Toscane

2023
23 dagen Vakantie

In het kort

Met Michel naar Toscane, eindelijk eens voor de volle drie weken!

donderdag

Daags voor ons vertrek pak ik zoals gewoonlijk mijn tassen in. De grote duffel staat weer op tafel, een paar nieuwe, grotere packing cubes hebben hun intrede gedaan. Daar gaan maarliefst vijf zomerjurken in. Kleding die op een solotrip bepaald niet mee kan! Ondertussen is het warm in Enschede, dus is het schipperen tussen de zomerse kleren die ik dagelijks draag en die ik schoon wil houden om in te pakken.

De poezen drentelen loom voor mijn voeten. Ze vinden de hitte niet prettig en liggen het liefst op het koele laminaat voor pampus. Nu en dan ben ik gedwongen over ze heen te stappen als ik tussen de kamers heen en weer loop.

Minoes vertoont opmerkelijk gedrag. Ze gaat wel erg vaak liggen. Soms betrap ik haar er zelfs op, om te wankelen. Het is niet consistent; soms loopt ze hele einden recht, elegant als ze is. Maar dan opeens niest ze, of draait ze bij, en houden haar achterpootjes haar niet. Dan ligt ze om, verbaasd, gegêneerd. Snel staat ze weer op en hervat haar poezenloopje. Het baart me zorgen, dus ik plan een bezoek voor haar aan de dierenarts, de dag voor vertrek.

De conclusie is dat Minoes waarschijnlijk artrose heeft, een ouderdomskwaal die onomkeerbaar is. De dierenarts geeft me pijnstiller mee en ik beloof na de vakantieweken met Minoes terug te komen voor een vervolg. Mijn oppas meldt gelukkig dat ze gewend is om poezen medicatie toe te dienen en belooft dat alle weken te doen.

Ondertussen wacht ik ook nog op terugkeer van de loodgieter. Mijn gloednieuwe stortbak loopt door en de man geeft geen thuis. ‘Druk druk, ik kom in de namiddag wel even’ oppert hij, maar hij komt nooit. Het wordt donderdagnamiddag als ik zijn voicemail weer inspreek. ‘Vanavond kan niet meer, ik moet naar een verjaardag’ jammert hij. Ik onderbreek hem in zijn klaagzang van excuses en zeg hem simpel hoe de vork in de steel zit. ‘Kan ik dan bij je oppas langskomen, dan fix ik het even als zij er is’. Dat gaat al helemaal niet gebeuren. Hij veinst moeite en belooft vrijdagochtend om half acht bij mijn deur te staan. Het duurt maar een kwartiertje, daarna kunnen MC en ik gaan. MC laat me weten daar helemaal niet blij mee te zijn, maar ik ga de loodgieter ook niet meer afbellen.

Ik ontvang nog bezoek, pak mijn duffel verder in terwijl de zon haar laatste stralen over mijn achterbalkon schijnt. MC stuurt mij nu en dan een appje. ‘Nog steeds niet ingepakt’ ‘ik kan dit niet vinden’ ‘waar is dat, heb jij dat opgeruimd?’ tegen elven ga ik naar bed. Laat die vertrekdag maar komen.

vrijdag

Tegen half zeven sta ik op. Loop de laatste dingen op mijn paklijst na, maak ontbijt, doe de afwas. Michel meldt zoals verwacht dat hij ‘iets vertraagd’ is. Ik vind het goed.

Half acht. De loodgieter kan nu ieder moment komen. Toch? Wie zou er eerder zijn, hij, of Michel? Het blijkt Michel. Wat er ook met de loodgieter gebeurd is, hij heeft de weg naar mijn huis niet genomen, en laat ook niets van zich horen. We vertrekken.

Michel heeft nog amper plek voor mijn duffel achterin. Er reizen dan ook maarliefst twee mountainbikes mee in zijn stationwagon. Toch vinden we voor alles ruimte. Ik zeg de poezen gedag en daar gaan we op weg.

Als we ongeveer bij Bad Bentheim zijn slaakt Michel een boze kreet. Ik vraag wat er is.
‘Ik ben de vignetten vergeten. Ze liggen nog op tafel.’
‘Hóe dan!’ werp ik tegen. ‘Ik had toch nog gebeld gisteravond? We hadden alles doorlopen? Hoe kan er nog iets op je keukentafel liggen als je alles gecheckt hebt? We gaan terug.’
‘Nee ik ga niet terug.’ zegt Michel, ‘We kopen aan de grens wel nieuwe.’
‘We gaan wél terug! Dáárvoor heb ik ze niet speciaal gekocht! We – gaan – terug!’

Michel mompelt wat norse verwensingen en keert dan bij het volgende klaverblad de auto terug naar Hengelo. Zwijgend rijden we weer terug naar zijn vertrekpunt. Af en toe klinkt er naast me een diepe zucht. Ik houd wijselijk mijn mond.


We stoppen voor de deur. Ik glip naar binnen voor een pipi, Michel pakt de vignetten. Dan springen we weer in de auto. We hebben het eerste kruispunt nog niet bereikt of Michel spreekt weer. ‘Ach, nu staat die hand sanitizer ook nog op tafel.’

‘Ja, die zag ik. Wou je die nog meenemen?’
‘Mwa. Ja.’
‘Hij stonk.’
‘Klopt. Nee, dus.’

Ik houd wederom mijn mond en begrijp, dat onze inpakmethodes gewoon van elkaar verschillen. Wat bij mij op tafel staat, gaat absoluut mee. Als ik het huis verlaat ligt alleen het klembord met de paklijst nog op tafel. Bij Michel werkt dat gewoon anders, en daar heb ik het maar mee te stellen.


Tegen half twee stoppen we bij een Raststätte voor een lunch met espresso en krentenbollen. In het tankstationwinkeltje kijk ik nog even kort naar adapters, waar we de stekker van onze koeltas mee in een stopcontact kunnen steken. Dat is handig als we in Bolzano onze spullen willen blijven koelen. Ik vind niets, dus we gaan weer door.

We rijden zuidoostwaarts richting Füssen, waar we tegen 17:15 aankomen. We nemen de tunnels naar Oostenrijk. Vrijwel gelijk worden we getrakteerd op grijze bewolking en miezerregen. Tussen de hoge alpen door slingeren we verder zuidwaarts. Nu eens achter een slome tankwagen, dan eens achter een pensionado met caravan. Soms kunnen we er voorbij, maar kunnen in karavaan weer achter de volgende sukkelaar aansluiten. En die regen…

Bij Pettnau klaart het op. We drinken nog een espresso en kauwen op onze meegebrachte proviand. Ik laat me fotograferen voor een fresco met een middeleeuws dorpstafereel. Een meisje met een mand aan haar arm blikt guitig naar de kijker. Haar lach is mijn lach. Ik poseer naast haar en laat me vereeuwigen naast mijn zuster uit andere tijden.


Dan naderen we Innsbruck. Gek als het is, dit voelt als thuis. De vorm van de bergen, de blauwe gloed op de hellingen. De steden die er tegenop gegroeid zijn. Dit land is mijn land, al ben ik er niet geboren. Hier haal ik adem, hier hoor ik. Een gevoel dat ik al zo vaak gehad heb, als ik me in deze alpenregionen begeef.

‘Bij Innsbruck rechtsaf’ zeg ik voor me uit tegen Michel. Inderdaad, vlak voor de stad leidt de snelweg ons naar rechts, de zuidelijk gelegen bergen in. We doorkruisen ze met moderne koele tunnels. Dan volgt om 19:30 de Europabrug, de Brennerpas. De vangrail wisselt van lichtgrijs naar roestbruin. We zijn in Italië.

We cruisen met vaart langs de steden die aan het Sarntaler Hufeisen liggen. Zuidwaarts, zuidwaarts. Bolzano verschijnt steeds vaker op de borden. Ik bericht Daniele, onze gastheer. Een trits aan berichtjes maakt me duidelijk hoe we zijn appartement kunnen binnenkomen. Ik informeer nog even hoe we de auto wegzetten zonder een boete te krijgen in de nauwe straatjes van het centrum. In mijn herinnering is de Via Cavour geen plek om lang te stoppen. Daniele stelt me gerust. We kunnen de steeg naast het appartement indraaien en dan eventjes blijven staan terwijl we de sleutels uit de locker halen.


Daniele krijgt gelukkig gelijk. De Via Cavour is breder dan ik me herinnerde, en er stuift niet (meer) zoveel verkeer doorheen. De logge stadsbus is een Mercedes Sprinter geworden, die heel wat makkelijker voorbijsuist en bovendien minder diesel uithoest.

We rollen de auto onze ondergrondse privégarage in en maken het ons gemakkelijk in het appartement. Er is een koelkast (waarvan ik me afvraag of Michel daarvan wist) dus we pakken onze gekoelde waar over en laten de tas voor wat hij is.

Na ons omgekleed te hebben geef ik Michel een korte tour door het oude centrum. De zon is net onder en het is nog heerlijk warm. Vergenoegd vertel ik wat overal te vinden is, en wanneer ik er iets aparts meemaakte. Na wat straten, die voor mij een feest van herkenning zijn, stranden we bij Hopfen & Co. Hoe vaak ben ik hier langsheen gelopen, nog nooit heb ik hier gegeten. Samen met Michel is dat gewoon gezelliger dan alleen.

Het valt Michel op dat de stad erg Tirools is, maar dat er overal op straat Italiaans gesproken wordt. Ja, dat zal. De meeste winkeliers zijn tweetalig en dat bevalt mij goed. Ik red me vele malen beter in het Duits. Onder schaars lamplicht eten we onze typisch Tiroolse maaltijd. Dan lopen we door het donker terug naar het appartement. Tijd om te gaan slapen.

zaterdag

De dag begint wel erg vroeg: met de smart-TV die op wonderlijke wijze om vijf uur zijn wekkerfunctie aan ons demonstreert. Slaapdronken denk ik er maar niet al te lang over na, trek de stekker eruit, en laat ons verder slapen.

Om negen uur komen we wel uit bed. In makkelijke kleren lopen we even naar beneden, langs de bakker, even naar de Spar aan de via dei Bottai. Ik zie de mandjes nog bij de ingang staan, maar dit maal, anders dan drie jaar geleden, geven ze niet het aantal toegestane bezoekers aan. We lopen rond zonder mondkapjes, rond groente en fruit zonder angst, er op te hoesten. In dit korte rondje door de supermarkt word ik me bewust hoezeer de wereld weer teruggekeerd is naar normaal, sinds mijn laatste bezoek in de Covid-periode.

We kopen wat kleine dingetjes voor het ontbijt en lopen terug naar de bakker. Michel haalt croissantjes, die hij zal beleggen met camembert, kerstomaatjes, oregano. We zitten aan het bistrosetje op ons piepkleine balkonnetje dat uitkijkt over de via Cavour. De tegenoverliggende straat eindigt in een grote tuin waaraan meerdere luxueuze huizen liggen. Het biedt ons een prachtig uitzicht op de beboste Hörtenberg.

Daarna beginnen we met een wandeling naar het stadspark aan de Talfer. Onderweg komen we langs van alles, dat ik Michel aanwijs en uitleg. We steken de Talferbrug over en bekijken vanaf afstand het overwinningsmonument op de Piazza della Vittoria. Daar begint de wijk Gries, maar daar gaan we nu niet heen. We slaan rechtsaf en volgen het park een stuk onder de bomen. Dan steken we de voetbrug over, terug naar het centrum. Ik laat ons zuidelijk lopen, naar het oude busstation aan de Perathonerstrasse. Daar wil ik even kijken. Bussen suizen nog steeds ronkend door deze straat, maar niet meer naar de oude locatie midden in het centrum. Ik wil de oude bouwplaats eens bekijken, want in 2020 was het nog maar een leeg gat. Ooit was het een groots betonnen busplein met overkappingen in pronte Italiaanse stijl. Dag en nacht ronkten er bussen. Op de balkons van de appartementen aan de via Garibaldi waren niet erg uitnodigend.

We bereiken de bouwplaats. Er staat inmiddels een veelbelovend betonnen skelet. Op de bouwhekken rondom het terrein hangen stijlvolle posters met impressies van luxueuze appartementen voor de nouveau riche. Het afgebladderde gebouw aan de via Garibaldi is met de grond gelijk gemaakt. Daar wilde toch waarschijnlijk al niemand meer wonen. Maar wie koopt dit? Hoe lang zal dit in de steigers staan, voordat Italianen het echt afmaken? Dat weet je in Italië nooit.

Michel laat zich gemoedelijk meevoeren. We lopen door de schaduw naar het centrale treinstation. Dit is het mindere park, waar je je niet na zonsondergang moet ophouden. Hier strijken de daklozen neer, de protestvoerders, de werklozen die met elkaar op de vuist gaan. We laten ze links en rechts naar elkaar roepen, kijken niemand in de ogen aan, en doen wat zo veel Bolzanezen doen: we stappen stevig door naar onze bestemming.

Ik leid Michel rond door het het marmeren station in facistische bouwstijl. Het is er koel binnen. Tegen de hoge plafonds weerklinken de omroepberichten, het geroezemoes van reizigers, en het ritmisch geklapper van het vertrektijdenbord. Met weemoed denk ik terug aan de keren dat ik hier solo liep.

We vervolgen onze weg naar het hostel. Natuurlijk moeten we het even van binnen zien. Het is siësta, en de receptie is dicht. Maar twee meisjes in de hal laten ons zonder vragen binnen. Ik toon Michel de lounge, de kleine keuken, en het buitenterras. Het voelt weer als thuis. Maar! Tijd om door te lopen, terug de hitte in. We gaan naar de kabelbaan.

‘Stationsbuurt?’ vraagt Michel onderweg. ‘Komen we dan ook door de rosse buurt?’ Ik glimlach. ‘Ja, daar lopen we nu doorheen.’ ’s Avonds staan hier dames in weinig kleren uit te kijken naar iedere auto die bereid is te stoppen. We passeren ‘Bar Haidi’ en bereiken het kabelbaanstation. In de welkome koelte kopen we onze tickets en gaan naar boven. Een gondeltje hangt al klaar.

- ⟡ -

Ik kijk kalm rond terwijl de gondel vanuit het station naar boven schommelt. Michel kijkt juist een beetje onrustig. Al gauw stijgen we hoog boven de stad. Twaalf minuten duurt de rit. Eerst steil omhoog, dan voorbij de eerste steunpaal, de tweede, en dan nog een paar minuten horizontaal over de almen. Ik probeer na de eerste paal ons appartement nog te ontwaren, maar dat is ondoenlijk. Michel hoor ik af en toe, maar hij berust er geloof ik al in dat deze rit heel gewoon is. Voor veel Bolzanezen is dit gewoon de bus, die elke dag, elke vier minuten, stad en bergdorp verbindt.

Michel steekt gelijk de keien over naar het dorp, iets wat ik eigenlijk nog nooit heb gedaan. ‘We gaan hier gelijk links’ geef ik hem aan. Het is hier boven, bijna 600 meter boven de stad, zeker 6 graden koeler – een frisse twintig graden. We wandelen langs het spoorbaantje naar de voor mij bekende Schwimmbadweg. Bij de alpaca’s draaien we links en aanschouwen het fantastische alpenpanorama.

Foto’s makend en ons vergapend aan de natuur kijken we even om de hoek bij het zwembad. Meermaals heb ik Michel al eens hierover verteld, nu staan we er echt.

We zetten ons op het terras bij Post Victoria. Dat belooft namelijk een ‘Sonnenterrasse’ te hebben, en daaraan is niets gelogen. We vinden met enige moeite een schaduwplekje. Loom genieten we van een plank vol bijzondere kazen en Tirools spek met alcoholvrije biertjes. Het uitzicht is hier ook fenomenaal. De lucht is helderblauw tot ver over de Seiser Alm. Heel af en toe kabbelt er een plukje wolk voorbij. De kabelbaan vervoert met regelmaat reizigers tussen boven en beneden. Benieuwd houd ik het treintje in de gaten. Enkele malen zie ik hem in het station, en verwacht dan dat hij onze kant op komt, naar Maria Himmelfart. Maar niks van dat. Elke keer rijdt hij in de richting van Klobenstein.

Na de lunch lopen we terug naar het kabelbaanstation en laten ons weer naar beneden schommelen. Michel wil nog wel even terug naar de fruitmarkt om een zak funghi porcini te halen. Dus leid ik hem via een snelle, directe route, door achterafstraatjes naar de Obstplatz. Zelf koop ik voor de verandering eens een fles pistachelikeur. Verguld met onze souvenirtjes lopen we de kleine straatjes terug naar ons appartement.


Onze studio is koel en fris. Wat een goede plek om hier te verblijven. We laten de balkondeur even open en ploffen op bed. Niet slapen, niet slapen… ik zet een wekker voor ons etentje. We vallen toch in slaap.

Ik word eerder wakker dan Michel en ga wat schrijven op het balkon. Ook met de laptop is hier heerlijk te zitten. Ik zou het nog haast verkiezen boven een eenpersoonskamer in het hostel.

Wat evenwel een switch is, is de plek waar we ons avondeten nuttigen. Voor het eerst ga ik eens de tuinen van het centrale Hotel Luna Mondschein in. Vaak ben ik er omheen gelopen en heb me verwonderd wat zich hier bevond, welke welgestelde toeristen hier verbleven. Nu ben ik er zelf, omdat de Tree Brasserie hier haar keuken en terras heeft. Gezeten op een mooie overzichtelijke plek onder wat kleine loofbomen eten we onze ‘sharing’ hapjes. Het is hier zonder meer luxe, dat zie je ook aan de porties. De bediening behandelt ons vorstelijk. Als het niet om dat ‘sharing’ concept was, zou ik het hier aanraden. We zitten er tot het donker wordt, en we de bergen niet meer van de lucht kunnen onderscheiden. Dan wandelen we het kleine eindje terug naar huis en vallen tevreden in ons bed.

zondag

Op zondagochtend word ik vroeg wakker. Ik wil het zonlicht in, maar dat kan ik beter niet via het balkon doen. Dan moet ik het hele rolluik optrekken en zal de kamer zich vullen met licht, waardoor Michel dan wakkerwordt.

Dus wandel ik naar de badkamer, die van de studio gescheiden is met een deur. Ook daar is een raam. Ik zet me in de vensterbank, met mijn voeten op een kastje. De zon is nog niet op, maar dat zal zo gebeuren. Ik zie de helle gloed al achter de berg. Ook zie ik daar gondeltjes. Het is de kabelbaan naar Soprabolzano, waar we gisteren in zaten! Dan breekt de zon door over de bergkam en baadt het tafereeltje in warm ochtendlicht. Schaduwen vallen op de huizen onder me. De dag is hier aangebroken.

