Proloog

Deze vakantie boekte ik, als een kort weekje weg tussen twee jobs in. Lekker vier dagen naar een bungalowtje in the middle of nowhere, op vier uur treinen van Nederland.

Ik heb deze reis heel kort van tevoren geboekt, en dat betekent dat alle voorbereidingen ook geen weken kunnen duren. Ik heb om precies te zijn één zaterdag voor het hoognodige, en dan moet ik al gaan. Vrijdagavond nog met oud-collega's op stap, zaterdagochtend ontbijten met Sander. En dan maar inpakken.

Na het ontbijtje in de stad kijk ik nog even uit naar een hoofdlamp. Die lijkt me inmiddels wel bijzonder handig - niet alleen voor deze, maar ook toekomstige reizen. Helemaal naar de Hema lopen vind ik te ver, en de Perry Sport - wat Sander oppert - lijkt me te duur. Ik wil gewoon een verschrikkelijk goedkoop lampje van de Action! Dus ga ik naar de Action. Na alle paden doorgestruind te zijn, plebs ontwijkend, constateer ik dat de Action geen product heeft, dat de naam hoofdlamp mag dragen. Ze hebben fietslampjes, werklampjes, handige druppelvormige lampjes: maar alles heeft geen elastieken band, en juist die heb ik niet thuisliggen. Bovendien heb ik geen tijd en zin meer om deze zaterdagmiddag nog achter de naaimachine te kruipen voor een provisorische redding. Dan maar niet.

's Middags print ik mijn verplichte paklijst uit en ga braaf aan het inpakken. Ik heb alles in huis, tot de versnaperingen voor onderweg aan toe. Snel doe ik nog een wasje voor alle warme wollen truien en vestjes. Dat moet maar tot morgenochtend drogen en dan in de tas. Na het eten ga ik even theedrinken bij Yvo. Renze komt ook nog langs en zo staan we al gauw een half uur te kwebbelen. Ik moet gaan. Yvo geeft me zijn hoofdlamp mee. Wat aardig! Hopelijk ga ik hem dan ook echt nodig hebben.

Ik leg de laatste spullen klaar en duik lekker mijn bed in. Mijn poezen heb ik al dagen vantevoren geïnformeerd over mijn op handen zijnde vertrek, maar uiteraard snappen ze er geen snars van. Ach, het is maar voor vier dagen.

zondag

Zo, het is zondagochtend zes uur. Ik ben al wakker, want ik heb zin om straks met de trein op reis te gaan. Me verslapen is er gewoonweg niet bij. Ik blijf nog een beetje in bed lummelen en pak dan m’n laatste spullen in. Wat doe ik nou met mijn fotografiespullen? Ik wil graag mijn DSLR meenemen, maar weet dat hij veel plek in beslag neemt, en ik ter plekke toch voor de G11 kies omdat die handzamer is. Maar mijn statief? Als proef knoop ik hem op de zijkant van mijn backpack, zoals je met wandelstokken doet. Hij past prima en zit stevig vast. Die blijft. Nu het reflectiescherm. Waar ik het ga gebruiken weet ik niet, maar dat ik het ga missen als ik het niet meeneem, weet ik zeker. Nadat ik alle zeer onmisbare spullen in de tas heb gepropt, schuif ik het ronde scherm als een grote pannenkoek in het meshvak voorop de tas. Het past nauwelijks en rekt het vak op, maar toe maar.

Om kwart over acht ben ik zo goed als klaar. Tandenpoetsen, stekkers eruit trekken, laatste rondje door het huis… de poezen vinden het allemaal wel best. Onrustig drentel ik nog wat rond: ik ben te vroeg. Een stemmetje in mijn hoofd gniffelt vergenoegd: dit is je nieuwe leven, Heidi! Te vroeg zijn wordt gewoonte! Wen er maar aan!

Om tien voor negen wandel ik dan echt weg van huis. In de frisse ochtendzon volg ik de Kottendijk en de Deurningerstraat tot aan het Stadskantoor. Ik pin nog even twintig euro, want daar in het buitenland weet je het maar nooit. Zodra je ‘EC-Karte’ zegt beginnen sommige kassadames al te rillen, pinautomaten houden er abrupt mee op. Duitsland…

Om tien over negen sta ik dan op het station, in de kou. De Appie is gelukkig al open en ik bemachtig een dubbele espresso een een Lion. Zo, de eerste luxe-uitgaaf voor deze mini-vakantie zit erop. Ik zet me nog even aan de piano, maar die blijkt inmiddels onbespeelbaar. Meer dan de helft van de toetsen is geluidloos en gammel. Jammer. Gelukkig rolt daar al gauw het Duitse boemeltje binnen en kan ik lekker warm zitten. We vertrekken.

Onderweg kan ik gelukkig wat dingen doen die ik gepland had, zoals voor Pro Deo Instagrammetjes posten van onze laatste wedstrijd. Ik heb dan wel gepresenteerd, ook kon ik vanaf mijn zitplaats een paar rake actiefoto’s schieten. Die gaan nu het internet op om bewonderd te worden door onze wijd verbreide horde improv-volgers.

