metro is het?’ ‘Dat is een trein.’ ‘Wat voor trein?’ ‘Nou gewoon een trein, op het station. Het station is ginder.’ ‘Daar kom ik vandaan, gaat de S3 op een speciale plaats?’ ‘Nee, gewoon op het spoor.’ ‘Spoor 3 dan?’ ‘Dat weten we niet, gewoon op het spoor. Ga daar maar heen.’

Beteuterd dat ik dus niet daar moet zijn, en dat ik een overbodig kaartje heb, loop ik terug. Wat een eind was dat eigenlijk ook. Ik duik de lagere regionen van de marmeren hal weer in en zoek langs de muren. Daar, een vertrektijdenbord! Het enige in de hele hal. Ik zie een zekere S3 naar Dendermonde aangekondigd. Ik huppel naar platform 1 en schaar me bij de wachtende reizigers. Het is warm en drukkend hier beneden. De trein zal, jammer genoeg, dus eerst stoppen op Brussel-Nord. Daar had ik dus ook gelijk kunnen uitstappen, drie kwartier geleden…

- ⟡ -

Bockstael, hier moet ik eruit. Volgens de Airbnb-beschrijving moet ik uitgang 1 hebben, die komt het dichtst bij de Leopoldstraat uit. Helaas staat er in het station geen enkele uitgang aangegeven en loop ik maar gewoon ter plekke naar straatniveau. Ik bevind me midden op een gezellig drukke kruising. Google Maps wijst me de weg.

Ik volg enkele straten en merk dat ik eigenlijk parallel aan het spoor loop. Dan kruis ik een brug. Ja, hé, daar zit ook een uitgang van het spoor waar ik net op uitstapte. Goed, weten we dat. Ik sla linksaf mijn straat in en word op de stoep omvergereden door een jongetje op een crossfiets. Zég! Ik ben wel Nederlander hoor. En je rijdt mij niet zomaar omver, wij Nederlanders zijn koning van de stoep! Maar niet hier dus, waar stoep en fietspad gecombineerd zijn. Zouden Belgen veel fietsen?

Eindelijk herken ik de huizen en sta ik voor het juiste nummer. Mijn deurcode werkt. Fijn. Ik ga naar boven en tref mijn kamer met sleutel in de deur aan. Het huis is een steile pijpenla, met bij binnenkomst eerst rechts een deur voor de huiseigenaren. Op de eerste verdieping bevinden zich Kamer 1 (van mij) en Kamer 2. Dan, nog een smalle trap naar boven, vind ik de keuken, wc, en badkamer, en daar achter Kamer 3. Op de vliering boven de keuken vind ik Kamer 4 (ja, die is nogal ongemakkelijk gelegen, daarom huur ik die ook niet).

Ik pak uit in mijn riante kamer met hoog plafond, tweepersoonsbed en heus dakterras. In de avondschemering word ik gelijk kennis met de herdershond van de eigenaren (1 verdieping onder mij op hun terras) en de onophoudelijke passagiers- en vrachttreinen die recht achter het huis voorbijdenderen. Gelukkig ligt er een diepe tuin tussen.

Het is even voor acht en ik heb pech: de supermarkten sluiten allemaal binnen vijf minuten. ‘Uit eten dan!’ oppert Michel. Eigenlijk heb ik daar geen zin in, maar ik heb geen andere keus. Ik zie op de hoek een leuk etablissement genaamd ‘Brasserie Royal’ en besluit daar te gaan eten. Dat stelt niet teleur.

- ⟡ -

Ik vraag de garçon of ik wat kan eten en zet me vervolgens buiten aan een soort ‘stamtafel’ neer. Nee, dat mag niet, daar wordt geen eten geserveerd. Oké. In Macedonië heb ik dat ook al eens geflikt en inderdaad, dat was zowel grappig als wat ongemakkelijk. Dus doe ik het hier niet. Of ik om de hoek wil gaan zitten?

Ik sta onmiddellijk oog in oog met een joekel van een kathedraal. Da’s niet mis! Ik zet me met de rug naar de andere gasten zodat ik de kathedraal vol in zicht heb. Ja, hoehoe, daar dóe je het toch voor? Fantastisch, zo’n decor. Alcoholvrij biertje erbij. Ik bestel cannelloni met ricotta en spinazie. Daarna een schotel met inktvisringen (maarliefst vier, en verder veel sla en patat). Maar: alles is smakelijk en netjes opgediend.

Achter mij zit een viertal Noordafrikaanse mannen rond een tafel. Het lijkt alsof ze met veel beklag hun dag doorspreken. Hoewel ik ze amper versta lijken ze goudeerlijk tegen elkaar, overtuigd van hun kijk op de wereld, en teleurgesteld in alles wat dat brengt. Ze zijn redelijk vermakelijk om naar te luisteren. Achter mij zet zich nog een oude man met een gleufhoed en een ruitjesblouse, die mij aandachtig aankijkt. Ben ik zo’n vertoning dan? Misschien is hij wel schrijver en kom ik in zijn volgende boek. Of is hij filmrecensent en vraagt hij zich af of ik dé Mad Heidi ben!

Voor mij zetten zich twee Marokkaanse boys met warme kleding zoals lange mouwen en bodywarmers. Ze drinken braaf glazen thee en mopperen op het leven. Ach, ze zullen het wel nodig hebben.

Het begint wel te regenen, maar echt erg is het niet. We zitten onder een brede luifel, eigenlijk zijn die druppels best wel prettig.

Als ik klaar ben ga ik naar binnen en reken af, kleine fooi.

Het is al donker. Ik loop om de kathedraal heen en bekijk hem eens goed. Wat een detail zit er in. Wie bedacht nou een kathedraal? Zonder digitale tools nog wel! Wie bepaalde hoeveel budget er was voor een galerij meer of minder? Wie rekende alle poortjes, beuken en bogen door? De verlichting maakt het ook werkelijk prachtig af.

Na wat sightseeing loop ik rustig de paar honderd meter terug naar mijn kamer.

- ⟡ -

Goed dan, het station mag dan Bockstael heten, deze wijk heet Laeken. Thuisgekomen van het etentje én het rondje om de kathedraal, ga ik eens lekker in de warme avond in de deuropening van het dakterras zitten.

Hé, het drupt. Het drupt harder. Ik maak de linkerdeur ook open en schuif mijn stoel naar binnen. Zo, ik zit droog. Het druppen houdt ook zo weer op.

Ik bedenk me, dat ik geen ontbijt heb. Hmm. Ik kan nog even naar de avondwinkel lopen. Dan maar iets van yoghurt… ik vertrek uit mijn kamer en steek de straat over. Er komt elke keer wel een man in djellaba voorbijwandelen, en elke groet me keurig ‘bonne soiree’. Dat doe ik dus ook terug.

Voor de avondwinkel hebben zich inmiddels vier mannen op stoeltjes geschaard. Ik groet ze en wandel het piepkleine helverlichte winkeltje binnen. De eigenaar komt loom achter me aan en gaat braaf achter de toonbank op zijn telefoon kijken.

Ik koop eieren, champignons, en een flesje AA. Als er morgen geen koffie is heb ik tenminste iets van pep.