Om stipt zeven uur beieren de klokjes van de San Giorgio-kerk op steenworp afstand links van mij. Een monnik in een warm bruin habijt stapt in zijn autootje en zoeft weg. Er wandelen mensen in de schaduwzijde van de straat. De overbuurman rookt uit zijn raam. De poort naar de tegenoverliggende tuinen gaat open, de waarschuwingslamp op de poort knippert. Eén auto vertrekt, daarna nog één. Het hek sluit weer. In de kamer naast mij hoor ik geluid.

We ontbijten met ei en proviand van de heenreis, want de bakker is op zondag niet open. Dan pakken we in en is het aan mij de taak om beide sleutels weer terug in de locker te proppen. We stellen de navigatie in op Monterotondo Marittimo en zoeven zonder problemen het centrum van Bolzano uit. Op naar het zuiden!


Al gauw racen we mee op de lange, zonovergoten snelweg naar Trento. Ik heb de snelwegbingo er weer bij gepakt. De auto is duidelijk nog niet helemaal in orde, want hij heeft er moeite mee de temperatuur binnen laag te houden. Gelukkig zijn we beiden opgegroeid met snikhete vakantieritten, dus we klagen niet. Een Autogrill wordt aangekondigd op de borden, maar we stoppen niet. Het is te laat voor cappuccino, maar te vroeg voor een eerste rustpauze.

Bij de derde Autogrill die geadverteerd wordt stoppen we wel. Maar we komen bedrogen uit: het etablissement heet nu ‘Eataly’ en werkt volgens een heel chaotisch, Amerikaans concept. Toch gaat Michel maar even aan de bar staan voor croissants met pistacheroom en twee caffè. Ik bewaak een statafel waar we evenlater onze minuscule kopjes leegdrinken. Even een pipi en gelijk maar weer door.

We hebben onze auto op de parkeerplaats in de brandende zon laten staan. Nu krijgt de airco het helemaal niet koel meer. Ongemakkelijk gezeten doorkruisen we de Povlakte.

‘Stuurt hij ons over Parma en La Spezia, of over Bologna?’ informeert Michel. ‘Uh, bij Modena even richting Milaan. Dus… Parma.’ ‘Ik wil over Bologna’ vindt Michel. Dus ik pruts met de navigatie tot we daarlangs gaan. We vermoeden nog files rond de grote stad, maar daar is geen sprake van. Door de zinderend hete zon stuiven we voort naar het zuiden.

Bij Florence gaan we over op provinciale wegen. We willen langs de grote Conad supermarkt in Colle di Val d’Elsa, dus ook dat tik ik in op de console. De route wordt herberekend en we worden dieper het binnenland ingeleid. In het plaatsje weet Michel nog precies de weg. Behendig wijkt hij van de aangewezen route af en stuurt ons het dak van de supermarkt op, waar enigszins overdekte parkeerplaatsen zijn. Ondanks de beschutting is het nog steeds medogenloos warm.

We pakken een karretje en kopen in voor de komende week. Michel is blij weer in zijn favoriete supermarkt te zijn. Ik ben hem voor de eerste twintig minuten kwijt op de groente- en fruitafdeling. Zelf wandel ik naar de vaste aankopen: fette biscottate, chocopasta van een lokaal merk. Ik kijk even naar pistachecrème, maar die is hier net zo duur als in Nederland. Volgens mij is het onlangs heel erg in trek geraakt, want pistache wordt al jaren overal in verwerkt. Ik laat het even.

Vanaf de Conad slingeren we verder over kleinere wegen naar het huisje toe. Toegegeven, vanaf hier is er geen grote weg die directer naar onze bestemming gaat. Maar zo aan het eind van de middag eist dat geslinger door de heuvels wel z’n tol. Gelukkig houdt Michel van sportief rijden.

Precies om één minuut voor zes staan we voor het huisje. Monterotondo Marittimo was makkelijk te vinden, maar het grindpad naar het huisje niet meteen. Hoe vaak je het ook op de kaart bekeken hebt, in werkelijkheid is de herkenbare begroeiing meters hoger, dat opvallende huis geschilderd, of de schuur waar je linksaf moest, tegen de vlakte gegaan. Hoe dan ook, we vinden het.


Onze contactpersoon Christina staat ons al op te wachten. Ze laat ons het hele huis zien en praat gelukkig prima Engels. Er is een hal, een waskamer, een brede woonkamer. Panorama-uitzicht over de vallei voor ons, zeezicht met op heldere dagen aan de horizon Elba en Corsica. Een keuken, met buiten een overdekt terras dat grenst aan de olijfboomgaard. In het souterrain twee slaapkamers, twee badkamers, en een heuse dressing room. Terwijl Michel even wat papieren gaat halen vraag in Christina naar alle kunst aan de muren. Ze legt me uit dat die gekozen zijn door de originele eigenaresse, een dame die nu in Noord-Italië woont. Christina heeft – nadat zij al haar persoonlijke bezittingen hier een beetje uitdunde – de taak op zich genomen om het huis te verhuren. Te zien aan de notities in het gastenboek zijn nog niet velen ons voor geweest.

Christina laat ons achter en we proberen gelijk de WiFi. De moderne router op het dressoir in de woonkamer biedt ons een QR-code. Die werkt helaas niet, want de router heeft niet meer de originele instellingen. Via de app Fing op mijn telefoon zie ik hoe hij wel zou moeten heten. Michel zucht. ‘Christina appen dan maar’. Ondertussen onderzoek ik het apparaatje van alle kanten en vind een WPS-knop. Vrijwel gelijk heeft mijn Android-telefoon verbinding. ‘Wat is het wachtwoord dan?’ wil Michel weten. Dat kan ik niet uitvogelen, want dat heeft mijn telefoon vast ergens versleuteld opgeslagen. Een iPhone blijkt geen WPS-functie te bezitten en er is ook geen app voor te downloaden. Dan vindt Michel uit, dat een reeds verbonden Windows-laptop wél het wachtwoord ergens onversleuteld kan tonen. Dus gelijk pak ik mijn Thinkpad uit zijn tas en ga aan de slag. Dit is een hackertaakje voor mij. Michel is inmiddels naar de keuken gekuierd en pakt de boodschappen uit. Binnen vijf minuten heb ik het wachtwoord. Eerst toon ik het hem, dan leg ik het op een briefje onder de router. Zo, dat kan bij de volgende gasten niet mis gaan.

We besluiten de eerste avond door buiten op het terras te eten. Er staat nog een warm windje terwijl de zon achter het huis ondergaat. We horen krekels, vogels, en een eindeloos koor aan blaffende honden in de omgeving. Waar de één stopt begint de ander. Pas als de nacht valt worden ze allemaal stil.

Zo ook wij. We hangen onze klamboe aan een spijker boven het bed en doen de oogjes toe.

maandag

Maandagochtend ontbijten we op het terras naast de keuken. Michel maakt cappuccino’s en we eten zijn favoriete crackers: fette biscotate. Natuurlijk bak ik ook mijn eieren, ik kan niet zonder. Daarna trek ik me terug in de hangstoel in het tuintje om te lezen. Michel sleept een tuinstoel ernaast. Zo zitten we, uitkijkend over de weidse dalen voor ons. De zon klimt langzaam hoger. Gedurende de ochtend wandel ik om het huis heen en film de enorme lavendelstruik die vol zit met prachtige vlinders.

Wanneer het te warm wordt verhuizen we naar het terras. Ik pak de laptop en zoek wat dingen op. Michel maakt ondertussen lunch: piadine, van mijn meegebrachte wraps. Die komen zo nog goed van pas. Ik wil nog wat lezen, maar in de hangstoel is het nu echt te warm. Dus plaatsen we de twee tuinstoelen die we nog niet gebruikt hadden, op het terras vlak aan de tuin. Stoelen genoeg hier, prima plek zo. Een klein tafeltje uit de huiskamer ertussen en we kunnen onze spullen ook kwijt. Het waait lekker door, wat de hitte draaglijk maakt.

In de namiddag komt Michel met een voorafje van worst en kaas. Terwijl hij Formule 1 races kijkt, struin ik in huis rond en zet een verdwaalde wesp buiten. Het zal niet de laatste zijn. Michel voegt daar later nog een bij en een vlieg aan toe.

Vanavond gaan we op het terras beneden achter de slaapkamer eten. Dat is wel een stukje lopen met alle spullen, maar dat verschaft mij mooi werk. Het uitzicht daar is werkelijk fantastisch. De zon, die op het zijterras al achter het huis gedoken is, staat hier nog helder te branden aan de westelijke hemel. Langzaam daalt hij naar de heuvelkam. Beneden in het al stijgen pluimen rook op van een kleine energiecentrale die op de onderaardse stoom fungeert. De hemel kleurt oranje. Het gras en de struiken ruisen, als in koor beginnen alle honden in de buurt te blaffen. De één steekt de ander aan. Misschien dat alle baasjes nu thuiskomen. In de verte zie ik een stadsbus voorbijsuizen. Zie, de bewoonde wereld is helemaal niet ver weg.

Zodra de zon weg is en de hemel vaal kleurt lopen we nog even van ons erf af naar boven. Langs de podere, het pad op naar de twee hoger gelegen huizen. We slingeren er tussendoor en staan stil. Michel blaast uit. Ik vraag me af: zou elk dorpje met ‘Marittima’ of ‘-o’ zo heten, omdat je vanaf de top de zee kan zien? Ik fotografeer. We hopen dat er nu niet een waakse hond naar buiten komt, dat zou vervelend zijn. We wilden kijken of hier een pad naar boven was, maar helaas. Ook deze bewoners gaan kennelijk gewoon helemaal de grindweg af naar het dorpje. De electriciteitskabels, hoog in hun houten palen, lopen wel rechtstreeks de heuvel op. We keren maar om en gaan onze steile grindhelling af, waar ons huis koel en uitnodigend op ons ligt te wachten.

We gaan nog buiten zitten op het zijterras, en doen lantaarns aan om de wilde zwijntjes op afstand te houden. Maar ik hoor ze niet vanavond. Misschien één, hoger op de heuvel. Zien doe je ze toch niet, in de schemering maken je ogen van alle ruis een bewegende vorm, als je het maar zien wil.

Ik ga naar binnen om het kleine afwasje te doen. Nadat ik klaar ben staat er een plas water op de vloer. Het verbaast me niet echt; ik heb het afdruiprek onder in het gootsteenkastje teruggezet, die zal wel nalekken. Ik dweil het een beetje op en schenk er geen aandacht meer aan. Tijd om te slapen.

- ⟡ -

Ons huisje in Monterotondo Marittimo, het verdient een ode. Het dorpje zelf is voorbeeld van een typisch Toscaans ‘suikertaartdorp’, maar dan heel klein. Dit Monterotondo (er is er nog één nabij Rome) heeft eigenlijk maar één hoofdweg, die auto’s in één richting rond het dorp voert. Ten noordwesten is een kruispunt waarop alles gebeurt. Het lokale restaurant annex dorpscafé, de basisschool, een speeltuintje – recht tegenover een onbemand bezinepompje – wat parkbankjes. Om de hoek een kleine Coop supermarkt. Verderop de Poste Italiane en de Carabinieri, die niet ontbreken mogen. Het echte centrum is bedoeld als autovrij, maar daar trekken de Italianen zich natuurlijk weinig van aan. Heel af en toe wriemelt zich een dappere Fiat Panda of een veel te dikke SUV door de schaduwrijke steegjes. Bij elke huisdeur hangt wel wasgoed, aan provisorische lijnen.

Dan, de gestrooide weggetjes rondom het dorp. Er zijn een paar uitvalswegen van de heuvel af, de omringende dalen in. Die kennen allemaal weer zo hun aftakkingen, parallel aan de hoogtelijnen van de berg. Ons huisje ligt ook aan zo’n weg die zich parallel aan de berg vleit. We slaan af bij een groot geel statig huis, omheind, met erf en landbouwmachines. Hoge loofbomen bieden schaduw, en onttrekken het erf aan de ogen van voorbijgangers. Wij rollen voort, enkele kuilen ontwijkend. Langs een watervoorziening, die gebruik lijkt te maken van de hete stoom die hier overal uit de grond gewonnen wordt. We doorkruisen riet, wat duidelijk speciaal voor dit pad regelmatig gekapt wordt. Hier ontspringt een kleine bergstroom, die naar beneden toe de vergeelde velden siert met weelderig groene bosschages, en nog meer riet. Het dorp ligt nog steeds aan onze rechterhand boven op de heuvel.

Dan begint op de helling links ‘ons land’. De velden gevuld met onordelijk verwilderde olijfboompjes. In het hoge gras lijken het niet meer dan bolle struikjes. We duiken weer een stukje de helling af en komen bij een driesprong. Rechts, hoger op de heuvel, nog twee huizen. Geen pad naar de stad. Recht voor ons: een ruime podere, iets luxueuzer dan de onze, met een groot automatisch hek. Dan links, steil naar beneden, onze inrit. Het vervallen hek staat doorgaans open, we rollen zo ons erf op.

Gelijk links is een scheve ruwhouten carport, waarvan het linnen doek al flink verweerd is door de zon. De auto past er gelukkig onder en geniet zo wat schaduw gedurende de dag.

Dan de tuin, die nog iets afloopt; voor ons de besproken olijfboomgaard, rechts het huis. Een brede stenen trap, die ons op de satellietkaart het huis gelijk deed herkennen, leidt naar de voordeur.

Binnen, op de begane grond, een hal, een brede woonkamer, en een keuken. De kamers hebben dikke muren en kleine ramen, om de hitte alswel de kou buiten te houden. Door de keukendeur, die altijd openstaat, lopen we zo het terras op. Aan een brede tuintafel eten we onze maaltijden, lezen we onze boeken, en typ ik dit reisverhaal. De overkapping zorgt dat we het koel houden. In de tuin, omringd door een kleine cirkel van rotsblokken, staat onder meer een hangstoel. Die is op de heetste uren van de dag off limits, zo warm wordt het daar.

Beneden, onderaan de trap, vinden we twee slaapkamers, twee badkamers, en een heuse dressing room. Ook hier kunnen overal de ramen, deuren en luiken naar believen open. We wennen er hier maar aan dat we het hele huis zo veel mogelijk laten doorwaaien. Daarmee kunnen we niet voorkomen dat er af en toe een vlinder, mot, of wesp vast komt te zitten. Meestal vinden ze hun weg wel weer naar buiten.

Overdag zitten we op het terras naast de keuken. In de tuin staan twee vijgenbomen, een fikse rozemarijn, jasmijn diverse tinten roze, verschillende cactussen. Vogels tsjilpen de hele dag. Grote vlinders klapwieken ongegeneerd voorbij, met een gelukje de stenen palen van het terras omzeilend. De voortuin wordt gesierd door nog meer jasmijn, alsook enkele rozenstruiken. Aan de westkant bevindt zich nog een enorme lavendelstruik, waar meer vlinders fladderen dan ik ooit tegelijk bij elkaar heb gezien. Vanaf laat in de middag kraait er ergens op de heuvel wel een haan.

Achter het huis, op de zuidhelling, staan cipressen, brem, en nog meer olijfbomen. Ver het veld in komen we niet, want het gras staat hoog en daartussen zoemt een keur aan stekende insecten. Verstoor dat leven bewust niet. Het land is van ons, we kijken er over uit. ’s Avonds, in de schemering, wordt het afgeschuimd door knorrende wilde zwijntjes. Op een ochtend spotten we een verbaasde kleine vos.

Dan het uitzicht. Op het oosten, de richting waarin ons keukenterras gelegen is: de buren. Op een paar honderd meter afstand begint hun land, met hun olijfboomgaard. Nu en dan scheurt de buurman op zijn trekker voorbij om de boel te maaien. Daar doet hij gerust een hele dag over, inclusief ruime rustpauze in de siësta. Verder horen of zien we weinig van de mensen aan het begin van de weg.

Dan zuid, het fenomenale typische Toscaanse landschap, waar we bijna van oost naar west over uit kunnen kijken. Op heldere dagen herkennen we toppen in de verte als Elba, Corsica, en zelfs Sardinië. Overdag zijn het blauwe heuvels, ’s nachts gaan er piepkleine lichtjes aan. De eerste dagen staren we uren in de verte, herkennen elk klein heuveltje en boompje, totdat we, verwend, er aan gewend raken. Wat zijn we rijk. En toch is dit zo bereikbaar. Als je het maar weet te vinden in dit eindeloze Toscaanse land.

West, niet te vergeten. Een stuk tuin dat we weinig bekijken, tenzij vanaf ons overdekte slaapkamerterras dat aan het souterrain grenst. Uitkijkend naar het zuidwesten zien we aan de horizon louter vaalblauwe bergen en beboste heuvels. Dichterbij liggen andere vervallen huizen te bakken in de zon. Ieder zijn eigen olijfboomgaard, weiland, en schuur. Er is land genoeg. Afrasteringen zijn er nauwelijks. Achter een heuvelkammetje stijgen doorlopend grote dotten stoom op. Later in de week leren we dat dit natuurlijke stoom is, die gewonnen wordt uit de geothermale activiteit die zich hier vlak onder het aardoppervlak voordoet. Verderop, hoog langs de berg, een uitvalsweg naar Monterotondo Marittimo. Boven op de heuvel, potsierlijk: een hoge betonnen stoomturbine.

Als je dat element in dit landschap voor het eerst ziet, denk je als ons even dat je terug bent gegooid naar het Münsterland vlak over de grens. Zware industrie, hier in de idyllische heuvels van de Toscaanse Maremma? Maar niets is minder waar. De berg, waarop de turbine staat, is een bron van loeihete onderaardse stoom. Het dorp en de landerijen eromheen maken hier dankbaar gebruik van. Dus prijkt bovenop de berg de grijze toren, en lopen er overal door de weilanden dikke grijsgroene buizen, hier en daar uitmondend in dampende waterbassins. Het maakt de turbine daar niet minder lelijk, maar wel acceptabeler.

Hoger op de heuvel dan, aan de voorzijde van het huis, kijken we op naar enkele huizen, schuurtjes, en rommelige boomgaardjes van buren. Daarboven een horizon van statige beige, geel, en perzikkleurig gepleisterde oude Italiaanse huizen. Vier verdiepingen aan smalle ramen met luiken. ’s Avonds horen we gelach en gejoel uit de straten van het dorp, tot de avondklok luidt. Als de kinderen naar bed moeten blaffen de honden in de heuvels nog een paar uur, maar binnen horen we ze niet. Overdag is het stil, op het gezoem van alle insecten na. Na een week herkennen we de drie auto’s van de buren; meer verkeer komt er niet voorbij.