We rollen na een uurtje binnen op Münster. Met een kleine overstap moet ik door naar Hamm. In het verwarmde wachtlokaal liggen dronken mannen te slapen. Verfrommelde kranten en een versplinterde drankfles aan hun voeten. Iedereen staat eromheen, omdat het warm houden belangrijker is dan wegblijven van twee zo ongevaarlijke sukkels. Op dit uur zie ik sowieso al jongeren met trays bier de trein uit stommelen. Duitsland…

Mijn treintje rolt binnen. Wederom een boemeltje. Op Hamm heb ik een klein uur om een broodje te eten en nog een koffie te drinken. De Backstube is beschut, maar nog steeds ijzig koud. Ik doe een duur plasje voor een euro, vergeet mijn voucher voor vijftig cent korting op iets dat ik toch niet ga halen, en ga naar mijn perron. Daar is de eerste IC van vandaag. Eindelijk een trein die opschiet.

Ik ga in het zonnetje staan wachten bij het juiste compartiment, volgens het rijtuigenbord. Helaas, de trein rijdt achterstevoren binnen. Ik stap in bij wagon 10 en ik moet bij wagon 7 zijn. Sputterend loop ik de trein door. In wagon 7, direct na de deuren, tref ik mijn stoel aan. Maar het bankstel is bezet, door een meisje en haar moeder. Ik merk kort maar direct op, dat ik deze stoel echt gereserveerd heb – of ze zich willen verplaatsen? Het tweetal sputtert naar mij, want ze zaten riant onderuit met snacks en boeken. Ik wacht rustig op het balkon tot ze helemaal verkast zijn, dan ga ik zitten. Twee nuffige dames aan de overzijde van het pad maken opmerkingen over het al dan niet reserveren van een stoel op de zondagmiddag – terwijl de hele trein leeg is! Pech, ik heb gereserveerd, verzucht ik. Ik kan eindelijk verder in mijn boek, terwijl mijn telefoon oplaadt.

Deze trein stopt op Altenbeken, een station dat ik al jaren in mijn reisboekjes aanmerk als ‘erg mooi’. Hoewel het nu kaal en bewolkt is, is het nog steeds een prachtig landschap. Er liggen leuke AirBnB’s, maar daar ga ik nu niet heen. Na nog een half uur zijn we bij station Kassel-Wilhelmshöhe. Enig vooronderzoek op internet heeft me geleerd waarom het station niet simpelweg Kassel Hauptbahnhof heet: dat station bestaat, en dat is dit niet.

Kassel Wilhelmshöhe is het enige station in Duitsland, dat niet in het stadscentrum ligt, maar net ernaast. Het ligt zelf heel mooi op de route van noord naar zuid en vice versa. Hauptbahnhof is gewoon een kopstation dat daar net hemelsbreed een paar kilometer vanaf ligt, zoals Den Haag Centraal en Den Haag Hollands Spoor. Het station wordt ruim vantevoren aangekondigd. Nog zeker vijf volle minuten rijden we over eindeloze rangeerterreinen, tussen grauwe muren door, naar waar dan echt het station is, waar het mensen toevertrouwd wordt om uit de trein te stappen en zichzelf te redden.

Vanaf het perron loop ik een paar betonnen trappen op en sta op een kil parkeerdek. Waar is de tram nou? Ik besluit het dek maar over te steken, naar een betonnen gebouw met schuifdeuren – iets wat op een misplaatste vertrekhal lijkt. Binnen strekt zich voor mij een meterslang stelsel van rolbanen en lange betonnen trappen uit. Ik moet naar de overkant van de winderige hal, waar kioskjes zijn – en waar het ook zelfs een beetje zonniger lijkt.

Gelukkig, daar vertrekken trams, en uiteraard ook nummer vier, want dat heb ik uitgezocht. Ik koop nog even een doosje Schogetten bij een kioskje en praat met de verkoopster. Ik maak een opmerking over chocola uit Finland en ze vraagt of ik daar vandaan kom. Op mijn antwoord begint ze te mijmeren over Nederland. Ach, in Rotterdam, daar had ze een man. Maar het was zo ver, hè. Dat beaam ik. Ik zit nu al uren in de trein. En op verjaardagen kon ze niemand verstaan. Nee, zegt ze, die relatie hield geen stand. Ik snap het ergens wel. Ik wens haar een fijne dag en ik vertrek naar mijn tram.

Nee, eerst een kaartje kopen. Vijf euro zeventig voor een uurtje trammen naar Helsa. Het kaartjesautomaat slikt mijn twintigje niet. Mijn pinpas wil hij al helemaal niet hebben. Beteuterd probeer ik nog een ander automaat. Ook dat niet. De tram rolt binnen. Dan daar maar. Ook in de tram werken geen van beide betaalmiddelen. Ik besluit dit stuk maar zwart te reizen. Met mijn reusachtige tas naast me zet ik me op een bankje. In het centrum en in voorstadjes wordt het soms even wat drukker en zie ik mensen narrig naar mijn tas kijken, die wel één zitplaats in beslag neemt. Maar wat zou het.

We suizen door Kaufungen, langs de Papierfabrik, waar een complete wijk en station naar genoemd zijn, en langs de mij onbekende DRK-Klinik. Dat klinkt altijd wat eng, in het Duits – alsof je langs Den Dolder rijdt, maar dan nog in oude tijden. Waar schuimbekkende lieden je met grote holle ogen aanstaren vanuit het bos rondom de kliniek, waar losgeslagen dwangbuispatiënten zich in een vlaag van roekeloosheid tegen de tram aangooien, teneinde te ontsnappen aan de lugubere praktijken die zich hier bij dit sanatorium afspelen. Het is rustig, we rijden door.