Ik reken af en keer huiswaarts. Zo, terug op het dakterras. De regen lijkt te hebben gewacht. Het barst los met onweer en al.

Tevreden drink ik een halfje AA en zit ik in de deuropening. Schrijf, app.

Dan ga ik tandenpoetsen. Opeens blijk ik wel buren te hebben. Oh, daar hoor je mooi weinig van. Ik zeg hallo tegen een roodharig meisje en boven tegen een bebaarde jongen.

Op de vliering boven de keuken brandt licht. Ook die ruimte kun je huren, maar daar heb ik bewust niet voor gekozen.

Ik keer terug naar mijn eigen rustige vertrek. Laat de metershoge terrasdeur open terwijl er nog een bui overtrekt.

Tijd om te gaan slapen.

woensdag

Tegen acht uur word ik wakker. Ik heb als een blok geslapen, heerlijk. Dit was een prima kamer. Tijd om op te staan.

Ik ga eens naar boven voor het toilet en inspecteer dan de keuken. Haal mijn bril en mijn ontbijtje op.

De kookplaat moet aan. Dat is niet heel intuïtief, maar aan gaat-ie. Pan erop. Temperatuur verhogen. ‘PIIEEP’. Foutcode E00. En uit. Leuk, dat.
Ik probeer het nog een keer of vier en pak dan het boekje erbij. Volg alle stappen in het Nederlands. ‘PIEEEP’. E00, en uit. Ik sla de tabel met foutcodes erop na. Die begint bij E01, wat een stroomstoring is. E00 staat in geen enkele taal in het boekje. Zo komen we dus niet verder.

Ik schrijf een berichtje aan host Leo en probeer ondertussen op andere creatieve manieren te komen om twee eitjes te bakken. Volgens Google kán dat wel in de magnetron, maar wel voorzichtig. Jawel. Bord insmeren met olie, eieren erop, en gaan met die banaan. Ik moet zeggen, de magnetron spuugt na een tijdje (en wat twijfelachtige knallen) wel iets uit dat op twee gebakken eieren lijkt. Ik pak het bord voorzichtig met een handdoek uit de micró en steek een vork erin.

Gétver… het voelt aan als leer. Het smaakt naar ei. Ik moet toch wat binnenkrijgen. De gastheer reageert niet zo snel. Tja, dooreten dan maar. Dit is mijn enige ontbijt, tenzij ik buiten de deur wat zoek. En dat kost allemaal maar tijd en geld.

Degelijke koffie is er ook niet. Er staat een koffiemachientje, maar er zijn geen koffiecups. Er staat een vergeten pak losse koffie in het onderkastje, maar er is geen ding voor… ja, oké, een thee-ei. Dus, we hadden toch al slecht ontbijt, hier komt oploskoffie. Ik kook een kop water en plons een thee-ei vol gemalen koffie erin. Ik laat het vijf minuten trekken en drink het dan op. Tweede maal gétver…

Goed. Klein afwasje. Terug naar boven, inpakken, en eens zien wat ik vandaag ga doen.

Mijn eerste plan is om naar de ‘Serre Royal’ te gaan. Dat zijn de koninklijke serres en ze liggen echt op steenworp afstand tegenover dit appartement. Ik zoek de openingstijden op. Ze zijn dicht. Om precies te zijn, zijn ze maar één week per jaar geopend voor publiek, en dat is niet deze week. Nou, dat is jammer.

Gare Maritime, waar ik ook heen wil, gaat pas open om 11 uur. Dus besluit ik dat ik in tussentijd maar beter naar het Huis van de Toekomst kan gaan in Vilvoorde. Daarvoor moet ik met de bus en die vertrekt aan een straat voorbij Brasserie Royal. Omdat de koffie zo ontzettend tegenviel ga ik eerst daar een espresso halen.

- ⟡ -

Ik loop weer naar het café, groet de zelfde twee jongens met bodywarmers van gisteravond – hoewel veranderd van tafeltje zitten ze er gewoon vandaag weer…

Ik groet dezelfde garçon achter de toog en bestel een espresso. ‘Sit down relax I’ll bring it’ glimlacht hij. ‘Oh I just want to drink it at the bar quickly’ zeg ik. Dat is niet echt zijn plan, want hij is de koffiemachine nog aan het schoonmaken. Maar hij weet snel een espresso te produceren en ik ben blij.

We raken in gesprek. Ik vertel dat ik hier voor een filmfestival ben en laat hem de foto’s in mijn artikel zien. Hij is onder de indruk, maar hij houdt helemaal niet van grindhouse films. Ik ook niet, zeg ik gemoedelijk. De barman komt uit Macedonië. ‘Aaah I have friends there!’ roep ik uit. ‘I have been to Ohrid!’ Oh ja lacht hij, Ohrid kent iedereen natuurlijk. Hij komt uit een andere plaats en woont al een aantal jaar hier in België. Ik vraag hem of hij veel talen spreekt en hij somt een heel rijtje op. Daarna vertelt hij over goede raki, de raki die eigenlijk iedereen zou moeten drinken. Ik zeg dat ik Mastika heb gedronken aldaar, en vraag of hij er niet goed aan doet om die goede raki dan voor zijn bar te importeren. Jazeker, dat doet hij!

Dan moet ik echt verder om mijn bus te halen. Hopelijk is het een korte straat erheen. Ik groet de barman met ‘dobro jutro!’ en hij corrigeert me met een ander woord, dat ‘bye’ betekent. Ik denk dat hij ‘zdravo’ zei, wat ik wel ken, maar dat haal ik er dan niet uit. Ik zwaai en ren de straat over.

Shit, ik moet nog een heel lange straat tot aan de bushalte. En de bus gaat over twee minuten. Nee, ditmaal heb ik het kaartje nog niet gekocht. Ik schijn in de bus te kunnen pinnen. Ik haast me door de lange straat naar een grote kruising. Tweehonderd meter vantevoren zie ik de bus kruisen. Die heb ik gemist. Maar hé, dit is een stad, hij komt vast over tien minuten weer. En dat is ook zo.

Terwijl ik sta te wachten check ik de openingstijden van het Huis van de Toekomst. Ook informeer ik mijn gastheer dat ik misschien niet om twaalf, maar om één uur terug ben. De gastheer heeft inmiddels wel navraag gedaan over de kookplaat, waarvan ik hem snel een foto stuur. Of mijn wens tot een uur langer blijven granted is, zien we straks wel.

Ik zie op de site van het Huis van de Toekomst tot mijn teleurstelling dat het vandaag niet voor individuen geopend is. Groepen mogen er wel op reservering in. Ja koekkoek! Gelukkig maar dat ik nog niet in de bus erheen zit, wat een domper.

Nouja, het Gare Maritime is op 22 minuten lopen vanaf hier, en net tien minuten open. Dan dáár maar heen…

- ⟡ -

De weg naar Gare Maritime loopt volledig langs de havens. Het zijn dezelfde soort havens als we hier in Enschede hebben. Grote terreinen met loodsen, afgesloten door hoge hekken. Palletwagentjes rijden rond. Ik volg de weg aan de linkerkant, en dat is over het fietspad. Dat wordt me ook wel duidelijk door alle keren dat een fietser me bijna schept. Ik moet eigenlijk naar de overkant, waar zo’n zelfde stoep is, maar die meer voor voetgangers bestemd lijkt.