Toch; elke dag komt er wel een vale Piaggio Ape ons weggetje in gesukkeld, om vermoeid één van de karrensporen op te klimmen een boomgaard in. Dan ronkt ver van ons de bosmaaier, god mag weten wat ze daarmee doen, of klinken er snelle Italiaanse conversaties tussen de boompjes. In de morgen en in de avond is men druk, in de siësta ligt alles ontegenzeggelijk stil. De bosmaaier valt stil, de Ape rolt terug naar het dorp, de lunch wordt genuttigd. En zo gaat iedere dag voorbij.

dinsdag

Om half acht in de morgen sluip ik uit bed. Sluit de slaapkamerdeur achter me en ga naar boven, het ochtendlicht in. Michel slaapt door. Ik pak mijn e-reader en leg me in de hangstoel, waar ik ‘De Golf’ van Lieve Joris lees. Het gras is nog nat van de dauw. Vlinders klapwieken dicht langs me heen. Ergens tsjilpt een vogel met een uitgesproken mening.

Dan vult het dal zich met geelgoud licht. Grassprietjes lijken te ontwaken uit de nacht. De zon komt op over de heuvel. Een paar dagen geleden keek ik hier nog naar vanuit het badkamerraam van een stads appartement. Om mij heen toen galmende blokken en nauwe straten. En nu ben ik hier. De weidsheid is onbeschrijflijk. Deze eindeloze golvende grond, de lappendeken waarover dieren zich verplaatsen. Wij mensen, met onze weggetjes, huisjes en schuurtjes, zijn te gast in hun land. Ongestoord zoeft, vliegt en fluit alles zorgeloos om me heen.

Ik rek me uit, de stoel krult met me mee. Dan zie ik de keukendeur opengaan. Michel staat slaperig in de deuropening. Ik zwaai en glimlach. Twee hagedissen schieten weg van het terras. We gaan ontbijten met de gebruikelijke grote koppen cappuccino na. Daarna ruim ik de was op.

We zitten op het terras wat te internetten. Een werkelijk enorme vlinder flapt aan ons voorbij en vindt zijn weg verder door de tuin. De muggen zijn wonderwel ook al aanwezig, dus we geven onze voeten wat Autan om ergernis te voorkomen. Ondertussen bespreken we een bezoekje aan Massa Marittima, de Conad aldaar. Ook wil Michel even het oude centrum in.

Tegen lunchtijd stappen we in de auto. Die staat gelukkig koel onder het afdak op ons erf. Maar, zodra we wegrijden over de heuvel, slaat de hitte op ons (het moet ook alvast gezegd worden, dat de airco suboptimaal werkt). We rijden een klein bochtje door het dorp en gaan dan oostwaarts naar de provinciale weg. Vanaf daar rijden we zuidwaarts. Eerst slingeren we flink door de bossen. De wegen voelen bekend aan: we zijn niet ver van het huisje van vorig jaar. We letten op de snelheidsaanduiding van de navigatie. Op veel plekken mogen we 70 of zelfs 90 rijden, maar in realiteit zijn er te weinig lange rechte stukken, en te veel onoverzichtelijke haarspeldbochten, om dat überhaupt te willen. Dus rollen we met een vaartje van maximaal vijfenzestig door de beboste heuvels. Zodra we het bos verlaten herken ik een afslag: Niccioleta! Dan volgt daarna de afslag naar Prata, met ons huisje. Inderdaad. We bereiken de bekende rotonde met de Osteria, een soort Italiaans roadhouse in the middle of nowhere.

Vanaf hier is het verder zuidwaarts over de vlakte, en dan komt de afslag naar Ghirlanda, gevolgd door Massa Marittima. We rollen de suikertaart op, kibbelen over de misleidende instructies van de navigatie, en vinden onze weg naar de parkeerplaats van de Conad. Er is amper schaduw, we parkeren onder een ielig rankje boom, dat tenminste de illusie van koelte geeft.

Na het gebruikelijke rondje supermarkt leggen we onze spullen in de koeltas en zetten koers naar het oude centrum. ‘Onderlangs via de hoofdstraat’ vindt Michel, ‘bovenlangs via die bomenlaan’ vind ik. We nemen mijn route en lopen even omhoog, maar daarna wel heerlijk koel tussen mooie gebouwen. We zijn verrast hier een restaurant te zien dat zich met mystiek uitziende letters ‘Lonewolf’ noemt. Niet typisch Italiaans.

Vanuit ons huisje van vorig jaar hebben we vaak naar de torens van deze stad gekeken. Nu loop ik er zelf tussen. Michel vraagt me wel tien keer of ik hier écht nog niet geweest ben, maar nee. Vorig jaar hadden we weinig tijd samen hier en ben ik alleen bij de supermarkt geweest. Dit is een uitstekend moment om ook de romantische kant van de stad te bezichtigen. Dus lopen we wat rond over het marktplein en gaan we lunchen bij Café Le Logge. Eerst bruschette, met als toetje tiramisu en panna cotta. Michel verzucht dat de toetjes tegenwoordig maar allemaal in kleine potjes worden geserveerd. Vroeger kreeg je nog een mooi bord met een grote portie. Ach, het gaat mij om de smaak, niet om de hoeveelheid. En eigenlijk nog meer om de sfeer hier. We zitten in een gewelf dat, met grote open bogen, grenst aan het grootste plein van de stad. Van alles komt hier voorbij. Kleine Fiatjes wurmen zich richting panden met smalle donkere deurtjes om te laden en lossen. Toeristen, kwekkend in allerlei interessante talen. Honden, op vier pootjes, op de arm, in een mandje, of in een handtas. Stadsbewoners, die gewoon al bellend naar hun afspraak proberen te komen. En de koelte. Het is hier zo lekker, fris, uit de zon. Ik zit hier, met een mooie lieve man en in een prachtige zomerjurk, met een wijntje en een zalig toetje. Laat de tijd even stilstaan.

Maar, we moeten weer verder, we waren immers gewoon boodschappen aan het doen. Dus wandelen we terug naar de auto (Michel is de locatie een beetje kwijt, maar ik heb gelukkig de bijnaam navigatrice al verworven). We slingeren terug naar huis, wat me voor de tweede keer wel wat misselijkheid bezorgt. Goed op de weg blijven letten, dan voel ik het niet zo. Binnen een half uur rollen we Monterotondo Marittimo weer door. Het is even voor tweeën, we willen even in het dorpscentrum stoppen.

We vinden een steil weggetje omhoog naar een handig twee-laags parkeerdek, midden in het centrum. Na het parkeren ontdekken we dat de onderlaag schaduw heeft, maar daar maken we de volgende keer wel gebruik van. Van alle bouwkundige keuzes in zo’n oud dorpje vind ik dit wel één van de meest opmerkelijke. Dit dorp kwam tot wasdom ver voor de intrede van de auto, of de nood aan veel parkeergelegenheid. Wat was hier voor die tijd? Huizen, tuinen? Wie het weet mag het zeggen.

We lopen een paadje af naar beneden en komen precies aan bij het kruispuntje waar alles gebeurt. Kindjes spelen in de speeltuin, mannetjes zitten te keuvelen op bankjes. Twee agenten met spiegelende zonnebrillen staan woordenloos bij de drie benzinepompjes te niksen. We slaan linksaf bij de kruising en vinden de Coop. Die is gelukkig nog open. We vinden hier geen gedroogde pepertjes, maar zien wel dat er verder genoeg is voor de dagelijkse boodschappen. Bovendien is er kalfsvlees, wat Michel graag heeft. Terwijl hij in de bak met gekoeld vlees kijkt, merk ik de slager op. Een lange man, mijn leeftijd, met indringende donkere ogen. Nee, ik loop hier niet warm van – het maakt me eerder wat ongemakkelijk. Hij zal wel niet zo vaak dames in wulpse zomerjurk voorbij zien komen hier. Na de kassa merk ik het op aan Michel, hem viel het ook al op. ‘Creepy blik. Dat past wel bij dat hij slager is.’

We geven ons parkeerplekje toevallig aan andere Nederlanders die na ons komen. Moeten we ze zeggen dat je beneden koeler staat? Het gaat te vlug. We rollen het dorp uit, de bochtjes door, het grindpad op. Het huis ligt nog loom in de zon, tussen hoog gras met tsjilpende krekels. We torsen onze aankopen naar binnen de keuken in en zetten ons weer op het terras.

’s Avonds maakt Michel eten en zitten we nog lang op het terras achter onze slaapkamer. De krekels vallen langzaam stil, de honden in de verte blaffen. De zon is al ver weg, de hemel kleurt diepblauw, de maan komt op. De windlichten aan onze voeten flakkeren, de muggenkaars tussen ons in walmt. Een eigenwijze vogel blijft een drietonig liedje fluiten, zelfs in de nacht. Michel hoort een uil, zegt hij, die heel anders klinkt dan ik ze in Nederland ken. Het wordt bedtijd. We blazen de kaarsen uit – gelijk valt de duisternis over het terras, en lijkt het nog stiller. We zetten de afwas boven in de keuken en gaan ons bed in.

woensdag

Deze ochtend worden we loom wakker. ‘Je mist je standup’ mompel ik Michel toe om 8:50. Dat mag, het is vakantie, dus draaien we ons nog eens lekker om. Een tijd later zitten we aan ons gebruikelijke ontbijt met biscotate en cappuccino. Ik heb decafé koffie meegenomen, om eens te proberen of afkicken van caffeïne een kans heeft. Helaas moet ik toegeven dat die koffie toch gewoon flauwer smaakt. Doe maar weer gewoon ‘gewone’ espresso. Dan is het tijd om even te douchen.

In de badkamer moet ik eerst de ruimte claimen van een forse spin, die op de muur achter het toilet zit. Met wat indrukwekkende stampjes op de vloer haast hij zich naar een andere hoek van de badkamer, ver genoeg weg dat ik de douchecel in durf. Hij blijft zelfs keurig zitten als ik mijn nagels van een nieuw laagje lak voorzie. Braaf huisdier. Nog zo’n ontmoeting en hij krijgt een naam.

Om twaalf zitten we weer op ons schaduwrijke terras, met esspressi en canoli met pistachevulling.

De buren om ons heen vinden dat het maaidag is. Verderop rijdt een trekker, tussen de olijfboompjes hoger op de heuvel zoemen bosmaaiers. Eén voor éen vallen ze stil. Het is siësta. In de verte horen we een enkel landbouwvoertuig terugkeren naar het dorp. Dan nemen de kwinkelerende vogels en krekels het weer over. Een warme zomerbries ruist door het hoge gras rond de tuin. Hagedisjes schieten langs onze stoelen. Ze lijken ons te zien, blijven stokstijf zitten, en schieten dan snel door. De snelste weg voor een hagedis van het dak naar de tegels is trouwens gewoon met een plof. Daar wen je aan.

Ik smeer me in met de zonnebrandcrème uit Lanzarote, en zet me in de hangstoel. De zon brandt. Ik probeer te lezen. Ik zweet me een ongelukje. Het is te warm, dit trek ik niet. Ik ga nog even in de schaduw zitten en zet me dan aan de afwas. Jeetje, het lekt weer over de vloer. Dit is geen restwater van het afdruiprek. Michel en ik inspecteren het aanrechtkastje en ontdekken dat de sifon gewoon loshangt. Samen draaien we hem stevig aan en daarna stroomt er geen ongewenst water meer door de keuken. Ik dweil de vloer, ga wat schrijven aan mijn reisverslag, en struin het internet af naar inspiratie voor het logo voor mijn websites, wat er toch eindelijk eens moet komen.

’s Avonds eten we weer op het achterterras. Kalfskotelet bij zonsondergang. De lucht is vuilig geel. We kijken naar boven, welke huizenrijen van het dorp we vanaf hier kunnen zien. We herkennen een groot open uitzichtspunt, waar we gisteren al even op hebben gestaan. Nu horen we er schrille stemmen en vrolijk gelach. Elke avond spelen er kinderen, tot de kerkklok luidt, en ze door hun moeders naar bed worden geroepen. De honden in de buurt blaffen en janken, tot ook de laatste slaap boven waken verkiest, en alleen de krekels en de uilen zich nog laten horen. De windlichten steken we aan, de muggenkaars gaat met luid geknetter uit. Onze e-readers gloeien nog enige tijd op, tot bij ons ook de luikjes toevallen, en de mond vaker open gaat voor een gaap. De afwas gaat naar boven, wij naar beneden. Bedtijd.

donderdag

Vandaag gaan we naar het geothermische park dat hier bij het dorp bovenop de heuvel ligt. Vroeg, heb ik gezegd. Om de hitte voor te zijn. Goed, vroeg, zegt Michel. Daarmee bedoel ik acht uur. Met Michel en de hele ontbijtroutine wordt het half elf. Het is al behoorlijk warm. Het doet me denken aan mijn hachelijke wandeling boven Novate Mezzola in 2015, waar het ook te laat in de ochtend was, en te warm. Maargoed, we stappen in de auto en we gaan.

We zetten de auto op de parkeerplaats bij het museum. In de wijde omtrek is geen spatje schaduw te bekennen. Ja, achter het gebouw, waar de medewerkers zelf parkeren. Toe dan maar. We piepen even naar binnen in het grote koele museum. De suppoost staat ons enthousiast te woord in overwegend Italiaans. Michel verstaat genoeg om te weten, dat we gewoon op eigen houtje op pad moeten. Een audiotour zit er niet in, want ‘het internet is stuk’. Italië, hè.

Ze geeft ons ter compensatie maar een folder mee, die zonodig nog verwarrender is. Na enig lopen en lezen beseffen we dat het begin van de route eigenlijk in het dorp ligt, en we hier al bij punt twee zijn. Wat natuurlijk heel logisch is, want hier is het museum waar iedereen daadwerkelijk begint met wandelen. Italianen, hè.

We lopen het gruispad omhoog de bergen in. Om ons heen zien we al allemaal zwartgeblakerde stomende hoopjes puin. Je kunt je hand er nauwelijks boven houden, het is echt heet. Je mag hier bijvoorbeeld ook je hond niet onaangelijnd laten lopen, die zou zomaar z’n snuit en poten verbranden.

Al gauw raken we moe en beloven elkaar om niet helemaal tot bovenaan te lopen. Véél te ver. Toch lonkt het. ‘Dan missen we wel het panoramapunt’ zeggen we tegen elkaar. Nog een stukje dan. Hier en daar is gelukkig wel wat schaduw van bomen langs het pad, en ook een slokje water doet goed. Eerder dan verwacht zijn we bij het geroemde uitzichtspunt.

Natuurlijk zie je vanaf hier pontificaal de betonnen turbine. We beginnen door te krijgen dat die iets met de onderaardse stoom te maken heeft, en hier niet steenkool staat te verbranden. Na wat foto’s en menige zweetdruppel wandelen we door, de heuvelkam over.

Daar treffen we een team van stoere jongens die een mountainbikeparcours aan het bouwen zijn. Terwijl we langslopen timmeren ze aan de plankjes van een indrukwekkende hellende u-bocht op de rand van de heuvel. Michel ziet een ritje daardoorheen wel zitten, ik stel het me liever maar niet voor.

We vervolgen het pad, want de verte belooft weer schaduw. Om ons heen overal gruishellingen in de meest bijzondere kleuren. Het steen is voornamelijk muisgrijs, met sporen van steenrood, purper, blauw en diepzwart. Hier en daar sist de aarde en kringelt rook op.

Omdat we zo uitkijken naar de schaduw lopen we rechtdoor, en volgen daardoor als het ware het pad tegen de looproute in. Het is allemaal niet zo ver, als je tussen de bomen door loert zie je ergens verder op een heuvel wel weer een andere toerist sjokken. Dus lopen wij tegen de klok in. Eerst door het koele gebladerte, waar op zich de geothermische activiteit niet zo veel van zich laat merken. Maar dan gaan we een zonovergoten gruisgebied in, waar een kronkelig pad ons met zo veel mogelijk slingers langs allemaal indrukwekkende stoomgaten leidt. We zien een groepje Italianen dat het pad met de klok mee is begonnen, dus we vervolgen onze weg en lopen zo’n beetje in hun richting.

Dan komen we medewerkers van het mountainbikepad tegen, die pinnen in de grond slaan en met wit lint een pad uitzetten. Nouja, laten we dat dan maar volgen, dan komen we vast weer aan het begin. Enkele honderden meters verder bevinden we ons midden in het gruis in de verzengende hitte, en beseffen dat dit niet de route kan zijn. ‘Daar sta je dan, met je goeie gedrag’ zucht ik. Het Italiaanse groepje is ook ergens boven op de heuvel achter een boom verdwenen. Terug dan maar, want waar zij zijn, is vast de juiste route.

Wat geklauter, en een stap over het lintje later, zijn we inderdaad weer op het juiste pad. Ruisende bomen en een zuchtje wind maken het wandelen weer iets gemakkelijker. Terwijl ik wat foto’s en video’s maak hobbelen we weer naar het startpunt toe. Mijn linnen blouse voelt aan als een natte theedoek, mijn elastische jeanslegging is helemaal niet bedoeld voor dit weer. Straks maar weer lekker douchen.

Op de terugweg naar beneden haalt het Italiaanse groepje ons aanvankelijk in. Maar, wij bereiken het museum eerder, omdat een dame in het gezelschap telefoon krijgt. Natuurlijk moet dat direct daar en ter plekke op hoge toon uitgesproken worden, en haar vrienden moeten maar wachten.

In het museum is de blije suppoost nog aanwezig. Ze verkoopt Michel kaartjes voor de entree. We mogen het heerlijk koele gebouw in. De enorme hal staat vol met schaalmodellen en foto’s van het gebied. Hoewel het overzicht van natuurwonderen in de wereld wel aardig is, kenmerkt het museum zich voor de rest door een heleboel herhaling. In Italiaans en krakend Engels wordt overal benadrukt hoe wonderlijk het is dat stoom zich vanuit de kern van de aarde juist hier aan de oppervlakte toont. Aan het einde van de hal staat een geometrisch bouwsel, dat een futuristisch theatertje blijkt te zijn. We zetten ons op paddestoelkrukjes en volgen de Engels gesproken film. Of: eigenlijk bevinden we ons in een ruimtevaartuigje met aan drie kanten ruiten, dat ons van boven naar beneden door de aardlagen voert. Een enthousiaste Engelse vrouwenstem joelt bij elke aardlaag hoe bijzonder die is en doet alsof ze dit tripje dagelijks maakt. Op een gegeven moment gaat het zo snel, dat het beeld flikkert voor onze ogen. Misschien zijn we hier gewoon te oud voor, misschien is het verhaal gewoon te onsamenhangend. Dol en duizelig laten we deze geologische artist impression aan ons voorbijschieten, tot we er zat van zijn.