Stipt om half vier bereiken we Helsa. Waar zou de auto staan, die me ophaalt?

Na wat heen- en weer-wandelen over de parkeerplaats rolt een auto die aan de beschrijving voldoet voor mijn neus langs. De bestuurster zwaait vrolijk. Ik leg mijn rugzak achterin en stap in. ‘Ik moest mijn kindje meenemen, en ze sliep nog’ lacht de vrouw, genaamd Sylvia, hartelijk. Op de achterbank zit inderdaad een vrolijke peuter in haar kinderstoeltje. Ze is nu wel wakker en kraait allerlei vrolijke dingen. Sylvia leert haar gauw mijn naam zeggen. We praten wat terwijl ze de auto terug het dorp uit stuurt, de smalle vallei in.

De verharde weg gaat al snel over in een bospad dat glad is van het opgevroren ijs. De auto weet zich er gelukkig wel raad mee. Rustig rollen we de heuvel op, langs een driesprong, verder naar boven. Na enkele kronkels tussen de steile hellingen door staan we stil bij een carport. Op de linkerflank van de vallei niets dan bomen, en een enkele houtschuur. Aan de rechterkant, in de zon gelegen, bevinden zich allemaal kleine bungalowtjes. Sylvia pakt haar dochter op de arm, trekt mijn tas uit de auto, en we lopen een steile natuurstenen trap op naar één van de huisjes.

Het is, ondanks de foto’s die ik heb gezien, toch anders dan ik had verwacht. Mijn roodhouten bungalowtje ligt direct naast het huis van de eigenaren, maar de ramen zijn zo geplaatst dat we bij elkaar niet naar binnen kijken. Sylvia gaat me voor in het huisje en laat me zien hoe de houtkachel werkt. De peuter staat erbij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dan vertrekt het tweetal en ben ik alleen in mijn huisje. Joepie!

Ik weet dat ik veel mee heb, en dat het geen zin heeft om keurig ingepakt te blijven. In een mum van tijd is mijn tas geëxplodeerd tot er alleen nog wat noodartikelen in liggen, en liggen alle andere spullen op stapeltjes in het huis. Ik wil geen dingen zomaar ergens neerleggen, omdat er dan kans is dat ik ze niet meer mee terugneem. Maar vier dagen leven uit mijn rugzak is in dit geval ook helemaal onmogelijk.

Ik lummel, hang op de bank, kook mijn meegebrachte pasta met restje hummus en schijfjes champignons (kliekjesdag!). Tegen de schemering waag ik me nog naar buiten – met hoofdlamp, zonder spikes. Dat is een lastig tochtje dieper de vallei in: ook al zie ik door de hoofdlamp het gladde ijs op de weg, mijn voeten vinden geen grip. Morgen maar met de spikes op pad, goed dat ik die mee heb genomen!

Jonathan is inmiddels thuisgekomen en informeert via een berichtje of alles okee is. Ik bevestig dat. Hij komt nog even langslopen en ik vraag of ik morgen kan fietsen of mee kan rijden naar het dorp om wat proviand te halen. Hij wil me met plezier een fiets lenen – de auto ook wel (dat sla ik af, met het eerlijke antwoord dat ik al veel te lang niet gereden heb) – maar ik mag morgenvroeg ook met Sylvia meerijden? Dat vind ik een goed plan. 8:15 zal ze hun kindje naar de crèche tegenover de supermarkt brengen, dus ik zal klaarstaan. Hij vraagt me of ik dat écht wil. Ja! Dan maar een ochtendje vroeg opstaan hoor, dan heb ik daarna wel ontbijt! Eten is mijn enige grote zorg nu voor de komende dagen.

Ik hang nog wat in de woonkamer, surf wat op internet (prima verbinding – niet snel, maar wel steady) en lees boeken. Ik vergaap me aan de prachtige sterrenhemel die je vanaf de veranda kan zien.

Bij het slapengaan overkomt me nog iets grappigs. Ik lig in een slaapkamertje dat net genoeg is voor een smal tweepersoonsbed, met aan één zijde een kastenwand met spiegels. Ik verwacht een nacht in toenemende kou (de houtkachel zal uitgaan en alles zal afkoelen), dus trek ik mijn merino legging en kasjmieren trui aan. Maar wat blijkt: het dekbed heeft een wollen vulling! Zodra ik het licht uitdoe en me omdraai begint mijn dekbed opeens aan de onderkant op te lichten. In de spiegels zie ik het ook. Wat is dit? Een dekbed met led-lichtjes erin, dat reageert op beweging? Er liggen wel meer ledlichtjes in huis, maar dit…?

Dan daalt het besef op me neer. Het zijn vonkjes die ontstaan tussen mijn wollen pyjama en het bed! Wat apart! Ik kan er gelukkig wel rustig bij slapen, want van afgezien van het geknetter voel je er niets van.

maandag

Ik sta zoals beloofd vroeg op. Om zes of zeven uur staat Jonathan al sneeuw te ruimen tot aan mijn voordeur – en dat betekent ook onder mijn slaapkamerraam. Ik vind het prima. Om kwart voor acht ben ik wakker en aangekleed, brandt de houtkachel nog zachtjes, en ben ik klaar voor vertrek.

