Sleep sleep

Het is 2016, ik heb drie weken vrij van mijn werk, en ben via Italië met trein en veerboot naar Kroatië gereisd. Daarna ben ik over het vasteland noordwaarts gegaan om rustig aan weer thuis te komen. In Salzburg verblijf ik om zelf de befaamde filmlocaties van The Sound of Music te bezoeken.

Voor mijn overnachtingen heb ik een zogenaamd ‘summer hostel’ gevonden. Het is door het jaar heen een studentencomplex dat in de zomermaanden leeg staat. Om de leegstand op te vangen wordt het in die maanden betrokken door een hostel-organisatie, die de kamers verhuurt aan jonge toeristen. Ik maak er dankbaar gebruik van.

Ik heb de hostelreceptie aangegeven dat ik wel in een gemengde kamer wil slapen. Je kunt er namelijk voor kiezen om een kamer alleen met vrouwen te delen, als je dat veiliger of gezelliger vindt. Maar het is vaak iets minder goedkoop dan een gemengde kamer, en soms is de optie er helemaal niet. Ik heb nooit moeite gehad met slapen of omkleden in een kamer met mannen. Daarom zie ik ook dit maal wel wat het me brengt.

Na het verkrijgen van de sleutel zoek ik op een hoger gelegen verdieping mijn kamer op. Eerst kom ik door een ruime gemeenschappelijke keuken. Maarliefst twee koelkasten staan rustig te zoemen. Wat een verschil met de Venetiaanse en Kroatische hostels waar ik net vandaan kom! Hier heerst duidelijk weer Oostenrijkse degelijkheid. Ik loop door.

Mijn kamer is al bewoond, zie ik gelijk. In het voorportaaltje tref ik aan de kapstok een keur aan stijlvolle jasjes en blouses. Eronder staan luxueuze rolkoffers in mat goud en zwart. Ik kijk er vluchtig langsheen en loop verder naar de slaapkamer. Recht voor me een breed raam. Langs de drie muren links, rechts, en voor me, elk een eenpersoonsbed. Het rechter bed is al in gebruik. Er ligt niemand in, maar op de bedrand staat een overdaad aan glazen flesjes, waarschijnlijk allemaal parfum. Ik ben verwonderd. Wie neemt zoiets nou allemaal mee op reis? Dit moet wel een welgestelde oudere dame zijn. Ik vraag me verder niet af waarom die dan hier zit en niet in een smaakvol hotel.

Ik stal mijn spullen uit op het rechter bed. Er bestaat een regel dat je het opvolgende bed moet kiezen, maar dat zou betekenen dat ik dichter bij mijn kamergenoot lig, met mijn hoofd aan diens voeteneind. Ik verkies om iets verder weg te liggen, als dat kan. Een volgende gast mag het op zich nemen om aan één der beide voeteneindes te slapen. Ik leg mijn spullen zo op het bed, dat het duidelijk is dat ik er slaap, maar niet dat waardevolle zaken voor het grijpen liggen. Er zijn hier dan weer geen afsluitbare kluisjes, dat is wat minder. Maar we zien wel. In hostels wil niemand bestolen worden, en waarom zou die rijke oude dame van mij stelen als ze het zelf zo te zien zo veel beter heeft? Rustig verlaat ik de kamer en verken ik die middag de stad.

’s Avonds, na het avondeten, keer ik terug naar de kamer. Bij het opendoen van de deur komt mij geurige stoom tegemoet. Mijn kamergenoot heeft gedouched en daarbij de badkamer en het halletje behoorlijk indrukwekkend achtergelaten. Ik tuur even naar binnen in de badkamer en laat de deur daarna maar openstaan, zodat de damp tenminste wat kan wegkomen. Dan stap ik de slaapkamer in. ‘Hallo’ begin ik. Het nachtlampje rechts van me is aan. Op het bed tref ik geen oudere vrouw, maar een vrij jonge man. Hij ligt te lezen. Het lijkt me dat hij uit het Midden-Oosten komt. ‘Bye’ zegt de jongeman vriendelijk. ‘Oh hello’ begin ik weer. De man glimlacht en begroet me nogmaals met hetzelfde woord. Nu glimlach ik ook. ‘Where are you from?’ altijd een aardige binnenkomer.