Nadien lopen we nog even braaf langs wat stenen in vitrines en wagen ons dan weer in het verzengende zonlicht. Oja, de auto stond hier ook nog te bakken. We installeren ons met au’s en ah’s in de hete zwarte stoelen en ik zoek snel op of de supermarkt nog open is. Volgens Google is hij dicht, dus we gaan linea recta naar huis.

Michel maakt piadine, waarbij we wijn en siroopwater drinken. Ik pak de laptop er weer bij en knutsel samen met ChatGPT een leuke online versie van Jumbo’s ‘Het Advertentiespel’ in elkaar. Toegegeven, het is een leuke exercitie, maar het spelletje was vroeger als kind toch een stuk amusanter dan nu.

Om half zes gaan we nogmaals – wederom met de auto, we zijn moe – richting supermarkt, en kopen nog wat zaken voor het avondeten. Ook doen we er drie muggenkaarsen bij, want zonder kunnen we niet. Dan lopen we even de smalle straatjes van Monterotondo Marittimo in. Ja, er waagt zich heel soms een enkele auto door de smalle steegjes. Maar nee, het is er niet voor bedoeld. Overal hangt was buiten. Er is zelfs één huis waar het wasrekje gewoon naast de voordeur buiten op straat staat. Wie steelt die onderbroekjes nou? We komen langs een zogenaamd restaurantje dat volgens Google het beste uit de buurt is. Eén blik naar binnen doet ons anders oordelen. Een betegelde ruimte met TL-verlichting, enkele schots en scheef neergezette formica tafeltjes, en twee frisdrankkoelkasten. Iemand zit verveeld achter de balie en merkt ons niet op. Dit is geen toprestaurant, dat zien we zo. Daar gaan we dus niet heen.

Na voorrang verleend te hebben aan een paar snorrende Piaggio’s wandelen we weer terug naar onze auto. Het is me opgevallen dat, anders dan in Pitigliano, het vrije uitzicht voorbehouden is aan de bewoners. Nergens een steegje waar je even in kunt om van de heuvel af te kijken. Ook passeren we een donkere, stille kunstgalerie. De deur staat open en de kunstenaar wandelt rond, maar eerlijk: wie komt hier nou? Maar ja, ieder verdient z’n podium.

We rollen de auto terug naar huis en gaan eten op het boventerras naast de keuken. Daarna ga ik met de laptop in de hangstoel liggen. Michel komt weer in de tuinstoel naast me zitten. Gek genoeg is het internet verder van huis weer beter dan vlak buiten de deur.

Het is hier echt heerlijk liggen. Zoveel vlinders, klaprozen, boterbloemen. Het enorme uitzicht. Langzaam valt de schemer in en koelt het ook ietsje af. Ik knutsel aan mijn Advertentiespel tot de muggen mijn enkels te vaak te grazen nemen, en het bedtijd is. Morgen weer een nieuwe dag.

vrijdag

Vandaag hebben we bij het ontbijt een extra kop cappuccino. Als ik niet uitkijk, zet Michel de trend in dat hij gewoon cappuccino’s blijft maken tot exact half elf. Daarna mag niet meer, zo zeggen de echte Italianen. Dan is de koe dood. Niet van het melk geven, hoor. En de volgende dag is de koe gewoon weer levend. Maar voor nu betekent het dat de ochtend voorbij is.

Dat is te merken ook. Het is drukkend heet aan het worden. Gelukkig maar dat we op het terras in de schaduw zitten. Voor lunch eten we crostini’s, die Michel zonder meer lekkerder klaarmaakt dan we ze bij de bar in Massa Marittima aten. Daarna trekt Michel goedmoedig zijn zwembroek aan; dan kan ik niet achterblijven. Tijd voor mijn bikini. Zo zit ik aan tafel en werk aan mijn Advertentiespel. Ik ga er helemaal in op, tot de muggen me uit mijn focus halen. Ze zijn vroeg vanmiddag. Tijd voor meer bedekkende kleding.

Michel merkt op dat we geen olijfolie meer hebben. Zelfs de huisvoorraad is op. Daarom gaan we te voet naar het dorp. Eerst een eind ons weggetje af lopen, langs het gele huis, en dan langs de uitvalsweg omhoog het dorp in. Wat we al dachten: het is een aardige klim. Bij de rand van de het dorp spot Michel een mooi houten trappetje dat ons veilig naar de dorpskern leidt zonder dat we ons in een haarspeldbocht hoeven te begeven die steil op de helling ligt, en waar de auto’s (wij ook hoor) op goed geluk doorheen rodelen. Eenmaal boven kiezen we de straat midden door het centrum. Meer dan een steeg is het eigenlijk niet, daarom staat er aan weerskanten een koddig klein verkeerslichtje om gedoe met tegenliggers te voorkomen.

Op de kop van het dorpje, tegen het eerste huis aan, staat een bankje. Daarop zitten twee oude heertjes wat te keuvelen. Tot dusver heb ik ze elke keer dat we een rondje om de dorpskern reden, zo gezien. Maar hey, dit is Italië. Je zou toch niet anders verwachten?

Als we de hele straat – die in het midden even uitwaaiert tot een nauw pleintje met café én alimentari – zijn doorgelopen, kunnen we langs de kerk door een nauw poortje de stad uit. En, zie daar: we staan boven aan de parkeerplaats die we al kennen. We vervolgen onze route naar beneden, om het hoekje, naar de Coop. We halen olijfolie, wijn, en als toetje panna cotta. In het drankenschap spot ik een enorme fles helder vocht: 90% pure alcohol. Ik sta ervan te kijken, Michel niet. ‘Dit heb ik wel eens meegenomen voor vrienden. Hier maak je zelf limoncello mee.’ Iets minder verbaasd loop ik door. Het is ten slote Italië.

We lopen linksom rond het dorp en kijken waar in het dal we ons huisje zien. Dat is niet moeilijk: je volgt de electriciteitsdraad naar beneden en tada, daar is het huisje. Het kost Michel soms wat tijd om dat ook echt te bevatten, want op wonderlijke manier draait hij de omgeving soms zo, dat voor hem alles in een andere richting ligt. Ik wijs het huisje aan, houd me bewust een paar minuten stil, totdat alle ‘huh’ ‘oh’ ‘hè?’ ‘oh’ ‘nee’ ‘of toch?’ ‘ach ja!’ kreten over zijn, en dan weet ik dat we het allebei zien.

Links van ons is inmiddels een oud dametje op een bankje gaan zitten. Ze draagt een gewatteerde jas, wat bij dit weer nogal gek is. Maar oude mensjes kunnen het koud hebben. Ze heeft een opengevouwen boekje met kruiswoordpuzzels in haar ene hand, een pen in haar andere. Ze merkt ons niet op. De keuvelende mannetjes, die we vanaf hier weer kunnen zien, ook niet. Dit is hier vast heel normaal.

We lopen het dorp weer uit via de twee steile slingertjes, nu ons schrap zettend naar beneden. Motorgeluid van om de bocht waarschuwt ons voor felle kleine autootjes die zichzelf onbesuisd tegen de heuvel op slingeren. Dat hier een voetgangerstrap naar beneden is aangelegd, is waarschijnlijk maar beter voor de veiligheid ook. Ik probeer de iets kortere en steilere Via Santa Lucia (soms geschreven als Santa Luca) nog even, maar beland aan het begin van iemands erf. Je weet nooit of daar een doorgang is, en belangrijker: geen waakse hond. Zoveel winnen we er niet mee, dus ik klauter weer omhoog, waar Michel nog staat te wachten. Op het laatste moment merken we twee honden op, die vanaf een garagedak geïnteresseerd naar ons kijken. Gelukkig blijft het daarbij.

De rest van de weg moeten we in de berm lopen, maar dat gaat. Dan komen we weer bij het gele huis. Tot onze verbazing loopt de hond buiten. Hij komt om het huis heen en draaft zo via het openstaande hek de weg op. Bij elke paar meter blaft hij naar ons. We lopen maar gestaag door, nu en dan achterom kijkend. De hond volgt ons op een tiental meters afstand. Wij lopen over zijn erf, dat is duidelijk. Geen eigenaar die hem terugroept. We verwachten net dat hij een sprintje in zal zetten, wanneer hij stopt. We kruisen het riet bij de waterstroom en laten de hond achter ons. No way dat we nog teruggaan.

Michel maakt eten, ik ruim de droog geworden was op. Terwijl de zon langzaam naar het westen zakt maak ik prachtige foto’s van het hele dal. Het is hier zo onmetelijk uitgestrekt, je raakt maar er niet op uitgekeken, en tegelijkertijd veel te snel aan gewend. Het vooruitzicht dat we over ruim een week weer dichter bij de beschaving zitten, is nog niet voor te stellen.

zaterdag

Het is vandaag precies vier jaar en twee dagen geleden, dat Michel met zijn oud-collega’s Erik en Laura in Pitigliano afsprak. Vandaag gaan we er weer naar toe om Erik te ontmoeten; Laura kon dit maal niet. Voor Michel is dit een soort geplande reünie, voor mij is het inmiddels het tweede jaar dat ik naar dit prachtige dorpje ga. Een lange rit wordt het wel, dus gaan we bijtijds weg.

Erik is met de auto op weg door Italië en kampeert overal en nergens. Michel heeft zijn route zuidwaarts zo’n beetje kunnen volgen. Omdat Erik al nabij Rome kampeert, en Pitigliano nou eenmaal dé leuke plaats met die geweldige herinneringen en dat goede restaurantje is, spreken we daar af. Even hebben we getwijfeld over een overnachting aldaar, maar we zagen er van af.

We scheuren met de auto zuidwaarts richting Massa Marittima. De navigatie stuurt ons bij Ghirlanda linksaf de velden in. ‘Gaat dit goed?’ informeert Michel. Hij wilde eigenlijk door naar Follonica en daar de Aurelia op. Nee, we gaan eerst een eind zuidoost langs provinciale wegen. De airco doet goed zijn best, maar wint het niet van de hitte. De zon kruipt steeds hoger, en we moeten nog zeker anderhalf uur. Maar, dat wisten we. En het is het helemaal waard. Pitigliano is een adembenemend stadje, schitterend om te zien. Het is alsof de hele stad omhooggerezen is uit de steile tufsteen rotsen waar het tot aan de rand op gebouwd is. Dat trekt zeker toeristen aan, maar zoals overal hier in Toscane: non che un solo pollo. In mijn woorden: ‘er is geen kip’. Verwacht geen massatoerisme zoals in Rome of Florence.

Net als vorig jaar heb ik weer een mooie jurk uitgekozen. Voor het rondflaneren in zo’n fotogeniek stadje moet je niet te praktisch gekleed gaan. Mijn rode, synthetische jurk leek me stunning, maar te warm, dus heb ik voor mijn donkergroene jurk van dik katoen gekozen. Sandaaltjes eronder, hoedje op.

Na eindeloze rit door de velden draaien we de SS1 op, waar we bij Albinia weer spoorslags af gaan naar links. Ik herken dit nog van vorig jaar. Hier in de buurt ligt de Via Aldi, vast niet vernoemd naar de supermarktketen. Dit jaar belanden we gelukkig niet achter een traag rijdende auto met boot op de oplegger. Na enig slingeren door de pijnbomen in het vlakke land komen we bij het eerste kleine suikertaartje, wat we herkennen als Manciano. Het staat ook overal op de borden. Toch zijn we er nog niet: het suikertaartje heet Marsiliana, en ligt kennelijk in de regio Manciano. Volgens de klok zijn we er ook nog niet. Maar dit leek vorig jaar allemaal veel dichterbij…

Eindelijk, na om het echte Manciano heen getold te zijn, zien we na een heuvelkam opeens het prachtige Pitigliano voor ons liggen. We passeren enkele toeristen die langs de kant van de weg foto’s van de stadsfaçade staan te maken. We rollen ook voorbij de inham in de rotswand, waar we vorig jaar zelf foto’s maakten. Dan weer omhoog, links, rechts, zigzaggend het stadje in. Michel piekert alvast over een parkeerplaats. Erik appt iets – waarschijnlijk dat hij er al is. Michel rolt rechtsom naar een straat met parkeerhaventjes, maar alles staat vol. Met wat klungelen en eenrichtingsverkeer komen we dan weer uit waar we begonnen, en Michel besluit om maar gewoon te parkeren waar we dat vorig jaar ook deden. Ietsje lopen vanaf de stad, maar altijd plek.

Inderdaad, en na een klein wandelingetje terug gaan we onder de stadspoort door, en volgen we de nauwe keienstraatjes richting Il Ceccottino. Het logo met het konijn op de rol papier snap ik nog steeds niet, maar het is zo leuk. En het eten is er heerlijk. Erik zit al op het terras ‘op zijn vaste plekje’ en begroet ons hartelijk. We schuiven aan, de obers en serveersters schieten ons toe. Bruiswater, wijn, alcoholvrij bier, en overheerlijke gerechten. We maken er een ruime, smakelijke lunch van. Er wordt veel bijgepraat, herinneringen opgehaald. Het is warm, maar we zitten op het smalle plein in de schaduw van een grote parasol. Er staat een klein briesje. Een perfecte middag om met niet al te veel aandacht door te brengen. De uren zweven voorbij.

Na het feestmaal doen we een kleine ronde door het stadje. We bekijken een kerk, piepen steegjes in die ons een prachtige blik op het dal rondom de stad geven, bestuderen naambordjes, ik koop een kaartje voor vriend Koen. We schuiven nog even aan bij een bar in een ander deel van de stad. Het plein waaraan deze bar gevestigd is, eindigt in een prachtig weids bordes. Links en rechts gestapelde tuinen, geplakt tegen de achterkanten van nauwe stadswoningen. Voor me, een vallei, met heel in de verte een andere wijk op een volgende heuvel. En daar, links, in de diepte, een waterval! Ik probeer het allemaal op de foto te zetten. We drinken fris, espresso, en snaaien zoete koekjes. Dan kijken we naar de tijd. Tegen zeven uur! Oei, als we niet gauw gaan rijden, zijn we pas tegen negenen thuis. Dus lopen we naar de parkeerplaats, waar Erik ook blijkt te staan geparkeerd, en na gedag zeggen gaan we ieder ons weegs.

Eenmaal op de weg herinner ik me wat. We wilden nog naar de enorme IperCoop in Grosseto. Ik tik het in op de navigatie. ‘Half negen’ zucht ik. Sluitingstijd: óók precies half negen. Ik zucht dieper. Het leek me zo leuk om even een half uurtje rond te dwalen in die enorm grote supermarkt, gelegen in een centrum zo groot als een luchthaven. Ik had nog een aantal kleine dingetjes op mijn boodschappenlijstje staan, die ik daar wel dacht te vinden. Maar hoe ik de route ook uitreken en hoe Michel ook de maximum toegestane snelheid volhoudt, we kunnen er niet eerder zijn dan twee voor half. En dan ben je nog niet eens twee stappen in de inkomhal.

We zoeven over de snelweg voorbij de afslag naar het Centro Commerciale Maremà. Waar we al de hele rit last van hebben is de laaghangende zon. Eén reden om volgende keer toch wel te overnachten in Pitigliano. We zouden natuurlijk ook vakantie kunnen vieren in een huisje ten oosten van de stad, maar daar ligt onze interesse niet zo.

We zijn weer acuut wakker uit ons zomerse gemijmer, als we de SS1 naar het noorden op draaien, ten noorden van Fonteblanda. De oprit naar deze snelweg is namelijk betrekkelijk klein. Zo klein, dat zelfs Duitsers er van zouden schrikken. Het ene moment slaan we rechtsaf op een T-splitsing, het andere moment horen we een auto vlak achter ons verhit toeteren. Deze oprit begint gewoon direct op de rechterbaan van de snelweg, wees gewaarschuwd.

Vlak bij Monterotondo Marittimo rijden we langs een dal met, lager op de heuvel, een verlaten elektriciteitscentrale. De zon gaat bijna onder, het uitzicht is prachtig. Ik vraag Michel om om te keren en daar even op het terrein te stoppen. Zo staan we enkele minuten later buiten de auto in de zwoele avondlucht. We strekken de benen en lopen een eindje van de auto weg, totdat we goed uitzicht hebben. De zon is al achter de heuvel verdwenen, de horizon kleurt zachtroze en grijsblauw. We turen naar de rijen blauwe bergen en menen ze te herkennen van het zicht uit ons huisje, niet ver van hier. Heel in de verte meen ik de zee te zien, en daar achter wat bergen van nabije eilanden. Het kan. Ik heb mijn luxe camera niet bij me (zoals altijd) dus ik verg het uiterste van mijn telefooncamera om alles in de verte vast te leggen. Dan staan we een tijdje in stilte uit te kijken. Stilte, eenvoud. Rust.

Als de schemering verder inzet rollen we onze auto door het stadje naar ons huisje. Ook hier zijn de laatste uren van de dag nog getooid met stralend warm licht. We zetten ons op het achterterras om te lezen en te schrijven. Als het donker wordt verplaatsen we ons naar bed.

zondag

Na zo’n dag met een lange rit is het goed om zondags rust te houden. Na het ontbijt ga ik op het terras zitten schrijven. Michel wandelt naar beneden en slaapt een tijd. Intussen doe ik de afwas en sop ik de vies geworden voorruit van de auto. Ook heb ik gisteren onbedoeld een vlek in mijn handtas gemaakt en wil die eruit wassen, maar het lukt nog niet echt.

De vlek is erin gekomen doordat ik bij de laatste bar in Pitigliano een zoet koekje meenam. Het bolletje koek was zo vettig, dat het in de warme tas zo door de voering heen een vetvlek in het leer maakte. Nu breek ik mijn hoofd over de manieren waarop ik de donkere vlek uit de mooie bruinleren tas kan poetsen. Diverse pogingen met zeep hebben niets uitgehaald. Ik speur het internet af en bezin me op groene zeep. Ik wil het eigenlijk tot thuis laten rusten, maar ik ken mezelf: dit moet opgelost worden, letterlijk. Ik zeg niet dat ik het doe, maar ik vermoed al dat ik de komende dagen in de supermarkt een oogje open houd voor een middeltje.