Ik wandel naar buiten – het heeft zachtjes gesneeuwd vannacht, hoe mooi is het! De poedersneeuw ligt overal, en stuift van de kale takken zodra er een zuchtje wind door de bomen waait. Ik verifieer even of Sylvia niet al beneden staat te wachten – nee – dan loop ik weer de trappetjes op en sta wat stil in de tuin, in de dwarrelende sneeuw. Ik kan het hele valleitje doorkijken, met overal houten tuinhuisjes en schuurtjes. Het is zo lief en rustgevend, vooral met die laagjes witte sneeuw overal. Terwijl ik zo – haast meditatief – de ochtendlucht sta in te ademen zie ik Sylvia met de kleine aan de hand het huis uit komen. ‘Heidi! Heidi!’ roept het dochtertje. Wat lief!

We stappen in de auto en rollen weer behoedzaam naar beneden. Sylvia wijst me aan dat alles hier in dit dorp praktisch bij elkaar zit. Ze parkeert bij de supermarkt en steekt met haar kindje de straat over naar de crèche. Zij zal ook even wat boodschappen doen en dan zien we elkaar bij de auto weer. Prima dit. Ik shop een mandje vol met lekkers voor de komende drie dagen, en dan staan we tegelijk weer buiten. Kletsend rijden we terug naar de huisjes. Sylvia werkt doordeweeks vanuit huis, als ze niet op op pad is voor haar werk. Ik hoop dat ik haar internetverbinding niet kill zeg.

Zo, tijd om de kachel weer op te stoken. De sneeuw dwarrelt lustig naar beneden, de lucht is grauw, maar lijkt open te trekken. Binnen in mijn bungalow is het heerlijk warm. Ik lees boeken, zing mee met alle nummers die ik op mijn nas thuis kan vinden (streaming gaat prima!), doe de afwas, slurp chocolademelk en koffie met slagroom. Zo nu en dan maak ik een foto van het uitzicht en kijk wat er op Instagram allemaal gebeurt. In Nederland is het ook koud, valt me op. Nouja, hier geen boodschap aan.

Tegen elven klaart het op, dus ga ik lekker wandelen. Ik neem dit keer de spikes wel mee en doe ze gelijk onderaan bij de carport om mijn schoenen. Zonder die dingen kwam ik hier echt geen meter weg. Ik loop nu het pad door de vallei af, naar het dorp. Bij de splitsing (die Gabelung) kies ik het pad rechts omhoog. Niet alleen is daar nu het meeste zon, ook leidt dat me denk ik boven het centrum langs, en dat geeft me mooi uitzicht. Na een aantal meters flink omhoog, met fijn uitzicht het dal in, bereik ik kering in het pad. Ik besluit rechtdoor te gaan. Er volgt een ruiterpad naar links. Dat wil ik nog niet nemen. Ik wandel nog een stuk verder. Helaas. Daar ligt een fikse boom dwars over het pad. Na enkele grappige foto’s van mij met de wegversperring keer ik maar om. Ik neem toch het ruiterpad naar beneden en beland zo in de buitenwijkjes van het dorp.

Daar stuit ik op de noordzijde van de Fröbelstrasse. Ha! Die moest ik nog hebben. Het is wat moeilijk om hier met het straatnaambordje op de foto te gaan, want er staat een auto voor geparkeerd, en het lijkt erop dat de eigenaresse net een paar meter verderop haar stoep staat schoon te maken. Het is onduidelijk dat ik mezelf met het bordje aan het fotograferen ben, en dus moet het wel zo lijken alsof ik op haar auto uit ben. Yeah. Plausibel.

Ik wandel de weg af naar beneden en kom precies bij de supermarkt uit. Ik heb alles al; ik hoef er niet nog eens heen. Ik loop naar rechts, de doorgaande weg verder af, tot ik een bordje met ‘Helsa – ortsmitte’ zie staan. Dat volg ik. Inderdaad kom ik in de dorpskern uit: een netwerk van kleine keienstraatjes met rijen scheve vakwerkhuisjes. Het is prachtig en lief. Je zou hier zo een film kunnen opnemen, als je de auto’s en de verkeersborden wegdenkt.

Ik ben nu benieuwd of ik ook het tweedehandswinkeltje vinden kan. Ik steek de straat over en zie het daadwerkelijk liggen. Leuk. Omdat zo’n eigenaresse toch waarschijnlijk zit te wachten op klandizie stap ik goed gemutst binnen. Inderdaad. Ze vindt het leuk dat er iemand is, en verontschuldigt zich voor de rommeltjes in haar winkel. Ik vind het prachtig. Wel moet ik vrijwel gelijk weer vertrekken, want het is half twee en zij moet haar kind van school halen. Dus gaat de winkel een uurtje dicht. Ik ga daar niet op wachten, dus ik maak een snel praatje met haar, bedank haar en ga weer op weg.

Bijna loop ik pardoes het dorp uit, naar het volgende dorp – maar ik weet nog net terug te keren. Terug naar het huisje dan maar. Ik behoef geen kaart – ik weet waar ik ben. Rustig loop ik weer door de woonwijkjes terug, en trek mijn spikes weer aan zodra ik de besneeuwde vallei bereik. Enkele meters het bos in kruist een vos vlug mijn pad. Wat mooi. Bij het huisje gekomen staat Sylvia de stenen trap sneeuwvrij te maken. Ik groet haar en wandel door naar mijn voordeur. Ha, daar is de kat weer.