Echter: hoe kom ik de brede drukke weg met aan weerszijden geparkeerde auto’s over? Ik probeer het op een paar plaatsen, maar het is onbegonnen werk. Er wordt rustig 60 gereden en de stroom houdt van beide kanten maar niet op.

Aan de overkant passeer ik bovendien allerlei grote gebouwen waar mensen van niet-Belgische afkomst zich ophouden. Ze dolen wat rond of hangen op de trappen van hulpgebouwen zoals het Rode Kruis en het immigratiekantoor. Liever loop ik daar niet tussendoor, want als me iets overkomt schiet niemand me te hulp – toch? Ik bespeur wat xenofobie bij mezelf.

Na een hele tijd vind ik een redelijke oversteekplaats en schiet de weg over. Ik loop nu dichter langs de rondhangende mensen. Het is wel leuk ook. Er wordt een man geschoren terwijl hij op een kratje afwacht. Echt vrolijk kijken de mensen niet. Ik loop maar stevig door.

Eindelijk, eindelijk, na die 22 minuten lopen, zie ik in een zijstraat het gebouw dat ik zoek. Het valt niet op tussen de andere kolossale gebouwen. Het toeval wil dat er net een enorme vrachtwagen uit rijdt en ik daarom naar binnen spiek en het gebouw herken. Dus, aangezien de deur toch open staat, wandel ik naar binnen.

Niemand houdt me tegen. Niemand kijkt ook op. Er staan IKEA-kasten schots en scheef naast het laadstation, net gebracht zeker. Er zit een jongen verveeld op zijn telefoon te kijken. In een glazen hok – een popup office – zitten twee yuppen achter hun Macbooks heel belangrijk werk te doen. Er is een mooi gedecoreerd ‘Post Office’ waar mensen in de weer zijn. Ik wandel verder de hoofdruimte in.

Het is een oud station, waarvan in het midden de rails zijn geasfalteerd. De zijkanten van het station zijn geheel bekleed met mooi houtwerk. Ja echt, het is imposant. Ruimtelijk en fris, groots en toch gezellig. Maar wat is het nou?

Ik loop van voor tot achter door het gebouw heen. Een popupwinkeltje, een 3D-printing-store, een NFT-shop of zoiets. In het midden worden beurswanden opgezet. Mannen en vrouwen lopen zachtjes pratend rond, wijzen dingen aan. Een oude vrouw zit op een bankje, alsof ze op de trein wacht die nooit meer komen zal. Zonlicht schijnt door de bovenramen naar binnen en maakt stofspikkels zichtbaar in de lucht.

Achteraan zie ik een soort food court. Ha, eten! Daar kan ik mooi lunchen dan. Ik wandel er rustig naar toe. Er is geen kip die naar me omkijkt, en toch. Er is iets vreemds aan deze ruimte. Het lijkt alsof je je in een time-glitch bevindt. Alsof meerdere clusters mensen elk iets aan het doen zijn in dit gebouw – werken, plannen, wachten, vergaderen – maar dat niemand in dezelfde tijd verkeert. Ook ik niet. Ik merk iedereen op, en niemand merkt mij op. Het voelt gewoon heel surrealistisch, maar zelf ben ik volkomen helder (een beetje hongerig, wel).

Ik nader de voedselkraampjes en zie dat ze nog aan het opbouwen zijn. Iedereen miert maar een beetje rondom zijn kraampje. Voedselbakken gaan nog over de toonbank. De ovens worden aangezet. Broodjes worden uit koelkasten getrokken. Niemand is nog klaar. Maar halló, het is toch dik na elf uur? Elf uur open, wil niemand nu wat eten dan? Ik zie mensen aan de balies, maar het blijkt nog meer personeel te zijn. Verveeld slaan ze wat met een poetsdoekje of knopen ze hun sloof voor. Het is toch écht, écht al veertig minuten na openingstijd?

Helaas, dus, ik kan hier geen lunch halen. Maar ik heb bij me. Ik vis mijn vijgenbrood uit mijn tas en neem een paar happen. Oei… het vijgenbrood is oud geworden. Ik heb het ook niet altijd in de koelkast bewaard, denk ik. Het is een beetje gaan gisten zelfs, het ruikt en smaakt naar alcohol. Elke hap smaakt sterk. Dat kan niet goed zijn. Hoewel ik er gisteren ook al wat van heb gehad wil ik nu niet verder eten. Hier in dit stille tijdloze landschap, straks ga ik er nog van hallucineren.

Dus ik stop de koek terug in mijn tas en kijk op mijn telefoon hoe ik nu terug naar mijn kamer moet.

Dat kan door het gebouw via de achterkant te verlaten en dan met een ruime boog terug naar Bockstael te lopen. Joe.

Buiten aangekomen is Google Maps het ook even kwijt. Overal staan bouwhekken. Overal ligt zand. Dat gaat in mijn sandaaltjes zitten en dat is niet prettig voor mogelijk nog komende blaren. Ik wandel maar wat in de juiste richting totdat ik een moeder met kind op hun fietsen door de bouwhekken zie schieten. Eh, hallo? Bouwterrein? Ik volg ze en sta opeens buiten het Gare Maritime-gebeuren, in een heel groot industrieel stadspark. Okee…

Volgens Google Maps moet ik gewoon het pad door het park volgen. Doe ik. Het is nog lekker warm en zonnig en ik kan nog net een stukje op deze sandaaltjes voor ik blaren loop. Dus ik wandel, en ik wandel… ik kom onder diverse oude spoorbruggen door en besef, dat het pad waar ik op loop ooit ook zelf een spoorrails was. Toch best leuk.

Na een tijdje moet ik rechts zigzaggend omhoog en kom ik weer op straatniveau. Wat wel vervelend is, is dat België geen opruimplicht heeft. Overal ligt hondenpoep. Je moet echt goed opletten, vooral als je wat aan de randen van het trottoir gaat lopen. Gelukkig stap ik nergens in.

Ik sta bovenaan eigenlijk gelijk aan de Leopoldstraat en weet mijn kamer te vinden. Gelukkig, de deurcode werkt nog en mijn kamer is ook nog onbetreden. Om 13:05 leg ik de sleutel op het bureau en verlaat de kamer.

- ⟡ -

Ik wandel terug naar station Bockstael en pak dit keer wel de juiste trap om af te dalen naar het perron. Nouja, juiste… de afstand blijft hetzelfde, want nu moet je het hele stuk gewoon over het perron lopen. Maargoed.

Na een tijdje wachten arriveert de trein naar Dendermonde, die mij meeneemt naar Denderleeuw!

- ⟡ -

Annelore appt me over mijn aankomsttijd. Haar hond Butch is vannacht ziek geworden en ze moeten er mee naar de dierenarts. Ze vraagt me om mijn aankomst voor, of na het dierenartsbezoek te plannen. Het lukt ervoor.

Met enige vertraging rol ik station Denderleeuw binnen. Annelore staat al te wachten. Jéétje, we hebben elkaar 13 jaar niet gezien! En toch zijn we allebei nog geen spat veranderd, heb ik het idee. We rijden met de auto door diverse dorpjes verder naar Denderhoutem, dat zelf geen treinstation heeft. Annelore legt ondertussen uitgebreid uit hoe het leven er hier aantoe gaat.