De dag trekt voorbij zonder enige verdere noemenswaardigheden. ’s Avonds ga ik weer in de hangstoel liggen, want dat voelde zo goed. Maar ditmaal vallen de kleine mugjes me al gauw van alle kanten aan. Hoe ik me ook in mijn lange broek opvouw, telkens voel ik prikjes. Dan maar naar binnen. Ah, bedtijd.

maandag

De vakantie begint zich al aardig te weerspiegelen in ons dagritme. We staan vandaag pas om tien uur op. Het is ook niet onaangenaam in de slaapkamer. ’s Ochtends doe je de luiken van het raam en de terrasdeur open. De roldeur naar de badkamer opzij, en dan stroomt er van drie kanten licht de kamer in. Elke ochtend zijn we weer verbaasd dat het alweer lekker weer is. Zodra we uit bed willen, wandelen we eerst even een stukje over het terras. Het is nog koel daar. De eerste wespen en vlinders zwermen je met grote haast voorbij; hun dag is allang begonnen. Verderop in de heuvels hoor je een bosmaaier, of het geblaf van een hond. Het is zo ver weg dat niemand je echt kan zien. Na wat opsnuiven van de frisse ochtendlucht begeven we ons dan door de slaapkamer naar boven.

Tegen tienen stappen we in de auto. Eerst door het dorp, om ons vuilnis van deze week weg te gooien. Er is één tas met groenafval die we maar nergens kwijt kunnen. Dus stappen we de supermarkt binnen en vragen het daar – de smoezelig uitziende spul omhooghoudend. De medewerkster aan de infobalie spoedt naar achteren, waar ze de slager vindt. Ja, de slager met de creepy oogjes! Hij blijkt het beste Engels te kunnen. Met diezelfde intense blik kijkt hij in de verte en raadt ons aan naar ergens noordelijk buiten de stad te gaan – daar zal een stortplaats voor groenafval zijn. Tsja, dat ligt helemaal in de verkeerde richting. We bedanken hem en gaan eigenwijs gewoon op pad naar het zuiden (hij zal het toch niet weten, want we moeten sowieso het eenrichtingsverkeer de stad uit volgen).

Op naar Follonica. Daarvoor nemen we de uitvalsweg die vlak bij ons huisje begint. Net honderd meter de weg op zien we opeens vuilcontainers, waaronder eentje voor groenafval. Há! Het is verder een prachtige rit door golvend landschap, niet eens zo lang. Natuurlijk is het wel weer warm onderweg. Zodra we dichter bij de stad komen worden de wegen drukker. We parkeren bij de boulevard, waar een groot reuzenrad staat. Maar dat is niet het enige dat opvalt. Direct aan de parkeerplaats staat een torenhoog flatgebouw, hoger dan ik ze uit Toscaanse steden ken. Ook in de omringende straten staan hoge gebouwen, die allemaal niet bijster goed onderhouden zijn. Afbladderende verf en kaal beton. Bouwsteigers en balkons gestut met stempels, die er al enige maanden tot jaren staan. Dit is dan mijn eerste indruk van Follonica. Om het gevoel compleet te maken, schiet ik twee selfies van Michel en mij, die later uitpakken als albumcovers van een slechte rapgroep.

We wandelen de boulevard af op zoek naar een zaakje om te lunchen. Er lijkt niet veel open te zijn, dus slenteren we maar wat. Ik rammel van de honger en de zon brandt op onze hoofden. Ik wijs een bord aan waarop Italiaanse zeegerechten staan geadverteerd. Michel kijkt wat bedenkelijk, maar ach ja, wie weet wat er achter zo’n simpel aanbod schuilt? We gaan het eethuisje binnen, dat niet meer is dan een bar en een veranda met strandzicht. Dit kan een parel of een misser zijn. Bij het drinken bestellen fronsen we al wel onze wenkbrauwen. Ik krijg een tonic, Michel krijgt simpelweg een klein blikje ijsthee voor zijn neus. Geen glas, niets. Bamboe bestek en een simpel servetje worden voor ons neergelegd.

Nog voor we goed en wel een slokje drinken hebben kunnen nemen, staat de serveerster alweer voor ons met twee slappe bamboe borden vol met iets van pasta. We knijpen onze ogen toe. Hoe gaat dit smaken? Nou, niet. De pasta is rubberachtig en de smaak ver te zoeken. Michel eet met lange tanden en wordt heel, heel stil. Ik heb hartgrondig spijt dat we dit barretje hebben gekozen. We happen wat van de prut weg, mengen de spartaanse salade zelf. We kijken elkaar aan, staan op, betalen en vertrekken. Dit nooit meer!

Het kost een tijdje voordat Michel weer vocaal wordt. Ik stel voor om bij een grote strandtent verderop ijs te gaan halen. Daar klaart hij van op. De bolletjes fruitijs die we daarna weghappen, staande in de schaduw aan de rand van de boulevard, verdringen de vieze eenvoudige smaak van de vispasta gelukkig. Helemaal goed is het nog niet. Zwijgend lopen we terug naar de auto en rijden naar de Coop.

De Coop in Follonica is groot. We hebben ook aardig wat spullen nodig, dus Michel rolt de kar rond en ik ga alle gangpaden af naar interessante dingen. Het vinden van een doos eieren wordt voor mij een hele toer. Ik vraag een medewerkster naar l’uove maar dat verstaat ze niet. Een Amerikaanse toerist mengt zich ongevraagd in en zo word ik tweetalig geïnstrueerd waar die dingen liggen. Het amerikaans versta ik beter, maar voor de Italiaanse medewerkster heb ik meer respect; ik vroeg het haar tenslotte. Dus als ze allebei uitgerateld zijn weet ik nog niks, behalve dan dat het ergens links achter me moet zijn. Ik bedank ze beide en verdwaal een eind in de beschreven richting. Wanneer ik eerst de eieren, en daarna Michel heb gevonden, zie ik dat hij al eieren had gepakt. Dus ik verdwaal weer terug in de richting die ik me het best herinner.

Achter in de supermarkt vind ik een hoek met alleen maar muggenverdelgingsmiddelen. Het is letterlijk een heel pad lang. Van simpele sprayflesjes tot grote spuitbussen tot kaarsen, wierookspiralen en zappers voor in het stopcontact. Elk mogelijk middel dat is uitgebracht vind je hier. Ik ben overweldigd.

Vermoeid ga ik op zoek naar Michel. Die vind ik zo lang niet, dat ik hem tracht te bellen. Plotseling zie ik hem met zoemende telefoon recht voor mijn neus staan. Há! Hij verdenkt mij ervan, dat ik mij (bewust) precies achter kopstellingen verschool, terwijl ik hem zocht. Ik laat het maar gaan. Ik wil naar huis.

We bliepen onze enorme voorraad aan boodschappen door de kassa en rollen in de snikhete auto terug naar huis. We nemen het heuvelige bosweggetje weer. Het is werkelijk net een geasfalteerde achtbaan. Hier en daar een podere of een agricultura langs de weg, overal weids uitzicht. En we eindigen: vlak bij onze voordeur. Dat vind ik dan leuk.

Michel blijft de hele namiddag nog wat sip vanwege de smakeloze lunch. Hij gaat daarop maar zelf lekkere pasta met zalm maken. Ik draai ’s avonds nog een wasje en dan gaan we maar weer naar bed.

dinsdag

Zodra ik vandaag het zijterras op stap zie ik iets opmerkelijks. Tegen de muur ligt het minuscule, aangevreten lijfje van een grote groene sprinkhaan. Piepkleine rode miertjes zijn druk in de weer het hele karkas in kleine hapjes naar de hoek van het terras te transporteren. Ze doen dat zoals alle mieren, in een strak geordende kolonne vlak langs de muur. Terwijl we ontbijten kijken we ernaar.

Ik vraag me af hoe deze logistieke exercitie beter kan, en ik weet het: het karkasje moet direct in de hoek bij de deur liggen. Dan hoeven die mieren niet zo ver. Dus met een klein papiertje lepel ik de onderdelen van de sprinkhaan naar zijn nieuwe bestemming. Alle miertjes natuurlijk in de war. Het duurt een uur voordat geen mier meer helemaal naar de nu lege plaats delict wandelt. Hoewel: er moet natuurlijk nog wel schoongemaakt worden, dus daarvoor blijven er vier achter. Daarna moet er nog gewaakt worden dat er op de plaats niet iets nieuws catastrofaals gebeurt, dus blijven daarvoor nogmaals twee miertjes achter die ter plekke alleen maar rondjes patrouilleren. Na enige tijd komen er dan twee andere miertjes die ze aflossen, en zo gaat het de hele ochtend nog door. Ondertussen wordt het karkasje in de hoek nu in veel hoger tempo ontleed… en… tsja? ergens in een piepklein gat in het beton weggesluisd. Opdat ze er maar lekker van eten, denk ik.

Ik trek deze ochtend een zomerjurk aan, want het is al aardig warm. Bij het passeren van de badkamer zie ik een vette zwarte spin zitten. Misschien wel dezelfde als laatst. De spin zit op de witte rulle badmat. Hij lijkt wel te genieten van zijn mooie plek. Ik moet toch echt naar het toilet tegenover hem, dus we moeten in conclaaf. Ik stamp tweemaal goed hard op de vloer zodra ik de badkamer in stap. De spin schrikt zich rot en vlucht onder het grote houten kabinet waar de wastafels op staan. Tijdens mijn bezoek zie ik hem niet meer terug. Later op de dag zie ik hem toch weer op de mat zitten. Zodra ik binnenloop schiet hij weer onder de kast. Ach, goed zo. Alle uren dat wij hier niet zijn, kan hij hier prima vliegen vangen.

Ik zet me weer op het zijterras aan tafel met de laptop en knutsel aan een webproject. Michel leest en slaapt. We eten deze avond op het achterterras bij de laatste zonnestralen. Daarna lezen we tot we omvallen van de slaap. We hopen nog op de komst van zwijntjes, maar we horen niks. Wel eigenwijze vogels, die plots in het donker weer nood zien tot heel schel gefluit.

We zien wolken overtrekken, heel donkere, zware. Ik heb Michel een beetje geleerd om wolken te herkennen, zodat je weet of er onweer aan komt. Bloemkolen en paddestoelen betekenen niet veel goeds. Hoge ‘windveren’ zijn okay. Vanavond zien we echt bloemkolen zichzelf hoog opstapelen aan de zuidwestelijke lucht, terwijl ze traag over de ronde berg trekken. Gelukkig, ze vallen niet.

woensdag

Vandaag lopen we na het ontbijt naar de weg toe met een tasje oud papier. We hebben laatst de containers zien staan, zo dichtbij, dat we mooi te voet wat kunnen gaan weggooien.

We passeren het gele huis, waar de gevlekte hond gelukkig niet naar buiten komt. Maar dan! We slaan rechtsaf en lopen enkele meters naar beneden de weg af. Plotseling staat er in het veld schuin voor ons een grote borstelige grijze hond! Zijn tuin is een woelige olijfboomgaard met als afrastering één dunne stroomdraad op kromgebogen paaltjes. Je kunt beter zeggen: er is geen afrastering, heel de weg is óók zijn tuin. Dat lijkt hij ook te weten, want hij zet zijn poten schrap in het gras en kijkt ons uitdagend aan. Een eerste waarschuwende blaf volgt.

Nope, ik ga niet meer verder. Sterker nog, ik draai me om en begin terug te lopen. Kijk achterom. Michel is blijven staan. Hij is blijven staan! ‘Michel!’ roep ik fel. ‘Njaaa…’ zegt hij terwijl hij kalm achteruit loopt. Gespannen draai ik me weer om en loop nog wat stappen terug naar huis. De hond is inmiddels ook wat stapjes dichterbij de rand van de weg gekomen.

Michel loopt nog steeds achteruit en bereikt mij. We zijn voor ons gevoel nu uit het gebied van de hond. Je ziet het ook aan hem; hij ontspant en keert zich weer om naar zijn huis. Met kloppend hart wandel ik terug, we gaan gelijk door naar het dorpje. Daar vinden we bij een pleintje wel een papierbak waar we alles kwijt kunnen. Ik adem eens diep in en uit.

‘Waarom bleef je staan?’ informeer ik bij mijn lief. Hij kijkt bedenkelijk. ‘Omdraaien en wegrennen leek me geen goed idee. Dus ik ben hem aan blijven staren, kijken of dat indruk maakte.’ Ik weet hier niets op te zeggen, maar ik vermoed dat hij gelijk heeft. Je zag al, dat durfde ik dus absoluut niet.

We lopen door naar het postkantoor en posten mijn kaart aan Koen. Het is zo’n typisch Poste Italiane-kantoortje dat maar twee ochtenden in de week geopend is. Binnen staat de gewoonlijke foldermolen met pamfletjes over de meest voordehandliggende geldtransacties. Achter de balie één vriendelijke dame. Naast haar is de balie verhoogd, en je zou haast denken dat daar een souffleur zit ofzo, die haar alles influistert. Italiaanse postkantoren blijven een fenomeen.

We maken te voet nog een ronde door het dorp. Telkens komen we een klein bestelautootje tegen, dat op zijn beurt overal langs de weg stopt om met lokale inwoners een praatje te maken. Die man komt ook niet aan zijn werk toe, zeg. Gezellig is het wel. Zodra we bij de hoek met het uitzicht komen, zie ik wel de mannetjes keuvelen. De vrouw met de gewatteerde jas en haar kruiswoordpuzzel is er nog niet.

We kijken naar de huisjes in de steeg die de stad in tweeën snijdt. Er staat veel te koop. Maar ja, wat krijg je dan. Een verticale schoenendoos zonder uitzicht. Geen blik op zee, tenzij je op het dak kunt staan. Verderop knipt een kapster een mevrouw in haar salon. We komen weer bij het poortje naar de parkeerplaats. Ditmaal merk ik de kerk op die ernaast ligt. Even binnen kijken. Het is een heel sobere kerk, dat zal wel bij de tak van de religie passen. Geen beelden, geen franje. Het is heel stil en rustgevend, zoals een kerk hoort te zijn. We gaan door het poortje, wandelen de parkeerplaats af naar beneden, en vinden verderop aan de straat weer een trap omhoog langs de huisjes. Zo staan we weer in het stadje. Als we de steeg weer doorgewandeld zijn, zien we dat het kruiswoorddametje haar plaats in heeft genomen. De heertjes keuvelen er nog op los. Tijd om weer naar huis te gaan.

Eigenlijk doen we weer hetzelfde vandaag: ik zit wat aan mijn laptop, Michel leest zijn boek. Rondom het terras zoemt en fladdert van alles dat bestemmingen heeft waar wij niets van weten. Het is warm, maar we zien de lucht aardig betrekken. Zou er regen komen?

’s Avonds eten we pasta op het zijterras en blijven daar zitten lezen. Er zijn geen dieren vanavond. Ik eindig mijn boek van Lieve Joris en begin in een reisverhaal van Cees Noteboom. Je moet je klassiekers wel kennen. Zodra we moe worden, gaan we naar bed.

donderdag

Vandaag worden we weer wakker met heerlijke zonneschijn. Kan het ook anders hier? Op een nachtje onweer vorige week na hebben we hier nog geen spatje regen gehad. Ik hoop dat het hier wel regelmatig regent, dan krijgen de planten ten minste iets om te groeien.

Nee, vandaag schijnt de zon fel. We ontbijten en na twee gebruikelijke cappuccini begin ik aan mijn plan. Ik wil namelijk op deze mooie locatie een paar keer op de foto. In een mooie jurk, lezend, schrijvend, met laptop, en natuurlijk een bel wijn. ‘La bella vita’!

Ik bereid de camera voor, zet de laptop klaar en zoek een mooi neutraal boek uit de kast. Ik sloop het tafelstatiefje doordat mijn spiegelreflexcamera veel te zwaar is voor de plastic schroefdraad. Hè pech, het ding kostte ook maar twee euro vijftig, in Dresden, twaalf jaar geleden. Ik maak van een zakje pasta een een beanbag en probeer mezelf op de foto te zetten met behulp van mijn afstandsbediening.

Het lukt niet. De camera zakt naar voren, ik moet te vaak corrigeren, wat een gedoe. Dus loop ik naar boven om Michel van zijn boek los te rukken. Hij wil me zeker wel helpen door de foto’s te maken. Dus ik regisseer, en hij drukt af. Eerst maken we sfeerfoto’s waarbij ik een boek sta te lezen. Ze worden te donker. Samen prutsen Michel en ik aan de flitser tot we het heus voor elkaar hebben om hem nét genoeg te laten inflitsen. Na een paar geslaagde foto’s bedenk ik me dat ik de witbalans nog had moeten corrigeren op het flitslicht, maar daar is het nu te laat voor. We’ll do that in post!

Door naar de volgende foto. Ik zet me aan tafel met een glaasje wijn en mijn laptop. Michel krijgt de smaak echt te pakken, wat leuk. Hij dirigeert me aan alle kanten. ‘Rechtop! Armen ontspannen! Kont naar achteren!’ (…echt?) ‘Benen iets schuiner tegen elkaar. Ja die ene iets hoger dan de ander!’ Ik heb op dat moment geen flauw idee hoe dat de foto verbetert, maar hij zegt het. Later bij het terugkijken zal ik ook zien dat het heel elegant oogt.

We verplaatsen onze setup nog even naar het achterterras en ik wissel om naar een gele kokerjurk. Ik probeer zo net mogelijk op het stoeltje plaats te nemen. Toch ziet het er vooral heel on-ergonomisch uit. Ach, het gaat om het idee… …dat het glaasje wijn ook steeds leegraakt en bijgeschonken wordt door mij, helpt óók niet. Maar je moet plezier hebben! En dat hebben we alletwee.

Na de hele fotosessie maakt Michel lekkere piadine en zet ik me aan wat echt schrijfwerk. Terug in comfortabele linnen broek en shirt, dat wel. We zweten inmiddels peentjes, in de zon zitten is er niet bij.

Dan gaat de bel. Wat er volgt is beschreven in deze column. Er staan twee mannetjes van de energiemaatschappij Enel aan de voordeur. Uit hun leuke Italiaans begrijpen we dat ze de meterstanden op willen nemen. Waar dan? Ik raad Michel aan om de verhuurster even te bellen. Maar, al gauw weten ze een deur links onder het huis te vinden. Die moet open. De sleutel vinden ze eigenhandig ergens onder de carport. Intussen appt Michel al met de verhuurster. Terwijl de mannetjes onbezorgd de meterstand opnemen, ben ik Michel even kwijt. Zelf loop ik naar het zijterras van het huis, waar onze laptops en telefoons nog liggen. Ik breng alles toch maar even naar binnen. Michel schijnt op zijn rondje ongeveer dezelfde gedachte te hebben gehad. Hij heeft geruisloos de luiken en deuren van de vertrekken op de benedenverdieping gesloten. Beide waren we van mening: wat als je door twee ‘monteurs’ aan je deur wordt beziggehouden, en een derde gaat vrolijk je huis door op zoek naar alles van waarde?

Na gedane zaken vertrekken de monteurtjes weer. We zien ze op de heuvel bij de twee naburige huizen parkeren voor een bezoek. Dat zal wel snor zitten. De rust is weer wedergekeerd in Casa Viva.