Ik houd mijn warme kleren aan en maak het me gemakkelijk op de zitzak buiten. De kat komt bij me zitten. Het is nog niet heel aangenaam in de zon, dus ik ga maar weer naar binnen. De kat komt onder mijn raam zitten. Hij kan wel tegen de kou, en als ik hem even naar binnen doe, is hij erg ontdaan. Ik laat hem gelijk door de voordeur het huisje weer verlaten. Daarna blijft hij op de veranda zitten, zich wel bewust van mijn aanwezigheid.

Mijn lummeldag gaat weer verder. Ik post foto’s, lees, internet, maak mijn avondeten klaar, drink een biertje, chat met mensen. Regel wat voor Pro Deo. Het kan allemaal, maar er is zo veel tijd, en zo weinig dat hoeft. Heerlijk. En dan het uitzicht. Even naar buiten kijken en je weet weer, waarom wonen in de bergen (dit zijn heuvels, soit) zo machtig mooi is.

Volgens de weersaanduiding moet het ’s avonds nog helder worden, maar dat doet het niet. De maan laat zich vluchtig even zien, tussen dikke plukken wolken door. Ik ben verkleumd en wil niet wachten op die kortstondige momenten, dat ik even het dal kan fotograferen. Ook is er door al die bewolking geen ster aan de hemel te zien. Nee, ik pak mijn statief en camera op, en ga naar binnen. Lekker onder de wol.

dinsdag

De tweede dag mag ik lekker uitslapen. Dat klinkt als een zegen, maar in realiteit ben ik gewoon weer om acht uur wakker. Ik kom rustig uit bed, merk hoe koud het is in de woonkamer, en stook maar gelijk de houtkachel op.

Ontbijt maken, naar buiten kijken… het is prachtig mooi zonnig deze ochtend. Gisternacht heeft het, met al die bewolking, zelfs nog wat gesneeuwd. Op de tuintafel ligt een wollig dik pak, en overal in het dal zijn alle plukken en vlakken ook aangedikt. De schoorsteentjes van alle bungalows roken dat het een lieve lust is.

Volgens het weerbericht wordt het vanmiddag bewolkt, dus ga ik aan het eind van de ochtend wandelen. Weer ga ik het pad af, de vallei uit, maar ditmaal ga ik bij die Gabelung links. Ook hier voert de weg weer omhoog, maar dan linksom, boven een andere buitenwijk van het dorp langs. Ik zie de vossensporen van gisteren. Hoewel er nieuwe sneeuw is gevallen zijn ze nog goed te zien. Bovenaan in de bocht houd ik stil en fotografeer het dorp. Het is een prachtig plaatje, al zeg ik het zelf.

Ik loop een eind parallel aan de wijk, bovenlangs, tot er een afslag naar links komt. Dat lijkt me leuk: dan kom ik waarschijnlijk achter mijn huisje terecht. Ik volg het pad – dat eigenlijk gewoon een diep trekkerspoor is – het bos in. Al gauw stuit ik weer op vossen- en reeënsporen. Ze zijn nog erg vers. Ik zie geen diertjes, maar dat kan ook omdat mijn voetstappen best wel wat geluid maken en ik natuurlijk allang geroken en gezien ben.

Het duurt niet lang of ik tref de eerste omgevallen boom aan. Hoe groot ze hier ook zijn: ze liggen over het bospad als omgeknakte lucifershoutjes. Voorzichtig stap ik eroverheen. In de trekkersporen moet ik ook telkens opletten, of ik niet op een klein ijsplasje sta. Die zijn ondiep, maar kunnen breken als ik er te hard op stap, en dan sta ik tot aan mijn enkel in het ijswater. Niet de bedoeling, dus ik ben voorzichtig.

Even verderop vind ik de tweede, en de derde omgevallen boom. Om mij heen is het ook niet bepaald rustig. Links en rechts zuchten en kraken hoge naaldbomen, terwijl het vrijwel windstil is. Het besef daalt bij me dat ik misschien wat op mijn hoede moet zijn voor vallende stammen, en in het vervelendste geval wel recht op mijn hoofd.

Desalniettemin loop ik door. Onder het eerste geknakte gevaarte kan ik doorlopen. Hij ligt stabiel. De tweede horde neem ik door eroverheen te klimmen. Even strijken de takken met hun naalden in mijn gezicht, dan ben ik eroverheen. Mijn outdoorbroek houdt het goed in de sneeuw. Mijn schoenen blijven droog, mijn voeten warm. Het is nog steeds een heerlijke dag: zonnig, windstil. Alleen al die schuinhangende bomen om me heen, dat is toch wat.

Nu ik de lastige hordes gehad heb ga ik toch eens stilstaan om te kijken, wat de stand van zaken om mij heen is. En dat is niet best. Dicht bij mij, zowel als verderop, zijn hoge slanke naaldbomen in hun val blijven hangen op andere hoge naaldbomen. Overal hoor je licht gekraak om je heen. De bomen lijken net wel, dan weer net niet te vallen. De hoge boomkruinen ondersteunen elkaar maar net. Een harde windvlaag en de boom zal doorvallen naar de grond. Loop ik dan ook gevaar? Ik overdenk de kansen. Wat als de boom in zijn val een ander omduwt, op mij af? Hoor ik dat? Heb ik een idee waar hij terecht gaat komen? Ben ik snel genoeg weg, op deze hobbelige uitgesleten paden?