We stoppen bij een hofje met vrij moderne huizen en parkeren voor de deur. Er is veel domotica, vertelt Annelore, terwijl ze de voordeur met haar telefoon opent. Ik vind het wel mooi. Gelijk springen er twee enthousiaste honden op me af. Iker, een zwart type jachthond met leuke flaporen en een spitse snuit. En Butch, meer een model lijkende op een golden retriever. Je hoort het al, ik ben niet zo’n hondenkenner, maar ik vind ze wel lief. Beide honden zijn al oud en hebben kwalen. Butch heeft vannacht overgegeven en daarom blijven Annelore en Jorn liever beneden slapen, plus Jorns moeder komt vanavond zodat ze morgen onder werktijd op de honden kan passen. Ik vraag me af of Annelore het niet hartstikke druk heeft. ‘Nee, nee’ wuift ze weg ‘ik heb juist vanavond een verzetje, leuk naar de film, even ertussenuit.’ Ik ben dan wel van de beloofde logeerkamer naar de studeerkamer verhuisd, maar dat is niet erg; Lore’s schoonmoeder hoort in een bed te slapen.

We installeren ons even met een glas water en een paar koekjes buiten. Het is dreigend weer, maar nog wel lekker warm. Even bijkletsen tot Annelore met Jorn en Butch naar de dierenarts gaat.

Dan laten ze me achter met Iker. Na wat geblaf gaat hij rustig liggen tukken. Ik ga boven even douchen, dat had ik nog niet gedaan vandaag.

Bij terugkomst gaan Annelore en ik nog een ronde om het dorp lopen. Voorheen deed ze dat met beide honden, maar die zijn te oud om mee te gaan. Het wandelen heeft ze echter volgehouden. Terwijl Annelore dingen aanwijst in het dorp stappen we stevig door over allerlei paden. Ik heb geen idee, ik volg haar maar. Soms lopen we zo ineens buiten over de stoppelvelden, dan weer nemen we een nauw steegje tussen twee huizen door. Ik vind het allemaal wel mooi.

We komen weer thuis aan, waar Jorn al ruim bezig is met vlees, rode kool en aardappels klaarmaken. Heerlijk. We zetten ons nog even buiten met een glas water (en M&M’s, waar ik zo voor etenstijd niet te veel van moet hebben) en daarna kunnen we aan tafel. Het eten smaakt goed, en het is sowieso fijn om ook vanavond weer goed te eten.

Na het eten gaat Jorn zijn moeder van het station halen. Annelore voert de honden hun medicatie. Zo langzaamaan wordt het tijd om me te gaan omkleden. Zodra haar schoonmoeder arriveert vertrekken we naar boven.

- ⟡ -

We hebben welgeteld een uur om ons om te kleden. Nou, in vijftien minuutjes heb ik mijn jurk aan. Lore helpt met dichtritsen. Het zou wat zijn als ik net nu de rits zou breken, dus dat moet met wat beleid.

Lore weet nog niet wat ze dragen wil, maar met een tuinbroek past ze helemaal in het plaatje van alle figuranten die ik gezien heb. Dus dat is ook geregeld.

Dan de vlechten. Eerst maakt Lore een mooie knot op mijn rechter achterhoofd. Maar mijn haar is veel te glad en te dun en de knot ziet eruit als een soort suikertaartje. Doen we niet. Aan de andere kant maakt ze een strakke vlecht die over mijn schouder komt te hangen. Yeay! Doe daar maar twee van. Het is echt leuk.

Mijn kostuum zit, past, ik doe nog wat extra make-up op. Heel even zitten we nog in de woonkamer, waar Jorn en zijn moeder bespreken waar dat hele Mad Heidi-verhaal nou om draait. Oké, tijd om te gaan…

Gelukkig heeft Annelore een prima idee van waar het is (dát had ik dus nog niet uitgezocht) en dus stappen we in de auto en we zoeven erheen. De snelweg op, de ringweg rond Brussel, die tot Lore’s genoegen echt lékker rustig is zo bij nacht (wat? Ik vind het aardig druk!). We naderen Brussel en gaan richting het Atomium. Daar zullen de beurshallen (oftewel ‘paleizen’, spreek uit palè-zen) zijn en in Paleis 10 draait de film. You say it!

Naarmate we dichter langs het Atomium rijden probeer ik uit het raam foto’s te maken. ‘Geen moeite!’ zegt Annelore en parkeert de auto er echt vlak onder. Ik ben flabbergasted. Wat cool! Het is nog steeds droog en warm, dus we lopen even wat richting het Atomium voor een paar foto’s. Daarna terug naar de ‘paleizen’ – stuk voor stuk heel verschillende imposante gebouwen op een enorm beursterrein. Het overkomt me.

We lopen de trappen van Paleis 10 op. Vrijwel gelijk loopt er iemand door de zuilengallerij op ons af. Ik herken hem. ‘Heidiii you’re here, how cool!’ roept hij uit, en geeft me een joviale omhelzing. ‘Gotta get something from the car, be right back’ roept hij ons na terwijl hij zijn weg vervolgt. Wij gaan naar binnen. ‘Wel leuk zeg, dat je gelijk herkend wordt zo!’ zegt Lore blij. ‘Ja, dat was de regisseur’ glimlach ik.

Ennnn! Dat is hoe het begint…

We staan na binnenkomst gelijk in een grote zacht verlichte hal met een glanzende plavuizenvloer. In het midden zijn bistrotafeltjes en -stoeltjes, waaraan fans wat zitten te drinken. Langs de wanden zijn de muntverkoop, de bar, de VIP-ruimte, de ingang naar de zalen, een fotobooth, een paviljoentje voor de Q&A sessions. Op de bovengallerij rondom is een expositie van I.R. Giger-achtige kunst.

Oké, eerst maar eens muntjes en wat te drinken. Gelijk word ik aangesproken door het personeel. Trots laat ik zien dat ik écht Heidi heet. Iedereen achter de balies is onder de indruk. We gaan door naar de bar en halen frisdrank. Ik moet nog even terug voor een extra statiegeld-munt, en ook dat geeft oponthoud omdat ik benaderd word. Allemaal leuk, hé!

Terwijl we onze drankjes krijgen zegt Lore ‘uhm, ze kijken naar je vanuit de VIP area’. En dat klopt. Diverse cast en crew kijken bewonderend over het hekje naar mijn outfit. Ik glunder.

Lore en ik besluiten maar gewoon een rondje langs de expositie te gaan doen. Dat is ook mooi. Er zijn allerlei surrealistische beelden en buitenaardse creaturen om te bewonderen. Dan kijken we naar beneden. ‘De cast en crew staan in de fotobooth’ merkt Lore blij op. ‘ Ja, nou, uh, daar durf ik niet zomaar tussen te gaan staan hoor…’ ‘maar we kunnen er toch voorbij lopen. Kijk de zaal is daar, we móeten er langs…’ haar ogen glimmen. Oké! Fijn om Lore bij me te hebben, gewoon rustig… maar als het erop aankomt zó’n heldin!