’s Avonds gaan we naar restaurant Che C’e C’e (vrij vertaald: ‘het gaat zoals het gaat’). Het is hét restaurant van het dorp, tevens lokale snoep- en ijswinkel, met een overdekt terras dat altijd net iets voller zit dan dat van het naastgelegen café, en continue aanloop van dorpsbewoners. Volgens de Google reviews is het echt heel authentiek en kan men er heerlijk koken.

Nou, smakelijk eten doen we. Het is er echt prima. Geen hoogstandjes à la Ceccottino in Pitigliano, gewoon een fijn klein restaurant waar je in de cantina aan stevige houten tafels eet. Aan de muur hangen nagemaakte tijdschriftcovers van Forbes, Quote, allemaal met de mascotte van Che C’e C’e erop. Hier heeft iemand hart voor de zaak. Na het toetje keren we weer huiswaarts met onze bolide.

De nacht valt en brengt ons wolken. Goed volgegeten slapen wij geheel door die weersverandering heen.

vrijdag

Vandaag is het tot onze lichte verbazing bewolkt, en koeler dan we gewend zijn. Als we de luiken en de terrasdeur opendoen waait er een aardige wind door ons slaapvertrek. We rollen weer terug in bed en genieten van onder de klamboe van het weer. Het lijkt ook niet alsof het nog gaat opklaren vandaag. Ik ben blij dat ik de sfeerfoto’s gisteren heb gemaakt.

We ontbijten, en rijden tegen twaalven naar Massa Marittima voor inkopen. Daar wordt het toch wel weer zonnig. De navigatie stuurt ons in het centrum telkens naar de achterkant van de supermarkt, waar een groot hek het ons onmogelijk maakt om de parkeerplaats op te rijden. Ditmaal geef ik een kaartfout aan in de software. Hopen dat daar wat mee wordt gedaan. Wij vinden zelf onze weg wel. Als we bij de supermarkt in de schaduw willen parkeren, kan dat niet omdat een Italiaan zijn auto dwars over de enige twee schaduwrijke parkeerplaatsen van het hele terrein heeft gezet. Die cultuur ook hè…

We lopen ook vandaag weer even naar het oude centrum. Ditmaal kiezen we Michels route langs de straat. Het is heet en er is niet zo veel moois te zien. Er zijn vandaag veel toeristen. Ik wil nog even een kijkje nemen in de Cattedrale di San Cerbone. Ik steek een kaarsje aan voor wijlen mijn oma, die gisteren 102 zou zijn geworden. We verlaten de kerk weer en zoeken in het felle zonlicht naar een cafeetje waar we nog kunnen lunchen. Maar helaas, het is al te laat, alle keukens gaan dicht. Een ijsje kan er nog net wel vanaf. Dan keren we weer terug naar Monterotondo Marittimo.

We komen achter een trage vrachtwagen te rijden, die een complete containerwoning vervoert. ‘Kijk, daar gaat ons nieuwe huis’ grap ik tegen Michel. Hij vindt het wel rustig rijden zo. We slingeren weer door de heuvels terug naar het noorden. Dan komt er ook nog een kiepwagen voor de trailer rijden. Nu schiet het helemaal niet meer op. Dat laat de trailerchauffeur aan zijn voorganger weten door een kort toetertje. De kiepwagen toetert terug en gaat bij eerste gelegenheid kort in de berm staan. Hij laat onze karavaan passeren en voegt dan op een slakkengangetje weer in. ‘Oh’ zegt Michel ‘kan ik dat dan ook zo doen?’

We nemen de zon met ons mee naar huis. Het is droog en drukkend. Ik trek mijn bikini aan, voor iets anders is het gewoon te warm. Dan vallen de eerste grote druppels op het gazon. Ik spring onder de overkapping uit en dans in de regen. Michel legt het vast. Nog geen minuut later barst de regen finaal los en koelt het aardig af. We trekken gauw wat warmers aan en blijven op het terras van de regen genieten.

Michel heeft net toevallig zijn warme vest in de auto laten liggen. Ja, daarvoor moet je honderd meter de heuvel op door de regen, dat maakt het niet leuk! Dus hij behelpt zich maar met de paar andere warme truien die hij mee heeft. Ik trek zelfs mijn jas aan. Wat een kilte opeens! Dan begint ook het onweer. Overal om ons heen horen we het rommelen. Flitsen aan alle kanten van de heuvel. Het onweer trekt langzaam over. De stroom klapt eruit. Straks moeten we beneden achter die deur wat omzetten, waar hadden die monteurs de sleutel vandaan? We trekken de stekkers van onze electronica maar even uit de muur. Je weet nooit hoe het doorslaat. Hoewel we na een tijdje vanzelf weer stroom hebben, klapt hij er daarna nog een keer uit. Dan is het wel onze eigen aardlekschakelaar in de keuken, die we gemakkelijk weer om kunnen zetten. Phew.

Ik kijk over de heuvels rond het huis. Nu eens is het dal helemaal in grijzige zacht watten gehuld, dan weer het dorp bovenop. De turbine verdwijnt helemaal uit het zicht. De dieren ondernemen ook actie. Schichtige vogels schieten in turbulente vlucht de heuvel op en landen als tussenstop in de olijfbomen. Vlinders en andere kleine insecten verstoppen zich op ons zijterras. De wind waait en duwt de grote plukken grijze wolken alle kanten op. Maken we dat ook eens mee!

Voor de lunch eten we een uitgebreid kaasplankje met elk een flesje Crodino. Dat doen we op het achterterras, want daar waait het minder en is het ook nog aardig droog. De avond valt en daarmee lijken ook de grijze nevelen een beetje op te lossen. We worden getrakteerd op een werkelijk prachtige zonsondergang met bonte pastelkleuren.

Omdat we morgen weggaan pak ik vast spullen in en maak ik daarna nog een wandeling rond het huis. Ik dacht dat dat niet kon, door het hoge gras, maar Michel zegt allang een keer rondgelopen te zijn. Dus trek ik een lange broek en stevige schoenen aan en doe ik ook een ronde. Natuurlijk is het gras nat, en er staan ook wat prikkende soorten tussen. Brr. Het is wel leuk zo eens je land te verkennen, maar ik hou gewoon niet zo van beestjes en prikplanten. Snel ben ik weer terug.

Aan het begin van de nacht verwachten we nog onweer, dus we laten de luiken van de slaapkamer open. Het onweer blijkt wat lafjes. Dan maar slapen. We doen alles dicht voor onze laatste nacht in ons landhuis.

zaterdag

Vandaag ben ik vroeg wakker. Het is ook de vertrekdag, dan kan ik niet lekker uitslapen. Ik trek warme kleren aan en wandel zachtjes naar boven. Buiten is het bewolkt en koel, maar niet onaangenaam. Ik zet me met telefoon en boek buiten in een redelijke droge stoel en ga lezen. Vogels vliegen over, insecten zoemen langs me heen. In de verte, lager op de heuvel, zie ik opeens een ree in het veld. Kort daarna verschijnt er een regenboog boven het dal, die ik bijna in volle glorie kan zien. Wat is de wereld toch mooi.

De hangstoel is de laatste dagen in de regen helemaal nat geworden. Ook hebben de lintjes die het kussen aan het frame bevestigen losgelaten. Ik heb geen tijd meer om die vast te naaien, maar ik doe wel even de hoes in de was.

Michel wordt wakker. Hij zoekt een handdoek, maar ja, die ligt al in de wasmand. Moet maar, het is de laatste dag. Ik ruim de schone was op en pak mijn tassen verder in. Welke luiken we ook opendoen, nergens is de zon te bekennen. Het is binnen fris, een bries waait om het huis, de lucht is loodgrijs. Toch is het niet heel koud.

We zetten ons weer op het buitenterras voor ontbijt en twee cappuccini. Dan pakt ook Michel al zijn spullen in en gaan we ter controle drie keer door het huis heen. Beneden, boven, nergens ligt meer iets van ons. Met lichte weemoed trekken we de deur achter ons dicht en stoppen de sleutel op de afgesproken plek.

Bij het verlaten van het dorp gooien we ons afval weg. Dan gaan we richting Sassetta en Castagneto Carducci. Ruim een uur rijden we door het golvende Toscaanse landschap, tot we aan de omgeving merken dat we dichter bij de zee in de buurt komen. Het was daar mooi, het wordt hier ook weer mooi. Iets dichter bij de bruisende wereld, tot we over een weekje weer naar huis moeten.

Natuurlijk gaan we, zoals het hoort op de wisseldag, aan de kust lunchen. We gaan naar Donoratico en parkeren bij zee. Het is heet, veel mensen hebben gekozen om naar het strand te gaan. Zodoende zijn alle parkeerplaatsen dichtbij al vol. We parkeren op een groot open veld achter een hotel, dat op een kilometer lopen ligt. Ik vind het lopen niet erg, maar zo ver van al je spullen zijn op een onbeheerde plek wel. Hoewel, onbeheerd? Er staan ook twee groot uitgevallen campers, waar mensen hun was gewoon buiten hebben hangen.

We lopen naar Il Poeta, maar vangen bot. Het restaurant zit vol! Michel is ontdaan. ‘Kom, we gaan naar wat anders’ is namelijk niet zo eenvoudig gezegd. Wat als we weer zo’n sjofele bar als in Follonica treffen? Toch stel ik het voor. We lopen naar Bagni Santa Lucia. Ook daar is het druk, maar men belooft ons binnen tien minuten een tafel aan het strand te geven. Dat lukt ook nog, en dan kunnen we eindelijk aan de witte wijn (ik), spaghetti alle vongole, en de frittura zeebeesten. Nadien gaan we natuurlijk naar dé Conad in Donoratico. Heerlijk koel parkeren onder de winkel. Michel is weer helemaal blij.

Op naar ons huis – genaamd ‘la Rence’ in La California, een dromerig gehucht bij Bibbona. We rijden noordwaarts, een heel stuk over de ‘oude’ Aurelia. De weg loopt nagenoeg parallel aan de ‘nieuwe’ Aurelia, een verhoogde betonnen snelweg, die volgens onze maatstaven ook allang oud genoemd mag worden. Ons huis zal er niet ver vandaan liggen. Ik check zo nu en dan al uit het autoraampje of ik veel verkeer langs zie schieten.

We vinden het huis links van de weg en draaien de toegangsweg in. Een dame loopt naar buiten maar kijkt niet op. Het blijkt een buurvrouw te zijn, die zich heel discreet niet bemoeit met toeristen. We parkeren maar voor het hek dat we kennen van de foto’s en appen de eigenaar. Er komt een andere dame naar buiten: het blijkt zijn moeder te zijn. Ze leidt ons rond in het huis, wat een oud koets- of stalgebouw blijkt. Heel mooi verbouwd wel. Dan vertrekt ze weer naar Livorno en kunnen wij uitpakken.

Dat doen we ook gelijk. Michels keukenspullen stal ik uit in de keuken. Onze kledingtassen gaan naar de slaapkamer, die dicht tegen het huis van de buren aan ligt. Wat heet? Ons slaapkamerraam kijkt uit op hun tuin! Zo veel privacy als we hadden, zo weinig hebben we het hier.

Zodra we geïnstalleerd zijn pakt Michel de laptop, om buiten zijn autoraces te gaan kijken. Maar de herrie van de snelweg is te luid. Zuchtend komt hij na een tijdje binnen en ploft op de bank neer. De ramen staan open om het huis te koelen, en ook daardoor is het gedender van de snelweg nog steeds te horen. Er is ook veel geruis van de bomen in de riante tuin, en het onophoudelijke gesnirp van de cicaden, wat een beetje op heel luide krekels lijkt.

Ik ga naast Michel op de bank hangen. Hier zitten we dan, op een lekkere middag, binnen in huis, want buiten raast het lawaai alsof je bij een Raststätte zit. Ik zucht ook. Wat als we iets anders vinden…?

Stilletjes pak ik de laptop en ga aan de keukentafel zitten. Vlug zoek ik op Airbnb. Er is een klein spartaans huisje, dat we in onze zoektocht al hadden laten afvallen. En er is een huisje in het bos, net buiten Cecina, dat qua prijs en voorzieningen nét kan. Het belangrijkste: het ligt alsnog dicht bij de kust, en het ziet er vele malen rustiger uit. Ik sluip met de laptop naar Michel en zet me weer naast hem op de bank.

‘We kunnen ergens anders heen’ begin ik. Michel trekt zijn wenkbrauwen op. Hij houdt net als ik niet van verandering. Maar deze omstandigheden zijn er wel naar, dat hij ervoor te porren is. Met een schuin oog kijkt hij de advertentie van beide huisjes door. Al gauw blijft het boshuisje in Cecina over. Het is een optie.

We duiken in de annuleringsprocedure van AirBnb. Ik bel het callcenter. Een aardige Brits klinkende jongen genaamd Rui helpt me door het hele proces. We benadrukken dat we absoluut geen problemen met de verhuurder of de staat van het huis hebben. Maar die tuin, die herrie…

Rui is heel schappelijk, laat zich ontvallen dat wij niet de eerste huurders zijn die dit opmerken. Hij drukt ons op het hart eerst rustig contact op te nemen met de eigenaar, en dan de annulering in gang te zetten.

Dat wil ik wel, maar eerst moet ik een ander huisje vinden. Een nacht in in een hotel is een laatste optie, maar we hebben veel vers eten bij ons en de hele auto ligt vol. Eigenlijk gaat dat niet. Ik wacht met smart op antwoord van Sara, die het boshuisje in Cecina verhuurt. En op instemming van Michel, want die zit zich nog te bedenken of hij hier wel weg wil gaan. Alles gaat alleen in goed overleg.

Michel kookt iets eenvoudigs en we eten buiten onder de pergola. Het geruis van de snelweg neemt zo in de avond iets af, de cicaden gaan onverminderd door. We knipsen de feestverlichting aan en zitten nog een tijdje buiten. Ik krijg een klusje van mijn manege doorgespeeld. Ze weten niet dat ik in Italië zit, maar dat deert niet. Ik heb de laptop open en kan overal bij. Slapen lonkt onderhand wel – het was een lange dag met veel gedoe. Dus gaan we niet lang erna richting slaapkamer. Kijken wat morgen brengt.

zondag

Ik slaap slecht en probeer een tijd op de bank in de woonkamer te slapen. Daar staat echter een heel circus aan hifi en netwerkapparatuur met continu knipperende lichtjes. Ik verkas terug naar bed word in de ochtend met niet het beste humeur wakker. Bij het opstaan en aankleden wandelt de buurman zomaar achter ons slaapkamerraam langs, wat het ook niet veel beter maakt. Michel maakt koffie en ik eet mee met zijn toast, om geen pan vies te maken. Ik wil weg, Michel geloof ik ook. Hoe gaat dit verder?

Zoals gewoonlijk ontbijten we buiten. Hier betekent dat in de herrie van de snelweg. De cicaden overstemmen het niet, de bosmaaiers van beide buren wel. Ongelooflijk, dat ze dat op dit uur gaan doen. Is het al niet lawaaiig genoeg? Na een paar happen ontbijt verhuizen we maar naar binnen. Van een oase zijn we naar een metropool gegaan, en alleen maar omdat er in twee reviews op Airbnb stond dat de snelweg ‘wel redelijk te horen was’. Dat moet een understatement geweest zijn. Mensen die hier kunnen genieten hebben of heel hun verblijf regen gehad en zaten binnen, of ze hadden kinderen of honden. Die laatste twee kun je namelijk lekker hier in de omheinde tuin laten rondrennen, en daar kun je dan weer van genieten. Misschien is dat vakantie voor bepaalde mensen. Niet voor ons.

We hebben de verhuurder voorzichtig gecontacteerd. Sara, van het boshuisje in Cecina, heeft ook gereageerd. Ze bevestigt dat het in haar (ouders) huis koel is en dat we de gewenste dagen kunnen reserveren. Marco vindt het jammer dat we zo’n hekel hebben aan de snelweg, maar oké als we daarom willen vertrekken. Hij is uiterst vriendelijk en begripvol.

Ik boek het huisje van Sara en Michel zet de annuleringsprocedure op La Rence in gang. We doen nog een afwasje en dan pakken we ons hele hebben en houwen maar weer in. Van de versnaperingen en fles wijn hebben we geen gebruik gemaakt, dus die staan nog netjes in de koelkast. Als laatste doe ik nog een rondje door het huis, leg de sleutels op tafel, en trek de deur achter me dicht. La mama zal eerdaags wel uit Livorno komen om te checken. Het is goed zo, wij zijn weer onderweg.

Want, hoe vervelend deze wissel ook is, het is wisseldag en daarom gaan we, om tijd te overbruggen, weer lunchen aan zee!

We doen dat in Donoratico. Maar het is al begin middag, voor Donoratico is het te laat. We rijden naar Cecina Mare. ‘Weet je die treinovergang met die slinger nog?’ zegt Michel na een tijdje. Die weet ik nog. Leuk, laten we langs Località Paduletto rijden, waar Michel twee jaar geleden een huisje had. We volgen een lange zandweg en gaan voorbij aan het bordje ‘privéterrein’. Dat kennen we wel, dat houdt sluipverkeer weg. Wij weten précies hoe we naar de kust moeten komen. Na de località scheuren we rechtstreeks naar het strand. Althans: dat dachten we! De boerenweg die parallel loopt aan het gehucht – en de enige openbare weg hier – zit vol met enorme kuilen. Met gevaarlijke duiken stuitert de Alfa Romeo over het zand. De wielen kraken in hun kasten. Soms zitten we bijna vast. Dan bereiken we eindelijk de bocht met de verharde weg. Bijkomstig voordeel: afvalcontainers. We moesten namelijk nog wat kwijt. Als overlevers van dit hachelijke avontuur gaan we nu even anoniem vuilnis weggooien en zweren we elkaar om nooit meer deze binnendoorroute te nemen!

In Cecina parkeren we, na enig rondrijden op een veld achter een hotel (vandaag, niet gisteren, dit moet ik herschrijven). Bij Michels favoriete strandrestaurant ‘La Capannina’ moeten we weer tien minuten wachten, maar ook hier zitten we daarna wel aan zee. We eten weer pasta met zeebeestjes en ik drink een wijntje. Wat ruisen de golven heerlijk, de frisse zeebries, de hele sfeer! We genieten.

Na de late lunch rijden we naar Michels favoriete Conad (dit is echt het epicentrum van Michels favoriete locaties, snap je wel) en kopen weer veel te veel lekkernijen in. De auto is nu echt afgeladen tot strak onder de achterklep. Hopelijk hebben we straks weer een grote koelkast. De keuken zelf zag er niet al te groot uit.