Ik sta zo een tijdje te kijken en te denken, en concludeer dat er in al die tijd nog geen boom omgedonderd is. Geen direct gevaar dus, en ik heb het hier ook wel weer zo’n beetje gezien. Kom, verder het pad af, en zien of ik bij de achterkant van mijn bungalow komen kan. Dat lukt. Eerst sta ik bij de buren in de achtertuin. Ik stuit op een kruiwagenspoor en een verdekt opgesteld houtopslagje. Ze zijn vast niet blij dat ik hier in hun achtertuin sta. Verder maar.

Bij het huis van mijn naaste buren ben ik inmiddels duidelijk zichtbaar op het pad achter de huisjes langs. Hun hond slaat aan, ik loop maar vlug door en ga niet raar naar binnen staan kijken. Ik bereik het tuinpoortje van mijn huisje. Er hangen wat waarschuwingsbordjes op maar ja – ik huur dit. Ik mag ze negeren. Dus loop ik rustig het tuinpaadje af, naar mijn voordeur. Zo, ik ben weer thuis. Vroeger dan gedacht, maar wel avontuurlijk.

Ook nu houd ik mijn warme jas nog even aan, en pak er een kuipstoeltje bij op de veranda. Boek erbij, kop dampende chocolademelk met slagroom: heerlijk. De kat, Onkel Sven, komt al snel aanlopen. Ik gun hem een plekje op de zitzak, en zo zitten we in het middagzonnetje. Ik kan mijn boek lezen met mijn handschoenen aan. Ik lig een goed uurtje te lezen en te soezen, tot er weer een frisse wind opsteekt en ik toch wel naar binnen wil.

Goed, dan daar verder met lezen, schilderen, zingen en wat doelloos internetten. Tegen het avonduur kook ik weer pasta. Het is, zoals alle andere avonden, zo van het ene op het andere moment donker. De schemer duurt hooguit een kwartiertje. Daarin heb ik wel een paar prachtige foto’s van het dal en de verlichte huisjes gemaakt.

Voor het avondeten bel ik nog even aan bij mijn huiseigenaren. Er brandt licht, maar er wordt niet opengedaan. Via Airbnb communiceer ik met Sylvia. Gek. Dan zie ik Jonathan met de kleine thuiskomen. Hij vraagt me later even terug te komen, als hij hun dochtertje op bed heeft gelegd. Prima. Ik maak avondeten, en met een uurtje loop ik nogmaals naar het huis. De voordeur vinden is wat lastig – het huis heeft vier deuren aan drie kanten, en een bel zit bij geen van alle. Als ik bij een deur aanklop hoor ik Jonathan roepen, en hij komt met z’n dochtertje naar de deur. Het meisje wil nog lang niet slapen. Wandelend door het huis bedank ik hem even voor het verblijf en laat ik weten, dat ik morgen zelf naar het station zal lopen. Ze zijn namelijk beide weg voor werk. Het is prima zo. Ik verlaat het huis weer via de achterdeur, die dicht bij mijn voordeur ligt.

Als de nacht is gevallen ga ik nogmaals met mijn statief naar buiten. Dik ingepakt zet ik me op een kussen op het balkon en maak foto’s met een lange sluitertijd. Orion staat recht in zicht aan de hemel. De maan zorgt voor hinderlijke ruis, maar die kan ik goed buiten beeld houden. Hoe zal dit in de zomer zijn? Ik wil hier zeker terugkomen. Na de laatste foto zit ik nog een tijdje naar de prachtige nachtlucht te staren. Dan vernikkel ik echt, en is de kachel in huis ook redelijk opgebrand tot as.

Ik gooi nieuwe blokken in de kachel, nog voor eventjes, en trek mijn Jacobinus Schwarzbier open. Ik zet me op de bank en lees nog een eind weg in Harry Potter and the Methods of Rationality. De haard gaat, na deze blokken, keurig op tijd uit, en ik ga naar bed.

woensdag

De laatste ochtend breekt aan. Het is rond acht uur als ik mijn bed maar eens uit kom. Vooruitzicht: ongeveer om 14:00 moet ik in Kassel mijn trein hebben. Dat lukt gemakkelijk.

Ik bak mijn laatste eitjes, maak koffie. Terwijl ik mijn ontbijt opeet zit ik nog even aan mijn computer en kijk naar buiten. Wat heerlijk is het hier, en wat ga ik dit stekje missen – nu al. Maar wat zal het mooi zijn als ik terugkom! Terwijl ik het laatste afwasje doe maak ik nog foto’s het heerlijke uitzicht op de vallei vanuit het keukenraam.

Langzaam haal ik mijn rugzak van het bed – check achter het bed – niets – en leg hem op de bank in de woonkamer. Er ontstaat eerst chaos rond de tas, te meer ook omdat ik het idee heb dat alles er toch niet gemakkelijk in terug zal gaan. Niets is minder waar.

Voor mijn reflectiescherm – ongebruikt, helaas – wil ik een betere plek vinden. Ik leg hem in mijn schoenenvak, tegen de onderkant van de tasbodem. Daar past hij precies. Mooi, nu zien hoe de rest niet meer uitkomt.

Gestaag pak ik door, onderwijl alle hoeken van het huis afgaand om te controleren of ik daar niets heb laten liggen. Adapters, tassen, badspullen – alles gaat erin. Als ik de buik van de tas dichtrits, hoef ik nog maar een paar dingen, en dan mijn toilettas. Gemakkelijk, zo.