We gaan naar beneden maar worden onderweg door de zaal weer opgehouden door allerlei fans. Foto’s, foto’s, foto’s. Er is zelfs één fan die mij van mijn Instagram herkent! Hallo hé! Hijzelf is figurant in de film geweest.

Tegen de tijd dat we de fotobooth bereiken is de cast en crew van Mad Heidi al weg. Ah, pech. Die zien we vast nog wel vanavond. Een groep Ghost Busters-figuranten wil met me op de foto. Hey joh, tof! Een soldaat van Mad Heidi sluit zich er ook nog bij aan. Lore maakt overal foto’s van, wat een lol.

Midden in de zaal staat echter actrice Alice Lucy nog. Heel onopvallend in een zwarte catsuit, soms pratend met mensen. Ik loop op haar toe, ze draait zich om. We kijken elkaar allebei even verbaasd aan, met als gevolg dat ik echt even geen woord uit kan brengen. Ik zie in haar blik dat ze het cute vindt dat ik gewoon met de stomheid geslagen ben. Dan barsten we los in gepraat.

We lopen naar de fotobooth en worden vrijwel direct gevolgd door een zwerm fans en journalisten. flits, flits, flits doen de camera’s. Ik heb geen idee hoeveel foto’s er genomen worden. We doen stoere poses en praten tussendoor met elkaar. Een slimme fan wil ook nog met ons allebei op de foto.

Dan lopen Lore en ik verder naar de zaal. Een behoorlijke menigte begint zich voor de zaaldeuren te vormen. Lore probeert vooraan te blijven opdat we een goed plekje zullen hebben. Ik vergeet dat en word ook meermaals gevraagd om nog op de foto te gaan. Dus we dwarrelen wat af naar de staart van de groep. Ik maak foto’s van de meute. Een groot deel blijkt zelf figurant te zijn geweest. Eén boer is zelfs in mosterdgele wollen trui en tuinbroek en heeft een grote houten dorsvlegel bij zich.

Het loopt tegen half elf, maar kennelijk moeten er voor de ingang van de zaal eerst nog een behoorlijk aantal foto’s met de crew worden gemaakt. Dan opeens gaan de zaaldeuren open en mogen we op vertoon van ons ticket naar binnen. Ik heb onze kaartjes keurig geprint meegenomen dus we kunnen zo door. Lore en ik zoeken een plaatsje vooraan, maar wel op zo’n plek dat we geen nekpijn gaan krijgen.

Zodra we zitten spot ik de cast & crew rechts vlak voor het podium. Ik wandel er even naartoe. Een journalist maakt met mijn telefoon foto’s van ons. Een journaliste begint mij te interviewen. ‘So you are the eeh… actress, right?’ ‘No that’s her, behind me’ en ik wijs op Alice. De journaliste verontschuldigt zich en stapt gelijk op de totaal onopvallende Alice af om het gesprek voort te zetten. Was leuk!

Ik ga weer naar mijn plaats terug en we wachten op het begin van de film. Eerst moet de cast en crew – na introductie van de spreekstalmeester – het podium op, en gaan ze zowaar zelfs het ‘Heidi thema’ zingen. De hele zaal zingt mee, dat belooft wat.

De film begint. Iedereen joelt uitbundig. Ik begin steeds meer te geloven dat het gewoon 50/50 figuranten en filmfanaten is. Het joelen gaat de hele film lekker door. Bij bloedspatters wordt er flink geschreeuwd. Als de bad guys in beeld komen wordt er gegromd en getierd. Als de good girl en guys in beeld zijn, wordt er instemmend gejoeld. Als mevrouw Rottweiler (oorspronkelijk Rottenmeier) aan het woord komt, wordt er geblaft. En zodra Mad Heidi van zich af begint te slaan, gaat de zaal helemaal los in aanmoedigend geschreeuw. Lore en ik lachen wat af, ondanks de herhaaldelijke ‘ketchup-scènes’.

Na de film lopen we terug naar de grote hal. Er worden blokjes kaas uitgedeeld, die ik schuchter aanneem (spoiler: in de film weigert Heidi kaas). Dus elk blokje eet ik opzichtig achter mijn hand op, wat ook weer de aandacht van mensen trekt. Dan passeer ik twee figurant-soldaten en een kampbewaakster met een knuppel. De soldaten en ik zien er wel een lolletje in en ze grijpen mij bij mijn lurven. Hevig theatraal spartelend laat ik me meevoeren naar de hal. Ik trek de raarste bekken. Lore loopt eerst achter ons, maar omzeilt de groep en loopt dan voor ons uit. Daarvan dus die memorabele foto’s…

Na nog wat steelse blokjes kaas laten de soldaten mij gaan en begint de Q&A-sessie. Lore en ik lopen nog een rondje door de zaal, voor niets eigenlijk – het voelt als tijd om naar huis te gaan. Toch nog even bij de Q&A-sessie luisteren en een inhoudelijke vraag stellen. Joe, signing off. Het is echt bedtijd.

Buiten motregent het, maar gelukkig de auto stond niet ver weg. Ik reken het parkeerkaartje af en we cruisen weer naar het gezellig kleinschalige Denderhoutem.

In de studeerkamer ligt een matras en een dekentje voor me klaar. Ik poets gauw mijn tanden en plof neer, op naar dromenland…

donderdag

Weer een heerlijke nacht als een blok geslapen. Wat kan ik dat toch goed. Er is echter wel een fanatieke haan in de tuin hier ergens achter, die zijn aanwezigheid moet laten horen. In je slaap heb je geen besef van tijd, maar volgens mij heeft dat beest sinds vier uur onafgebroken lopen kraaien. Maargoed, zo heb ik ze wel vaker meegemaakt.

Tegen acht uur word ik echt wakker. Ik app Annelore met de vraag waar zij uiteindelijk geslapen heeft, gezien de gezondheid van de honden. Gelukkig boven. Haar man is vroeg gaan werken en haar schoonmoeder is zo te horen ook al op. Enfin, dan kan ik wel even inpakken en komen ontbijten.

Ik ruim mijn matras af en pak mijn rugzak in. Ik raak nog ergens mijn drie etuitjes kwijt – lenzen, make-up en zonnebril – en zoek me er een ongeluk naar. Ik blijk ze bovenop in het mesh-vak te hebben geparkeerd, waar ik ze totaal niet zoeken zou.

Beneden zitten Lore en schoonmoeder al aan de bar. Ik schaar me erbij en we eten pistoletjes met beleg. Annelore’s schoonmoeder praat zachtjes, omdat ze iets aan haar stem heeft. Ze mag ook niet veel praten. Ik doe mijn uiterste best maar soms versta ik haar zachte Vlaams gewoon niet en moet ze het herhalen! Oh, oh oh. Annelore voert haar honden weer de medicatie en vraagt me hoe laat ik op de trein wil.

Iets na tienen gaat er een trein, kan dat? Ja, dat lukt. Ik poets mijn tanden, haal mijn tas van boven en we springen in de auto. Lore hoeft zelf pas ’s middags te werken.