We hoeven nu maar één rechte weg af naar het huisje. Dus rollen we in de hitte door de zon noordoostwaarts. We laten Cecina achter ons, doorkruisen een aantal braakliggende velden, akkers, en olijfboomgaarden. Overkruisen de snelweg, die hier een slinger ver van de kust maakt. Dan komt er een afslagje naar links het bos in. De Alfa duikt er met zijn neus in. Zand en grit knettert onder onze banden. Links een hoog maaiveld, rechts bos. Rechts afslaan, dieper het bos in. Na links een omheind perceel te hebben gehad zien we opeens de toegangspoort van onze gastgevers. We melden ons en mogen binnen.

Het terrein is één en al bos. Stapvoets rijden we over een paar kronkelweggetjes die je het best kunt vergelijken met het bos in de Efteling. Een kat schiet weg, een hond draaft met ons mee. De moeder des huizes zwaait enthousiast en loopt voor onze auto uit. Na twee volières gepasseerd te zijn wijst ze ons een parkeerplekje. We zullen een aangebouwd vakantiehuisje aan de kop van hun huis bewonen. Omringd door bomen, eigen terras, en veel privacy.

We stappen uit en maken kennis. Gelijk overvalt ons de rust. De cicaden knisperen om het hardst hier, dat zeker. Maar de weg is nauwelijks de horen, en de snelweg al helemaal niet. Wel scharen zich gelijk drie forse tamme honden om ons heen. Michel heeft het echt niet zo met die beesten op, ik hou ze gewoon vriendelijk af. La mama leidt ons rond in het kleine huisje. Ze spreekt Italiaans en wat Duits en Frans. Michel vindt het maar amusant hoe ik met haar over simpele zaken babbel. In het Frans probeer ik het Italiaanse woord te vinden, lukt dat niet dan val ik terug op Duits, en als dat niet werkt zeg ik het in het Engels, wat ze al helemaal niet begrijpt. Maar we komen eruit, en ze glimlacht hartelijk bij alles.

Michel wil graag internet om zijn F1 races te kijken. Eigenlijk gelijk na het uitpakken van de auto zit hij al met zijn laptop op het terras. Het is aan mij weer om internet te regelen, dus dat doe ik. Na wat gedoe met slecht signaal komt la mama ons een repeater brengen. Als we die in de zijslaapkamer (mooi uit de looproute, maar recht in lijn met het terras) inpluggen, werkt het allemaal ineens een stuk sneller.

Michel hoor ik niet meer, ik kan verder met lezen en onderuit zitten. Ik heb het geschaft, we zitten weer in een fijn huis.

Vroeg in de avond klussen we samen weer wat in elkaar: de klamboe moet worden opgehangen. Er is geen haak aan het plafond, wel aan de muur: daar hangt een groot schilderij aan. Dus ik zet met beleid het schilderij in een hoek op de grond en we knuppen een touw aan de haak en aan de bovenkant van de tegenoverliggende kledingkast. Daartussen hangen we het muggennet op. Gefikst! Wij kunnen lekker slapen.

Ik doe nog een rondje door het bos. Om ons heen staan een vijftal volières. Daarin zie ik tot mijn plezier parkieten en agapornissen. Die laatste heb ik zelf gehad in mijn kindertijd, toen mijn stem nog zo hoog was dat ik schel met ze mee kon tsjilpen. Nu lukt dat me niet meer. Ze zijn wel prachtig om te zien.

Michel merkt op dat er de hele tijd een radiootje aanstaat in het bos, en ik vraag Sara waarom. Dat is om de vossen op afstand te houden, antwoordt ze. Di papa zal het radiootje iets zachter zetten en van ons af draaien. Ik vind het wel grappig, het is namelijk dezelfde Italiaanse zender als ik regelmatig thuis luister.

Omdat we ’s middags al uitgebreid geluncht hebben eten we nu bruschette. Ik ben er maar blij mee, zo’n vriend die zo’n plezier heeft in eten klaarmaken. ’s Avonds, als de muggen ons te erg te grazen nemen, gaan we naar bed.

maandag

Hoe fijn het hier ook is, ik slaap weer niet goed. Het was vannacht zo donker dat ik er gewoon bang van werd. Ik kon letterlijk geen hand voor ogen zien en dat benauwde me. Ten einde raad keek ik maar naar een heel klein rood ledje van de muggenverdelger in het stopcontact. Ademhalingsoefeningen brachten me weer in slaap. Hopen dat dat morgennacht beter gaat.

Zodra we ’s ochtends beide wakker zijn gaat Michel naar de woonkamer om zijn telefoonlader te zoeken. Weldra hoor ik een mismoedige kreet. Ik hobbel erachteraan.

Michels zwarte reistas blijkt ongevraagd overstroomd te zijn door een oude fles zonnebrandcrème. Hoe die daar kwam weet hij wel ongeveer. Jaren geleden deed hij de fles in zijn gele reistas, maar deze vakantie ontbrak het hem aan plek. Dus had hij het ding verplaatst naar zijn zwarte tas, ook wel ‘de electronicatas’ genaamd. In onze volgestouwde auto was de fles opengesprongen en had gisteren en vannacht compleet leeggelekt over al Michels zaken met een stekker eraan.

Beteuterd vis ik de mooie retro bluetooth speaker, die ik hem eens cadeau gegeven heb, uit de tas. Niet alleen is hij helemaal besmeurd met witte crème, ook heeft hij flink in de verdrukking gelegen. Terwijl Michel alle andere waar met doekjes schoonmaakt ontferm ik me over het apparaatje. Zonde toch…

Zo zitten we even later aan het ontbijt. Het is heerlijk hoor, zonnig, met geruis van de bomen, getsjilp van de agapornissen en het geknirps van de cicaden. En ik, Heidi, die probeert de zorgvuldig schoongepoetste speaker weer met één van onze telefoons te laten verbinden. In de krochten van het internet vind ik in een handleiding de knoppencombinatie die tot een algehele reset moet leiden. Ik druk ze in en hoor een verward geluidje uit de speaker komen. Daarna kunnen we weer verbinden! Hoera, wat opgelost.

Voor de lunch maakt Michel piadine in de oven. We zitten op onze privé-verranda, af en toe komt er een hond of een kat voorbij. Ik draai twee wassen; één voor de reguliere kleding, en één voor Michels zwarte tas. Dan is de geurige crème er ook weer uit.

Morgen gaan we naar Elba, dus vandaag halen we vast de fietsen uit de achterbak. Ik heb zoveel gegevens van onze Alfa op moeten geven, volgens mij checken ze ook op gewicht. Dan kunnen we die dure fietsen maar beter thuis hebben staan, dan dat we ze in Piombino aan een boompje moeten binden.

’s Middags drinken we nog een espresso, ik schrijf aan mijn reisverhaal, Michel kijkt Formule 2. Zo gaat de dag voorbij.

dinsdag

Vandaag gaan we naar Elba! Daarvoor moeten we eerst zo’n 40 kilometer op de snelweg naar het zuiden. In Piombino zullen we, met auto, ons geboekte plekje op de veerboot innemen. De prijzen zijn niet mals, maar Michel wil er (bij navraag) al tien jaar echt heel graag heen, dus vind ik dat je zoiets gewoon eens moet doen.

Het haventerrein in Piombino is duidelijk één van de minder onderhouden locaties in Italië. Links en rechts zien we verpauperde ticketkantoortjes langs de weg. De richtingsborden zijn oud en verweerd, de straten bestaan uit verschillende plakken asfalt. Als we de navigatie niet hadden was het maar een hachelijke rit geworden.

We rollen precies op tijd de wachtrij in en kunnen binnen vijf minuten aan boord. Onze auto manoeuvreren we tussen de anderen en we kunnen gaan. Snel weg van het rokerige parkeerdek. Naar boven, in de wind en in de felle zon. Na een tien minuten varen we uit en beginnen we aan een uur lange tocht over de Tyrreense zee. Het is heerlijk. We staan buiten, kijken hoe het schuimende water onder de boeg door bruist, en hoe de zeemeeuwen gebruik maken van de lift boven de voorsteven van de boot. Telkens cirkelen ze boven onze hoofden, deinend, hoog, laag, tot ze iets anders besluiten, of een windvlaag hen vangt. Dan taaien ze in glijdende beweging af naar de achtersteven van de boot, om binnen een paar minuten weer terug te komen. Zo reizen meeuwen met gemak mee van Piombino naar Portoferraio, en terug.

In de aankomsthaven rollen we de auto van de boot en rijden de stad uit. We hebben eigenlijk geen bestemming, we willen gewoon een leuk rondje rijden. Dus stel ik de navigatie in op ‘Il Postale’, een goed beoordeeld koffiehuisje in Procchio, een klein dorpje aan de noordkant van Elba. We zetten de auto weg en gaan voor een cappucchino met een brioche. Die hadden we deze zomer nog niet echt gehad! Onze enige poging, bij de verdwenen Autogrill, was alweer twee weken geleden. Dus hier eten we een betere.

Dan stappen we weer in ons warme vehikel en rollen zuidwaarts. Ik heb een kustplaats in het westen ingesteld en daarvoor steken we het eiland schuin over. Eerst rijden we nog achter een opmerkelijke auto, die een opgeblazen rubberboot niet goed vastgebonden heeft op het dak. Bij elke versnelling klapt de boot omhoog. Michel houdt maar wat afstand, tot de automobilist het ook doorheeft, en de auto aan de kant zet. Zo, kunnen wij door, en iets meer om ons heen kijken.

Eigenlijk is Elba gewoon een verlengstuk van het Italiaanse land. Het is een eiland; in die zin doet de groepering van de bebouwing je aan Lanzarote denken. Overal zijn plukjes huizen. Het één leidt naar het ander, en omgekeerd, en als je maar ver genoeg doorrijdt, zie je vanzelf weer de zee. Qua bouwstijl is het niet als het Spaanse eiland. Oké, er is in het binnenland alleen laagbouw. Maar er is een grotere variëteit aan kleuren huisjes, met anders gekleurde kozijnen. Er is een overdaad aan begroeiing, landbouw, en er graast vee. Het ziet er in alles een stuk leefbaarder uit.

We zoeven door en bereiken de zuidelijke kustweg. De zon brandt op ons dak en aan onze linkerhand zien we ver onder ons de schitterende helderblauwe zee. Zo rijden we een tijdje, worden door een ambulance ingehaald, rijden nog een tijdje. Ik wil eigenlijk wel stoppen bij een rustig dorpje met een kiezelstrand. Dat heb ik al gevonden, dus aldaar gekomen zoeken we een parkeerplaats.

Maar och, half Elba lijkt dit strand ook te hebben ontdekt. Het zou nog wel zo afgelegen zijn. We rijden zo ver mogelijk naar beneden, tot de aangewezen parkeerplaats, maar die staat helemaal bombarstensvol. Om te keren rijdt Michel er toch in, maar dan staat er opeens een dikke SUV achter ons. Hij moet verder. ‘Misschien kunnen we net een rondje rijden, en dan zo langs de andere kant er weer uit’ opper ik. Omdat we simpelweg niet terug kunnen, proberen we dat maar. We komen in de bocht vast te zitten, met de SUV nog steeds op onze hielen. ‘Jij moet even buiten aangeven hoe ver ik kan’ zegt Michel een beetje bedrukt. We moeten na een krap bochtje van een hellinkje af, met strak links naast ons een muurtje, en rechts gelijk alweer een geparkeerde auto. Ik ga voor de auto staan en dirigeer Michel zo goed mogelijk tussen beide door. Het achterwiel raakt iets geschampt, maar niet ernstig. Vanaf daar kunnen we heel voorzichtig tussen de auto’s door het terreintje weer verlaten. Michels stuurmanskunst vind ik echt roemenswaardig. Waar de SUV gebleven is? Dat weten we niet. Maar ons volgen door dat nauwe bochtje kon zeker niet. Not our problem, bye!

We rollen door naar het volgende dorp en houden even stil op een parkeerplaats langs de weg. Van daar hebben we een fantastisch uitzicht over het diepblauwe water. Het is betoverend.

Ik tik een restaurant in Chiessi in. Gelukkig vinden we een parkeerplaats direct aan de overkant – wel midden in de brandende zon. We eten weer een lekkere lunch en ik stel voor hier beneden nog even te gaan zwemmen. Michel loopt met enig gemorrel een eindje met me mee. Al snel staan we teleurgesteld bovenaan een veel te druk klein keienstrand, zonder enige schaduw. Hier gaan we niet zwemmen.

Aan de noordkust moeten stranden met schaduw zijn, bedenk ik me. Dus laten we dáárheen gaan. Ik ben vandaag wel op volle toeren als navigatrice.

We strijken neer in het plaatsje Marciana Marina, op een redelijk koel schaduwrijk parkeerplaatsje. Vanaf daar wandelen we naar de kust met onze zwemspullen. Terwijl Michel op een muurtje wat op zijn telefoon zit te scrollen, kleed ik me en plein public om en neem ik een duik in het water. Heerlijk. Ik zwem een beetje rond en geniet van het zout op mijn lippen. Verderop ligt, hoe leuk, restaurant Umami.

Na een half uurtje zwemmen kom ik er weer uit, kleed me weer om, en gaan we samen een sorbet eten bij een ijssalon. Tijd om daarna voor een souvenirtje te snuffelen heb ik niet: we moeten richting de boot, anders vertrekt die zonder ons!

We zoeken de auto weer op en zetten koers naar Portoferraio. Het wordt nog een mooie rit in de namiddagzon, wederom door een stukje binnenland van Elba. We zijn nagenoeg overal geweest, behalve in het zuidoosten. Al snel komt de grote havenstad weer in zicht en kunnen we aansluiten op het haventerrein. Toch? De navigatie stuurt ons rond, wel naar de haven, maar… er is geen ingang naar de wachtrij. Die is ook maar heel kort, want bijna alle auto’s zijn de boot al op. Een laag betonnen muurtje scheidt ons van de steeds leger wordende plak asfalt.

Michel gromt. ‘Ik moet hier in! Hoe moet dit nou!’ vertwijfeld laat hij zich door de navigatie nogmaals een rondje door de stad sturen. Het wordt nu toch echt wel tijd om in te schepen. Dan ziet hij een auto het terrein verlaten. Voor de doorgang staat met nadruk dat je daar het terrein niet op mag rijden. Maar het lijkt de enige kans! Terwijl de automobilist tegenover ons wild gebaart drukt Michel zijn Alfa behendig door de doorgang. Hij maakt met een een U-bocht naar rechts en scheurt naar de oprit van de boot. Gehaald! Hoe dit eigenlijk moest zien we later wel.

We parkeren onze bolide weer op het autodek en zoeken weer een plekje met uitzicht. Dat is niet makkelijk te vinden, dus pakken we maar een bankje aan de zijkant. Daar wordt gerookt door de kapiteins, geen wonder dat er niemand zat. Na nog wat verkassen staan we in de frisse wind op de voorsteven en laten ons terug naar Piombino blazen.

We rijden tegen de avondzon in terug naar ons huisje. Michel maakt een plankje met kaas en worst. Gisteren hebben we in de supermarkt een venijnig middel tegen muggen gekocht. ‘Vape’ is het merk, de mega-spuitbus heeft maarliefst twee toeters, en het middel vermoordt en verjaagt voor zeker acht uur alle vliegende insekten waar je het sprayt. Uit voorzorg sprayen we niet als de huiseigenaren (of hun huisdieren) in zicht zijn. De eerste avond werkt het beter dan de tweede.

woensdag

Dit is een lome dag. Na het ontbijt gaat Michel even op zijn fiets naar de Conad. Mooi, heeft hij de fiets ook een keer gebruikt. Hij komt terug met een hoop zweet op het voorhoofd en een klein rugzakje met wat kleine zaken. Ik voel me niet zo goed. Mijn armen doen pijn (van het zwemmen?), ik voel me slapjes, eigenlijk: helemaal niet goed. Dus ik ga even op bed liggen en val pardoes in slaap.

Een uur later word ik weer wakker en voel me eigenlijk wel weer okay. We bespreken wat we deze avond gaan doen. Dat wordt met de auto naar het strand. We cruisen half Cecina door en zetten de auto op een veldje net achter het bos.

Het bos, het typische pijnbomenbos, is heel merkwaardig om te zien. De bomen en de zachte ondergrond dempen alle geluid. Van de drukke rand van de stad sta je zomaar ineens in het fluisterstille niets. Het licht in het bos is eveneens dim, tenzij je naar het westen kijkt. Daar straalt het je tegemoet, alsof je recht een heldere witte muur tegemoet loopt. Als je wat langer je pad vervolgt, merk je op dat er zich overal in het bos mensen bevinden. Hun geluid draagt nou eenmaal niet ver. Je ziet ze pas op het laatste moment, wandelend, picknickend, of foto’s makend.

Michel en ik kiezen een pad door het verende dek van stof en naaldjes en vinden onze weg naar de zee. Daar opeens neemt de ruis in je oren toe, en voor je het weet hoor je het bulderende water van de zee. Ineens zijn daar weer de schelle stemmen, het gejoel van strandgangers. Je staat aan zee.

Gelijk wordt het zand diep en mul en moet je die laatste bult over voor je je op het strand bevindt. Hier gaan de schoenen uit, want je zakt tot halverwege je enkels weg.

We zoeken een plekje tussen de andere badgasten en kleden ons onopvallend om. Het water is heerlijk, ook al is het al in de schemering. We duiken erin, zelfs Michel zwemt een stuk. Ik ga in de branding zitten en laat golf na golf me omduwen. Michel snapt er de lol niet helemaal van, maar ik vind het echt prachtig. Ik heb weinig met de zee an sich, maar als een golf me zo onverwachts omspoelt vind ik dat weer zo’n teken van de aarde dat wij als mens altijd kleiner zijn dan de natuur. Ik ben gewoon romantisch.

In de verte horen we een jongen op een ukelele tokkelen. Hij maakt al wandelend zijn vriendinnetje het hof. Van een andere kant rent een puber achter een enorme strandbal aan. De bal krijgt vaart door de wind en de puber holt er telkens net te langzaam achteraan. Zijn vader volgt ook maar, zo ver rolt de bal weg. Verderop wordt het hele zwik tegengehouden door een andere badgast. Zo, alles weer terecht, terug naar je handdoek.

Oh nee, zien we – het ist kwart over acht, om half negen gaat volgens Google Maps de Conad dicht. Snel drogen we op, kleden ons om, wandelen weer door het bos, en stappen in de auto. Michels favoriete Conad halen we niet meer (de sluipweg door Paduletto is nu zéker geen optie), dus dan maar naar eentje in de stad.

We belanden bij een wel heel kleine, louche Conad City, die breed op de gevel heeft staan dat alle Conads in de zomermaanden wel tot tien uur ’s avonds open zijn. Zin om naar de andere winkel te rijden hebben we nu niet meer (je weet maar nooit…). Na onze inkopen rijden we de Via Repubblica weer af, op naar huis.