Ik ben om tien voor elf klaar, trek mijn schoenen aan, en wil de deur uit lopen. Laatste check: lag er niet nog een tube tomatenpasta in de koelkast? Ik zwaai de deur open en vind er tot mijn schrik zelfs een hele pan koude pasta! Ojee, die moet nog op. Voordeel dan maar dat ik ook nog honger had. Ik pak een vork en eet behendig de koude pasta zo uit de pan. Het smaakt goed, en het vult!

Dan was ik de pan en de vork af en zet ook die weer terug in het kastje. Zo, nu geen verstekelingen meer op de halve tube tomatensaus (zeventig cent thuis, mogen ze houden) en het halve pak melk. Dat ik geen half pak melk mee ga sjouwen is uiteraard nicht im Frage.

Eindelijk wandel ik nu het huis uit. De kachel was een uur geleden al tot kooltjes opgebrand, een half mandje hout staat klaar. Dat redt zich wel.

Op het tuinpad klak ik nog met mijn tong, maar Onkel Sven komt niet tevoorschijn. Tot ziens dan maar weer, kat, we zien elkaar vast in de zomer wel weer.

Zodra ik beneden bij de weg ben, trek ik mijn spikes over mijn schoenen. Dat is best even wiebelen met een twaalf kilo aan backpack op je rug. Gelukkig heb ik de staanders van de carport.

Ik ga op weg. Er ligt fris gevallen sneeuw, het is licht zonnig, niet te koud. Ik draag ook mijn thermokleding, dus ik heb al dagen nergens last van. Goed geluimd loop ik naar die Gabelung en dan kies ik het middelste pad, dat naar beneden loopt. Mijn tas is geheel niet zwaar op mijn rug. Ik heb goede grip op de dik besneeuwde paadjes.

Dan kom ik bij het uiteinde van de Mozartstrasse. Daar is zo goed geruimd, dat mijn spikes direct krassen op het asfalt. Uit dan maar, anders slijten ze te hard. Ik loop verder via de Uhlandstrasse naar de Pestalozzistrasse, waar om onbekende redenen niet geruimd is. De spikes maar weer aan dan. Ik ga over op de Schulstrasse en loop zo naar beneden. Het zijn allemaal maar stukjes van vijf minuten elk.

Bij de Edeka sluit ik direct aan in de rij bij de kassa. Het is inmiddels twintig over elf. Ik vraag of ik geld mag wisselen. De kassadame knort en kijkt zuur. ‘Dat kan toch niet! Ik heb hier geen contant geld’ sputtert ze. Ohnee, dit is mijn enige kans. ‘Aber bitte!’ roep ik uit. Daarvoor gaat ze overstag. Ze loopt naar de kassa van het Postamt op de hoek van haar balie, en begint briefjes en munten voor me te zoeken. ‘Wat wil je?’ terwijl ze mij het benodigde kleingeld geeft leg ik haar in bewonderenswaardig Duits goed en snel uit dat ik op de heenweg zwart moest rijden, omdat alle automaten mijn Nederlandse briefjes en EC-Karte niet aannemen. Ik ben verbluft dat, onder stress, dat allemaal er piekfijn uit komt, als ware het een gsprek tussen twee locals.

Ik bedank de vrouw hartelijk, zij gaat weer aan haar werk, en ik ga richting Bahnhof. Of ja, waar ligt dat eigenlijk? Achter het dorp, dacht ik. In mijn strakke wandelplanning, die mij in de tram ziet zitten om tweeënveertig over elf, had ik niet meegenomen dat ik de exacte locatie van het stationnetje niet weet. Maar! Bij mijn wandeling eergisteren kwam ik langs dat paaltje waarop ‘Ortsmitte’ stond. En daarop stond volgens mij ook ‘Tramstation’.

Ik loop naar het paaltje en inderdaad, er is een richtingaanwijzer voor ‘Helsa Bahnhof’. Immer gerade Maus dan maar. Ik stap over de keitjes door het dorp. In het zonnetje vegen mensen hun stoepjes schoon en ze groeten me. Haastig loop ik door, richting het tweedehandswinkeltje. De dorpsstraat splitst zich. Links? Rechts? Te laat zie ik aan de linkerkant een wegmarkering op een paal staan. Ik ga rechts en steek de hoofdweg over.

Dan, aan de overkant, zie ik een bordje tussen twee huizen. ‘Wanderweg 16’ – die gaat naar het Tramstation. Ik glip tussen de huizen door, langs een oude houten watermolen, een steil bruggetje over – en dan sta ik opeens één huis verwijderd van de tram. Ik ben geweldig! Gesterkt door deze vondst loop ik harder door. Ik kan gemakkelijk om het gebouw heen, de straat over, en zo het perronnetje op. 7 minuten voordat de tram vertrekt zit ik erin. Hoe doe ik het toch telkens weer!

Terwijl mijn moeder en zus me driftig appen over mijn reis vertrekken we. Rustig glijden alle besneeuwde voorstadjes weer aan ons voorbij. Jongeren en ouderen stappen in, kwebbelen met elkaar, stappen uit. We bereiken het centrum. Hier moet ik even opletten.

Ik wil namelijk nog naar een specifieke locatie van de Universitätsbibliothek van Kassel. Wat? Heidi, dat ook nog? Ja. Het ligt op de route so why not? Ha, daar is de tramstop ‘Rathaus’. Nee, mis. Ik moet ‘Rathaus – Fünffenster’ hebben. Eentje verder dan. Ik ben toch al een hele vertoning, zo met een joekel van een backpack in deze tram.