Bij het station word ik weer geconfronteerd met het geweldig onduidelijke Belgische reissysteem. Op het papieren vertrektijdenbord staat de trein naar Brussel aangekondigd op spoor 6. ‘Oh das wel ver’ weet Annelore en trekt een sprintje. Da’s ook wel waar, dus ik ren mee. Staan we boven op spoor 6, zien we één spoor verder dat de trein aangekondigd is op spoor 3. Echt? Ja echt. Okay, hup de trap weer af, een terug de trap weer op. Nou, op zich nog geen trein, we zijn nog op tijd. Als we er staan blijkt hij ook nog op spoor 4 te komen en niet op 3. Da’s gelukkig op hetzelfde perron. We maken nog snel een selfie waarop we wel ‘heel kleine oogjes hebben’ aldus Annelore, en dan stap ik in de aankomende trein.

Hoe ik het presteer om nauwelijks 10 minuten later de volgende foto te maken met mínder kleine oogjes, weet ik niet. Misschien keek ik wel gewoon tegen de zon in?

We hobbelen voort richting Brussel. Ditmaal vraag ik wat het juiste vertrekspoor voor de trein naar Verviers is en loop er ook direct goed heen. Hoplakee, Go West!

De reden dat ik vandaag nog zo’n toer door België ga maken is simpelweg rancune. Eigenlijk had ik gewoon hup noordwaarts richting huis willen gaan en tegen vieren thuis willen zijn. Nu ik weet dat ik in België tot aan de Nederlandse (ofwel Duitse!) grens gratis reis, wil ik daar nog even volop gebruik van maken.

Mijn wens was eigenlijk zelfs om naar Luxemburg te gaan. Clervaux en Troisvierges klonken als interessante namen (misschien omdat Epica een song ‘Trois Vierges’ heeft, maar wat zegt dat over zo’n stad?). De Interrail app rekent me allerlei routes voor, maar ik moet ook weer terug. Ik kan praktisch gezien ongeveer een half uurtje in Luxemburg vertoeven en dan moet ik alweer op de trein terug. Kortom: dat is niet genieten en dat is het niet waard.

Wat is dan wel genieten? Eh… even wat drinken van het water van Spa? Deal.

Vanaf Brussel trein ik dus rustig via Verviers naar Spa. We stoppen nog in Leuven, stads, en daarna wordt het landschap steeds romantischer. Glooiende heuvels worden lage beboste bergen, de windmolens maken plaats voor kleine watervalletjes. Dit moet dan de noordflank van de Ardennen zijn. Niet te veel op mijn telefoon staren, buiten is het mooi en zonnig!

- ⟡ -

Tsjoek-tsjoek!

- ⟡ -

Tsjoek-tsjoek!

- ⟡ -

We komen aan op Verviers. Ik heb nog driftig in de Interrail-app zitten herberekenen of Luxemburg niet tóch nog een optie was. Zo ben ik. En als je eenmaal Luik voorbij bent en je ziet hoe dichtbij dat derde land lijkt, dan wil je er voor de volledigheid gewoon éven heen. Toch?

Nee, ik ga het niet doen. De bestemming is Spa.

Op Verviers heb ik overstaptijd, dus ik loop even naar de stationsrestauratie. Buiten is het een beetje grauw en bewolkt. Een normale doordeweeksedag, je ziet het. Belgen sloffen rond het station, schooljeugd kijkt verveeld naar me op.

Er is geen eetgelegenheid open of wat, dus ik houd het maar op de vending machine. Die spuugt voor mij twee – heel toepasselijk – Luikse wafels uit. Ik stap in de eerste klasse van het kleine treintje naar Spa, dat al klaarstaat op het achterste spoor. Mijn kant kijkt uit op een rotswand, maar ik vermoed nog wel mooier uitzicht op de route!

De conductrice checkt mijn kaartje en daar gaan we. Op naar de wondere wateren van Spa!

- ⟡ -

Dit gaat bij uitstek één van ‘Heidi’s Hachelijke Ondernemingen’ van deze reis worden, wees gewaarschuwd.

We komen aan in het slaperige Spa. Op een klein stationnetje (tralalala) stap ik uit. Het is bewolkt, maar warm. Ik raadpleeg Google Maps voor de route naar de thermen. Hoe ingewikkeld moet dit zijn voor Engelssprekenden. De spa in Spa! Is niet het hele dorp de spa dan? Nee, die ligt vast… juistem. Op een berg. Niet te hoog, hoop ik.

Ik loop noordwestwaarts het station uit naar de hoofdstraat. Rechts hoor ik aanhoudend kindergekwetter. Vast speelkwartier, maar hoe luid! Het hele dorp kan meegenieten van het gejoel en gegiechel. Ik zie de kinders ook niet. Maar hé, zo dicht bij het spoor, daar zal wel een groot dicht hek omheen staan.

Ik heb me net in de trein even ingelezen op de toegangsregels van de thermen. Er is een zwembad, een sauna voor gekleed volk en een sauna voor naturisten. Er is ook een lunchroom (optie) en een restaurant (mogelijk optie). Ik heb min of meer al bepaald dat een glaasje Spa-water drinken niet voldoet. Nu ik hier ben wil ik er ook in ronddobberen. De regel hiervoor is strikt: alleen in badpak. Laat ik dat nou net niet ingepakt hebben. Je kunt ze ter plekke wel kopen, voor maarliefst € 25,-. Ik heb al drie badpakken, dus dat vind ik een beetje gortig. Is er geen shortcut naar de naturistensauna? Zal ik er toch alleen gaan lunchen?

Aan de stationsstraat valt me een autootje op met op de achterbank een tas van de Action. Ze hebben hier vast een Action! Dáár ga ik heen en koop een badpak van een tientje! Verguld met dit idee begin ik mijn weg. Hé, daar rechts is een Zeeman. Die hebben vast wel badpakken! Verheugd loop ik er binnen met mijn bepakking, zo door naar achteren. Ze hebben wel pyjama’s en lingerie, maar geen zwemkleding. Ik overweeg nog of een combinatie van slip en sportbh door kan gaan voor badkleding, maar durf het niet aan. Onverrichter zake marcheer ik de winkel weer uit. Door naar de Action.

’22 minuten lopen, in een zijstraat’ weet Google Maps me te vertellen. Moet te doen zijn. Ik weet precies waarvoor ik kom dus ik hoef maar vijf minuten binnen te zijn, en de terugweg is korter want de thermen liggen halverwege. Ik stap stevig door.

Onderweg stop ik even bij een fonteintje en steek mijn handen onder het water. Zó! Ik heb water uit Spa aangeraakt!

Even verderop twijfel ik toch over de omweg. Ik bel de thermen. Doorkiesnummer drie voor Nederlands, wat fijn. Een Vlaamse staat me te woord terwijl ik me ophoud in een echoënde inrit onder een oud gebouw. ‘U kunt alleen komen lunchen, ja dat kan, zonder te baden.’ ‘Voor het baden móet u badkleding hebben, ja.’ Hm. Ik bedank haar en loop dan maar verder. Ik ben nu toch al halverwege.