‘Me?’
‘Yes’
‘No me from Abu Dhabi’
‘Oh, nice. I am from The Netherlands.’
‘The…?’
‘Dutch’
‘Oh, no. Dutch. Deutsch. Déutsch.’

Zijn Engels lijkt niet heel florissant, dus laat ik het daar maar bij. Ik informeer of hij zo gaat slapen. Dat is eigenlijk een vraag, maar een aankondiging, want ik wil zelf zo naar bed. Hij knikt ja. ‘Okay’ zeg ik en doe mijn zaken in de nog immer dampige badkamer. Dan wandel ik in mijn comfortabele pyjama de slaapkamer in en stap gelijk in bed. Nog even op mijn telefoon kijken, dan doe ik mijn lampje uit en ga slapen. Volgens mij doet mijn kamergenoot zo wel hetzelfde.

Nog geen half uurtje verder voel ik opeens wat op mijn matras. Ik rol op mijn buik, naar de kamer toe, en kijk slaperig omhoog. Mijn kamergenoot is op de rand van mijn bed gaan zitten met zijn donkerbruine hand naast mijn hoofdkussen. Vriendelijk kijkt hij me aan.

‘You sleep?’ vraagt hij.
Wat een onzinnige vraag. Ja natuurlijk sliep ik.
‘Yes, sleep.’ zeg ik vermoeid.
‘You sleep-sleep?’
‘Yes…’
‘Yes sleep? Sleep-sleep?’ hij klopt tweemaal met zijn hand naast mijn hoofdkussen en doet een poging zich naast mij in bed te rollen.

‘No sleep!’ Geërgerd kom ik overeind. ‘No sleep-sleep!’ blaf ik hem toe. Ik duw hem terug overeind, van het bed af.

Hij kijkt wat bedremmeld. ‘Yes sleep?’

Vaag besef ik dat hij ‘yes’ en ‘no’ zo vaak door elkaar haalt, dat conversatie zo geen zin heeft.

Ik zeg hem nog éénmaal ferm ‘no sleep!’ en draai me weer om naar de muur.

Het gewicht van het bed verdwijnt en hij keert terug naar het zijne. Ik hoor de hele nacht niks meer van hem en slaap prima tot in de ochtend.

Ik spreek hem dan amper en ga ontbijten. Vraag bij de receptie om een andere kamer. Reden daartoe is mijn toch wat twijfelachtige kamergenoot. ‘Oh, díe man?’ informeert de jongen aan de receptie bezorgd. Een medewerkster voegt zich bij hem en ze luisteren naar mijn korte verslag van het nachtelijke avontuur. Daarna kijken ze beiden nog bezorgder. Ja, natuurlijk krijg ik een andere kamer. Zij begrepen de man ook al niet. Hij spreekt geen woord over de grens, maar wilde eerder die dag wel allemaal toeristische trekpleisters bezoeken. Ze vonden het al lastig om hem naar iets te wijzen waar hij zich überhaupt verstaanbaar zou kunnen maken. Ondanks de taalbarrière zullen ze hem vandaag nog wel op zijn onbehoorlijke gedrag van vannacht aanspreken.

Prima, ik wil gewoon rustig slapen, zeg ik, dus leg mij maar op een andere kamer. Mannen geen probleem, als ze maar van me af blijven.

Tevreden wissel ik van kamersleutel. Die nacht daarna slaap ik wederom met niet één, maar wel twéé heren op een kamer. Twee bonkige bouwlui met weinig bagage, die geen stap richting mijn bed doen. Ze snurken daarentegen wel alsof ze half Oostenrijk omzagen…