Michel maakt tagliata, een heerlijke biefstuksalade. We zitten nog lang buiten. Onze huiseigenaren zijn vanavond de hort op, je voelt de afwezigheid. De vogels zijn al gestopt met kwinkeleren en zo nu en dan wandelt er een hond of een kat voorbij. Heel ver weg draait feestmuziek. Ik schrijf, Michel leest. Tijd voor bed.

donderdag

Vandaag staan we voor ons doen laat op. De huiseigenaren zijn terug; we horen ze al in het huis achter onze slaapkamer rondstommelen. Na het ontbijt checkt Michel zijn beide fietsen. Eigenlijk wil hij me meenemen op een ritje, maar daarvoor moeten de fietsen wel in orde zijn.

De fiets die hij voor mij bedoeld heeft, heeft nog kliktrappers. Daar kan ik met mijn schoenen niet op. Dus moeten er andere, normale trappers op, maar dat gaat met net een ander boutje dan waar hij schroevendraaiers voor meegenomen heeft. Hij laat me liever niet op zijn fiets gaan, want ongeacht hoe de trappers daar vastzitten: die fiets ontbreekt het aan een goede voorrem. Dat zou gemaakt zijn, maar werkt totaal niet. Michel vindt het onverantwoord om mij daarmee te laten fietsen.

We willen vandaag naar de Grotte Gialle (de gele grotten) die op een kilometer van het huisje liggen. Fietsend zou leuk zijn geweest, maar dat gaat dus niet. Daarom pakken we de auto maar weer. Ik heb naarstig uitgezocht hoe die grotten te bereiken zijn. Het is totaal niet toeristisch en de enige aanwijzingen vind je op Google Maps, aangevuld met wandelpaadjes op OpenStreetmaps. Michel zegt er te fiets wel eens geweest te zijn, en wil er vanaf de noordkant naartoe wandelen. Daarvoor heb ik echter geen routebeschrijving. Ik prefereer zuidwest. Dat doen we uiteindelijk.

We pakken de auto en suizen door de hete velden naar de aangewezen plek. Daar zetten we de auto neer en gaan verder wandelen. Oh, heb ik weer een lange broek aangedaan, omdat er in de beschrijving stond dat het pad onbegaanbaar zou zijn! Niks is minder waar. We lopen een kleine tien minuten over een prachtig uitgesleten bospad waar je zelfs op slippers nog weg zou komen, en stuiten zonder moeite op de gele grotten.

Imposant, verlaten, warm. Gelukkig ligt het allemaal tussen de bomen. We lopen gebukt door de gangenstelsels en maken wat foto’s. Dan hebben ook twee andere stellen toeristen de plek gevonden en wordt het lastig om nog verder te fotograferen. Tsja, dit was het dan. Uitzonderlijk, mooi, helaas niet erg goed gepreserveerd, dus blij dat we het nu zien nu het er nog mooi bij ligt.

We rollen de auto weer terug naar huis en kleden ons om naar iets luchtigers. ‘Zullen we wat rondrijden?’ stelt Michel voor. Ik heb mijn mooie zomerjurk aan, lijkt me een prima plan.

Eerst rijden we via Bibbona naar Castagneto Carducci. Voor mij herkenbare namen op de kaart, voor Michel een keur aan locaties waar hij ‘pas nog (lees: ooit eens) gefietst heeft’. Hij zou er ook zo weer fietsen. Ik vind het mooi eindelijk eens een beeld te krijgen bij al die plaatsjes, die ik bij het zoeken van vakantiehuisjes tegenkom.

In Castagneto Carducci parkeren we en gaan we lunchen. Michel vertelt over vroeger, met wie hij hier at, wie hij hier tegenkwam. Hoe hard het er eens regende, en hoe de keuken van de ene tent minder werd, en we dus nu bij een ander wijnlokaaltje, dat haar kaart uitgebreid heeft met gerechten, lekker de middag doorbrengen. Het uitzicht is hier geweldig, we zitten echt aan de rand van zo’n typisch suikertaartdorpje. Beneden ons duizelt de afgrond, gaat in een curve over tot de vlakte, die zich uitstrekt tot aan zee.

Dit restaurantje onthouden we voor de toekomst. We lopen nog even door het stadje naar een loeiheet, maar geweldig uitzichtspunt, en stappen dan weer in de auto. Michel weet een binnendoorweggetje naar beneden, maar kan het niet vinden. Daarop steekt hij hachelijk achteruit op een eenrichtingsverkeer-weg. We schampen een plaatsbord maar komen ongezien weg.

We gaan door de landerijen naar Casale Marittimo. Ik laat me verrassen. Wat is het mooi hier. Ik kan het niet vaak genoeg zeggen. Echt, ik houd van de Alpen, van het hoge grillige gebergte, dat als een mantel om de bewoonde dalen ligt. De hoge, koude toppen, waar het onmenselijk is, maar waar misschien net wel een bergbeklimmer of een geit naar je staat terug te kijken. Dat alpenland is zo’n wereld van dramatische contrasten. Hier is het vlak, deinend, loom, en vaak heet. Hier zegt een klok ook eigenlijk niets, want het leven gaat gewoon zoals het komt.

Her en der zie ik huisjes staan waarvan ik wel zou willen, dat het vakantiehuisjes waren. Dicht bij de kust, en toch lekker afgelegen! Deze regio moet ik onthouden voor volgend jaar.

In Casale Marittimo parkeren we aan het begin van het dorp (illegaal, zo blijkt later), en wandelen in de schaduw naar de klokkentoren. De straatjes zijn weldra nauw en de muren van oude stenen. Het is een prachtig sfeervol stadje. Onder de klokkentoren zit een man in een tuinstoel op zijn telefoon te scrollen. Als de klok slaat verplaatst hij zijn stoel naar de andere kant van de straat. We weten niet waarom.

Ik ben moe geworden, we hebben beiden dorst. We drinken uit een waterpomp aan het plein. Heerlijk verfrissend. Bij terugkomst stappen we in de auto en rijden het dorpje weer uit. We moeten links uitwijken, want de rechterbaan waarop we rijden eindigt vreemd genoeg op een kerk. ‘Als je dan hier ’s avonds dronken bent’ oppert Michel olijk ‘wandel je dan zo de kerk in?’

We slaan linksaf de grote weg rondom het stadje op. Het is nu… rechtdoor naar huis. Verhip! We zitten gewoon al op de weg die langs ons bosperceel naar Cecina loopt. Wat mooi.

Maar, we rijden nog even rechtdoor, omdat ik bij restaurant Da’Vi wil reserveren, maar dat lukt me onverwachts online al terwijl we erheen rijden. Dan maar langs de Coop, en terug naar huis. We eten buiten aan tafel, internetten wat, en lezen onze boeken. Dan lekker douchen en naar bed.

vrijdag

De laatste hele dag alweer, wat ging deze week snel! We hebben vannacht het gordijn open gelaten. De zon strooit lichtvlekken over ons bed en kriebelt ons wakker. Als we evenlater aan het ontbijt zitten trekt de zon zoals elke dag verder over het erf. Overal liggen katten te maffen. De honden liggen er verstrooid tussen.

Er is nog iets dat ik wil regelen, en dat is de zekering van de sigarettenaansteker in de auto. Die kunnen we op de terugweg namelijk goed gebruiken voor de elektrische koeltas. Volgens Michel werkt hij al maanden niet, maar wie weet kunnen we dat met een kort bezoekje aan een lokale garage fixen.

Naarstig zoek ik het internet af en vertaal in het Italiaans wat we straks de garagehouder moeten vertellen. Ondertussen is Michel al in de auto gaan zitten en heeft, met mijn informatie, het zekeringenluikje opengekregen. Hij zoekt online de handleiding erbij en vindt de bewuste zekering. Ik kom er maar eens bij zitten. Michel pulkt met twee vingers aan het bewuste rode jumpertje in de rij. Met geen mogelijkheid is het ding te grijpen. In de handleiding staat iets van een tangetje… rechtsboven. ‘Dit?’ zegt Michel, terwijl hij heel plotseling met het ding in handen zit. Okay. Het tangetje dus. Met gemak trekken we de jumper tussen zijn vriendjes weg.

Michel kijkt er eens naar. ‘Zou ie doorgebrand zijn?’ Ik kijk ook. Het draadje in het plastic is door, net als bij een kapotte gloeilamp. ‘Denk het wel’ beaam ik. Goed, dan moeten we naar de garage voor een nieuwe zekering. Maar niet voordat ik een rijtje ‘spare fuses’ aan de linkerkant van het luikje heb opgemerkt. Met het tangetje plukken we er eentje van het juiste ampèrage uit en steken die behendig in het lege slot. We zetten de auto op contact. Pluggen de koeltas in. De ventilator draait!

Blij geven we elkaar een high five. Wij kunnen samen een zekering verwisselen!

’s Middags rijden we naar Cecina Mare en wandelen naar Da’Vi. Ik heb nog geen bevestiging van mijn reservering vanavond en wil het even zeker weten. Zodra we binnenlopen komt de eigenaar ons tegemoet. Ik informeer. ‘Ah, Heidi, beh?’ Ik zeg frivool ja. Alsof hij me herkent. ‘Ik was hier twee jaar geleden ook’ schep ik er bovenop. ‘Precies!’ zegt hij tot mijn verbazing. De reservering is bevestigd, we kunnen terug naar huis. Michel moet erom lachen. Met mij op avontuur…

We lopen langs een pizzarestaurant, en tsja, het is wel lunchtijd, en tsja, we hebben nog helemaal geen pizza gegeten deze vakantie. Dat is niet vreemd hoor, want het valt Michel moeilijk om andermans pizza met smaak op te eten. Maar hier wil hij het wel proberen.

Eerst even terug naar de parkeerplaats, want we moeten onze parkeertijd verlengen. Michel wacht in de rij op een stel waarvan de dame bij de automaat staat en met lange nagels probeert het gevraagde kenteken in te toetsen. Haar man staat een paar meter verderop bij de auto en schreeuwt haar de letters en cijfers toe. Tot ons afgrijzen blijft ze het maar verkeerd begrijpen en verkeerd intoetsen. Haar man raakt ook gefrustreerd. Eindelijk lukt het en kan Michel zijn ticket bijkopen. Terug naar de pizzeria…

We zetten ons aan een tafeltje onder een pergola, half op straat, en maken er een mooie lunch met bruiswater en prima pizza van.

We rijden naar huis en blijven daar nog wat bij het huisje hangen. Michel wil nog koelvloeistof kopen en ik zoek garages die dat mogelijk kunnen hebben. Ik vind er een aantal, en kort voor ons bezoek aan Da’Vi zullen we er langs gaan. Maar we vertrekken al laat… en de eerste paar garages blijken ook nog eens dicht. Ten einde raad sjezen we dan, vlak voor sluitingstijd, maar naar een garage die nog wel open is. In een mum van tijd wordt Michel een fles van het goedje tegen een veel te hoog bedrag verkocht. ‘Pech’ zegt hij terwijl hij terug in de auto stapt. ‘Haastige spoed is zelden goed.’

We rollen door naar Da’Vi en parkeren nu aan de andere kant van de boulevard. Het is verder lopen dan we denken en we komen zeker tien minuten later dan onze reservering aan. Maar, dat geeft onze Vietnamees-Italiaanse gastgevers niets. We krijgen een mooi tafeltje buiten op het terras en kunnen aan onze maaltijd beginnen.

Dit is onze laatste avond, dus we laten het ons goed smaken. Ik bestel iets te vaak per ongeluk gerechten met langoustines. Sinds ik bij vriend Fester eens een vakantie lang op zijn garnaal (en vis) heb gepast, vind ik het gewoon erg zielig om zo’n soortgelijk zeebeestje zo ellendig op mijn bord aan te treffen. Ze dan nog met de hand ontleden en opeten gaat me steeds meer tegenstaan. Maargoed, volgende keer beter lezen; met een glimlach werk ik me er doorheen.

We eten veel te veel vanavond. Maar alles is lekker en de eigenaren van het restaurant zijn ook heel hartelijk. We worden uitgezwaaid en hopen dat ze er volgend jaar nog zijn. Met dikke buiken strompelen we naar de auto terug. Pfoe… lekker slapen… oh, ja, tot vier uur vannacht. Want dan moeten we naar huis…

zaterdag

Zoals gezegd gaan we om vier uur, met straffe tegenzin, uit bed. We pakken de laaste dingetjes in en Michel herinnert zich net op tijd dat hij de koelvloeistof nog bij wil vullen. Dus, dat doet hij. Het is buiten, en zeker zo in het bos, nog erg duister. De honden komen kijken waar we mee bezig zijn.

Dan, als alles ingepakt en schoongemaakt is, sluiten we het huisje af en rijden we om 5:10 weg. Op naar het noorden, waar Nederland wacht.

Al gauw zitten we op de snelweg ten noorden van Cecina. De zonsopgang is overweldigend, prachtig. Omdat het land zo vlak is kun je de rode bal gewoon zien branden aan de oostelijke horizon. Dan doemen de Apennijnen op aan de horizon en houdt de zon zelf zich nog een tijd schuil. Ik vergaap me aan deze prachtige uitzichten, Michel rijdt kalm door. Hij rijdt dit ieder jaar, ik voor de eerste keer.

Tegen half zeven zijn we bij La Spezia. Mismoedig merkt Michel op dat hij vergeten is om een voorraad fette biscottate in te slaan. We waren gistermiddag ook zo onderweg naar alles… hij is werkelijk wat sip. Hoe komt hij de komende maanden in Nederland nou door, zonder zijn geliefde ontbijtcrackers?

We suizen voorbij aan Parma en naderen Milaan. Ik kom op een idee. Op mijn telefoon zoek ik een Conad-supermarkt op, één van de noordelijkste van Italië. Die ligt ten zuidwesten in de ring rond Milaan, bij het ons welbekende Lainate. Als we daar even van de snelweg gaan kunnen we er net langs…

…maar bij Milaan krijgt de navigatie het druk en moeten we van rondweg naar rondweg slingeren. Michel mist een afslag en roept mijn hulp in. Ik weet het ook zo snel niet. Soms geeft de navigatie wel drie banen aan en zie je pas na de splitsing dat je de verkeerde hebt gekozen! Zuchten bezinnen we ons op terugrijden, als we weer richting het noordwesten worden gedirigeerd. Há! We gaan via de voorsteden naar de Conad in Lainate.

Michel weet werkelijk niet wat hem overkomt, maar laat zich gedwee door alle verfomfaaide Italiaanse buitenwijken sturen. Toegegeven, dit is geen ‘voorspoedige terugreis’ zo. Maar we komen er. Om stipt negen uur rollen we onze Audi op een parkeerplaatsje recht voor de Conad in het slaperige Lainate. We wandelen goed geluimd naar binnen en gaan recht voor het pad met ontbijtgranen. Lokale bewoners kijken ons vol verbazing aan. Toeristen! Hier!

Michel grijpt vijf pakken fette biscottate en zet koers naar de kassa. Een oud heertje biedt ons zijn klantenpas aan voor een whopping € 1,50 korting. We zijn een attractie hier. In feeststemming verlaten we de supermarkt en vervolgen onze weg.

Al gauw zitten we weer op de bekende snelweg. Helaas komen we er wel net op ná de beroemde Autogrill, maar daar wilden we op dit uur toch niet heen. We suizen door.

Bij Como en Chiasso weet ik ons weer perfect door de Dogano Chiasso-Strada te leiden, de grensovergang in het centrum en niet op de snelweg. Daar zijn we snel doorheen, vermoedelijk sneller dan het via de snelweg zouden zijn gegaan.

We stoppen iets verder voor een kop cappuccino en een bezoek aan het toilet. Dan weer de weg op, Zwitserland door. Michel vraagt me om de Gotthardpas weer via de Gotthardstrasse te doen. Dat vinden we leuk, leuker dan in de file voor de tunnel staan. Dus ik probeer een zo exact mogelijke locatie te vinden om zeker te weten dat de navigatie ons via de pas leidt. Dat wordt de ‘Gotthardstrasse’ – beter kan het niet. Dat merken we dan ook als we eenmaal op de pas zelf zijn!

Stuurt de navigatie ons eerst nog netjes met de stroom auto’s mee naar boven, eenmaal daar worden we rechtsaf een klinkerweg op geleid. Eerst denk ik nog dat Michel even wil stoppen, maar niets daarvan; hij volgt gewoon de routeinstructies. Dus rollen we langs alle toeristen de klinkerweg af… verder… tot die weg gewoon het hele dal doorgaat!

Boven ons slingert de geasfalteerde weg. Her en der komen we voetgangers en motoren tegen. Dit is écht dé oude Gotthardstrasse. Oeps! Een beetje besmuikt rollen we helemaal naar beneden, tot we daar weer aansluiting vinden op de geasfalteerde route. Was mooi, nu weer door!

In Luzern lunchen we in de warme zon op een prachtig terras temidden van de Alpen. We nemen een lekkere uitgebreide Thaise visschotel opdat we maar genoeg hebben om de rest van de lange dag mee door te komen. Nog even buiten zitten op het terras, en dan gaan we de auto weer in. Die is inmiddels behoorlijk heet. Het bijvullen van koelvloeistof (jeetje, dat leek wel vannacht) heeft iets geholpen, maar de airco werkt echt niet op volle kracht. Hup, hard rijden dan maar, dan koelt de boel weer af.

Helaas is dat niet echt zo. In Duitsland loopt de hitte alleen maar op. Basel, Karlsruhe, Mannheim, Stuttgart… afwisselend rijden we met de raampjes open, of met airco. De thermometer geeft aan dat het op de motorkap wel 36 graden is! Michel verwisselt zelfs zijn spijkerbroek voor een korte bermuda. Ik voel me enigszins gezegend dat ik zowel wat kan slapen als af en toe van houding kan veranderen. Michel zit daar maar, grotendeels op cruise control toch, maar hij moet wel fiks opletten.

We jakkeren de verzengend hete Duitse snelwegen af, noordwaarts, noordwaarts. Ik opper op een gegeven moment nog om door een wasstraat te rijden, opdat de auto zo door het water iets af zal koelen. Maar dat vindt Michel gekkigheid. Hij wil door. Dus zweten we weg in onze zwarte oven en zien we tergend langzaam het aantal kilometers tot aan huis afnemen.

Eindelijk, eindelijk komen saaie plaatsen als Borken en Gronau op de borden. We mogen stoppen met mindless suizen. Ik ben bijna thuis. Michel gooit mij met al mijn spullen bij huis eruit en rijdt door naar Hengelo. Zo. Het zit er helaas weer op!