Het gaat nog een stukje heuvelop en dan moet ik linksaf. Dit is wel duidelijk het centrum uit, deze weg kronkelt zelfs rond om de berg waartegen het stadje gebouwd is. Schuin omhoog gaat het. Parallel links zie ik een weg die lager rond de berg loopt. Links beneden mij de Carrefour-supermarkt. De ingang ligt aan de andere straat, maar er is vanaf hier ook een strook asfalt naar de parkeerplaats. Zal ik hier oversteken en daar verder lopen? Nee, Google Maps zegt dat de voorkant aan deze straat ligt, straks sta ik onderaan een berg met bovenop de Action. Ik wandel door. Ik kijk op het dak van de Carrefour, bosjes, één, twee woonhuizen… ‘U meent dit niet’ zeg ik regelmatig hardop. De Action zou hier links moeten zijn, waar is het? Na nog ettelijke tuinen en huizen zie ik links onder me, achter een muurtje, opeens het platte dak van de Action. De ingang ligt dus tóch aan de andere kant!

Het hoogteverschil is nu zo groot dat ik echt een meter of drie moet afdalen naar de parkeerplaats. Gelukkig hebben meer mensen dat gedaan, door een poortje in de muur, over een braakliggend stukje grond met een geitenpaadje. Wat een geluk dat ik stevige schoenen aanheb en een ergonomische trekkingrugzak. Ik hups behendig de laatste anderhalve meter van het landje af op de parkeerplaats, en loop doodgemoederd richting de Action.

De Action in Spa ziet er precies uit als eentje die ik in Hengelo ken. Ik wandel met spoed door de paden. Sportkleding, badartikelen, … geen badpakken. Gewoon geen badpakken. Nouja, die zijn ook een hel om te ruilen. Ik trek mijn conclusies en loop gewoon de winkel maar weer uit. Zie de Bristol. De Bristol! Gelijk de Bristol in.

Op een donderdagmiddag is de Bristol nagenoeg uitgestorven. Een jong meisje komt verveeld van achteren doet met een wat onbestemde blik alsof ze kleding op haakjes rechthangt. Ik loop direct op een rekje met damesbadpakken af. Het eerste badpak is beige met oranje-witte margrietjes. Hallo! Ik wilde een badpak, maar niet dit! Dit schijnt vast door. Dan zie ik zwarte badpakken hangen. Ik kijk naar de prijs. 25 euro… onwillekeurig knars ik met mijn tanden. Ik, Heidi, ben een loei-eind omgelopen, een heuvel op, een hellinkje af, een Action door, om een badpak te vinden dat precies zoveel kost als bij de thermen!? Oh, waarom leer ik toch nooit van mijn geweldige koppigheid?

Een beetje teleurgesteld scan ik de winkel af naar andere rekjes met andere badpakken. En ik heb geluk! In een middenpad staat een rekje met sportbadpakken. Ik pluk een mooie maat 42 ertussenuit en die blijkt ‘maar’ 17,50 te kosten! Victorie! Ik vind het model (sportief) de kleur (zwart) en de prijs (minder dan in de thermen) oké en de tijd dringt onderhand, dus ik reken af. Ik poekel in het Frans wat beleefdheden en vervolg mijn weg. Nu hoef ik alleen nog maar naar de thermen.

Toch. Toch??

Ik loop nu langs de ‘juiste’ kant de weg weer omlaag. Het is nog steeds lekker warm en zonnig, eigenlijk best wel mooi zo’n wandelingetje. Google Maps vertelt me dat ik ‘de binnenbocht’ kan pakken, gelijk hier ergens rechts de straat in en dan met een bochtje de weg volgen… en dan zal ik de thermen bereiken. Nou, doen we.

Ik volg een eindje de straat en kijk dan naar rechts. ‘Rue du Jeu de Paume’ zegt het bordje. Ja, dat is juist. Hier moet ik in. En steil omhoog! Enige hesistatie, maar ik ga door. Dit is de snelste weg volgens Google, en ik wil nu wel eens badderen. Ik stiefel met flinke tred omhoog, raak buiten adem, stiefel verder, het zweet breekt me uit, stiefel weer verder. Maak een scherpe bocht naar links en stiefel weer hardnekkig verder, steil de berg op. Dit is maar even, houd ik mezelf voor. Maar dat is het natuurlijk nooit, ik heb meer van dit soort weggetjes gelopen. Dit is nooit ‘even’.

Achter me komt een wit autootje de bult op rijden. Een vrouw parkeert in de bocht – waarschijnlijk omdat haar wagentje het verder gewoon niet trekt – en loopt langs me heen naar een huis. Waarschijnlijk zie ik er met mijn trekkingkleren en rugzak zo normaal uit dat ze gewoon denkt dat ik een lange wandeling aan het maken ben.

Ik loop almaar verder – het doel is nu welzeker, ik heb het badpak, ik gá naar de spa, daar is geen twijfel meer aan! maar nu ga ik toch echt het bos in. De geasfalteerde weg eindigt, het laatste huis laat ik achter me, en ik wandel gewoon domweg het bos in. Weer linksaf, dat gaat wel goed. Maar deze mooie bosroute, die eerst niet onderdoet voor de buitenwijken van Helsa, en later zelfs doet denken aan de Dorenther Klippen, had ik toch niet bepaald verwacht. Maar houd moed, de thermen zijn vast om de hoek. Het is immers nog maar vijf minuten lopen, zegt Google Maps. Het móet wel dichtbij zijn!

Ik zweet me onderhand te apelazerus. De jas gaat uit en onder in de tas. Op een gabelung kom ik een mannetje met een wandelrugzak tegen. ‘Bonjour’ ‘Bonjour, je viens a les thermes’, lach ik. ‘Là, a gauche’ wijst hij, en loopt in een langzamer tempo achter me aan dezelfde heuvel op. Al snel raakt hij verder achterop. Ik moet weer ergens linksaf slaan, maar Google is niet duidelijk over de locatie van dit bospad. Parallel lopen twee verharde wegen naar de huizen hier op de heuvel, en als ik de verkeerde pak daal ik te veel af. Dan zit ik te laag en moet ik (door iemands tuin) weer omhoog. Een paar keer twijfel ik wat, maar dan sta ik opeens op een verharde rotonde. Op één hoek staat een groot imposant bord. De thermen!

- ⟡ -

Ik ben er, tien over half twee. Zwetend als een malle, maar blij, stap ik binnen. ‘Bonjour’ begin ik weer, maar merk al snel dat ik deze kwestie niet red in het Frans. We gaan over op Engels. De dame wijst me waar ik moet zijn. Ik vraag om een korting, omdat ik weet dat ik echt maar één uurtje blijf. ‘Gotta catch the train back to the Netherlands’. ‘One hour…’ mompelt ze terwijl ze in de computer zoekt. ‘Eight euros, then’. Ik ben echt superblij met deze uurs-prijs (dat kan dus blijkbaar!) en vertrek naar de omkleedhokjes.

Ojee, mijn tas! De kluisjes zijn veel te klein. Ik mag mijn tas achter de balie leggen. Snel pak ik de meest belangrijke spullen eruit en haast me weer richting badhokjes.

Vanaf daar is het allemaal ‘a breeze’. Mijn badpak past netjes, ik kan mijn spullen iets verderop kwijt, en dan ga ik met mijn handdoekje het zwembad in. Stralend als een koningin betreed ik de baden. Heerlijk warm, mooi gebouwd, in een groot koepelvormige ruimte met overal glas. Door de bomen heen heb je uitzicht over het hele stadje. Ik zwem loom rondjes en hang hier en daar op bubbelbankjes. Hier en daar moet je een hoekje of bubbelbadje delen met een verliefd paartje, maar toe maar.