Ik zie gelijk waar ik heen moet lopen. Kruispunt over, achter twee huizen… jawel. Daar ligt de Murhardsche Bibliothek – een oud, statig gebouw dat een boel boeken herbergt. Maar! Uiteraard, het staat in de steigers. Daar laat ik me niet door tegenhouden. Volgens de website is het open. Ik loop de trappen op en werk me fluisterzacht door de hoge deuren.

Binnen nog wat trappen op. Er is een ruim open foyer met aan weerszijden lockers. Ik probeer tevergeefs mijn tas erin te zetten. Niet alleen geeft dat een storend gekleng van jewelste, ook zal de bibliothecaresse daar niet heel blij mee zijn. Ik loop dus maar even over naar haar balie en zeg wat ik kom doen.

Gelukkig, ze is gelijk enthousiast. Mijn tas mag in een hoek achter de deur. Ze wijst me aan waar ik allemaal mag komen. Blij stiefel ik weg. Gelijk verzacht ik mijn pas, want de vloeren kraken verschrikkelijk, en mijn bergschoenen zijn nou eenmaal niet de meest elegante. Zal ik teruggaan voor mijn hutsloffen? Nah.

Zachtjes loop ik alle kamers door. Het zijn kamers – met prachtig omlijste hoge ramen, zware fluwelen gordijnen. Aan het plafond ornamenten, en rozetten rond elke lamp. Oh, als ze deze bibliotheek verbouwen, hoop ik dat ze het in stijl doen. Ik blijf met name een tijdje stilstaan in een studiekamer waar langs de wanden allemaal middeleeuwse boeken staan. Kleine, grote. Dingen die ik herken als bijbelboeken, sommige met Hebreeuwse tekens erop. Minutueus bestudeer ik de kaften van deze pareltjes. Ze lijken van wit leer of perkament. Alle boeken staan achter glas uiteraard.

Dan loop ik door, naar de wat gangbaardere ruimtes van de bieb. In een halfronde zaal zitten jongeren te studeren. Ik stoor ze maar niet, al had ik graag even aan die kant uit het raam gekeken. Dan loop ik andere zalen door, vind het trappenhuis, en kijk wat er een verdieping beneden is: niets. Die deur is alleen voor medewerkers. Ik ga dus maar naar boven. Ik raak een beetje verdwaald, maar andere bezoekers wijzen me de weg. Ik kom nog in een portaaltje met houten kaartenbakjes, en een grote zaal boven de ingang, waar helaas tapijt ligt, en ook niet alle kasten lijken te staan. De kasten zijn sowieso van het type rolbaar staal, dus het staat niet heel mooi in deze bibliotheek. Ik hoop echt dat ze het mooi renoveren.

Ondanks de grootte van de bibliotheek heb ik nu toch al alle ruimtes gezien, vrees ik. Ik keer terug naar de hal en maak nog een praatje met de medewerkster. Ze hebben leuke ansichtkaartjes met geschriften uit boeken, en twaalf kaartjes voor alle sterrenbeelden van de dierenriem. Het gekke is dat de Stier volledig bij april hoort, waar hij bij ons tegenwoordig half april, half mei beslaat. Ik moet nog eens opzoeken hoe dat verschoven is.

Zo, rugtas weer op de rug, en lopen maar weer. Het is tien over één. Nog twintig minuutjes met een tram en dan ben ik op Kassel Wilhelmshöhe.

Ik begeef me op straat tussen de buitelende scholieren en kwekkende studentes. Als een zwerm sprinten we het kruispunt over wanneer het licht groen wordt, en ik weet nog net tram vijf te halen, die ook naar bahnhof Wilhelmshöhe gaat.

Hij gaat wel eerst langs het Hauptbahnhof, wat dezelfde bouwstijl heeft, en wat het dus wat verwarrend maakt. We suizen met ons trammetje over het rangeerterrein van het ene station naar het andere. Het is verlaten – we worden gelukkig niet op de hielen gezeten door grote snelle IC’s.

Dan zijn we op mijn eindbestemming. Zo. Nog even wachten op mijn trein, waarbij ik wat presentjes koop. Temeer eigenlijk om in het warme winkeltje te kunnen staan met een reden. Ik vraag bij de reisinfo of ik ook via Dortmund terug mag reizen. De beambte zet een onduidelijke stempel met wat krabbels op mijn ticket en dan mag het kennelijk. Waarom ik dat wil? Minder overstaps…

Maar als ik eenmaal in de trein zit, tussen een gezellig ouder Duits drietal, dan zie ik dat reizen via Dortmund me een uur overstap geeft, plus een half uur latere aankomst. Ja, doei. Ik stap wel twee keer over.

Dat blijft niet leuk, maar je doet tenminste wat. En zo gebeurt het dat ik via Hamm en Münster mijn laatste kilometers per boemeltje afleg. Op Enschede stap ik op de bus naar Deppenbroek, en stap bij huis uit.

Op mijn route kom ik eerst nog bij het huis van buurman Renze, en die viert vandaag zijn verjaardag. Dus daar naar binnen maar, lekker Chinees eten en een fijne avond hebben met mijnTkkrLab-vrienden. Dan tegen negen uur eindelijk huiswaarts… en gelijk mijn bed in.

Het reisje zit er weer op!