Ik zwem naar buiten en ook daar is het heerlijk. Warm water, sproeiers, bubbelbankjes en een stroomversnelling. Echt lekker. Ik blijf overal een beetje hangen en let ondertussen op de tijd. Ik moet om 14:40 weer het bad uit zijn. Nou, dan heb ik alles ook wel gezien ook. Oh nee! De sauna’s!

Snel loop ik nog even naar boven. Snel en sauna combineert natuurlijk niet, dat is wel jammer. Dus zit ik 2 minuten in de Finse sauna, die ook uitkijkt over de stad, en het kabelbaantje naar beneden toe. Ik zeg je: je kunt hier nog veel langer verbrengen, eten op het terrasje boven de kabelbaanstation enzo. Maar dat hoeft nu allemaal niet. Ik duik nog even 2 minuten de hammam binnen, wat een stiltezone is, maar daar wordt absoluut geen rekening mee gehouden. Ik loop een donkere mistige ruimte in en overal klinkt Frans gebabbel. Ik zet me dus maar heel even op een hoekje op de bank, maar ga ook snel weer naar buiten. Aan de stemmen te horen lijkt het alsof er wel vijftig man om me heen zitten.

Ik ga weer naar beneden en richting de badhokjes. Je moet even door een voetenbad heen met aan weerszijden ‘barres’ en ik kan het niet laten om even een korte imitatie van Lucille Ball’s ‘I Love Lucy – The Ballet Class’ te mompelen. Zoek maar op, hilariteit uit de zwart-wittijd. Dan druppel ik het omkleedhokje in en doe mijn business. Het badpak knijp ik zo goed mogelijk uit en wikkel het in de handdoek. Hij moet maar zo mee in de tas.

Ik krijg bij de ingang mijn tas terug, stop alles er redelijk netjes in, en begin mijn wandeling terug naar het station.

Inmiddels heeft het geregend en is het bospad wat nat. Ik moet over een boel boomwortels die allemaal glad zijn. Even voorzichtig nu, ik ben goed in uitglijden zo. Ik eet nog een laatste stuk van mijn Luikse wafel en daal dan af naar de straat. Hé, fijn, een Spar. Ik doe even cheape inkopen – wat plakjes vleeswaren, een rond doosje Maredsous-kaasjes, en een banaan. Ik vervolg mijn weg naar het stationnetje en ga het daar op een bankje oppeuzelen.

Ik blijk naast het heertje te zitten dat ik eerder vanmiddag in het bos tegenkwam! We voeren een simpel gesprekje in het Frans. Hij komt uit de buurt en hij wandelt graag. Wat aardig toch. Ik houd het ook maar kort. De thermen waren mooi.

Een scholiere zet zich tussen ons in wanneer de hemelsluizen opengaan en het opeens stortregent. Ik geniet ervan. Het wordt ook niet echt kouder en de zon is zo weer terug. Dan arriveert onze trein. We hebben nog steeds dezelfde conductrice, die mij ook weer herkent. Ik hoef mijn ticket niet te laten zien.

Nou, dit was dan het zuidelijkste punt… op naar Nederland!

- ⟡ -

Terug naar huis… het lijkt nog zo ver, maar volgens de Interrail app gaat het lukken!

- ⟡ -

Seinstoring, staking…

Wederom moet ik bij de grensovergang een kaartje tot aan het grensstation kopen. In dit geval is dat Visé en ik koop dus netjes via de NS-website een ticket van Visé naar Maastricht. Achteraf gezien was Visé – Eijsden ook in orde geweest, maar dat wist ik daar nog niet. Zoveel glitches in deze reis, meestal ben ik beter voorbereid.

Onderweg fluistert er opeens een nieuwsbericht door de coupés. ‘The Queen has passed away’. Ik neem het in me op, Google. Het is echt net bekend. De Britse nieuwswebsite ligt plat. Ik lees er elders een beetje over en ga dan weer verder in mijn boek. Het gebeurt, de wereld gaat door.

Ergens bij ’s Hertogenbosch of Nijmegen komt er opeens een stroom aan passagiers de coupé binnen. Vier meisjes ploffen neer op de vierzits naast me. Ik denk net dit Gooise gekwebbel direct te moeten aanhoren als er zich ook nog drie dames hierbij voegen. Eigenlijk ongevraagd komen ze in mijn vierzit zitten. Dat past, maar dan moet mijn trekkingrugzak ergens heen. Ik doe wat het simpelst is: ik ga een plaats naar achter zitten. Zonder omhaal vervolgen de dames hun klaaggesprek, er kan ook geen bedankje vanaf.

Ik zit inmiddels wel rustig een bank verder weg van deze dubbele kakofonie. De meiden kwebbelen over alles waar jonge studentes het maar over kunnen hebben. De pikorde is compleet; je hoort gelijk wie het hoogste woord heeft, wie bijvalt, wie erbij wil horen. Dan de dames recht voor me. Kennelijk zijn ze rotten in het vak, dames van het eerste uur, in een baan die waarschijnlijk iets met content management te doen had. In hun ‘heydays’ vonden zij uit hoe het allemaal moest, documenteerden het, en toen gebeurde er iets… en nu zijn al hun banen overgenomen door goedkope jonge contentmanagers (niet toevallig de meisjes links, die zijn heuse rechtenstudentes, die kirrend naar links swipen op elke jongeman die een minder imposante opleiding heeft). Kortom, de voormalige content-manager-dames zijn verbolgen over hun aftreden. Ik merk ook op dat het een soort reünie is, dit uitje. Op een volgend station ergens gaan ze met veel gezwaai uit elkaar en beloven elkaar dit gauw weer eens te doen. Ja, het zal wel lekker zijn, zo klagen. Ik begrijp niks van vrouwen, jong of oud.

Op Zutphen hop ik uit de trein. Hier neem ik de boemel naar Hengelo, en dan… …dan zal ik stilstaan op Delden. De trein rijdt niet verder. Een seinstoring verderop, wordt ons verteld. Ik app en bel Michel, of die toevallig nu in Delden is? Hij heeft natuurlijk zijn videopresentatie, ik wil hem niet storen. Ik moet wat doen. Dus hop ik weer terug de intercity in die me naar Deventer brengt.

Op Deventer hoor ik dat een terugkerende trein naar Roosendaal niet zal rijden, vanwege de morgen beginnende stakingen. Heb ik in die drie dagen treinreizen die dans mooi ontsprongen…

Afijn, zo stap ik op Deventer over in de intercity naar Enschede. Welke optie ik ook neem, ik ben altijd om 22.14 thuis.

In de laatste trein kom ik naast een wat nors kijkende vrouw te zitten. Ze is ouder dan ze op het eerste gezicht lijkt. Ik – moet je nagaan, nog altijd met de twee vlechten van gisteren – parkeer mijn tas, trek mijn groene veldfles eruit. Pak ook het gekochte flesje aloë vera-water erbij. Giet de inhoud (water) van het veldflesje bij de aloë vera. Drink het met smaak op. Onderwijl lees ik mijn e-book ‘My Home in the Alps’. De vrouw gaat geloof ik van nors steeds verbaasder kijken, hehe. Nou, homeward!